<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:GHSHE:2025:3276</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2026-03-18T10:30:18</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2025-11-17</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Gerechtshof_'s-Hertogenbosch" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Gerechtshof 's-Hertogenbosch</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2025-11-07</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">20-000466-25</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#hogerBeroep">Hoger beroep</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">'s-Hertogenbosch</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#strafrecht">Strafrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHSHE:2025:3276">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHSHE:2025:3276</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2026-02-27T14:38:35</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2026-02-27</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:GHSHE:2025:3276 Gerechtshof 's-Hertogenbosch , 07-11-2025 / 20-000466-25</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:GHSHE:2025:3276:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Overtreding van artikel 163, zesde lid, van de Wegenverkeerswet 1994. Overtreding van artikel 107, eerste lid, van de Wegenverkeerswet 1994. Handelen in strijd met artikel 27, eerste lid, van de Wet wapens en munitie.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:GHSHE:2025:3276:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <para>Parketnummer	: 20-000466-25 </para>
  <para>Uitspraak	: 7 november 2025</para>
  <parablock>
    <para>TEGENSPRAAK (ex artikel 279 Sv)</para>
  </parablock>
  <section>
    <title>Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof</title>
    <bridgehead role="bold">'s-Hertogenbosch</bridgehead>
    <para />
    <parablock>
      <para>gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Oost-Brabant, zittingsplaats ‘s-Hertogenbosch, van 31 januari 2025, in de strafzaak met parketnummer 01-387542-24 tegen: </para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>
      [verdachte] ,</title>
    <parablock>
      <para>geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1981, </para>
      <para>wonende te [adres] .</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="underline">Hoger beroep</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bij vonnis waarvan beroep heeft de politierechter de verdachte ter zake van:</para>
    </parablock>
    <itemizedlist mark="-">
      <listitem>
        <para>‘overtreding van artikel 163, zesde lid, van de Wegenverkeerswet 1994’ (feit 1) en</para>
      </listitem>
      <listitem>
        <para>‘handelen in strijd met artikel 27, eerste lid, van de Wet wapens en munitie’ (feit 3),</para>
      </listitem>
    </itemizedlist>
    <para>veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 4 weken waarvan 2 weken voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren en een ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van 6 maanden, en ter zake van:</para>
    <para>- ‘ ‘overtreding van artikel 107, eerste lid, van de Wegenverkeerswet 1994’ (feit 2),</para>
    <para>veroordeeld tot een hechtenis voor de duur van 1 week. </para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Van de zijde van de verdachte is tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="underline">Onderzoek van de zaak</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep en in eerste aanleg.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen namens de verdachte naar voren is gebracht.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het vonnis waarvan beroep zal bevestigen met uitzondering van de opgelegde straf en de verdachte te dien aanzien zal veroordelen tot een taakstraf voor de duur van 60 uren subsidiair 30 dagen hechtenis en een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 4 weken met een proeftijd van 2 jaren ten aanzien van feit 1 en 3, een ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van 10 maanden ten aanzien van feit 1, en een voorwaardelijke hechtenis voor de duur van 3 weken met een proeftijd van 2 jaren ten aanzien van feit 2. </para>
