<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:GHSHE:2025:2522</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2026-06-02T09:58:59</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2025-09-18</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Gerechtshof_'s-Hertogenbosch" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Gerechtshof 's-Hertogenbosch</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2025-09-18</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">200.346.012_01 en 200.346.012_02</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#hogerBeroep">Hoger beroep</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">'s-Hertogenbosch</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#civielRecht_personenEnFamilierecht">Civiel recht; Personen- en familierecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHSHE:2025:2522">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHSHE:2025:2522</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2026-06-02T09:58:02</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2026-06-02</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:GHSHE:2025:2522 Gerechtshof 's-Hertogenbosch , 18-09-2025 / 200.346.012_01 en 200.346.012_02</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:GHSHE:2025:2522:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Kinderalimentatie. Wijziging of vaststelling.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:GHSHE:2025:2522:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <uitspraak.info>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Team familie- en jeugdrecht</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>zaaknummers	: 200.346.012/01 en 200.346.012/02</para>
      <para>zaaknummer rechtbank	: C/02/416705 FA RK 23-5718</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">beschikking van de meervoudige kamer van 18 september 2025</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>inzake</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">
          [de man] ,</emphasis>
      </para>
      <para>wonende te [woonplaats] ,</para>
      <para>verzoeker in het principaal hoger beroep,</para>
      <para>verweerder in het incidenteel hoger beroep,</para>
      <para>hierna te noemen: de man,</para>
      <para>advocaat mr. M. Czarnota,</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>tegen</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">
          [de vrouw] ,</emphasis>
      </para>
      <para>wonende te [woonplaats] ,</para>
      <para>verweerster in het principaal hoger beroep,</para>
      <para>verzoekster in het incidenteel hoger beroep,</para>
      <para>hierna te noemen: de vrouw,</para>
      <para>advocaat mr. E.C.A.E. Verschuren.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </uitspraak.info>
  <section>
    <title>
      <nr>1</nr>Het verloop van het geding in eerste aanleg</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het hof verwijst voor het verloop van het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de rechtbank Zeeland-West-Brabant, zittingsplaats Breda, van 12 juli 2024, uitgesproken onder voormeld zaaknummer.</para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>2</nr>Het geding in principaal en incidenteel hoger beroep</title>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>2.1.</nr>
      <para>De man is op 12 september 2024 in hoger beroep gekomen van voormelde beschikking van 12 juli 2024.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.2.</nr>
      <para>De vrouw heeft op 29 november 2024 een verweerschrift tevens houdende incidenteel hoger beroep ingediend.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.3.</nr>
      <para>De man heeft op 21 januari 2025 een verweerschrift op het incidenteel hoger beroep ingediend, tevens een verzoek om schorsing van de uitvoerbaar bij voorraadverklaring. Ook heeft de man een voorwaardelijk aanvullend verzoek geformuleerd.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.4.</nr>
      <para>De vrouw heeft op 1 augustus 2025 een verweerschrift op het schorsingsverzoek ingediend, alsmede op het voorwaardelijk aanvullend verzoek.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.5.</nr>
      <para>Bij het hof zijn verder de volgende stukken ingekomen:</para>
