<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:GHSHE:2025:2521</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2026-06-02T09:10:58</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2025-09-18</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Gerechtshof_'s-Hertogenbosch" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Gerechtshof 's-Hertogenbosch</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2025-09-18</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">200.341.884_01</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#hogerBeroep">Hoger beroep</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">'s-Hertogenbosch</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#civielRecht_personenEnFamilierecht">Civiel recht; Personen- en familierecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHSHE:2025:2521">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHSHE:2025:2521</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2026-06-02T09:09:51</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2026-06-02</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:GHSHE:2025:2521 Gerechtshof 's-Hertogenbosch , 18-09-2025 / 200.341.884_01</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:GHSHE:2025:2521:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Personen- en familierecht, afwikkeling huwelijkse voorwaarden.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:GHSHE:2025:2521:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <uitspraak.info>
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Team familie- en jeugdrecht</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>zaaknummer	: 200.341.884/01</para>
      <para>zaaknummer rechtbank	: C/02/408290/ FA RK 23-1672</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">beschikking van de meervoudige kamer van 18 september 2025</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>inzake</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold underline">
          [de vrouw]
        </emphasis>,</para>
      <para>wonende te [woonplaats] ,</para>
      <para>verzoekster in het principaal hoger beroep,</para>
      <para>verweerster in het incidenteel hoger beroep,</para>
      <para>hierna te noemen: de vrouw,</para>
      <para>advocaat mr. C.J.H.E. Jeurissen te Breda,</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>tegen</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold underline">
          [de man]
        </emphasis>,</para>
      <para>wonende te [woonplaats] ,</para>
      <para>verweerder in het principaal hoger beroep,</para>
      <para>verzoeker in het incidenteel hoger beroep,</para>
      <para>hierna te noemen: de man,</para>
      <para>advocaat mr. B.H. van der Zwan te Rotterdam.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </uitspraak.info>
  <section>
    <title>
      <nr>1</nr>De zaak in het kort</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>Deze zaak gaat over de afwikkeling van de huwelijkse voorwaarden.</para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>2</nr>Het verloop van het geding in eerste aanleg</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het hof verwijst voor het verloop van het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de rechtbank Zeeland-West-Brabant (Breda) van 27 februari 2024, uitgesproken onder voormeld zaaknummer.</para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>3</nr>Het geding in hoger beroep</title>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>3.1.</nr>
      <para>De vrouw is op 27 mei 2024 in hoger beroep gekomen. Het beroepschrift bevat de producties 1 t/m 12.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.2.</nr>
      <para>De man heeft op 9 april 2025 een verweerschrift tevens houdende incidenteel hoger beroep ingediend, met de producties 1 t/m 12.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.3.</nr>
      <para>De vrouw heeft op 13 mei 2025 een verweerschrift op het incidenteel hoger beroep ingediend, met de producties 13 t/m 18.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.4.</nr>
      <para>Bij het hof zijn verder de volgende stukken ingekomen:</para>
      <para>- het proces-verbaal van de op 6 december 2023 gehouden mondelinge behandeling in eerste aanleg;</para>
      <para>- het journaalbericht van de advocaat van de man van 28 augustus 2024 met als bijlage de kennisgeving van de inschrijving van de echtscheidingsbeschikking;</para>
