<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:GHSHE:2025:2524</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2026-06-22T14:23:31</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2025-09-18</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Gerechtshof_'s-Hertogenbosch" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Gerechtshof 's-Hertogenbosch</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2025-09-18</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">200.352.494_01</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#hogerBeroep">Hoger beroep</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">'s-Hertogenbosch</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#civielRecht_personenEnFamilierecht">Civiel recht; Personen- en familierecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
          <rdf:li>PFR-Updates.nl 2026-0135</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHSHE:2025:2524">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHSHE:2025:2524</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2026-06-05T09:00:28</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2026-06-05</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:GHSHE:2025:2524 Gerechtshof 's-Hertogenbosch , 18-09-2025 / 200.352.494_01</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:GHSHE:2025:2524:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Bekrachtiging nihilstelling partneralimentatie gedurende looptijd WSNP. Verzoek verlening alimentatieduur met looptijd WSNP is prematuur.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:GHSHE:2025:2524:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <uitspraak.info>
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Team familie- en jeugdrecht</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>zaaknummer	: 200.352.494/01</para>
      <para>zaaknummer rechtbank	: C/03/330024 FA RK 24-1561</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">beschikking van de meervoudige kamer van 18 september 2025</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>inzake</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold underline">
          [de vrouw]
        </emphasis>,</para>
      <para>wonende te [woonplaats] ,</para>
      <para>verzoekster in hoger beroep,</para>
      <para>hierna te noemen: de vrouw,</para>
      <para>advocaat mr. C.C.J. van Pol te Echt,</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>tegen</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold underline">
          [de man]
        </emphasis>,</para>
      <para>wonende te [woonplaats] ,</para>
      <para>verweerder in hoger beroep,</para>
      <para>hierna te noemen: de man,</para>
      <para>advocaat mr. J.G. van Ek te Heerlen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </uitspraak.info>
  <section>
    <title>
      <nr>1</nr>Het verloop van het geding in eerste aanleg</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het hof verwijst voor het verloop van het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de rechtbank Limburg (Maastricht) van 20 december 2024, uitgesproken onder voormeld zaaknummer.</para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>2</nr>Het geding in hoger beroep</title>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>2.1.</nr>
      <para>De vrouw is op 19 maart 2025 in hoger beroep gekomen van voornoemde beschikking van 20 december 2024.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.2.</nr>
      <para>De man heeft op 28 mei 2025 een verweerschrift ingediend.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.3.</nr>
      <parablock>
        <para>Bij het hof zijn voorts de volgende stukken ingekomen:</para>
        <para>- een journaalbericht van de zijde van de vrouw van 17 juli 2025 met bijlagen, ingekomen op 21 juli 2025.</para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.4.</nr>
      <para>De mondelinge behandeling heeft op 14 augustus 2025 plaatsgevonden. Partijen zijn in persoon verschenen, bijgestaan door hun advocaten. </para>
      <para />
      <para />
      <para />
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>3</nr>De feiten</title>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>3.1.</nr>
      <para>Het hof gaat uit van de door de rechtbank vastgestelde feiten voor zover daartegen in hoger beroep niet is opgekomen. Onder meer staat het volgende vast.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.2.</nr>
      <para>Partijen zijn met elkaar gehuwd geweest. Bij beschikking van de rechtbank Limburg (Roermond) van 12 april 2022 is tussen partijen de echtscheiding uitgesproken. De echtscheidingsbeschikking is op 25 juli 2022 ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.3.</nr>
