<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:GHSHE:2025:2586</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2026-03-28T00:01:22</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2025-09-24</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Gerechtshof_'s-Hertogenbosch" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Gerechtshof 's-Hertogenbosch</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2025-09-24</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">24/112</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#hogerBeroep">Hoger beroep</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">'s-Hertogenbosch</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht_belastingrecht">Bestuursrecht; Belastingrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:relation rdfs:label="Formele relatie" ecli:resourceIdentifier="ECLI:NL:RBZWB:2023:8723" psi:type="http://psi.rechtspraak.nl/hogerBeroep" psi:aanleg="http://psi.rechtspraak.nl/eerdereAanleg" psi:gevolg="http://psi.rechtspraak.nl/gevolg#bekrachtiging/bevestiging">Eerste aanleg: ECLI:NL:RBZWB:2023:8723, Bekrachtiging/bevestiging</dcterms:relation>
      <dcterms:relation rdfs:label="Formele relatie" ecli:resourceIdentifier="ECLI:NL:HR:2026:543" psi:type="http://psi.rechtspraak.nl/cassatie" psi:aanleg="http://psi.rechtspraak.nl/latereAanleg">Cassatie: ECLI:NL:HR:2026:543</dcterms:relation>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
          <rdf:li>Viditax (FutD) 2025102910</rdf:li>
          <rdf:li>FutD 2025-2173</rdf:li>
          <rdf:li>V-N Vandaag 2025/2202</rdf:li>
          <rdf:li>NDFR Nieuws 2025/1730</rdf:li>
          <rdf:li>NLF 2025/2380</rdf:li>
          <rdf:li>NTFR 2025/2049 met annotatie van mr. F. van Horzen</rdf:li>
          <rdf:li>V-N 2025/57.1.3</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHSHE:2025:2586">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHSHE:2025:2586</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2025-10-29T12:56:03</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2025-10-29</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:GHSHE:2025:2586 Gerechtshof 's-Hertogenbosch , 24-09-2025 / 24/112</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:GHSHE:2025:2586:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>IB/PVV. Belastingverdrag Nederland-België. Inwoner België betaalt Belgische gemeentebelasting over loon verdiend in Nederland. Dubbele belasting? Geen vrijstelling IB/PVV.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:GHSHE:2025:2586:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <uitspraak.info>
    <bridgehead role="bold">GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH</bridgehead>
    <para>Team belastingrecht</para>
    <para>Meervoudige Belastingkamer</para>
    <para>Nummer: 24/112</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">Uitspraak op het hoger beroep van</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">
          [belanghebbende] ,</emphasis>
      </para>
      <para>met gekozen domicilie in [plaats 1] ,</para>
      <para>hierna: belanghebbende,</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>tegen de uitspraak van de rechtbank Zeeland-West-Brabant (hierna: de rechtbank) van 14 december 2023, nummer BRE 22/4304, in het geding tussen belanghebbende en</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">de inspecteur van de Belastingdienst,</emphasis>
      </para>
      <para>hierna: de inspecteur.</para>
    </parablock>
    <para />
  </uitspraak.info>
  <section role="procesverloop">
    <title>
      <nr>1</nr>Ontstaan en loop van het geding</title>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>1.1.</nr>
      <para>De inspecteur heeft de aanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (hierna: IB/PVV) 2019 opgelegd. Tevens is bij beschikking belastingrente in rekening gebracht.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>1.2.</nr>
      <para>Belanghebbende heeft bezwaar gemaakt. De inspecteur heeft uitspraak op bezwaar gedaan en het bezwaar ongegrond verklaard.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>1.3.</nr>
      <parablock>
        <para>Belanghebbende heeft tegen deze uitspraak beroep ingesteld bij de rechtbank. </para>
        <para>De rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard.</para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>1.4.</nr>
      <para>Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de rechtbank hoger beroep ingesteld bij het hof. De inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>1.5.</nr>
      <para>De zitting heeft plaatsgevonden op 11 september 2025 in ’s-Hertogenbosch. Daar zijn verschenen belanghebbende en, namens de inspecteur, [inspecteur 1] en [inspecteur 2] .</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>1.6.</nr>
      <para>Het hof heeft aan het einde van de zitting het onderzoek gesloten.</para>
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>2</nr>Feiten</title>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>2.1.</nr>
      <para>Belanghebbende woont in [woonplaats] in België.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.2.</nr>