      <itemizedlist mark="-">
        <listitem>
          <para>een V8-formulier van mr. Czarnota van 31 juli 2025 met producties 12-16;</para>
        </listitem>
        <listitem>
          <para>een V6-formulier van mr. Verschuren van 1 augustus 2025 met producties 17 en 18;</para>
        </listitem>
        <listitem>
          <para>een V6-formulier van mr. Verschuren van 6 augustus 2025 met als bijlage een draagkrachtberekening.</para>
        </listitem>
      </itemizedlist>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.6.</nr>
      <para>De mondelinge behandeling heeft op 12 augustus 2025 plaatsgevonden. Partijen zijn in persoon verschenen, bijgestaan door hun advocaten. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.7.</nr>
      <para>Zoals tijdens de mondelinge behandeling is besproken, heeft het hof de man in de gelegenheid gesteld om binnen één week na de mondelinge behandeling zijn jaaropgave over 2024 over te leggen, evenals zijn salarisspecificaties over januari t/m juli 2025. De vrouw is in de gelegenheid gesteld om hier binnen één week op te reageren.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.8.</nr>
      <para>Het hof heeft vervolgens kennisgenomen van:</para>
      <itemizedlist mark="-">
        <listitem>
          <para>de brief met bijlagen van mr. Czarnota van 15 augustus 2025;</para>
        </listitem>
        <listitem>
          <para>de brief van mr. Verschuren van 19 augustus 2025.</para>
        </listitem>
      </itemizedlist>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.9.</nr>
      <para>Voor zover er door partijen in de nagekomen brieven is ingegaan op andere onderwerpen dan hiervoor genoemd in overweging 2.7., zal het hof hieraan voorbij gaan, omdat het hof hiertoe ter zitting geen gelegenheid heeft geboden. Dat geldt ook voor zover er door partijen bij de nagekomen brieven stukken zijn overgelegd die geen betrekking hebben op de hiervoor in overweging 2.7. genoemde onderwerpen.</para>
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>3</nr>De feiten in principaal en incidenteel hoger beroep</title>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>3.1.</nr>
      <para>Het hof gaat uit van de door de rechtbank vastgestelde feiten voor zover daartegen in hoger beroep niet is opgekomen. Onder meer staat het volgende vast.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.2.</nr>
      <para>Partijen hebben een relatie met elkaar gehad.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.3.</nr>
      <parablock>
        <para>Partijen zijn de ouders van de minderjarige:</para>
        <para>- <emphasis role="bold">[minderjarige]</emphasis>, geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 2013,</para>
        <para>hierna te noemen: [minderjarige] .</para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>4</nr>De omvang van het geschil in principaal en incidenteel hoger beroep</title>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>4.1.</nr>
      <para>Bij de bestreden beschikking heeft de rechtbank, voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen, de door de man aan de vrouw te betalen kinderalimentatie voor [minderjarige] gewijzigd en bepaald dat deze bijdrage:</para>
      <itemizedlist mark="-">
        <listitem>
          <para>over de periode van 24 maart 2023 tot en met 31 maart 2023 nader wordt vastgesteld op € 42,- per maand;</para>
        </listitem>
        <listitem>
          <para>met ingang van 1 april 2023 nader wordt vastgesteld op € 250,- per maand;</para>
        </listitem>
        <listitem>
          <para>met ingang van 1 januari 2024 nader wordt vastgesteld op € 321,- per maand, voor de toekomst bij vooruitbetaling aan de vrouw te voldoen;</para>
        </listitem>
      </itemizedlist>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.2.</nr>
      <para>De man verzoekt de bestreden beschikking te vernietigen en voor zover het hof aanleiding ziet om een kinderalimentatie voor [minderjarige] vast te stellen of te wijzigen, te bepalen dat deze niet hoger is dan € 230,- per maand in 2023 en € 275,- per maand in 2024 en de kinderalimentatie niet eerder ingaat dan 11 december 2023, te weten de datum van indiening van het verzoekschrift. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.3.</nr>
