<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:GHSHE:2025:3</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2025-06-03T10:12:05</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2025-01-02</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Gerechtshof_'s-Hertogenbosch" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Gerechtshof 's-Hertogenbosch</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2025-01-02</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">200.344.338_01</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#hogerBeroep">Hoger beroep</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">'s-Hertogenbosch</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#civielRecht">Civiel recht</dcterms:subject>
      <dcterms:references rdfs:label="Wetsverwijzing" bwb:resourceIdentifier="jci1.31:c:BWBR0005291&amp;artikel=174&amp;g=1992-01-01">Burgerlijk Wetboek Boek 3 174</dcterms:references>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHSHE:2025:3">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHSHE:2025:3</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2025-06-03T10:11:02</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2025-06-03</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:GHSHE:2025:3 Gerechtshof 's-Hertogenbosch , 02-01-2025 / 200.344.338_01</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:GHSHE:2025:3:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>art. 3:174 BW / sprake van gewichtige redenen / rechtbank heeft verzoek machtiging te gelde making van de woning op goede gronden toegewezen / sprake van een onzekere instabiele (financiële) situatie en risico op het verloren gaan/tenietgaan en waardevermindering van de woning / bekrachtiging beschikking waarvan beroep</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:GHSHE:2025:3:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <uitspraak.info>
    <bridgehead role="bold">GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH </bridgehead>
    <para>Team Handelsrecht</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Uitspraak      			: 2 januari 2025</para>
      <para>Zaaknummer 		: 200.344.338/01 </para>
      <para>Zaaknummer eerste aanleg	: C/01/398242 / EX RK 23-158</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>in de zaak in hoger beroep van: </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">
          [appellant]
        </emphasis>, </para>
      <para>wonende te [woonplaats] ,</para>
      <para>appellant,</para>
      <para>hierna te noemen: [appellant] ,</para>
      <para>advocaat: mr. P.J.A. van de Laar te Eindhoven,</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>tegen</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">
          [verweerster]
        </emphasis>, </para>
      <para>wonende te [woonplaats] ,</para>
      <para>verweerster,</para>
      <para>hierna te noemen: [verweerster] ,</para>
      <para>advocaat: mr. C.M. Brouwers te Gemert.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>belanghebbende:</para>
      <para>	[belanghebbende] ,</para>
      <para>	gevestigd te [vestigingsplaats] .</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </uitspraak.info>
  <section>
    <title>
      <nr>1</nr>Het geding in eerste aanleg</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het hof verwijst naar de beschikking van 5 juni 2024 van de rechtbank Oost-Brabant, zittingsplaats ‘s-Hertogenbosch, waarbij de rechtbank [verweerster] machtiging heeft verleend tot het te gelde maken van de onroerende zaak staande en gelegen te [plaats] , [adres] (hierna: de woning), middels het verlenen van een verkoopopdracht onder de voorwaarden zoals vermeld in de offerte die op 11 oktober 2023 is afgegeven door [makelaar] te [plaats] met inachtneming van een vraagprijs van minimaal € 350.000,= k.k. </para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>2</nr>Het geding in hoger beroep</title>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>2.1.</nr>