      <para>Hij is het gehele jaar 2019 in dienstbetrekking geweest bij [B.V.] (hierna: [B.V.] ) en heeft zijn werkzaamheden uitsluitend in [plaats 2] in Nederland uitgevoerd. [B.V.] is in Nederland gevestigd. In 2019 heeft belanghebbende een bruto loon van € 35.931 uit zijn dienstbetrekking bij [B.V.] genoten (hierna: het [B.V.] loon). Daarop heeft [B.V.] € 9.000 loonheffing ingehouden.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.3.</nr>
      <para>België heeft over het [B.V.] loon geen (federale) personenbelasting geheven. Wel is door de gemeente [gemeente] over dit loon gemeentebelasting geheven.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.4.</nr>
      <para>In zijn aangifte IB/PVV 2019 (hierna: de aangifte) heeft belanghebbende zijn [B.V.] loon als inkomsten belast in Nederland aangegeven en voor het netto [B.V.] loon van € 26.931 (€ 35.931 minus € 9.000) een vrijstelling ‘Elders belast box 1’ geclaimd. Het aangegeven belastbare inkomen uit werk en woning (tevens verzamelinkomen) bedraagt € 9.000.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.5.</nr>
      <para>Met dagtekening van 10 mei 2022 heeft de inspecteur aan belanghebbende de aanslag IB/PVV 2019 (hierna: de aanslag) vastgesteld naar een belastbaar inkomen uit werk en woning (tevens verzamelinkomen) van € 35.931. Tevens is bij beschikking € 213 belastingrente in rekening gebracht.</para>
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>3</nr>Geschil en conclusies van partijen</title>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>3.1.</nr>
      <para>Het geschil betreft het antwoord op de vraag of belanghebbende recht heeft op de door hem in de aangifte geclaimde vrijstelling voor het netto [B.V.] loon van € 26.931 (hierna: de vrijstelling).</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.2.</nr>
      <para>Belanghebbende concludeert tot vernietiging van de uitspraak van de rechtbank en, het hof begrijpt, tot een vermindering van de aanslag naar een verzamelinkomen van € 9.000. De inspecteur concludeert tot bevestiging van de uitspraak van de rechtbank.</para>
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section role="overwegingen">
    <title>
      <nr>4</nr>Gronden</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">Ten aanzien van het geschil</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>4.1.</nr>
      <para>Belanghebbende stelt dat hij recht heeft op de vrijstelling omdat hij anders dubbel belast wordt op zijn netto [B.V.] loon. Omdat het Belastingverdrag Nederland-België van 5 juni 2001 (hierna: het Verdrag)<footnote-ref linkend="_96943c31-d9a8-485c-8ac4-523ef15d4bf5" /> niet van toepassing is op Belgische gemeentelijke belastingen en daarmee ruimte biedt voor dubbele belasting is het zinloos, aldus belanghebbende. Hij stelt dat de door de gemeente [gemeente] geheven gemeentebelasting een onderdeel is van de door de Belgische overheid geheven personenbelasting en deze daarom binnen de reikwijdte van het Verdrag moet vallen.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.2.</nr>
      <para>De inspecteur stelt daartegenover dat belanghebbendes [B.V.] loon terecht voor het volle bedrag in Nederland is belast omdat belanghebbende zijn werkzaamheden voor [B.V.] volledig in Nederland heeft uitgevoerd. In dat geval mag Nederland onder het Verdrag het volledige loon in de heffing betrekken. De Nederlandse belastingrechter is niet bevoegd te oordelen voor zover belanghebbendes betoog moet worden opgevat als een klacht over het feit dat België/ [gemeente] geen vrijstelling voor de gemeentebelasting geeft, aldus de inspecteur.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.3.</nr>
      <para>Een natuurlijke persoon die niet in Nederland woont is belastingplichtig voor de (Nederlandse) inkomstenbelasting als hij Nederlands inkomen geniet (buitenlandse belastingplichtige).<footnote-ref linkend="_f83aefa9-bbc1-47e8-b8af-88ed1267a312" /> Ten aanzien van de buitenlandse belastingplichtige wordt de inkomstenbelasting geheven onder andere over het door hem in het kalenderjaar genoten belastbare inkomen uit werk en woning in Nederland.<footnote-ref linkend="_a45ff673-fc80-4a47-8493-57094259fd39" /> Tot het inkomen uit werk en woning in Nederland behoort onder andere het belastbaar loon ter zake van het in Nederland verrichten of hebben verricht van arbeid.<footnote-ref linkend="_e3b1c977-a952-4eb5-acf4-1f4e42b8c95c" /> Belastbaar loon is loon verminderd met de eventuele reisaftrek.<footnote-ref linkend="_31ed6140-8ac8-44fc-bf72-c6301abd9342" /> Belanghebbende heeft in 2019 loon genoten ter zake van de door hem in [plaats 2] voor [B.V.] verrichte arbeid en niet gesteld dat hij recht op reisaftrek heeft. Op grond van het nationale recht is zijn [B.V.] loon dan ook onderworpen aan de (Nederlandse) inkomstenbelasting.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.4.</nr>
