<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:GHSHE:2025:2526</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2026-06-15T11:02:11</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2025-09-18</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Gerechtshof_'s-Hertogenbosch" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Gerechtshof 's-Hertogenbosch</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2025-09-18</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">200.357.231_01</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#hogerBeroep">Hoger beroep</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">'s-Hertogenbosch</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#civielRecht_insolventierecht">Civiel recht; Insolventierecht</dcterms:subject>
      <dcterms:references rdfs:label="Wetsverwijzing" bwb:resourceIdentifier="jci1.31:c:BWBR0001860&amp;artikel=354&amp;g=2017-09-01">Faillissementswet 354</dcterms:references>
      <dcterms:references rdfs:label="Wetsverwijzing" bwb:resourceIdentifier="jci1.31:c:BWBR0001860&amp;artikel=354&amp;g=2017-09-01">Faillissementswet 354</dcterms:references>
      <dcterms:references rdfs:label="Wetsverwijzing" bwb:resourceIdentifier="jci1.31:c:BWBR0001860&amp;artikel=358&amp;g=2008-03-26">Faillissementswet 358</dcterms:references>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHSHE:2025:2526">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHSHE:2025:2526</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2026-06-15T11:01:05</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2026-06-15</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:GHSHE:2025:2526 Gerechtshof 's-Hertogenbosch , 18-09-2025 / 200.357.231_01</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:GHSHE:2025:2526:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Artt. 354 lid 1 Fw / saniet is toerekenbaar tekortgeschoten in de nakoming van de inspanningsplicht en de informatieplicht / geen toepassing aan artikel 354 lid 2 Fw / geen ‘schone lei’ verleend op grond van artikel 358 lid 2 Fw  / bekrachtiging</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:GHSHE:2025:2526:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <uitspraak.info>
    <bridgehead role="bold">GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH      </bridgehead>
    <para />
    <parablock>
      <para>Team Handelsrecht</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Uitspraak	: 18 september 2025</para>
      <para>Zaaknummer	: 200.357.231/01</para>
      <para>Zaaknummer eerste aanleg	: [insolventienummer]</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>in de zaak in hoger beroep van:</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">
          [appellante]
        </emphasis>,</para>
      <para>wonende te [woonplaats] ,</para>
      <para>appellante,</para>
      <para>hierna te noemen: [appellante] ,</para>
      <para>advocaat: mr. J.M. van der Linden.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </uitspraak.info>
  <section>
    <title>
      <nr>1</nr>Het geding in eerste aanleg</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het hof verwijst naar het vonnis van 8 juli 2025 van de rechtbank Limburg, zittingsplaats Maastricht.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>2</nr>Het geding in hoger beroep</title>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>2.1.</nr>
      <para>Bij beroepschrift met productie, ingekomen ter griffie op 16 juli 2025, heeft [appellante] verzocht voormeld vonnis te vernietigen en primair alsnog de schuldsaneringsregeling van [appellante] te beëindigen met verlening van de schone lei, subsidiair de schuldsanerings-regeling te verlengen, althans een zodanige beslissing te nemen als het hof meent te behoren.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.2.</nr>
      <parablock>
        <para>De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 10 september 2025.</para>
        <para>Bij die gelegenheid zijn gehoord:</para>
      </parablock>
      <para>- [appellante] , bijgestaan door mr. Van der Linden;</para>
      <para>- haar echtgenoot, dhr. [echtgenoot], als informant;</para>
      <para>- mevrouw [de bewindvoerder], hierna te noemen: de bewindvoerder.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.3.</nr>