      <para>De verdediging heeft vrijspraak bepleit ten aanzien van feit 1. Subsidiair is een straftoemetingsverweer gevoerd. </para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="underline">Vonnis waarvan beroep</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het hof kan zich op onderdelen niet met het vonnis waarvan beroep verenigen. Om redenen van efficiëntie zal het hof evenwel het gehele vonnis vernietigen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="underline">Tenlastelegging</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Aan de verdachte is tenlastegelegd dat:</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>1. </para>
      <para>hij op of omstreeks 5 december 2024 te Eindhoven, in elk geval in Nederland, als degene tegen wie verdenking was gerezen als bestuurder van een personenauto te hebben gehandeld in strijd met artikel 8 van de Wegenverkeerswet 1994, geen gevolg heeft gegeven aan een aan hem gegeven bevel van een hulpofficier van justitie of van een daartoe bij regeling van de Minister van Veiligheid en Justitie aangewezen ambtenaar van politie, zich aan een bloedonderzoek te onderwerpen en/of geen medewerking daaraan heeft verleend;</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>2.<?linebreak?>hij op of omstreeks 5 december 2024 te Eindhoven als bestuurder van een motorrijtuig, te weten een personenauto, heeft gereden op de weg, te weten de Woenselse Markt, zonder dat aan hem door de daartoe bevoegde autoriteit, als bedoeld in artikel 116 lid 1 van de Wegenverkeerswet 1994 een rijbewijs was afgegeven voor de categorie van motorrijtuigen, waartoe dat motorrijtuig behoorde; </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>3.<?linebreak?>hij op of omstreeks 5 december 2024 te Eindhoven, een of meer wapen(s) van categorie IV, onder 7 van de Wet wapens en munitie, te weten een of meer keukenmes(sen) zijnde een voorwerp waarvan, gelet op zijn aard en/of de omstandigheden waaronder het werd aangetroffen, redelijkerwijs kon worden aangenomen dat het bestemd was om letsel aan personen toe te brengen en/of te dreigen heeft gedragen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De in de tenlastelegging voorkomende taal- en/of schrijffouten of omissies zijn verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="underline">Bewezenverklaring</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1, 2 en 3 tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande, dat:</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>1. </para>
      <para>hij op 5 december 2024 te Eindhoven, als degene tegen wie verdenking was gerezen als bestuurder van een personenauto te hebben gehandeld in strijd met artikel 8 van de Wegenverkeerswet 1994, geen gevolg heeft gegeven aan een aan hem gegeven bevel van een daartoe bij regeling van de Minister van Veiligheid en Justitie aangewezen ambtenaar van politie, zich aan een bloedonderzoek te onderwerpen en geen medewerking daaraan heeft verleend;</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>2.<?linebreak?>hij op 5 december 2024 te Eindhoven als bestuurder van een motorrijtuig, te weten een personenauto, heeft gereden op de weg, te weten de Woenselse Markt, zonder dat aan hem door de daartoe bevoegde autoriteit, als bedoeld in artikel 116 lid 1 van de Wegenverkeerswet 1994 een rijbewijs was afgegeven voor de categorie van motorrijtuigen, waartoe dat motorrijtuig behoorde; </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>3.<?linebreak?>hij op 5 december 2024 te Eindhoven, wapens van categorie IV, onder 7 van de Wet wapens en munitie, te weten keukenmessen, zijnde een voorwerp waarvan, gelet op zijn aard en de omstandigheden waaronder het werd aangetroffen, redelijkerwijs kon worden aangenomen dat het bestemd was om letsel aan personen toe te brengen of te dreigen heeft gedragen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het hof acht niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hierboven bewezen is verklaard, zodat hij daarvan zal worden vrijgesproken.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="underline">Bewijsmiddelen</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Indien tegen dit verkorte arrest beroep in cassatie wordt ingesteld, worden de door het hof gebruikte bewijsmiddelen die redengevend zijn voor de bewezenverklaring opgenomen in een aanvulling op het arrest. Deze aanvulling wordt dan aan dit arrest gehecht.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="underline">Bewijsoverwegingen</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Algemene overwegingen</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De beslissing dat het bewezenverklaarde door de verdachte is begaan, berust op de feiten en omstandigheden als vervat in de hierboven bedoelde bewijsmiddelen in onderlinge samenhang beschouwd.