<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:GHSHE:2025:3431</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2026-05-25T10:02:52</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2025-12-01</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Gerechtshof_'s-Hertogenbosch" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Gerechtshof 's-Hertogenbosch</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2025-10-30</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">000829-25</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#hogerBeroep">Hoger beroep</psi:procedure>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#raadkamer">Raadkamer</psi:procedure>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#beschikking">Beschikking</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">'s-Hertogenbosch</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#strafrecht">Strafrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
          <rdf:li>NJFS 2026/133</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHSHE:2025:3431">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHSHE:2025:3431</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2026-03-09T15:50:36</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2026-03-09</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:GHSHE:2025:3431 Gerechtshof 's-Hertogenbosch , 30-10-2025 / 000829-25</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:GHSHE:2025:3431:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>De rechtbank heeft geoordeeld dat het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk is in de vordering gevangenhouding ten aanzien van de feiten 1 tot en met 5 nu de verdachte voor deze feiten na zijn aanhouding was heengezonden. Alles overwegende wijst het hof toe het hoger beroep van de officier van justitie en beveelt alsnog de gevangenhouding van de verdachte ter zake de feiten 1 tot en met 5, zoals genoemd in de vordering tot inbewaringstelling, voor de duur van 90 dagen.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:GHSHE:2025:3431:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <section>
    <title>GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>Raadkamerappelnummer:	AVNR. 000829-25</para>
      <para>Parketnummer 1e aanleg:	02-252051-25</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Het gerechtshof ’s-Hertogenbosch heeft gezien de akte van de griffier van de rechtbank Zeeland-West-Brabant, locatie Breda van 10 oktober 2025, waarbij door de officier van justitie in de zaak tegen:</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>
      [naam verdachte]
    </title>
    <parablock>
      <para>geboren [datum] 1992 te [plaats 1]</para>
      <para>wonende te [adres]</para>
      <para>thans verblijvende in P.I. [detentieplaats]</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>hoger beroep is ingesteld tegen de beschikking van de rechtbank Zeeland-West-Brabant, locatie Breda van 7 oktober 2025, bij welke beschikking enkel de gevangenhouding van </para>
      <para>
        [naam verdachte] werd bevolen ten aanzien van de feiten 7 tot en met 11 en het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk is verklaard ter zake de feiten 1 tot en met 5, zoals genoemd in de vordering inbewaringstelling. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het hof heeft gezien de beschikking waarvan beroep.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het hof heeft gehoord de advocaat-generaal en de raadsvrouw van verdachte </para>
      <para>mr. N.M. Delsing.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het hof heeft gezien een schriftelijke verklaring van de verdachte, waarin deze kenbaar maakt afstand te doen van de mogelijkheid om in raadkamer te worden gehoord.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het hof heeft gezien de appelschriftuur van de officier van justitie van 10 oktober 2025, in welk schriftuur -kort weergegeven- de officier van justitie zich op het standpunt heeft gesteld dat de gevangenhouding alsnog voor de feiten 1 tot en met 5, zoals genoemd in de vordering tot inbewaringstelling, dient te worden bevolen.  </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het hof stelt vast dat het in deze zaak gaat het om de situatie waarbij verdachte eerder voor 5 feiten s aanvankelijk niet in bewaring is gesteld, maar na aanhouding binnen een termijn van 3 dagen en 18 uur is heengezonden en dus niet conform artikel 59a, eerste lid, van het Wetboek van Strafvordering is voorgeleid. Daarna is verdachte later alsnog voor die 5 feiten tezamen met vijf nieuwe feiten in bewaring gesteld. Bij de daarop volgende vordering tot gevangenhouding is de officier van justitie voor de eerste vijf feiten niet ontvankelijk verklaard, terwijl de vordering voor de vijf nieuwe feiten is toegewezen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De  vraag die nu aan het hof voorligt is of de officier van justitie in zijn vordering met betrekking tot de onderwerpelijke vijf feiten ontvangen kon worden.  </para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Het hof overweegt dat het in onderhavige kwestie gaat om feiten van 13 en 18 juni 2025, 7 augustus 2025 (twee feiten) en 11 augustus 2025. De verdachte is aanvankelijk na aanhouding voor deze feiten heengezonden. Op vordering van de officier van justitie d.d. 25 september 2025 heeft de rechter-commissaris op 26 september 2025 alsnog de inbewaringstelling van deze vijf feiten bevolen (feiten 1 t/m 5), alsmede de inbewaringstelling van 5 andere feiten (7 t/m 11) bevolen. Op 26 september 2025 heeft het Openbaar Ministerie de gevangenhouding gevorderd voor deze 10 feiten. Deze vordering is door de raadkamer van de rechtbank Zeeland-West-Brabant, locatie Breda, bij beschikking van 7 oktober 2025 slechts toegewezen voor de feiten 7 tot en met 11, zoals genoemd in de vordering tot inbewaringstelling. Tegen deze beschikking van de raadkamer heeft de officier van justitie bij akte rechtsmiddel van 10 oktober 2025 hoger beroep ingesteld. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank heeft geoordeeld dat het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk is in de vordering gevangenhouding ten aanzien van de feiten 1 tot en met 5 nu de verdachte voor deze feiten na zijn aanhouding was heengezonden. De rechtbank heeft daarbij  verwezen naar artikel 59b van het Wetboek van Strafvordering en recente jurisprudentie.  </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het hof stelt in dit verband allereerst vast dat het Openbaar Ministerie de gevangenhouding heeft gevorderd voor feiten waarvoor de verdachte door de rechter-commissaris reeds in bewaring was gesteld, zodat het Openbaar Ministerie in zoverre op grond van artikel 65, eerste lid, van het Wetboek van Strafvordering ontvankelijk is in de vordering. Bovendien is het hoger beroep door de officier van justitie aangetekend binnen de in artikel 446 van het Wetboek van Strafvordering gestelde termijn en is het hoger beroep derhalve ook in die zin ontvankelijk.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het hof oordeelt dat de bepaling van artikel 59b van het Wetboek van Strafvordering in beginsel niet van doorslaggevend belang is bij de beantwoording van onderliggende vraag. Het artikel ziet weliswaar op de situatie dat een verdachte al in vrijheid is gesteld binnen de termijn van 3 dagen en 18 uur van artikel 59a van het Wetboek van Strafvordering na aanhouding, maar bepaalt slechts dat de verdachte in dat geval niet meer <emphasis role="italic">behoeft</emphasis> te worden voorgeleid voor de rechter-commissaris teneinde te worden gehoord. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Dit beantwoordt nog niet definitief de vraag of de verdachte later alsnog <emphasis role="italic">kan</emphasis> worden voorgeleid teneinde  te worden gehoord en in bewaring te worden gesteld. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De verdediging heeft gedurende het onderzoek in raadkamer tijdens de behandeling van de vordering tot gevangenhouding in eerste aanleg beroep gedaan op een uitspraak van de rechtbank Zeeland-West-Brabant van 6 september 2023 (ECLI:RBZWB:2023:6323). Voor zover de rechtbank naar deze uitspraak heeft willen verwijzen overweegt het hof als volgt. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>In deze zaak ging het om de situatie dat de raadsman telefonisch van ‘ZSM’ een toezegging had gekregen dat verdachte met een dagvaarding zou worden heengezonden, wat is bevestigd door de behandelend politieambtenaar. Door in strijd met deze toezegging te beslissen tot voorgeleiden, was daarmee gehandeld in strijd met het vertrouwensbeginsel en de beginselen van behoorlijke procesorde. Daartoe overwoog de rechtbank verder:</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>‘<emphasis role="italic">Naar het oordeel van de rechtbank moet een advocaat kunnen vertrouwen op de juistheid van die informatie. Het is aan het OM om de organisatie en werkwijze van ZSM zo in te richten dat de informatie die vanuit ZSM wordt verstrekt correct is, maar ook door daartoe bevoegde personen wordt verstrekt. (…) Onder deze omstandigheden moet naar het oordeel van de rechtbank de vanuit ZSM aan de raadsman verstrekte informatie dan ook worden toegerekend aan het OM. Hieruit volgt dat de raadsman en ook de verdachte erop mochten vertrouwen dat hij niet zou worden voorgeleid. Door in strijd met deze toezegging te beslissen tot een voorgeleiding, is gehandeld in strijd met het vertrouwensbeginsel en de beginselen van behoorlijke procesorde.