      <para>Bij voornoemde beschikking van 12 april 2022 heeft de rechtbank bepaald dat de man als bijdrage in de kosten van levensonderhoud van de vrouw per datum inschrijving echtscheidingsbeschikking een bedrag van € 789,- per maand dient te betalen. Deze alimentatie bedraagt met ingang van 1 januari 2024 ingevolge de wettelijke indexering € 866,41 per maand.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.4.</nr>
      <para>De onderhoudsverplichting van de man jegens de vrouw eindigt met ingang van 25 juli 2027.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.5.</nr>
      <para>Bij vonnis van de rechtbank Limburg van 26 maart 2024 is de toepassing van de wettelijke schuldsaneringsregeling (hierna: WSNP) uitgesproken ten aanzien van de man. Dit traject loopt af per 26 september 2025, waarna de man met een schone lei kan starten. Partijen zijn het er over eens dat de partneralimentatie zoals vastgesteld in de beschikking van 12 april 2022 herleeft op het moment dat de WSNP ten einde komt.</para>
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>4</nr>De omvang van het geschil</title>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>4.1.</nr>
      <para>Bij de bestreden beschikking is, voor zover thans van belang, met wijziging van de beschikking van de rechtbank Limburg van 12 april 2022, de uitkering in de kosten van levensonderhoud van de vrouw (hierna ook: partneralimentatie) met ingang van 17 april 2024 en voor de duur van het WSNP-traject nader vastgesteld op nihil.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.2.</nr>
      <parablock>
        <para>De vrouw verzoekt in hoger beroep de bestreden beschikking te vernietigen en, opnieuw rechtdoende:</para>
        <para>Primair: de man alsnog niet-ontvankelijk te verklaren in zijn verzoeken, althans de verzoeken af te wijzen als ongegrond en onbewezen;</para>
        <para>Subsidiair: te bepalen dat de duur van de alimentatieverplichting wordt verlengd met de duur van de WSNP (zijnde achttien maanden).</para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>De grieven van de vrouw zien op:</para>
      </parablock>
      <para>- de draagkracht van de man (grief I en II)</para>
      <para>- de behoefte en de behoeftigheid van de vrouw (grief III).</para>
      <para>- verlenging van de alimentatieduur (grief IV).</para>
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>
      <nr>5</nr>De motivering van de beslissing</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="underline">Wijziging van omstandigheden</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>5.1.</nr>
      <para>In hoger beroep staat vast dat sprake is van gewijzigde omstandigheden, te weten toelating van de man tot de WSNP met ingang van 26 maart 2024. </para>
      <para />
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="underline">Ingangsdatum van de wijziging</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>5.2.</nr>
      <para>In hoger beroep staat vast dat de ingangsdatum van de wijziging 17 april 2024 moet zijn, de datum van indiening van het inleidend verzoek.</para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="underline">Behoefte en behoeftigheid (grief III)</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>5.3.</nr>
      <parablock>
        <para>Tijdens de mondelinge behandeling is met partijen vastgesteld dat de huwelijksgerelateerde en aanvullende behoefte van de vrouw in hoger beroep niet ter discussie staan. </para>
        <para>De derde grief van de vrouw behoeft dan ook geen bespreking wegens gebrek aan belang. </para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="underline">Draagkracht van de man (grief I en II)</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>5.4.</nr>
      <para>De rechtbank heeft geoordeeld dat gelet op de toelating van de man tot de WSNP en de daaraan gekoppelde schuldenlast, de partneralimentatie gedurende het WSNP-traject op nihil dient te worden gesteld. </para>
      <para />
      <paragroup>
        <nr>5.4.1.</nr>
        <parablock>
          <para>De vrouw voert in haar eerste grief – kort samengevat – het volgende aan.</para>
          <para>Het is te kort door de bocht om enkel op basis van het feit dat de man is toegelaten tot de WSNP, de partneralimentatie op nihil te stellen. Er was geen sprake van problematische schulden, zodat de man ten onrechte is toegelaten tot de WSNP. </para>
          <para>Verder had de man aan de rechter-commissaris moeten verzoeken om bij de vaststelling van het vrij te laten bedrag (VTLB) rekening te houden met de verschuldigde partneralimentatie. </para>
        </parablock>
        <para />
      </paragroup>
      <paragroup>
        <nr>5.4.2.</nr>
        <parablock>
          <para>De man voert het volgende verweer.</para>