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Elk bewijsmiddel wordt – ook in zijn onderdelen – slechts gebruikt tot bewijs van dat bewezenverklaarde feit, of die bewezenverklaarde feiten, waarop het blijkens zijn inhoud betrekking heeft.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Feit 1</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De verdediging heeft vrijspraak bepleit ten aanzien van het onder feit 1 tenlastegelegde. Hiertoe is – in de kern – aangevoerd dat het bevel tot medewerken aan het bloedonderzoek enkel op straat is gegeven en tijdens het transport naar het politiebureau is herhaald. Het bevel is niet op het politiebureau opnieuw gegeven en dat had wel gemoeten. Als het bevel nogmaals op het politiebureau was gegeven, waar de verdachte wat meer gekalmeerd was, zou hij namelijk misschien wel zijn medewerking aan het bloedonderzoek hebben verleend. Op grond van het voorgaande dient de verdachte te worden vrijgesproken van het onder feit 1 tenlastegelegde. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het hof overweegt dienaangaande als volgt.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Uit het proces-verbaal van bevindingen van brigadier [verbalisant 1] en hoofdagent [verbalisant 2] blijkt dat [verbalisant 1] aan de verdachte op 5 december 2024 het bevel als bedoeld in artikel 163 lid 6 van de Wegenverkeerswet 1994 heeft gegeven. Daarop deelde de verdachte onmiddellijk resoluut mede dat hij nergens aan mee zou werken, ook niet aan een bloedproef. [verbalisant 2] heeft vervolgens tijdens het transport aan de verdachte medegedeeld dat de verdachte verplicht was om medewerking te verlenen aan het bevel bloedonderzoek en dat hij strafvervolging riskeerde als hij zou blijven weigeren. De verdachte reageerde met de opmerking: “geef die boete maar gewoon, ik werk nergens aan mee”. De verdachte bleef vervolgens weigeren zijn medewerking te verlenen aan een bloedonderzoek. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Uit het arrest van de Hoge Raad van 6 februari 2024 (ECLI:NL:HR:2024:175) blijkt dat een aanvankelijke weigering om mee te werken aan een bloedonderzoek niet kan worden hersteld door nadien aan te geven wel medewerking te willen verlenen. De bereidheid om mee te werken ná een aanvankelijke weigering kan niet worden aangemerkt als het verlenen van medewerking in de zin van artikel 163 van de Wegenverkeerswet 1994. Die bereidverklaring is in dat geval namelijk reeds te laat gedaan. Hieruit blijkt dus dat het eenmaal weigeren van een bevel tot bloedonderzoek voldoende is om een gedraging in strijd met artikel 163, zesde lid, van de Wegenverkeerswet 1994 aan te nemen. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Op het moment dat het bevel tot medewerking aan een bloedonderzoek rechtsgeldig door de brigadier werd gegeven, heeft de verdachte niet voldaan aan de verplichting om aan dit bevel gevolg te geven en zijn medewerking te verlenen aan het bloedonderzoek. Het feit dat de verdachte mogelijk wel zijn medewerking had verleend als hem dit bevel nogmaals op het politiebureau was gegeven, maakt blijkens het arrest van de Hoge Raad niet uit voor de vraag of er sprake was van een weigering. De aanvankelijke weigering kon namelijk niet hersteld worden door een latere medewerking. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Voorts oordeelt het hof dat het bevel ook niet pas voor het eerst op het politiebureau had moeten worden gegeven. Er zijn geen wettelijke eisen gesteld voor de plaats waar het bevel gegeven dient te worden. Het is naar het oordeel van het hof bovendien begrijpelijk dat het bevel wordt gegeven op de plaats waar de verdenking van overtreding van artikel 8 van de Wegenverkeerswet 1994 is ontstaan en dit was in het geval van de verdachte op straat. Hiermee is het bevel rechtsgeldig op straat gegeven. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het hof oordeelt op grond van het voorgaande dat de verdachte opzettelijk heeft geweigerd om mee te werken aan een bloedonderzoek. Daarmee heeft hij zich schuldig gemaakt aan overtreding van artikel 163, zesde lid, van de Wegenverkeerswet 1994. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het hof verwerpt op basis van het voorgaande het tot vrijspraak strekkende verweer van de verdediging. </para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="underline">Strafbaarheid van het bewezenverklaarde</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het onder 1 bewezenverklaarde wordt gekwalificeerd als:</para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>overtreding van artikel 163, zesde lid, van de Wegenverkeerswet 1994.