      <para>Het hof heeft verder kennisgenomen van de inhoud van:</para>
      <para>- het proces-verbaal van de mondelinge behandeling in eerste aanleg d.d. 17 juni 2025, ontvangen op 6 augustus 2025;</para>
      <para>- de brief met bijlagen van de bewindvoerder, ontvangen op 8 augustus 2025; </para>
      <para>- de stukken van de eerste aanleg, ontvangen op 5 september 2025; </para>
      <para>- de aanvullende stukken (medisch verslag en beslissing op bezwaar), ontvangen op 8 september 2025;</para>
      <para>- de zittingsaantekeningen van de toelatingszitting d.d. 12 december 2023, ontvangen op 8 september 2025; </para>
      <para>- de ter zitting alsnog overgelegde reactie op het beroepschrift van de bewindvoerder d.d.  3 september 2025, met bijlagen.</para>
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section role="overwegingen">
    <title>
      <nr>3</nr>De beoordeling</title>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>3.1.</nr>
      <para>Bij vonnis van 19 december 2023 is ten aanzien van [appellante] de toepassing van de schuldsaneringsregeling uitgesproken.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.2.</nr>
      <parablock>
        <para>Bij vonnis van 8 juli 2025, waarvan beroep, heeft de rechtbank op de voet van artikel 354 lid 1 Faillissementswet (Fw) bij wijze van eindoordeel (in verband met het verstrijken van de looptijd van de schuldsaneringsregeling) geoordeeld dat [appellante] toerekenbaar is tekortgeschoten in de nakoming van de uit de schuldsaneringsregeling voortvloeiende inspannings- en sollicitatieplicht en de informatieplicht. </para>
        <para>De rechtbank heeft daarbij geen toepassing gegeven aan artikel 354 lid 2 Fw, zodat op grond van artikel 358 lid 2 Fw aan [appellante] geen “schone lei” is verleend. </para>
        <para>De rechtbank heeft ten slotte bepaald dat de toepassing van de schuldsaneringsregeling eindigt op het moment dat de slotuitdelingslijst verbindend is geworden.</para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.3.</nr>
      <para>
        [appellante] kan zich met deze beslissing niet verenigen en zij is hiervan in hoger beroep gekomen. Zij heeft het volgende aangevoerd. </para>
      <para />
      <paragroup>
        <nr>3.3.1.</nr>
        <para>
          [appellante] erkent dat zij de waarschuwingsbrief van 28 oktober 2024 van de rechter-commissaris heeft ontvangen, waarin staat dat zij de sollicitatieplicht niet nakomt en dat dit kan leiden tot een einde van de schuldsaneringsregeling zonder ‘schone lei’. Zij begrijpt echter niet waarom deze waarschuwing pas tien maanden na toetreding tot de schuldsaneringsregeling (19 december 2023) is gegeven. Reeds op de toelatingszitting van 12 december 2023 heeft [appellante] aan de rechtbank medegedeeld dat zij niet werkt omdat (onder meer) haar knieën en haar rug zijn versleten. Op dat moment was de rechtbank bekend met het UWV-rapport ‘Indicatie banenafspraak’ van 12 oktober 2023, waarin is vermeld dat [appellante] voor 20-30 uren per week kan werken voor eenvoudige, fysiek lichte, zittende arbeid. In dat rapport staat ook: <emphasis role="italic">“Op basis van de gekende medische problematiek is het aannemelijk dat er sprake is van een begeleidingsnoodzaak, zowel persoonlijk als functioneel, en een duurbelastingsbeperking vanwege energetische redenen bij de medische problematiek.” </emphasis>In de sociaal-medische beoordeling van het UWV van 9 augustus 2024 staat wederom vermeld dat sprake is van een duurbelastingsbeperking en een verhoogde begeleidingsbehoefte. Echter, [appellante] heeft geen begeleiding of hulp gekregen bij het zoeken naar werk. Volgens haar heeft de gemeente aan haar bevestigd dat zij niet in staat is om te werken. Zo lang zij niet in staat is om het wettelijk minimumloon te verdienen, vraagt zij zich af waarom zij dan vanuit de schuldsaneringsregeling moet solliciteren. Immers, zij zal bij het vinden van een baan onder het VTLB vallen en dus niet in staat zijn een maandelijkse boedelafdracht te verrichten. </para>
        <para />
      </paragroup>
      <paragroup>
        <nr>3.3.2.</nr>
        <para>