          <para>Volgens de man miskent de vrouw met haar standpunt dat het vonnis van 26 maart 2024 waarbij de man is toegelaten tot de WSNP, onherroepelijk is en dat het niet aan de rechtbank of het hof is om in het kader van de alimentatieprocedure de toelating van de man tot de WSNP opnieuw te toetsen. </para>
          <para>Evenmin is er in deze procedure ruimte om de draagkracht van de man inhoudelijk te beoordelen. De partneralimentatie wordt gedurende de looptijd van de WSNP op nihil gesteld als daarmee in het VTLB geen rekening is gehouden. In dit geval is met de partneralimentatie bij het vaststellen van het VTLB geen rekening gehouden. Volgens de WSNP-bewindvoerder is er geen ruimte is voor een aanpassing van het VTLB met een bedrag voor de partneralimentatie </para>
          <para>De man is gelet op het voorgaande van mening, dat de rechtbank terecht de partneralimentatie gedurende de looptijd van de WSNP op nihil heeft gesteld.</para>
        </parablock>
        <para />
      </paragroup>
      <paragroup>
        <nr>5.4.3.</nr>
        <parablock>
          <para>Het hof oordeelt als volgt.</para>
          <para>Het hof stelt voorop dat voor zover de vrouw in haar grieven betoogt dat de man ten onrechte tot de WSNP is toegelaten – hetgeen overigens door de man wordt betwist – haar grieven in zoverre falen. Het vonnis waarbij de man is toegelaten tot de WSNP is inmiddels onherroepelijk en de toets voor toelating tot de WSNP kan in deze procedure over wijziging van de partneralimentatie niet worden overgedaan of gecontroleerd. Feit is dat de man is toegelaten tot de WSNP en dat door de rechter-commissaris een vrij te laten bedrag (VTLB) is vastgesteld waarin geen rekening is gehouden met de door de man aan de vrouw te betalen onderhoudsbijdrage. De bewindvoerder heeft aangegeven dat zij bij de rechter-commissaris heeft nagevraagd of er ruimte was voor het meenemen van de partneralimentatie in het VTLB, maar dat die ruimte er niet was. Voor zover de vrouw een beroep heeft gedaan op de uitspraak van het gerechtshof Amsterdam van 12 april 2022 (ECLI:NL:GHAMS:2022:1098), is het hof van oordeel dat die zaak niet vergelijkbaar is met de onderhavige casus. In de zaak bij het hof Amsterdam was de grootste schuldeiser de vrouw, vanwege achterstallige kinder- en partneralimentatie en was er bovendien sprake van een klemmend tekort bij de kinderen. In de onderhavige zaak is de grootste schuldeiser een derde ( [schuldeiser] ), gaat het niet om kinderalimentatie met een klemmend tekort bij de kinderen en is er ook geen sprake van achterstallige partneralimentatie. Het hof is op grond van het voorgaande van oordeel dat de partnerbijdrage terecht voor de looptijd van de WSNP op nihil is gesteld. </para>
        </parablock>
        <para />
        <parablock>
          <para>Tijdens de mondelinge behandeling is overigens gebleken dat aan het einde van de looptijd van de WSNP op 26 september 2025 de volledige schuld aan de vrouw zal worden afgelost. Ook zal de volledige schuld aan [schuldeiser] worden afgelost, waardoor ook de vrouw schuldenvrij zal zijn. Alsdan zal de man ook de bijdrage in de kosten van levensonderhoud van de vrouw weer hervatten.</para>
        </parablock>
        <para />
        <parablock>
          <para>
            <emphasis role="underline">Verlenging alimentatieduur (grief IV)</emphasis>
          </para>
        </parablock>
        <para />
      </paragroup>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>5.5.</nr>
      <para>De rechtbank heeft het (voorwaardelijk) verzoek van de vrouw tot verlenging van de onderhoudsverplichting met een periode gelijk aan de duur van het WSNP-traject afgewezen omdat dit verzoek prematuur is. </para>
      <para />
      <paragroup>
        <nr>5.5.1.</nr>
        <parablock>
          <para>De vrouw voert het volgende aan.</para>
          <para>De vrouw heeft inkomen op bijstandsniveau en is vanwege arbeidsongeschiktheid niet in staat meer inkomen te verwerven. Dit zal aan het einde van de alimentatietermijn niet anders zijn. De vrouw acht het gelet op de kosten van een nieuwe procedure en de doorlooptijden bij de rechtbank niet redelijk dat van haar verwacht wordt dat zij tegen het einde van de looptijd van de alimentatieverplichting een nieuwe procedure start tot verlenging. Wil de vrouw tijdig een beslissing op haar verlengingsverzoek krijgen, dan zou zijn haar verzoek minimaal een jaar vóór het verstrijken van de alimentatietermijn moeten indienen.</para>