</emphasis>’ </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>In die uitspraak gaat het derhalve om de vraag of een door ZSM gedane toezegging mag worden toegerekend aan het Openbaar Ministerie, zodat de verdachte daaraan het gerechtvaardigd vertrouwen kon ontlenen dat hij niet zou worden voorgeleid. In die zaak oordeelde de rechtbank dat dat het geval was.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>In onderhavig geval staat vast dat de verdachte ter zake van de feiten 1 tot en met 5 telkens op heterdaad is aangehouden en kort na zijn aanhouding is heengezonden. Bij gebrek aan andersluidende informatie houdt het hof het er in deze zaak dan ook voor, nu uit de systematiek van het Wetboek van Strafvordering volgt dat de aangehouden verdachte zo spoedig mogelijk aan de (hulp)officier van justitie wordt voorgeleid, dat de verdachte voor deze feiten steeds door een (hulp)officier van justitie is heengezonden. In zoverre heeft de verdachte er naar het oordeel van het hof ook in deze zaak in beginsel op mogen vertrouwen dat hij voor deze feiten niet in voorlopige hechtenis zou worden gesteld en zijn berechting in vrijheid mocht afwachten. Het hof overweegt daarbij dat de herhaalde toepassing van dwangmiddelen voor eenzelfde feit slechts mogelijk is, wanneer sprake is van nieuwe feiten en of omstandigheden die deze herhaalde toepassing rechtvaardigen en dat bij gebreke daarvan sprake kan zijn van schending van het beginsel ‘<emphasis role="italic">nemo debet bis vexari</emphasis>’(vgl. Gerechtshof ’s-Hertogenbosch 7 november 2019, ECLI:NL:GHSHE:2019:4119).</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Sinds zijn in vrijheidsstelling is ten aanzien van de verdachte echter de verdenking gerezen dat hij zich, binnen een tijdsbestek van minder dan een maand na het laatste feit waarvoor hij was heengezonden, opnieuw aan een soortgelijk strafbaar feit heeft schuldig gemaakt. Daar zijn binnen een tijdsbestek van minder dan drie weken nog eens de verdenking van vier andere (gelijksoortige) strafbare feiten bijgekomen. Onder deze nieuwe feiten en omstandigheden is het naar het oordeel van het hof mogelijk ook voor de feiten waarvoor de verdachte eerder was aangehouden en heengezonden, alsnog de inbewaringstelling en daarop volgend de gevangenhouding te vorderen. Het hof ziet hierin dan ook geen reden het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk te verklaren in de vordering tot gevangenhouding voor de feiten 1 tot en met 5, zoals genoemd in de vordering tot inbewaringstelling.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De volgende vraag die aan het hof voorligt is of er voldoende ernstige bezwaren en gronden aan de orde zijn die dragend zijn voor de voortzetting van de voorlopige hechtenis ter zake de feiten 1 tot en met 5, zoals genoemd in de vordering tot inbewaringstelling. Het hof oordeelt in dit verband als volgt. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Uit het dossier blijkt dat verdachte wordt verweten: bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht en/of met zware mishandeling jegens [slachtoffer] (feit 1), vernieling/beschadiging van een bedrijfspand gelegen in [plaats 2] (feit 2), vernieling/beschadiging van een pand van de Gemeente [plaats 3] (feit 3), diefstal van een Ipad toebehorende aan de Rabobank in [plaats 3] (feit 4) en vernieling/beschadiging van een pand toebehorende aan ING Bank in [plaats 3] (feit 5). </para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Tijdens het onderzoek in raadkamer en uit het procesdossier is gebleken van feiten en omstandigheden op grond waarvan het hof tot de slotsom is gekomen dat het dossier voldoende ernstige bezwaren bevat jegens verdachte ter zake hetgeen hem wordt verweten. De rechter-commissaris heeft de ernstige bezwaren kort benoemd en het hof heeft aan de hand van de inhoud van het dossier en het verhandelde ter zitting in raadkamer zich ervan vergewist dat de ernstige bezwaren zoals destijds aangenomen nog onverkort van kracht zijn. Het hof heeft in dit verband in het bijzonder acht geslagen op de processen-verbaal van aangiften, de nadere verklaringen van de aangevers en de processen-verbaal van bevindingen, in het bijzonder de herkenning van de verdachte. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Voorts is het hof van oordeel dat sprake is van acuut gevaar voor herhaling. In dit verband oordeelt het hof als volgt. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De verdachte is, blijkens het procesdossier ten tijde van de voorgeleiding kennelijk ontregeld waardoor communicatie moeilijk  verliep. Daarnaast zijn er aanwijzingen dat de verdachte de vermoedelijk begane strafbare feiten heeft gepleegd onder invloed van (psycho-)sociale problematiek. Deze omstandigheden vormen een verergerende factor, aangezien er tot op heden geen structurele oplossing voor deze problematiek is gevonden. Dit zou kunnen wijzen op een dieperliggende kwetsbaarheid, die mogelijk heeft bijgedragen aan de gepleegde feiten.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Er is sprake van een verdenking van een van de misdrijven die zijn omschreven in de artikelen 285, 300, 310, 311, 321, 322, 323a, 326, 326a, 350, 416, 417bis, 420bis, of 420quater van het Wetboek van Strafrecht. In dit verband dient te worden opgemerkt dat er nog geen vijf jaar zijn verstreken sinds de verdachte onherroepelijk is veroordeeld tot een vrijheidsbenemende straf of maatregel, een vrijheidsbeperkende maatregel, dan wel een taakstraf. Dit feit maakt de verdenking ernstiger, aangezien er reden is om ernstig rekening te houden met de mogelijkheid dat de verdachte opnieuw een van deze strafbare feiten zal plegen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Daarnaast wordt geconstateerd dat, ondanks het feit dat de verdachte door de rechtbank is gedagvaard en veroordeeld voor soortgelijke delicten, hij herhaaldelijk in contact blijft komen met politie en justitie voor (soortgelijke) strafbare feiten. Het is opvallend dat de ernst en frequentie van de gepleegde delicten toenemen. Dit blijkt uit het feit dat in sommige van deze zaken een dagvaarding was uitgereikt, maar deze later is ingetrokken en bij de huidige vordering is gevoegd. Het herhaaldelijke justitiecontact heeft er blijkbaar niet toe geleid dat de verdachte zijn gedrag heeft aangepast of gestopt met het plegen van nieuwe strafbare feiten.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Tevens is het van belang om op te merken dat er een duidelijke neerwaartse spiraal zichtbaar is in de frequentie, aard en ernst van de gepleegde strafbare feiten. De verdachte vertoont steeds gewelddadiger gedrag in de delicten die hij vermoedelijk heeft begaan. Gelet op de ontwikkeling van deze situatie is het van essentieel belang om deze negatieve spiraal te doorbreken, zodat verdere escalatie wordt voorkomen en de veiligheid van de samenleving gewaarborgd blijft.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Het voorgaande brengt het hof daarom tot het oordeel dat het gedrag van verdachte niet alleen getuigt van persoonlijke risico’s, maar ook dat er sprake is van een acuut en ernstig gevaar voor recidive. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Alles overwegende wijst het hof toe het hoger beroep van de officier van justitie en beveelt alsnog de gevangenhouding van de verdachte ter zake de feiten 1 tot en met 5, zoals genoemd in de vordering tot inbewaringstelling, voor de duur van 90 dagen. </para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>BESCHIKKENDE IN HOGER BEROEP:</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>Wijst toe het hoger beroep.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Vernietigt de beschikking waarvan beroep en wijst alsnog de gevangenhouding van de verdachte ter zake de feiten 1 tot en met 5, zoals genoemd in de vordering tot inbewaringstelling, voor de duur van 90 dagen. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Aldus gedaan op 13 november 2025</para>
      <para>door mr. F. van Es, voorzitter, mr. M.M. Koevoets en mr. D. Heitman, raadsheren, </para>
      <para>in tegenwoordigheid van B. Kocyilmaz, griffier.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>De advocaat-generaal bij dit Gerechtshof brengt vorenstaande beschikking ter kennis van verdachte.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>'s-Hertogenbosch, 13 november 2025</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Gezien d.d. </para>
      <para>De directeur van P.I. [detentieplaats]</para>
    </parablock>
  </section>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>