      <itemizedlist mark="-">
        <listitem>
          <para>aanvullend verzoek c.q. aanvulling verzoek van de vrouw, ingekomen ter griffie op 23 april 2025;</para>
        </listitem>
        <listitem>
          <para>verweerschrift van de man op het aanvullend verzoek c.q. aanvulling verzoek van de vrouw, ingekomen ter griffie op 30 april 2025;</para>
        </listitem>
        <listitem>
          <para>het journaalbericht van de advocaat van de vrouw van 14 mei 2025 met als bijlage de vertaling van pagina 1 en 12 van productie 17;</para>
        </listitem>
        <listitem>
          <para>het journaalbericht van de advocaat van de vrouw van 19 mei 2025 met de mededeling dat op de mondelinge behandeling voor de vrouw een tolk in de Poolse taal zal optreden.</para>
        </listitem>
      </itemizedlist>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.5.</nr>
      <para>De mondelinge behandeling heeft op 21 mei 2025 plaatsgevonden. Partijen zijn in persoon verschenen, bijgestaan door hun advocaten. Voor de vrouw is als tolk in de Poolse  taal opgetreden mevrouw I. Wachnik (Wbtv-nummer 40147). </para>
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>4</nr>De feiten</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het hof gaat uit van de door de rechtbank vastgestelde feiten voor zover daartegen in hoger beroep niet is opgekomen. Onder meer staat het volgende vast:</para>
    </parablock>
    <para />
    <orderedlist numeration="loweralpha">
      <listitem>
        <para>partijen zijn op 19 september 2022 gehuwd na het maken van huwelijkse voorwaarden op 16 augustus 2021;</para>
      </listitem>
      <listitem>
        <para>op 5 april 2023 heeft de man het verzoek tot echtscheiding ingediend bij de rechtbank Zeeland-West-Brabant. Daarop is bij de bestreden beschikking van 27 februari 2024 de echtscheiding uitgesproken; </para>
      </listitem>
      <listitem>
        <para>de echtscheidingsbeschikking is op 26 augustus 2024 ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand.</para>
      </listitem>
    </orderedlist>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>5</nr>De omvang van het geschil</title>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>5.1.</nr>
      <para>Bij de bestreden beschikking heeft de rechtbank, voor zover van belang, het volgende beslist: </para>
      <para />
      <parablock>
        <para>“(…)</para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>gelast, uitvoerbaar bij voorraad, de afwikkeling van de huwelijkse voorwaarden en de verdeling van de gemeenschappelijke goederen van partijen op de wijze zoals vermeld in de rechtsoverwegingen 4.15 tot en met 4.53;</para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>compenseert de kosten van het geding aldus dat iedere partij de eigen kosten draagt;</para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>wijst het meer of anders verzochte af.”</para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>5.2.</nr>
      <para>De <emphasis role="underline">vrouw</emphasis> verzoekt het hof:</para>
      <para />
      <parablock>
        <para>“(…) te vernietigen de beschikking d.d. 27 februari 2024 van de Rechtbank Zeeland-West-Brabant (…) voor zover het oordeel betreft dat de man recht heeft op terugneming van een bedrag van € 135.494,69 uit de door de akte van huwelijkse voorwaarden ontstane huwelijksgoederengemeenschap alsmede tot deling van de grond in Polen en opnieuw rechtdoende, bij beschikking, voor zoveel mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:</para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">Ter zake het in de huwelijkse voorwaarden opgenomen vergoedingsrecht ter hoogte van</emphasis>
        </para>
        <para>
          <emphasis role="italic">€ 135.494,69 alsmede het perceel in Polen</emphasis>
        </para>
        <para>I.</para>
        <para>Primair: ex art. 3:54 lid 2 BW dan wel 6:230, lid 2 BW het nadeel van de huwelijkse voorwaarden, zoals opgenomen in de akte van huwelijkse voorwaarden van 16 augustus 2021, voor wat betreft de vermeende inbreng van de man van € 135.494,69 op te heffen en te bepalen dat de man aan de vrouw een bedrag van € 5.000,00 verschuldigd is ter zake de vergoedingsrechten alsmede te bepalen dat (de opbrengst van) het perceel te Polen niet gedeeld dient te worden;</para>