          [appellante] voert voorts aan dat zij alleen werkzaam kan zijn bij een werkgever die op zoek is naar mensen die onder de ‘Indicatie banenafspraak’ vallen. Daarbij heeft zij hulp nodig van de gemeente, die gebruik maakt van het WerkgeversServicepoint. [appellante] heeft die hulp niet gekregen en zelf weet zij niet welke werkgevers op zoek zijn naar mensen die vallen onder de banenafspraak. Ook is [appellante] van mening dat de bewindvoerder of de rechter-commissaris haar vanuit de schuldsaneringsregeling medisch had moeten laten keuren en dan was volgens haar de uitkomst geweest dat zij niet in staat is om te werken.     </para>
        <para />
      </paragroup>
      <paragroup>
        <nr>3.3.3.</nr>
        <para>Wat betreft de informatieplicht, merkt [appellante] op dat het juist is dat het UWV op 29 januari 2025 haar bezwaar tegen het besluit (dat zij blijft behoren tot de doelgroep van de banenafspraak) ongegrond heeft verklaard. Zij verkeerde in de veronderstelling dit aan de bewindvoerder te hebben gemeld, maar dat bleek per abuis niet het geval te zijn. </para>
        <para />
      </paragroup>
      <paragroup>
        <nr>3.3.4.</nr>
        <para>
          [appellante] concludeert dat de schuldsaneringsregeling beëindigd kan worden met verlening van de schone lei. Als het hof van oordeel is dat zij vanuit de schuldsaneringsregeling wel een sollicitatieplicht heeft, dan kan haar op grond van voorgaande omstandigheden niet toegerekend worden dat zij niet heeft gesolliciteerd, waardoor haar de schone lei (toch) toekomt. Daarbij doet [appellante] een beroep op artikel 354 lid 2 Fw. Subsidiair verzoekt zij het hof de schuldsaneringsregeling te verlengen, althans een zodanige beslissing te nemen als het hof meent te behoren.</para>
        <para />
      </paragroup>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.4.</nr>
      <para>De bewindvoerder voert aan dat [appellante] gedurende de gehele saneringsperiode is gewezen op haar informatie- en inspanningsverplichting. Zij kon (en kan) gebruikmaken van een jobcoach van de gemeente en is ook uitdrukkelijk doorverwezen naar die jobcoach. Gelet op de (recente) beoordelingen van de verzekeringsarts van het UWV is er geen aanleiding (geweest) om nogmaals een medische keuring te laten doen via de bewindvoerder of de rechter-commissaris. [appellante] is herhaaldelijk gevraagd om alle stukken met betrekking tot de bezwaarprocedure aan te leveren en heeft dat niet gedaan. De bewindvoerder verzoekt het hof dan ook de bestreden beschikking te bekrachtigen.  </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.5.</nr>
      <para>Het hof komt tot de volgende beoordeling.</para>
      <para />
      <paragroup>
        <nr>3.5.1.</nr>
        <para>Bij het einde van de termijn gedurende welke de toepassing van de schuldsaneringsregeling van kracht is, dient op de voet van artikel 354 lid 1 Fw te worden vastgesteld of de schuldenaar toerekenbaar is tekortgeschoten in de nakoming van één of meer uit de schuldsaneringsregeling voortvloeiende verplichtingen. Bij deze vaststelling geldt als maatstaf of een tekortkoming, in het licht van alle omstandigheden van het geval, een duidelijke aanwijzing vormt dat het bij de schuldenaar aan de van hem of haar te vergen medewerking aan een doeltreffende uitvoering van de schuldsaneringsregeling heeft ontbroken. Ingevolge artikel 354 lid 2 Fw dient de rechter voorts na te gaan of er aanleiding bestaat om te bepalen dat een tekortkoming gezien haar bijzondere aard of geringe betekenis buiten beschouwing blijft.</para>
        <para />
      </paragroup>
      <paragroup>
        <nr>3.5.2.</nr>
        <para>Het hof constateert op basis van de zittingsaantekeningen van de toelatingszitting en de inhoud van de boedelverslagen van de bewindvoerder dat [appellante] vanaf het begin van de schuldsaneringsregeling voldoende op de hoogte is gesteld van de uit de schuldsaneringsregeling voortvloeiende inspannings- en sollicitatieplicht en de informatieplicht en van de consequenties wanneer niet aan deze verplichtingen voldaan wordt. Ondanks de omstandigheid dat zij (van het begin af aan) wist dat zij moest solliciteren, heeft zij op dat gebied niets ondernomen. Zij is zelf steeds van mening geweest dat ze niet in staat is om te werken, onder meer vanwege haar knie- en rugklachten. Echter, uit niets blijkt dat zij volledig arbeidsongeschikt is en ook blijkt uit niets dat de gemeente die mening is toegedaan. Integendeel, zelfs in het UWV-traject is [appellante] niet