</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het onder 2 bewezenverklaarde wordt gekwalificeerd als:</para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>overtreding van artikel 107, eerste lid, van de Wegenverkeerswet 1994.</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het onder 3 bewezenverklaarde wordt gekwalificeerd als:</para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>handelen in strijd met artikel 27, eerste lid, van de Wet wapens en munitie.</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezenverklaarde uitsluiten. De feiten zijn strafbaar.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="underline">Strafbaarheid van de verdachte</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluiten. De verdachte is daarom strafbaar voor het hiervoor bewezenverklaarde.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="underline">Op te leggen sanctie</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De verdediging heeft verzocht om ten aanzien van feiten 2 en 3 toepassing te geven aan artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht. Hiertoe is – in de kern – het volgende aangevoerd. Volgens de richtlijnen kan voor feiten 2 en 3 een geldboete worden opgelegd. De verdachte heeft echter, naar aanleiding van het plegen van deze feiten, reeds afstand gedaan van zijn auto. Deze auto had nog een aanzienlijke dagwaarde. Dat de verdachte afstand heeft gedaan van zijn auto met een aanzienlijke waarde dient mee te worden genomen in de op te leggen straf. Op grond hiervan kan toepassing worden gegeven aan artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht.</para>
      <para>Ten aanzien van feit 1 heeft de verdediging verzocht om een taakstraf op te leggen in plaats van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het hof heeft bij de bepaling van de op te leggen straf gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezenverklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen. Daarnaast is gelet op de verhouding tot andere strafbare feiten, zoals onder meer tot uitdrukking komende in de hierop gestelde wettelijke strafmaxima en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het hof heeft daarbij in het bijzonder het navolgende in aanmerking genomen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Ten laste van de verdachte is bewezenverklaard dat dat hij zich schuldig heeft gemaakt aan overtreding van artikel 163 van de Wegenverkeerswet 1994 door te weigeren mee te werken aan een bloedonderzoek terwijl hij daartoe verplicht was. Door aldus te handelen heeft hij verhinderd dat kon worden vastgesteld of, en zo ja, in welke mate, hij onder invloed van alcohol en/of drugs verkeerde. De verplichting om aan dergelijke bevelen gevolg te geven bestaat mede ter bevordering van de verkeersveiligheid, die in gevaar wordt gebracht wanneer er onder invloed van alcohol en/of drugs aan het verkeer wordt deelgenomen. Voorts is ten laste van de verdachte bewezenverklaard dat hij zich schuldig heeft gemaakt aan het rijden in een personenauto zonder een daarvoor benodigd geldig rijbewijs. Door aldus te handelen heeft de verdachte de regels die gelden in het verkeer niet in acht genomen en de verkeersveiligheid in gevaar gebracht. Daarnaast is ten laste van de verdachte bewezenverklaard dat hij zich schuldig heeft gemaakt aan het voorhanden hebben van keukenmessen. Het ongecontroleerde bezit van wapens brengt in het algemeen een onaanvaardbaar risico voor de veiligheid van de maatschappij met zich. Het hof rekent het de verdachte dan ook aan dat hij heeft gehandeld zoals bewezen is verklaard.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het hof heeft bij de straftoemeting de omstandigheid betrokken dat de verdachte, blijkens het hem betreffende uittreksel uit de Justitiële Documentatie d.d. 27 augustus 2025, reeds eerder ter zake van een soortgelijk feit uit de Wegenverkeerswet 1994 onherroepelijk is veroordeeld. Deze veroordeling heeft de verdachte er kennelijk niet van weerhouden zich schuldig te maken aan de tenlastegelegde feiten. Uit voornoemd uittreksel blijkt voorts dat artikel 63 van het Wetboek van Strafecht van toepassing is.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Tevens heeft het hof acht geslagen op de overige persoonlijke omstandigheden van de verdachte, voor zover daarvan ter terechtzitting is gebleken. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De verdediging heeft verzocht om toepassing van artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht en de verdachte schuldig te verklaren zonder oplegging van straf. </para>