      <para>Bij beroepschrift met producties (nr. 1 t/m 2), ingekomen ter griffie van dit hof op 31 juli 2024, heeft [appellant] het hof verzocht de beschikking van 5 juni 2024 te vernietigen en/of althans bij beschikking, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, de verzoeken van [verweerster] alsnog als zijnde ongegrond en/of onbewezen te ontzeggen en haar te veroordelen in de proceskosten van beide instanties.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.2.</nr>
      <para>Bij memorie van antwoord (het hof begrijpt: verweerschrift) in hoger beroep met producties (nr. 1 t/m 8), ingekomen ter griffie van dit hof op 5 november 2024, heeft [verweerster] het hof verzocht om bij arrest (het hof begrijpt: beschikking), uitvoerbaar bij voorraad, [appellant] niet-ontvankelijk te verklaren in zijn appel althans deze af te wijzen of hem deze te ontzeggen als zijnde niet bewezen en of ongegrond althans de beschikking van 5 juni 2024 te bevestigen, te bekrachtigen, met veroordeling, uitvoerbaar bij voorraad, van [appellant] in de kosten van deze procedure vermeerderd met wettelijke rente. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.3.</nr>
      <para>Het hof heeft verder kennisgenomen van:</para>
      <itemizedlist mark="-">
        <listitem>
          <para>het proces-verbaal van de mondelinge behandeling in eerste aanleg gehouden op 7 mei 2024;</para>
        </listitem>
        <listitem>
          <para>een aanvullend stuk – de e-mail van 30 juli 2024 van [belanghebbende] waarin wordt bericht dat er op dit moment geen betaalachterstand rust op de hypotheek – zijdens [appellant] , ingekomen ter griffie van dit hof op 5 september 2024;</para>
        </listitem>
        <listitem>
          <para>de bij V6-formulier ingediende aanvullende stukken zijdens [appellant] , ingekomen ter griffie van dit hof op 18 september 2024;</para>
        </listitem>
        <listitem>
          <para>het bericht van [betrokkene] namens de [belanghebbende] , ingekomen ter griffie van dit hof op 21 oktober 2024, dat [belanghebbende] niet aanwezig zal zijn bij de zitting;</para>
        </listitem>
        <listitem>
          <para>de bij V6-formulier ingediende aanvullende producties (nr. 13 en 14) zijdens [verweerster] , ingekomen ter griffie van dit hof op 29 november 2024;</para>
        </listitem>
        <listitem>
          <para>de inhoud van de op de mondelinge behandeling in hoger beroep door [verweerster] overgelegde en voorgelezen ‘voorbereide verklaring’ en </para>
        </listitem>
        <listitem>
          <para>het ter zitting overgelegde vonnis in kort geding van 3 december 2024 van de rechtbank Oost-Brabant, zittingsplaats ’s-Hertogenbosch, gewezen tussen partijen. </para>
        </listitem>
      </itemizedlist>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.4.</nr>
      <para>De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 4 december 2024. Bij die gelegenheid zijn gehoord: </para>
      <itemizedlist mark="-">
        <listitem>
          <para>mr. Van de Laar namens [appellant] die zelf niet aanwezig was en</para>
        </listitem>
        <listitem>
          <para>
            [verweerster] , bijgestaan door mr. Brouwers.</para>
        </listitem>
      </itemizedlist>
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section role="overwegingen">
    <title>
      <nr>3</nr>De beoordeling</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">Feiten</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>3.1.</nr>
      <para>Het hof gaat uit van de volgende feiten.</para>
      <para />
      <para>a. [appellant] en [verweerster] hadden een affectieve relatie met elkaar die in 2009 is verbroken. </para>
      <para />
      <para>Tijdens de relatie in 2009 hebben partijen de woning aan de [adres] te [plaats] gekocht. Zij zijn daarvoor samen een hypothecaire lening aangegaan van € 250.000,=. Partijen zijn ieder hoofdelijk aansprakelijk voor de aflossing van die lening. Zij hebben met elkaar afgesproken dat [appellant] de financiële verplichtingen in het kader van de eigendom van de woning zou voldoen, waaronder de betaling van de hypotheekrente.</para>
      <para />
      <para>De Burgemeester van de plaats [plaats] heeft de woning op 17 februari 2020 voor de duur van drie maanden gesloten in verband met een hennepkwekerij/plantage in de woning.</para>