        <para>dan wel de gevolgen van de huwelijkse voorwaarden voornoemd te wijzigen en wel in die zin, en dat voor recht wordt verklaard, dat het door de man ingebrachte bedrag in de woning gelegen aan [adres 1] te [woonplaats] wordt vastgesteld op nihil met als gevolg dat dat de man aan de vrouw een bedrag van € 5.000,00 verschuldigd is ter zake de vergoedingsrechten alsmede dat het perceel te Polen van de gemeenschap van goederen is uitgezonderd.</para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>Subsidiair: ex art. 3:54 lid 2 BW dan wel 6:230, lid 2 BW het nadeel van de huwelijkse voorwaarden, zoals opgenomen in de akte van huwelijkse voorwaarden van 16 augustus 2021, op te heffen voor wat betreft de vermeende inbreng van de man voor het meerdere van € 68.462,70 en te bepalen dat de vrouw aan de man een bedrag van (€ 34.231,35 - € 5.000,00 =) € 29.231,35 is verschuldigd ter zake de vergoedingsrechten alsmede te bepalen dat (de opbrengst van) het perceel te Polen niet gedeeld dient te worden;</para>
        <para>dan wel de gevolgen van de huwelijkse voorwaarden voornoemd te wijzigen en wel in die zin, en dat voor recht wordt verklaard, dat het door de man ingebrachte bedrag in de woning gelegen aan [adres 1] te [woonplaats] wordt vastgesteld op € 68.462,70 en het bedrag dat de vrouw aan de man uit dien hoofde dient te voldoen wordt vastgesteld op € 29.231,35 alsmede dat het perceel te Polen van de gemeenschap van goederen is uitgezonderd.</para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>Meer subsidiair: dan wel een andere beslissing te nemen die uw Gerechtshof in dezen geraden acht.</para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">Ter zake de bankrekeningen</emphasis>
        </para>
        <para>II. Te bepalen wie wat aan de ander verschuldigd is uit hoofde van de verdeling van de saldi van de bankrekeningen, dan wel een andere beslissing te nemen die uw Gerechtshof in deze geraden acht.”</para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>5.3.</nr>
      <para>De <emphasis role="underline">man</emphasis> heeft verweer gevoerd. Hij heeft daarbij tevens incidenteel hoger beroep ingesteld. Hij verzoekt het hof:</para>
      <para />
      <parablock>
        <para>“(…) voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:</para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>De verzoeken van de vrouw in hoger beroep niet-ontvankelijk te verklaren, dan wel de verzoeken af te wijzen en; aldus de beschikking van de Rechtbank Zeeland-West-Brabant, locatie Breda van 27 februari 2024 met zaaknummer C/08/408290 te bekrachtigen.</para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>Bij wijze van incidenteel appel de beschikking van de rechtbank Zeeland-West-Brabant,</para>
        <para>locatie Breda van 27 februari 2024 gedeeltelijk te vernietigen, in die zin dat:</para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>- In het petitum wordt opgenomen dat de man een vergoeding heeft op de vrouw ter hoogte</para>
        <para>van € 62.747,35;</para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>- In het petitum wordt opgenomen dat de man een vordering heeft op de vrouw ten aanzien</para>
        <para>van de verdeling van het banksaldi ter hoogte van € 288,74;</para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">Ten aanzien van de grond en het woonhuis in Polen</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>- <emphasis role="underline">primair</emphasis> het door de man overgelegde taxatierapport in eerste aanleg ter hoogte van 272.000 Poolse Zloty aangehouden dient te worden wat betreft de waarde van het stuk grond in Polen, alsmede het woonhuis in Polen;</para>
        <para>- <emphasis role="underline">subsidiair</emphasis> te bepalen dat eenzelfde constructie gevolgd dient te worden zoals bepaald door de rechtbank, maar waarbij de vrouw binnen 2 weken drie in Polen erkende makelaars moet aanwijzen, waarvan de man binnen 2 weken een taxateur aanwijst aan wie partijen binnen 4 weken de opdracht verstrekken om de taxatie uit te voeren. De man acht het wenselijk dat hieraan een dwangsom wordt verbonden om te voorkomen dat de vrouw geen medewerking zal verlenen aan de nieuwe taxatie van het stuk grond met woonhuis in Polen. De man verzoekt uw gerechtshof dat de vrouw ter verzekering van nakoming van de beschikking met betrekking tot de taxatie van het stuk grond met woonhuis in Polen, een dwangsom verbeurt aan de man van € 750,- per dag met een maximum van € 10.000,- voor iedere keer dat de vrouw in gebreke mocht blijven aan deze beschikking te voldoen.</para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>- de man een vergoeding heeft op de vrouw ter hoogte van € 21.900,- in verband met voorhuwelijkse investeringen in het woonhuis in Polen.”</para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>5.4.</nr>