      <para>Op grond van artikel 15 van het Verdrag mag Nederland heffen over het loon dat een inwoner van België verkrijgt van een in Nederland gevestigde werkgever ter zake van een in Nederland uitgeoefende dienstbetrekking. Belanghebbende heeft zijn loon verkregen van zijn werkgever [B.V.] , [B.V.] is in Nederland gevestigd en belanghebbende heeft zijn werkzaamheden voor [B.V.] geheel in Nederland uitgevoerd. Daaruit volgt dat Nederland niet alleen op grond van de nationale regels kan heffen (zie 4.3), maar op grond van het Verdrag ook mag heffen over het [B.V.] loon. Anders dan belanghebbende stelt, heeft hij dan ook geen recht op de door hem geclaimde vrijstelling.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.5.</nr>
      <para>Wat belanghebbende overigens heeft aangevoerd leidt niet tot een ander oordeel. Voor zover belanghebbende betoogt dat België/de gemeente [woonplaats] het Verdrag verkeerd toepast door bij de heffing van de gemeentebelasting geen vrijstelling te geven voor het [B.V.] loon is het hof niet bevoegd om hierover te beslissen. Het hof kan alleen oordelen over de voorliggende aanslag IB/PVV 2019 en die is niet te hoog.</para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="bold">Tussenconclusie</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.6.</nr>
      <para>De slotsom is dat het hoger beroep ongegrond is.</para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="bold">Ten aanzien van het griffierecht</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.7.</nr>
      <para>Het hof ziet geen aanleiding om het griffierecht te laten vergoeden.</para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="bold">Ten aanzien van de proceskosten</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.8.</nr>
      <para>Het hof oordeelt dat er geen redenen zijn voor een veroordeling in de proceskosten als bedoeld in artikel 8:75 Algemene wet bestuursrecht.</para>
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>5</nr>Beslissing</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het hof:</para>
    </parablock>
    <itemizedlist mark="-">
      <listitem>
        <para>verklaart het hoger beroep ongegrond;</para>
      </listitem>
      <listitem>
        <para>bevestigt de uitspraak van de rechtbank.</para>
      </listitem>
    </itemizedlist>
    <para />
    <parablock>
      <para>De uitspraak is gedaan door B.J. Rubbens, voorzitter, en M.J.C. Pieterse en M.E. Smorenburg, in tegenwoordigheid van E. Royakkers, als griffier.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 24 september 2025 en een afschrift van de uitspraak is op die datum in Mijn Rechtspraak geplaatst.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De griffier,	De voorzitter,</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>E. Royakkers	B.J. Rubbens</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">Het aanwenden van een rechtsmiddel</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij <emphasis role="bold">de Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad www.hogeraad.nl</emphasis>. </para>
      <para>Bepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie instellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aan <emphasis role="bold">de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), postbus 20303, 2500 EH Den Haag. </emphasis>Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (zie <emphasis role="bold">www.hogeraad.nl</emphasis>). </para>
      <para>Bij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen:</para>
    </parablock>
    <orderedlist numeration="arabic">
      <listitem>
        <para>Bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.</para>
      </listitem>
      <listitem>
        <para>(Alleen bij procederen op papier) het beroepschrift moet ondertekend zijn;</para>
      </listitem>
      <listitem>
        <para>Het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:</para>
      </listitem>
    </orderedlist>
    <orderedlist numeration="loweralpha">
      <listitem>
        <para>de naam en het adres van de indiener;</para>
      </listitem>
      <listitem>
        <para>de dagtekening;</para>
      </listitem>
      <listitem>
        <para>een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;</para>
      </listitem>
      <listitem>
        <para>e gronden van het beroep in cassatie.</para>
      </listitem>
    </orderedlist>
    <parablock>
      <para>Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.</para>
      <para>In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de andere partij te veroordelen in de proceskosten.</para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <footnote id="_96943c31-d9a8-485c-8ac4-523ef15d4bf5" label="1">
    <para> Trb. 2001, 136.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_f83aefa9-bbc1-47e8-b8af-88ed1267a312" label="2">
    <para> Artikel 2, lid 1, aanhef en letter b, Wet inkomstenbelasting 2001 (hierna: Wet IB 2001).</para>
  </footnote>
  <footnote id="_a45ff673-fc80-4a47-8493-57094259fd39" label="3">
    <para> Artikel 7.1, aanhef en letter a, Wet IB 2001. </para>
  </footnote>
  <footnote id="_e3b1c977-a952-4eb5-acf4-1f4e42b8c95c" label="4">
    <para> Artikel 7.2, lid 2, aanhef en letter b, Wet IB 2001.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_31ed6140-8ac8-44fc-bf72-c6301abd9342" label="5">
    <para> Artikel 3.80 Wet IB 2001.</para>
  </footnote>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>