      <para>De vrouw verzoekt de man niet-ontvankelijk te verklaren in zijn hoger beroep, dan wel het hoger beroep af te wijzen. In incidenteel hoger beroep verzoekt de vrouw, voor zover het hof van oordeel is dat de bestreden beschikking vernietigd moet worden en de rechtbank ten onrechte de kinderalimentatie heeft gewijzigd in plaats van vastgesteld, een door de man te betalen kinderalimentatie voor [minderjarige] vast te stellen van € 388,- per maand met ingang van 16 november 2023, dan wel een zodanig bedrag met ingang van een zodanige datum als het hof juist acht. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.4.</nr>
      <parablock>
        <para>De man verzoekt het incidenteel hoger beroep van de vrouw af te wijzen. Ook verzoekt de man de uitvoerbaar bij voorraadverklaring van de bestreden beschikking te schorsen. Als voorwaardelijk aanvullend verzoek, verzoekt de man in de situatie dat hij reeds teveel kinderalimentatie aan de vrouw heeft betaald, de vrouw te veroordelen om het door de man te veel betaalde terug te betalen, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de datum van</para>
        <para>betaling tot de dag van algehele terugbetaling.</para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.5.</nr>
      <para>De vrouw verzoekt het schorsingsverzoek van de man en zijn voorwaardelijk aanvullend verzoek af te wijzen. </para>
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>
      <nr>5</nr>De motivering van de beslissing in principaal en incidenteel hoger beroep</title>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>5.1.</nr>
      <para>Het hof bespreekt de grieven in principaal en incidenteel hoger beroep per onderwerp. Het hof heeft, voor zover hierna bedragen zijn genoemd, deze telkens afgerond, tenzij anders vermeld.</para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="underline">De schorsing van de uitvoerbaar bij voorraad verklaring van de bestreden beschikking</emphasis>
        </para>
      </parablock>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>5.2.</nr>
      <para>De man heeft tijdens de mondelinge behandeling in hoger beroep het verzoek tot schorsing van de uitvoerbaar bij voorraad verklaring van de bestreden beschikking, geregistreerd onder zaaknummer 200.346.012/02, ingetrokken. Het hof zal de man in dit verzoek dan ook niet-ontvankelijk verklaren.</para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="underline">Wijziging of vaststelling kinderalimentatie </emphasis>
        </para>
      </parablock>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>5.3.</nr>
      <para>Tussen partijen is in geschil of er sprake is van een (eerste) vaststelling van de kinderalimentatie of een wijziging van de kinderalimentatie. In de bestreden beschikking gaat de rechtbank uit van een wijziging van de kinderalimentatie, omdat volgens de rechtbank partijen in het kader van het WSNP-traject van de man overeengekomen zijn dat de kinderalimentatie ten behoeve van [minderjarige] voor de duur van de WSNP nihil bedraagt en partijen hebben afgesproken met elkaar in overleg te treden over een bijdrage op het moment dat het traject van de man is geëindigd.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>5.4.</nr>
      <para>De man voert – samengevat – in zijn grief aan dat de rechtbank ten onrechte is overgegaan tot wijziging van de kinderalimentatie. Er is niet eerder een kinderalimentatie vastgesteld. Volgens de vrouw hebben partijen in het verleden een overeenkomst opgesteld over de kinderalimentatie, maar dit wordt door de man betwist. Ook trekt de rechtbank ten onrechte de conclusie dat partijen in het kader van de WSNP een nihilstelling zijn overeengekomen. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>5.5.</nr>
      <para>De vrouw voert hiertegen verweer. De vrouw voert – samengevat – primair aan dat partijen in 2013 een notariële akte hebben laten opstellen over de kinderalimentatie. Subsidiair voert de vrouw aan dat partijen gedurende het WSNP-traject van de man mondeling een nihilstelling zijn overeengekomen en hebben afgesproken dat zij na het traject in overleg treden over een dan passende kinderalimentatie. In onderhavige zaak gaat het daarom om een wijziging van de kinderalimentatie. </para>
      <para />