      <para>Anders dan de verdediging, ziet het hof noch in het feit dat de verdachte afstand heeft gedaan van zijn auto, noch in de persoonlijkheid van de verdachte of de omstandigheden waaronder het feit is begaan dan wel de omstandigheden die zich nadien hebben voorgedaan, aanleiding om toepassing te geven aan het bepaalde in artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht. Het hof heeft daarbij tevens acht geslagen op de ernst van het feit.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Alle omstandigheden afwegende acht het hof voor feit 1 en feit 3 een taakstraf voor de duur van 60 uren, subsidiair 30 dagen hechtenis, en een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 2 weken met een proeftijd van 2 jaren, passend en geboden. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Ten aanzien van feit 2 acht het hof, alle omstandigheden afwegende, een voorwaardelijke hechtenis voor de duur van 3 weken met een proeftijd van 2 jaren, passend en geboden.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Met oplegging van een (gedeeltelijk) voorwaardelijke straf wordt enerzijds de ernst van het bewezenverklaarde tot uitdrukking gebracht en wordt anderzijds de strafoplegging dienstbaar gemaakt aan het voorkomen van nieuwe strafbare feiten.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Mede ter bescherming van de verkeersveiligheid zal het hof ter zake van feit 1 aan de verdachte de bevoegdheid ontzeggen om motorrijtuigen te besturen voor de duur van 6 maanden.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="underline">Toepasselijke wettelijke voorschriften</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De beslissing is gegrond op de artikelen 9, 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 62 en 63 van het Wetboek van Strafrecht, de artikelen 27 en 54 van de Wet wapens en munitie en de artikelen 107, 163, 176, 177 en 179 van de Wegenverkeerswet 1994, zoals deze ten tijde van het bewezenverklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van het wijzen van dit arrest rechtens gelden.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>BESLISSING</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het hof:</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder 1, 2 en 3 tenlastegelegde heeft begaan.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Verklaart het onder 1, 2 en 3 bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Ten aanzien van het in de zaak met parketnummer 01-387542-24 onder 1 en 3 bewezenverklaarde:</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Veroordeelt de verdachte tot een <emphasis role="bold">gevangenisstraf</emphasis> voor de duur van <emphasis role="bold">2 (twee) weken</emphasis>.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bepaalt dat de gevangenisstraf niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd van <emphasis role="bold">2 (twee) jaren</emphasis> aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Veroordeelt de verdachte tot een <emphasis role="bold">taakstraf</emphasis> voor de duur van <emphasis role="bold">60 (zestig) uren</emphasis>, indien niet naar behoren verricht te vervangen door <emphasis role="bold">30 (dertig) dagen hechtenis</emphasis>.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Ontzegt de verdachte ter zake van het onder 1 bewezenverklaarde de <emphasis role="bold">bevoegdheid motorrijtuigen te besturen</emphasis> voor de duur van <emphasis role="bold">6 (zes) maanden</emphasis>.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Ten aanzien van het onder 2 bewezenverklaarde:</para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>Veroordeelt de verdachte tot hechtenis voor de duur van 3 (drie) weken.</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bepaalt dat de hechtenis niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd van <emphasis role="bold">2 (twee) jaren</emphasis> aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Aldus gewezen door:</para>
      <para>mr. S.C. van Duijn, voorzitter,</para>
      <para>mr. A.C. van Campen en mr. W.P.A. Korver, raadsheren,</para>
      <para>in tegenwoordigheid van mr. I.A.M.H. Hermans, griffier,</para>
      <para>en op 7 november 2025 ter openbare terechtzitting uitgesproken.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>mr. Korver is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.</para>
    </parablock>
  </section>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>