      <para />
      <para>Bij besluit van 4 juni 2024 heeft de burgemeester besloten dat de woning van [appellant] op 18 juni 2024 voor vier maanden zal worden gesloten. [appellant] heeft hiertegen bezwaar gemaakt bij de burgemeester. Hij heeft daarnaast bij de voorzieningenrechter van de rechtbank Oost-Brabant een verzoek om een voorlopige voorziening ingediend waarmee hij wil bereiken dat zijn woning in elk geval niet wordt gesloten voordat de burgemeester op het bezwaar heeft beslist. </para>
      <para />
      <para>Bij uitspraak van 8 augustus 2024 heeft de voorzieningenrechter het verzoek om een voorlopige voorziening afgewezen.</para>
      <para />
      <para>Bij brief van 12 augustus 2023, die is verzonden op 13 augustus 2024, heeft de gemeente [gemeente] [appellant] bericht dat zijn woning wordt gesloten voor een periode van vier maanden, ingaande op 27 augustus 2024 tot en met 26 december 2024.</para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="bold">Eerste aanleg </emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.2.</nr>
      <para>Het verzoek van [verweerster] strekte tot het verlenen van een machtiging tot het te gelde maken van de woning om een gewichtige reden als bedoeld in artikel 3:174 BW. Volgens [verweerster] komt [appellant] zijn (financiële) verplichtingen niet na en is de hypotheekverstrekker voornemens om de woning middels een executieveiling te verkopen.</para>
      <para />
      <paragroup>
        <nr>3.2.1.</nr>
        <para>Omdat [appellant] niet in de procedure in eerste aanleg is verschenen, was van hem geen verweer bekend.</para>
        <para />
      </paragroup>
      <paragroup>
        <nr>3.2.2.</nr>
        <para>De rechtbank Oost-Brabant heeft het verzoek van [verweerster] toegewezen, omdat de door [verweerster] aangevoerde grond een gewichtige reden vormt en nu tegen het verzoek ook geen verweer is gevoerd. </para>
        <para />
        <parablock>
          <para>
            <emphasis role="bold">Hoger beroep</emphasis>
          </para>
        </parablock>
        <para />
      </paragroup>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.3.</nr>
      <para>
        [appellant] heeft in zijn beroepschrift – kort weergegeven – aangevoerd dat er geen gewichtige redenen zijn als bedoeld in artikel 3:174 BW, omdat [verweerster] geen enkel risico loopt. Volgens [appellant] zijn de verplichtingen uit de hypothecaire lening en eigenaarslasten steeds volledig door hem voldaan. [appellant] betwist dat er enige achterstand is met betrekking tot de hypothecaire lening en/of eigenaarslasten. De hypotheekverstrekker had dan ook geen redelijke grond om tot executie over te gaan. [appellant] betwist ook dat [verweerster] hem meerdere malen heeft benaderd om in overleg tot scheiding en deling te komen. Volgens [appellant] is hij plotseling in een procedure betrokken. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.4.</nr>
      <para>
        [verweerster] heeft zowel bij verweerschrift als bij gelegenheid van de mondelinge behandeling in hoger beroep verweer gevoerd tegen de stellingen van [appellant] . Voor zover relevant zal het hof bij de beoordeling nader ingaan op het verweer van [verweerster] .</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.5.</nr>
      <para>Het hof komt tot de volgende beoordeling.</para>
      <para />
      <paragroup>
        <nr>3.5.1.</nr>
        <parablock>
          <para>Op grond van artikel 3:174 lid 1 BW kan de rechter die ter zake van een vordering tot verdeling van een gemeenschappelijk goed bevoegd zou zijn of voor wie een zodanige</para>
          <para>vordering reeds aanhangig is, een deelgenoot op diens verzoek machtigen tot het te gelde</para>
          <para>maken van dat goed ten behoeve van de voldoening van een voor rekening van de gemeenschap komende schuld of om andere gewichtige redenen. De krachtens artikel 3:174 lid 1 BW door de rechter verleende machtiging maakt de deelgenoot bevoegd tot het verrichten van handelingen waartoe hij anders uitsluitend tezamen met de deelgenoten bevoegd zou zijn. Indien een dergelijke machtiging wordt verleend, wordt één van de deelgenoten – in dit geval [verweerster] – jegens derden zelfstandig bevoegd om het gemeenschappelijk goed te verkopen en te leveren.</para>