          <para>De duur van de alimentatie is van meerdere factoren afhankelijk, waaronder de duur van het huwelijk. Partijen zijn 23 jaar en 359 dagen gehuwd geweest. Als de vrouw vóór 1 januari 1970 zou zijn geboren, zou de alimentatietermijn tien jaar zijn geweest. Omdat de vrouw op [geboortedatum] 1970 is geboren, bedraagt de alimentatieduur maar vijf jaar. Aangezien de vrouw vanwege de WSNP van de man niet alleen haar verdelingsvordering misloopt, maar bij toewijzing van het verzoek tot nihilstelling ook nog anderhalf jaar (van de vijf jaar)</para>
          <para>alimentatie, is er aanleiding de duur van de alimentatie te verlengen met de duur van de WSNP. Er is geen grond om het verlengingsverzoek niet reeds gelijktijdig met het verzoek tot nihilstelling van de man te beoordelen. De vrouw wordt ernstig benadeeld indien de schuldeisers na kwijtschelding van de restantschuld van de man, alsnog voor dat deel bij de vrouw aankloppen. </para>
        </parablock>
        <para />
      </paragroup>
      <paragroup>
        <nr>5.5.2.</nr>
        <parablock>
          <para>De man voert het volgende verweer. </para>
          <para>Voor verlenging van de alimentatieduur moet sprake zijn van een zodanig ingrijpende wijziging van omstandigheden, dat ongewijzigde handhaving van de termijn naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid niet van de verzoeker kan worden gevergd. De kosten van een nieuwe procedure en de doorlooptijden bij de rechtbank zijn beiden geen ingrijpende omstandigheden in de zin van artikel 1:401 lid 2 BW. </para>
          <para>Dit nog daargelaten dat deze omstandigheden zich thans niet voordoen, nu de alimentatietermijn pas op 25 juli 2027 eindigt. De rechtbank heeft dan ook terecht geoordeeld dat het verzoek van de vrouw prematuur is. Een verzoek tot verlenging van de alimentatietermijn zal moeten worden beoordeeld aan de hand van de omstandigheden op en vanaf 25 juli 2027 en die omstandigheden zijn nu nog niet bekend. </para>
          <para>De verlenging van de termijn voor partneralimentatie uitsluitend op grond van toelating tot de WSNP zou het doel van de WSNP – een schuldenvrije toekomst – bovendien illusoir maken, zodat ook om die reden het verzoek moet worden afgewezen.</para>
        </parablock>
        <para />
      </paragroup>
      <paragroup>
        <nr>5.5.3.</nr>
        <parablock>
          <para>Het hof is van oordeel dat de rechtbank terecht en op goede gronden, die het hof na zelfstandige beoordeling overneemt en tot de zijne maakt, heeft geoordeeld dat het verzoek van de vrouw tot verlenging van de alimentatieduur prematuur is. </para>
          <para>Het enkele feit dat de man gedurende anderhalf jaar geen partneralimentatie zal betalen is onvoldoende om de bij wet vastgestelde termijn te verlengen. Uitgangspunt van de wetgever is dat de alimentatieplichtige vijf jaar naar rato van zijn draagkracht dient bij te dragen aan de kosten van levensonderhoud van de alimentatiegerechtigde. Als die draagkracht lager is,</para>
          <para>dan is dat niet automatisch reden voor verlenging. Dat de vrouw ziek is waardoor zij</para>
          <para>geen inkomen uit arbeid kan genereren zou onder omstandigheden theoretisch een reden kunnen zijn om de alimentatieduur te verlengen. De bedoeling van de wetgever is evenwel dat bij een verlengingsverzoek alle</para>
          <para>omstandigheden van het geval worden meegewogen. Hoewel de vrouw voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat haar omstandigheden naar verwachting per september 2027 ongewijzigd zullen zijn, staat dit voor de omstandigheden aan de zijde van de man allerminst vast. Het hof acht hetgeen door de vrouw is aangevoerd onvoldoende om de duur van de alimentatie reeds nu te verlengen en van de man te vergen dat hij een wijzigingsprocedure start mochten zijn financiële omstandigheden in september 2027 in negatieve zin zijn gewijzigd. </para>
          <para>De vierde grief van de vrouw faalt.</para>
        </parablock>
        <para />
      </paragroup>
    </paragroup>
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>6</nr>Conclusie</title>
    <para />
    <para />
    <paragroup>
      <nr>6.1.</nr>
      <para>Nu alle grieven van de vrouw falen zal het hof de bestreden beschikking bekrachtigen. </para>
      <para />
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>
      <nr>7</nr>De beslissing </title>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het hof:</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>bekrachtigt de beschikking van de rechtbank Limburg (Maastricht) van 20 december 2024.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Deze beschikking is gegeven door mrs. E.P. de Beij, E.J.M van Engelen en C.L.M. Smeets en is op 18 september 2025 uitgesproken in het openbaar door mr. E.M.C. Dumoulin, in tegenwoordigheid van de griffier.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
  </section>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>