      <paragroup>
        <nr>5.6.1.</nr>
        <para>Het hof is alles overziende van oordeel dat onvoldoende is gebleken dat er eerder een kinderalimentatie tussen partijen is overeengekomen of is vastgesteld. Er is volgens de vrouw in 2013 een overeenkomst opgesteld tussen partijen, waarin afspraken zijn opgenomen over de kinderalimentatie. Er is echter veel onduidelijkheid over de door de vrouw overgelegde overeenkomst. Volgens de vrouw is de overeenkomst van partijen vastgelegd in een notariële akte, maar de overeenkomst waarop de vrouw zich beroept betreft een onderhandse overeenkomst. De man betwist dat hij de overeenkomst heeft ondertekend. Wat daarvan ook zij, het staat vast dat partijen in de afgelopen tien jaar nimmer uitvoering hebben gegeven aan de in de overeenkomst opgenomen afspraken, zonder dat daarvoor enige verklaring is gegeven. Het hof volgt de vrouw dan ook niet in haar stelling dat partijen in 2013 afspraken over de kinderalimentatie hebben gemaakt, die nu (nog) van toepassing zijn. Ook ziet het hof, anders dan de rechtbank, niet dat partijen in het kader van het WSNP-traject van de man een nihilstelling zijn overeengekomen. In de bestreden beschikking verwijst de rechtbank naar een eerdere beschikking van de rechtbank van 10 maart 2020. Het hof leest in de beschikking van 10 maart 2020 dat de vrouw haar zelfstandig verzoek om kinderalimentatie om haar moverende redenen heeft ingetrokken. Partijen zijn in die procedure weliswaar overeengekomen dat zij met elkaar in overleg zullen treden over een bijdrage van de man ten behoeve van [minderjarige] op het moment dat het WSNP-traject van de man is geëindigd, maar vaststaat dat er na afloop van het WSNP-traject van de man langere tijd geen overleg is geweest tussen partijen over de door de man te betalen kinderalimentatie. Partijen zijn nadien geen kinderalimentatie overeengekomen. </para>
        <para />
      </paragroup>
      <paragroup>
        <nr>5.6.2.</nr>
        <para>Het vorenstaande betekent dat de grief van de man slaagt. Het hof zal de beschikking waarvan beroep op dit punt vernietigen en gelet hierop komt het hof toe aan het voorwaardelijk incidenteel hoger beroep van de vrouw. </para>
        <para />
        <parablock>
          <para>
            <emphasis role="underline">Ingangsdatum</emphasis>
          </para>
        </parablock>
      </paragroup>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>5.7.</nr>
      <para>De man heeft een grief gericht tegen de door de rechtbank gehanteerde ingangsdatum. Volgens de man is de rechtbank ten onrechte uitgegaan van de datum dat het WSNP-traject is geëindigd. De man wil dat als ingangsdatum wordt aangehouden 11 december 2023, te weten de datum dat het inleidend verzoekschrift van de vrouw door de rechtbank aan hem is toegezonden.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>5.8.</nr>
      <para>Volgens de vrouw heeft de rechtbank terecht de datum van het einde van het WSNP-traject als uitgangspunt genomen. De man heeft nagelaten haar hierover te informeren. Indien het hof hier niet in meegaat, moet volgens de vrouw worden uitgegaan van 16 november 2023 als ingangsdatum. De advocaat van de vrouw heeft de man op die datum gemaild over de kinderalimentatie en hem verzocht financiële gegevens over te leggen. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>5.9.</nr>
      <para>Het hof overweegt als volgt.</para>
      <para />
      <paragroup>
        <nr>5.9.1.</nr>
        <para>Artikel 1:402 van het Burgerlijk Wetboek laat de rechter grote vrijheid bij het vaststellen van de ingangsdatum van de alimentatieverplichting. Drie data liggen als ingangsdatum het meest voor de hand: de datum waarop de omstandigheden zijn ingetreden die voor de onderhoudsverplichting bepalend zijn, de datum van het inleidend processtuk en de datum waarop de rechter beslist. </para>
        <para />
      </paragroup>
      <paragroup>
        <nr>5.9.2.</nr>
        <parablock>
          <para>De tegen de ingangsdatum gerichte grief van de man slaagt in zoverre dat het hof de ingangsdatum niet, zoals de rechtbank heeft gedaan, op 24 maart 2023 zal bepalen. </para>