        </parablock>
        <para />
      </paragroup>
      <paragroup>
        <nr>3.5.2.</nr>
        <parablock>
          <para>De bevoegdheid van de rechter om al dan niet een machtiging ex artikel 3:174 lid 1 BW te verlenen, is een discretionaire bevoegdheid. De wet geeft de rechter hiervoor twee</para>
          <para>grondslagen, namelijk indien sprake is van (i) “de voldoening van een voor rekening van de</para>
          <para>gemeenschap komende schuld” of (ii) “andere gewichtige redenen”. De laatstgenoemde</para>
          <para>“gewichtige redenen” kunnen bijvoorbeeld liggen in leegstand en een daardoor optredend</para>
          <para>gevaar voor waardevermindering. De noodzaak om tot een behoorlijke verdeling te raken,</para>
          <para>geldt niet als gewichtige reden in de zin van artikel 3:174 lid 1 BW. Op die situatie is artikel</para>
          <para>3:185 BW van toepassing (MvA II, Parl. Gesch. 3. p. 596).</para>
        </parablock>
        <para />
      </paragroup>
      <paragroup>
        <nr>3.5.3.</nr>
        <para>Het hof is van oordeel dat sprake is van gewichtige redenen en dat de rechtbank het verzoek van [verweerster] op juiste gronden heeft toegewezen. In het hiernavolgende wordt dit gemotiveerd.</para>
        <para />
      </paragroup>
      <paragroup>
        <nr>3.5.4.</nr>
        <para>Ten eerste was er sprake van een forse achterstand op de betaling van de hypotheek. [appellant] heeft dit in het beroepschrift in strijd met artikel 21 Rv betwist, maar uit de brief van 26 september 2023 van [betrokkene] namens de [belanghebbende] blijkt dat deze achterstand op dat moment € 5.233,60 bedroeg. De [belanghebbende] had dus wel degelijk redenen om tot executie over te gaan. Weliswaar is aan het hof gebleken dat deze achterstand inmiddels is betaald. Echter niet door [appellant] zelf, maar door zijn vader.  </para>
        <para />
      </paragroup>
      <paragroup>
        <nr>3.5.5.</nr>
        <para>Bovendien is de hypotheekverplichting dermate hoog dat [appellant] , die een bijstandsuitkering heeft, die nooit zelfstandig kan betalen. Een hypotheekverplichting drukt onevenredig zwaar op zijn inkomsten. Dit nog los van de omstandigheid dat de hypotheeklast volgens [verweerster] is verhoogd van € 900,= naar € 1.100,=. Het is aan het hof gebleken dat [appellant] afhankelijk is van zijn vader om in de woning te kunnen blijven wonen nu ter zitting is gebleken dat zijn vader regelmatig bijspringt met de betaling van de hypotheeklasten. Dat is naar het oordeel van het hof een kwetsbare/onzekere situatie. Daarbij komt dat uit de informatie in het procesdossier blijkt dat [appellant] een drugsprobleem heeft. Dat is geen stabiele factor. Het hof is dan ook van oordeel dat zolang [appellant] in de woning mag blijven en de verantwoordelijkheid draagt voor het betalen van de termijnen er een blijvend risico bestaat op een executoriale verkoop van de woning.</para>
        <para />
      </paragroup>
      <paragroup>
        <nr>3.5.6.</nr>
        <para>Daarbij komt het volgende. De woning is voor de tweede keer door de burgemeester van de gemeente [gemeente] voor een langere tijd gesloten geweest vanwege de aanwezigheid van een hennepkwekerij en (de verdenking van) de strafrechtelijke activiteiten rondom drugs(handel). Uit de uitspraak van de voorzieningenrechter van 8 augustus 2024 in de zaak tussen [appellant] en de burgemeester blijkt (zie de geciteerde bestuurlijke rapportage van de politie van 18 april 2024) onder andere dat er in november 2019 in de woning een ontmantelde hennepkwekerij werd aangetroffen, dat er in april 2024 een overdracht aan de deur van een ponypack cocaïne is gezien die overeenkwam met de ponypacks die in de woning van [appellant] zijn gevonden, dat in het kader van de aanhouding van [appellant] in april 2024 de voordeur van de woning is geforceerd en dat het in de woning een grote vieze bende was. Blijkens de bestuurlijke rapportage waren op de bovenste etage namelijk nog de resten van de hennepkwekerij van toen ruim drie jaar geleden aangetroffen. Het hof is dan ook van oordeel dat zolang [appellant] in de woning mag blijven er een risico bestaat op het verloren gaan/tenietgaan van de woning of dat deze in waarde zal verminderen door de wijze waarop [appellant] met de woning omgaat en de strafrechtelijke activiteiten die hij in en rondom de woning laat plaatsvinden. Van de stelling van [appellant] dat de woning er thans goed uitziet, is het hof de juistheid niet gebleken.</para>