      <para>De <emphasis role="underline">vrouw</emphasis> heeft in het incidenteel hoger beroep verweer gevoerd. Zij verzoekt het hof:</para>
      <para />
      <parablock>
        <para>“(…) de man niet ontvankelijk te verklaren in zijn verzoeken c.q. de verzoeken van de man in appel af te wijzen als zijnde ongegrond/onbewezen.</para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>Kosten rechtens.”</para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>5.5.</nr>
      <para>De <emphasis role="underline">vrouw</emphasis> heeft in principaal hoger beroep drie grieven gericht tegen de bestreden beschikking. De <emphasis role="underline">man</emphasis> heeft in incidenteel hoger beroep twee grieven gericht tegen de beschikking waarvan beroep. De grieven van partijen zien op de volgende onderwerpen:</para>
      <itemizedlist mark="-">
        <listitem>
          <para>afwikkeling huwelijkse voorwaarden (grief 1 en 2 vrouw);</para>
        </listitem>
        <listitem>
          <para>bankrekeningen (grief 3 vrouw);</para>
        </listitem>
        <listitem>
          <para>stuk grond met bebouwing in Polen (grief 1 man);</para>
        </listitem>
        <listitem>
          <para>vergoedingsrecht € 21.900,-- (grief 2 man).</para>
        </listitem>
      </itemizedlist>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>5.6.</nr>
      <para>Het <emphasis role="underline">hof</emphasis> zal de grieven hierna per onderwerp bespreken. Alvorens daartoe over te gaan, zal het hof eerst ingaan op de rechtsmacht en het toepasselijke recht en op het aanvullend verzoek van de vrouw, dat ter griffie is ingekomen op 23 april 2025.</para>
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>
      <nr>6</nr>De motivering van de beslissing</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="underline">Rechtsmacht en toepasselijk recht</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>6.1.</nr>
      <para>De zaak heeft internationale aspecten nu de man de Nederlandse nationaliteit heeft en de vrouw de Poolse nationaliteit. Omdat beide echtgenoten hun gewone verblijfplaats in Nederland hebben, komt de Nederlandse rechter met betrekking tot het verzoek tot echtscheiding op grond van art. 3 lid 1 sub a onder i Brussel II-ter rechtsmacht toe.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>6.2.</nr>
      <para>Daarnaast heeft de Nederlandse rechter rechtsmacht – omdat hij met betrekking tot het verzoek tot echtscheiding (op grond van art. 3 lid 1 sub a onder i Brussel II ter) rechtsmacht heeft – om te beslissen in zaken betreffende het huwelijksvermogensstelsel die met het echtscheidingsverzoek verband houden (art. 5 lid 1 van de Verordening (EU) 2016/1103 van de Raad van 24 juni 2016 tot uitvoering van de nauwere samenwerking op het gebied van de bevoegdheid, het toepasselijke recht en de erkenning en tenuitvoerlegging van beslissingen op het gebied van huwelijksvermogensstelsels).</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>6.3.</nr>
      <para>Geen grieven zijn gericht tegen het oordeel van de rechtbank dat Nederlands recht van toepassing is. Ook het hof zal daarom uitgaan van toepasselijkheid van Nederlands recht (vgl. HR 10 februari 2023, ECLI:NL:HR:2023:200).</para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="underline">Het aanvullend verzoek van de vrouw</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>6.4.</nr>
      <para>Het aanvullend verzoek richt zich, kort gezegd, tegen de beslissing van de rechtbank om de voormalige echtelijke woning gelegen aan [adres 1] te [woonplaats] (hierna: de woning) toe te delen aan de man. De rechtbank heeft daarover in rov. 4.25 tot en met 4.27 het volgende overwogen:</para>
      <para />
      <parablock>