          <para>Het hof overweegt daartoe als volgt. In de bestreden beschikking is de rechtbank voor wat betreft de ingangsdatum van de kinderalimentatie uitgegaan van de datum waarop het WSNP-traject van de man is geëindigd, te weten 24 maart 2023. In de bestreden beschikking wijst de rechtbank er op dat partijen destijds zijn overeengekomen dat zij met elkaar in overleg zullen treden over een bijdrage van de man ten behoeve van [minderjarige] op het moment dat het WSNP-traject van de man is geëindigd. Het hof stelt vast dat na afloop van het WSNP-traject van de man geen van partijen het initiatief heeft genomen, althans daarvan is niet gebleken, om met elkaar in overleg te treden. Een dergelijk overleg heeft kort na afloop van het WSNP-traject van de man niet plaatsgevonden. Het hof ziet, anders dan de rechtbank, geen aanleiding om een eerdere ingangsdatum te hanteren dan de datum waarop het inleidend verzoekschrift van de vrouw bij de rechtbank is ontvangen, te weten 5 december 2023. Vanaf die datum heeft de man in redelijkheid rekening kunnen en moeten houden met een mogelijke vaststelling van kinderalimentatie. Het hof zal daarom aansluiten bij die datum en zal om proceseconomische redenen uitgaan van 1 januari 2024. </para>
        </parablock>
        <para />
        <parablock>
          <para>
            <emphasis role="underline">Behoefte [minderjarige]</emphasis>
          </para>
        </parablock>
      </paragroup>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>5.10.</nr>
      <para>Net als de rechtbank gaat het hof uit van een geïndexeerde behoefte van [minderjarige] in 2024 van € 402,- per maand. In 2025 bedraagt de behoefte van [minderjarige] geïndexeerd € 429,- per maand. </para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="underline">Draagkracht man</emphasis>
        </para>
      </parablock>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>5.11.</nr>
      <para>De man voert – samengevat – in zijn grief aan dat de rechtbank bij de bepaling van zijn draagkracht ten onrechte is uitgegaan van inkomsten uit overwerk. Het overwerk is niet structureel, dus er moet geen rekening mee worden gehouden. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>5.12.</nr>
      <para>De vrouw voert hiertegen verweer. Volgens de vrouw heeft de man nagelaten om volledig inzicht te geven in zijn financiële situatie. Bij de rechtbank zijn partijen het eens geworden over een gemiddeld bedrag aan overwerk waar rekening mee kan worden gehouden. Er is geen reden om hier van af te wijken. De man is met het oog op deze procedure gestopt met overwerken. Het inkomensverlies is verwijtbaar en voor herstel vatbaar. De man ontvangt op zijn salarisspecificaties in 2025 ineens een opmerkelijk hoge woon-werkvergoeding van de werkgever. De vrouw vermoedt dat de man nog steeds overwerk verricht en het overwerk onder een andere noemer krijgt uitbetaald. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>5.13.</nr>
      <para>Het hof overweegt als volgt.</para>
      <para />
      <paragroup>
        <nr>5.13.1.</nr>
        <para>In de bestreden beschikking heeft de rechtbank bij de bepaling van de draagkracht van de man in 2024 rekening gehouden met een basissalaris van € 3.286,20 bruto per maand, te vermeerderen met de gebruikelijke vakantietoeslag, en een gemiddeld bedrag aan overwerk van € 219,67 bruto per maand (in totaal € 45.225,- bruto per jaar). De discussie tussen partijen spitst zich toe op de vraag of er rekening moet worden gehouden met inkomsten uit overwerk. Zoals het hof hiervoor heeft overwogen, is de man in de gelegenheid gesteld om na de mondelinge behandeling zijn jaaropgave over 2024 te overleggen. Hieruit volgt dat de man in 2024 een inkomen van € 41.642,- bruto per jaar heeft ontvangen. Het hof acht het redelijk om bij de bepaling van de draagkracht van de man hiervan uit te gaan. Dit is het inkomen dat de man in 2024 daadwerkelijk heeft genoten en eventueel overwerk is hierin verdisconteerd. Volgens de vrouw is de man gestopt met overwerken met het oog op deze procedure en is er sprake van voor herstel vatbaar inkomensverlies, maar  het hof volgt de vrouw hier niet in. De man is niet gehouden om naast zijn fulltime dienstverband (voor zover mogelijk) structureel overuren te maken. Het vorenstaande betekent dat de grief van de man slaagt.</para>
        <para />
      </paragroup>
      <paragroup>