        <para />
      </paragroup>
      <paragroup>
        <nr>3.5.7.</nr>
        <para>Al hetgeen hiervoor is overwogen, zowel afzonderlijk als in onderlinge samenhang beschouwd, levert naar het oordeel van het hof voldoende gewichtige redenen op. Het hof ziet in de onzekere instabiele (financiële) situatie en het verloren gaan/tenietgaan en de waardevermindering van de gemeenschappelijke woning redenen om de beschikking van de rechtbank te bekrachtigen. </para>
        <para />
      </paragroup>
      <paragroup>
        <nr>3.5.8.</nr>
        <parablock>
          <para>Het hof merkt daarbij op dat gelet op voorgaande overwegingen het woonrecht van [appellant] die er sinds 2009 woont, moet wijken voor de hier te nemen beslissing. Het hof acht het overigens niet uitgesloten dat er een regeling mogelijk is, al dan niet met tussenkomst van zijn vader, waardoor [appellant] niet hoeft te verhuizen en [verweerster] uit de hoofdelijkheid wordt ontslagen zodat zij niet langer verantwoordelijk is voor de hypotheeklasten van de woning en zij niet langer geraakt wordt door de waardevermindering van de woning. Dat afgezet tegen het belang van [verweerster] – dat door [appellant] niet is betwist – om de BKR-registratie verwijderd te krijgen en te delen in de overwaarde van de woning zodat zij een eigen woning kan kopen, maakt dat de uitkomst van deze procedure naar het oordeel van het hof een redelijke uitkomst is. </para>
          <para>Het hof neemt daarbij voorts nog in aanmerking dat [appellant] in eerste aanleg ervoor heeft gekozen om niet ter zitting te verschijnen. In het beroepschrift heeft hij in strijd met artikel 21 Rv aangevoerd dat hij geen verweer had gevoerd omdat hij geen kennis had genomen van het verzoekschrift. In het proces-verbaal van 7 mei 2024 staat echter dat hij daags voor de zitting tweemaal met de griffie heeft gebeld. Ook in hoger beroep is [appellant] niet ter zitting verschenen en was hij telefonisch niet bereikbaar.</para>
        </parablock>
        <para />
      </paragroup>
      <paragroup>
        <nr>3.5.9.</nr>
        <para>Het hof zal de beschikking waarvan beroep bekrachtigen.</para>
        <para />
        <parablock>
          <para>
            <emphasis role="bold">Proceskosten</emphasis>
          </para>
        </parablock>
        <para />
      </paragroup>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.6.</nr>
      <para>Het hof zal [appellant] als de in het ongelijk gestelde partij veroordelen in de proceskosten van dit hoger beroep conform het gebruikelijk gehanteerde liquidatietarief (tarief II). Het hof zal, zoals verzocht, de verzochte rente toewijzen en de  proceskostenveroordeling in hoger beroep uitvoerbaar bij voorraad verklaren.</para>
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>
      <nr>4</nr>De beslissing</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het hof:</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>bekrachtigt de beschikking waarvan beroep;</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>veroordeelt [appellant] in de proceskosten van dit hoger beroep, en begroot die kosten overeenkomstig het liquidatietarief tot op heden aan de zijde van [verweerster] op € 349,= voor griffierecht en € 2.428,= voor salaris advocaat te vermeerderen met de wettelijke rente van artikel 6:119 BW daarover vanaf 14 dagen na heden; </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>verklaart deze proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Deze beschikking is gegeven door mrs. S.M.A.M. Venhuizen, L.G.J.M. van Ekert en M.W.M. Souren en is in het openbaar uitgesproken op 2 januari 2025.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </section>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>