vrijgesteld van werk, maar wordt zij op basis van de Indicatie banenafspraak in staat geacht om voor 20-30 uur per week te werken, voor eenvoudig, fysiek licht, zittend werk. Voor wat betreft de hulp vanuit de gemeente is een jobcoach beschikbaar, dat heeft [appellante] ook niet betwist. Dat zij die hulp ook daadwerkelijk heeft gevraagd, is niet onderbouwd. Afgezien daarvan, had zij op zijn minst ook zelf bij de gemeente kunnen informeren welke werkgevers voorkomen in het WerkgeversServicepoint en zelf kunnen solliciteren op vacatures voor fysiek licht (zittend) werk. Op haar rust immers inspanningsverplichting. Dat de gemeente aan haar zou hebben bevestigd dat zij niet in staat is om te werken, is niet onderbouwd. Gedurende de gehele schuldsaneringsregeling heeft [appellante] niet gesolliciteerd, ook niet op vacatures die mogelijk wel geschikt voor haar zijn, terwijl door de rechter-commissaris geen ontheffing is verleend. Integendeel, de rechter-commissaris heeft haar bij de brief van 28 oktober 2024 zelfs gewaarschuwd dat zij moet solliciteren. Ook de bewindvoerder heeft [appellante] gewezen op het risico dat geen schone lei verleend wordt wanneer zij niet aan haar verplichtingen voldoet. In het vervolgverslag van 21 oktober 2024 van de bewindvoerder valt te lezen:<emphasis role="italic"> “Aan mw. [appellante] kan geen schone lei worden verleend of wordt de WSNP tussentijds beëindigd als geen correcte invulling wordt gegeven aan alle verplichtingen. De lopende bezwaarprocedure vormt derhalve hierin een risico voor mevrouw. Zij is hierop nogmaals gewezen.</emphasis>” Daarna heeft zij zich niet ingespannen om betaald werk te vinden. De advocaat van [appellante] heeft tijdens de zitting nog verwezen naar een uitspraak van het gerechtshof Amsterdam (ECLI:NL:GHAMS:2024:3625), maar in die procedure deed zich naar het oordeel van het hof geen vergelijkbare situatie voor. De stelling van [appellante] dat zij bij het vinden van een baan onder het VTLB zal vallen en dus niet in staat zou zijn een maandelijkse boedelafdracht te verrichten, heeft de bewindvoerder weerlegd. Ieder inkomen van [appellante] zou juist direct hebben geleid tot een toename van de bijdrage aan de crediteuren.    </para>
        <para />
      </paragroup>
      <paragroup>
        <nr>3.5.3.</nr>
        <para>Daarnaast neemt het hof in de beoordeling mee dat pas tijdens de eindzitting van de schuldsaneringsregeling op 17 juni 2025 door eigen onderzoek van de bewindvoerder naar voren kwam dat het UWV al in januari 2025 negatief op het bezwaar van [appellante] heeft beslist. [appellante] heeft dus verzuimd de bewindvoerder hiervan op de hoogte te stellen en zo ook niet aan haar informatieverplichting voldaan.</para>
        <para />
      </paragroup>
      <paragroup>
        <nr>3.5.4.</nr>
        <para>Het hof stelt dan ook vast dat [appellante] toerekenbaar is tekortgeschoten in de nakoming van meerdere uit de schuldsaneringsregeling voortvloeiende verplichtingen. Het hof ziet geen aanleiding om op de voet van artikel 354 lid 2 Fw te bepalen dat deze tekortkomingen gezien hun bijzondere aard of geringe betekenis buiten beschouwing blijven. Het hof acht ook geen termen aanwezig om de termijn van de wettelijke schuldsaneringsregeling te verlengen.<?linebreak?></para>
      </paragroup>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.6.</nr>
      <para>Op grond hiervan is het hof van oordeel dat de rechtbank de toepassing van de schuldsaneringsregeling ten aanzien van [appellante] terecht heeft beëindigd zonder toekenning van de “schone lei”, nu zowel de niet nagekomen inspanningsplicht als de niet nagekomen informatieplicht ieder voor zich al deze beslissing kunnen dragen en rechtvaardigen. Het vonnis waarvan beroep zal worden bekrachtigd.</para>
      <para />
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>4</nr>De uitspraak</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het hof:</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>bekrachtigt het vonnis waarvan beroep.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Dit arrest is gewezen door mrs. A.C. van Campen, J.B. Smits en T. van Malssen en in het openbaar uitgesproken op 18 september 2025.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
  </section>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>