        <nr>5.13.2.</nr>
        <para>Rekening houdende met de van toepassing zijnde heffingskortingen (algemene heffingskorting en arbeidskorting), de verschuldigde inkomstenbelasting en premies volksverzekeringen, bedraagt het netto besteedbaar inkomen van de man in 2024 € 2.826,- per maand. De draagkracht van de man is dan volgens de formule € 496,- per maand. De draagkrachtberekening is bijgevoegd.</para>
        <para />
      </paragroup>
      <paragroup>
        <nr>5.13.3.</nr>
        <para>Uit de door de man overgelegde salarisspecificaties over 2025 volgt een basissalaris van € 3.489,10 bruto per maand, te vermeerderen met de gebruikelijke vakantietoeslag. Er is geen overwerk vermeld op de salarisspecificaties. Het hof ziet geen aanleiding om uit te gaan van een hoger salaris dan het op de overgelegde salarisstroken vermeld basissalaris, te vermeerderen met de gebruikelijke vakantietoeslag. Het vermoeden van de vrouw dat de man toch overwerk verricht en daarvoor onder een andere noemer door zijn werkgever wordt betaald, is naar het oordeel van het hof niet komen vast te staan.</para>
        <para />
      </paragroup>
      <paragroup>
        <nr>5.13.4.</nr>
        <para>Rekening houdende met een (gemiddelde) pensioenpremie van € 154,- per maand en een aanvullende pensioenpremie van € 40,- per maand, de van toepassing zijnde heffingskortingen (algemene heffingskorting en arbeidskorting), de verschuldigde inkomstenbelasting en premies volksverzekeringen, bedraagt het netto besteedbaar inkomen van de man in 2025 € 2.933,- per maand. De draagkracht van de man is dan volgens de formule € 520,- per maand. De draagkrachtberekening is bijgevoegd.</para>
        <para />
      </paragroup>
      <paragroup>
        <nr>5.13.5.</nr>
        <para>De man heeft drie kinderen uit een eerdere relatie en is op 1 januari 2024 en 1 januari 2025 nog voor twee van de drie kinderen onderhoudsplichtig, te weten voor [kind 1] (geboren op [geboortedatum] 2004) en [kind 2] (geboren op [geboortedatum] 2005). Het hof houdt evenals de rechtbank in 2024 rekening met een door de man te betalen onderhoudsbijdrage voor [kind 1] en [kind 2] van € 185,58 per maand (€ 92,79 per kind per maand). Met ingang van 1 januari 2025 houdt het hof rekening met een door de man te betalen onderhoudsbijdrage voor [kind 1] en [kind 2] van € 197,64 per maand (€ 98,82 per kind per maand). [kind 1] is op [geboortedatum] 2025 eenentwintig jaar geworden, zodat de man vanaf dat moment niet langer onderhoudsplichtig voor haar is. Het hof zal om proceseconomische redenen met ingang van 1 mei 2025 rekening houden met een door de man te betalen onderhoudsbijdrage voor [kind 2] van € 98,82 per maand.</para>
        <para />
      </paragroup>
      <paragroup>
        <nr>5.13.6.</nr>
        <para>De rechtbank heeft de door de man te betalen onderhoudsbijdragen in mindering gebracht op zijn draagkracht. Partijen zijn het erover eens dat de man onderhoudsplichtig is voor [kind 2] en daarnaast voor [kind 1] tot [geboortedatum] 2025. Om die reden zal het hof hiermee rekening houden. Gelet op het voorgaande heeft de man de volgende draagkracht beschikbaar voor de minderjarige [minderjarige] :</para>
        <itemizedlist mark="-">
          <listitem>
            <para>met ingang van 1 januari 2024 afgerond € 310,- per maand (€ 496,- minus € 185,58); </para>
          </listitem>
          <listitem>
            <para>met ingang van 1 januari 2025 afgerond € 322,- per maand (€ 520,- minus € 197,64);</para>
          </listitem>
          <listitem>
            <para>met ingang van 1 mei 2025 afgerond € 421,- per maand (€ 520,- minus € 98,82).</para>
          </listitem>
        </itemizedlist>
        <para />
        <parablock>
          <para>
            <emphasis role="underline">Draagkracht vrouw</emphasis>
          </para>
        </parablock>
      </paragroup>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>5.14.</nr>
      <para>Net als de rechtbank gaat het hof in 2024 uit van een draagkracht aan de zijde van de vrouw van € 96,- per maand.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>5.15.</nr>
      <para>Naar aanleiding van de door de vrouw in hoger beroep overgelegde uitkeringsspecificaties en draagkrachtberekening, overgelegd op 6 augustus 2025, gaat het hof uit van een uitkering aan de zijde van de vrouw in 2025 van € 1.846,- per maand, te vermeerderen met de gebruikelijke vakantietoeslag (in totaal € 23.924,- bruto per jaar). Rekening houdende met de van toepassing zijnde heffingskorting (algemene heffingskorting), de verschuldigde inkomstenbelasting, premies volksverzekeringen en het kindgebondenbudget (€ 6.603,- per jaar), bedraagt het netto besteedbaar inkomen van de vrouw in 2025 € 2.086,- per maand. De draagkracht van de vrouw is dan volgens de formule € 117,- per maand. De draagkrachtberekening is bijgevoegd. </para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="underline">Draagkrachtvergelijking</emphasis>
        </para>
      </parablock>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>5.16.</nr>
      <parablock>
        <para>De (geïndexeerde) behoefte van [minderjarige] bedraagt in 2024, zoals hiervoor is overwogen, </para>
        <para>€ 402,- per maand. De man heeft een beschikbare draagkracht van € 310,- per maand, de vrouw heeft een draagkracht van € 96,- per maand. Een draagkrachtvergelijking kan achterwege blijven, omdat de totale draagkracht van de onderhoudsplichtigen (nagenoeg) gelijk is aan de behoefte van [minderjarige] .</para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>5.17.</nr>
      <para>De (geïndexeerde) behoefte van [minderjarige] bedraagt in 2025 € 429,- per maand. De man heeft op 1 januari 2025 een beschikbare draagkracht van € 322,- per maand en met ingang van 1 mei 2025 € 421,- per maand. De vrouw heeft een draagkracht van € 117,- per maand. Het hof berekent de verdeling van de kosten van [minderjarige] over de onderhoudsplichtigen volgens de formule: ieders draagkracht gedeeld door de totale draagkracht vermenigvuldigd met de behoefte van [minderjarige] , oftewel:</para>
      <para>- <emphasis role="italic">met ingang van 1 januari 2025:</emphasis></para>
      <parablock>
        <para>het aandeel van de man bedraagt: € 322 / € 439 x € 429 = € 315,- per maand</para>
        <para>het aandeel van de vrouw bedraagt: € 117 / € 439 x € 429 = € 114,- per maand</para>
      </parablock>
      <para>- <emphasis role="italic">met ingang van 1 mei 2025:</emphasis></para>
      <parablock>
        <para>het aandeel van de man bedraagt: € 421 / € 538 x € 429 = € 336,- per maand</para>
        <para>het aandeel van de vrouw bedraagt: € 117 / € 538 x € 429 = € 93,- per maand</para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="underline">Zorgkorting</emphasis>
        </para>
      </parablock>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>5.18.</nr>
      <para>Net als de rechtbank houdt het hof geen rekening met een zorgkorting.</para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="underline">Terugbetaling</emphasis>
        </para>
      </parablock>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>5.19.</nr>
      <para>De man heeft in de situatie dat hij reeds teveel kinderalimentatie aan de vrouw heeft betaald, verzocht de vrouw te veroordelen om het door de man te veel betaalde terug te betalen, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de datum van betaling tot de dag van algehele terugbetaling. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>5.20.</nr>
      <para>De vrouw voert hiertegen verweer.</para>
      <para />
      <paragroup>
        <nr>5.21.1.</nr>
        <para>Het hof overweegt dat tussen partijen vaststaat dat de man vanaf het moment van de bestreden beschikking, te weten 12 juli 2024, betalingen aan de vrouw heeft gedaan. De vrouw heeft geprobeerd om de achterstallige kinderalimentatie die de man op grond van de bestreden beschikking met ingang van 24 maart 2023 aan haar is verschuldigd door middel van executoriale maatregelen te incasseren, ondanks dat deze achterstallige kinderalimentatie onderwerp van geschil is in het door de man aanhangig gemaakte hoger beroep. De man heeft de vrouw uitdrukkelijk verzocht om de achterstallige kinderalimentatie (nog) niet te innen in afwachting van de uitkomst van het hoger beroep, maar daar heeft de vrouw geen gehoor aan gegeven. De incassomaatregelen hebben eveneens tot enkele betalingen van de man geleid. Het hof begrijpt dat er in de periode van 24 maart 2023 tot 12 juli 2024 kosten zijn gemaakt voor [minderjarige] en dat deze kosten moeten worden betaald, maar het is het hof niet gebleken dat deze kosten door de vrouw met terugwerkende kracht alsnog moesten worden voldaan. Door de vrouw is noch gesteld noch gebleken dat zij zich in financiële problemen bevond en/of leningen is aangegaan om deze kosten te voldoen en zij om die reden niet heeft kunnen wachten met het innen van de achterstallige kinderalimentatie. De vrouw heeft zelf immers verklaard dat zij voor de kosten tot aan de procedure bijstand heeft gehad van de gemeente, die de kosten voor hun rekening hebben genomen.  </para>
        <para />
      </paragroup>
      <paragroup>
        <nr>5.21.2.</nr>
        <para>Het hof zal het verzoek van de man dan ook toewijzen. Tijdens de mondelinge behandeling in hoger beroep is het hof niet duidelijk geworden dat en hoeveel de man heeft betaald aan achterstallige kinderalimentatie en er door de vrouw vanaf 24 maart 2023 aan achterstallige kinderalimentatie is geïnd, zodat het hof geen concreet bedrag aan deze beslissing kan verbinden. </para>
        <para />
      </paragroup>
    </paragroup>
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>
      <nr>6</nr>De slotsom in het principaal en het incidenteel hoger beroep</title>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>6.1.</nr>
      <para>Op grond van hetgeen hiervoor is overwogen, zal het hof de bestreden beschikking vernietigen en beslissen op de wijze zoals in het dictum bepaald.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>6.2.</nr>
      <para>Het hof zal de proceskosten compenseren, nu partijen een relatie met elkaar hebben gehad en de procedure de bijdrage aan het  uit die relatie geboren kind betreft.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>6.3.</nr>
      <para>Het hof heeft berekeningen van de draagkracht van de man en de vrouw gemaakt. Een gewaarmerkt exemplaar van deze berekeningen is aan deze beschikking gehecht en maakt daarvan deel uit. </para>
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>
      <nr>7</nr>De beslissing </title>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het hof:</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">in de zaak met zaaknummer 200.346.012/02:</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>verklaart de man niet-ontvankelijk in het verzoek tot schorsing van de tenuitvoerlegging van de beschikking van de rechtbank Zeeland-West-Brabant, zittingsplaats Breda, van 12 juli 2024;</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">in de zaak met nummer 200.346.012/01:</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>vernietigt de beschikking van de rechtbank Zeeland-West-Brabant, zittingsplaats Breda, van 12 juli 2024 en opnieuw beschikkende:</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>bepaalt dat de man aan de vrouw als bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [minderjarige] zal betalen, de toekomstige termijnen telkens bij vooruitbetaling te voldoen:</para>
    </parablock>
    <itemizedlist mark="-">
      <listitem>
        <para>met ingang van 1 januari 2024 met een bedrag van € 310,- per maand;</para>
      </listitem>
      <listitem>
        <para>met ingang van 1 januari 2025 met een bedrag van € 315,- per maand;</para>
      </listitem>
      <listitem>
        <para>met ingang van 1 mei 2025 met een bedrag van € 336,- per maand;</para>
      </listitem>
    </itemizedlist>
    <para />
    <parablock>
      <para>verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>veroordeelt de vrouw om het door de man te veel betaalde terug te betalen, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de datum van betaling tot de dag van algehele terugbetaling;</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>compenseert de kosten van het geding in beide instanties in die zin, dat elke partij de eigen kosten draagt;</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>wijst af het meer of anders verzochte.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Deze beschikking is gegeven door mrs. E.F.M. van Swaaij, C.M.J. Peters en A.M. Bossink en is op 18 september 2025 uitgesproken in het openbaar door mr. C.M.J. Peters in tegenwoordigheid van de griffier.</para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>