        <para>“4.25. Partijen zijn gezamenlijk. ieder voor de onverdeelde helft, eigenaar van de woning. Partijen zijn het erover eens dat de woning wordt toebedeeld aan de man tegen de getaxeerde waarde van € 323 000,= (zoals opgenomen in het door de vrouw overgelegde taxatierapport van In de [B.V. 1] B.V. van 9 november 2023) en dat de op de woning rustende hypotheek bij [B.V. 2] B.V. geheel door de man zal worden gedragen en afgelost, onder vrijwaring van de vrouw. Deze toedeling vindt plaats onder de voorwaarde dat de vrouw zal worden ontslagen uit haar hoofdelijke aansprakelijkheid op grond van deze hypotheek.</para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.26.</nr>
      <para>De overwaarde van de woning moet worden berekend door de getaxeerde waarde van de woning van € 323.000,= te verminderen met de waarde van de genoemde hypotheek. Partijen zijn het niet eens over de hoogte van de hypotheek. De man gaat uit van een hypotheekbedrag van € 275.000,=, zijnde de oorspronkelijke hypotheekschuld. De vrouw stelt dat moet worden uitgegaan van de hoogte van de hypotheekschuld op de datum van overdracht van de woning. Zij stelt dat zij na de peildatum is blijven meebetalen aan de aflossing op de hypothecaire lening, hetgeen de man betwist.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.27.</nr>
      <para>De rechtbank gelast de wijze van verdeling aldus dat voor het vaststellen van de overwaarde moet worden uitgegaan van het getaxeerde bedrag van € 323.000,= verminderd met de hoogte van het hypotheekbedrag op de datum van eigendomsoverdracht van de woning aan de man. Indien de man meent dat hij een vergoedingsvordering heeft op de vrouw in verband met door hem betaalde aflossingen op de hypotheek ligt het op zijn weg om een (aanvullende) vordering in te stellen. Een dergelijke vordering ligt hier met voor.”</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>6.5.</nr>
      <para>De <emphasis role="underline">vrouw</emphasis> verzoekt het hof:</para>
      <para />
      <parablock>
        <para>“(…) te vernietigen de beschikking d.d. 27 februari 2024 van de Rechtbank Zeeland-West-Brabant (…) voor zover het oordeel betreft dat de woning aan de man wordt toebedeeld voor een bedrag van € 323.000,00 en opnieuw rechtdoende, bij beschikking, voor zoveel mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:</para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">Terzake de woning:</emphasis>
        </para>
        <para>III.</para>
        <para>
          <emphasis role="underline">Primair:</emphasis>
        </para>
        <para>de woning gelegen aan [adres 1] te [woonplaats] aan de vrouw toe te delen voor een bedrag van € 323.000,00 onder de opschortende voorwaarde dat de man zo spoedig mogelijk doch uiterlijk binnen drie maanden na datum van de in dezen te wijzen beschikking wordt ontslagen uit de hoofdelijke aansprakelijkheid voor de op de woning rustende hypotheek en uitkering aan de man van de helft van de overwaarde.</para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>En voorts, voor zover de vrouw niet binnen 3 maanden na datum van de in dezen te wijzen beschikking aan de opschortende voorwaarde (ontslag uit hoofdelijke aansprakelijkheid + uitkering helft overwaarde) heeft voldaan, de man te veroordelen binnen om binnen 72 uur na betekening van de in deze te wijzen beschikking (althans binnen een termijn die uw Gerechtshof in goede justitie vermeent te behoren) zijn onvoorwaardelijke medewerking te verlenen aan verkoop door [makelaar] te [plaats 1] van het registergoed van de man en de vrouw, staande en gelegen aan [adres 1] te [woonplaats] tegen een door de makelaar vast te stellen vraagprijs en laatprijs en voorts door de man te veroordelen</para>
        <para>a) schriftelijke opdracht tot verkoop te verstrekken aan [makelaar] te [plaats 1] , </para>
        <para>b) zijn medewerking te verlenen aan al hetgeen door [makelaar] te [plaats 1] noodzakelijk wordt geacht om het registergoed aan [adres 1] te [woonplaats] te verkopen tegen de redelijkerwijs best haalbare prijs en medewerking te verlenen aan alle daartoe door de makelaar voorgestelde acties (zoals open huizen routes), waarbij alle adviezen van de makelaar, ook die ten aanzien van de stellen vraagprijs, zullen worden opgevolgd.</para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>Met bepaling dat wanneer de man niet die (rechts)handelingen verricht waartoe hij gehouden is, de vrouw op grond van artikel 3:299 BW gemachtigd is om de woning vervolgens mede namens de man te verkopen dan wel met verbeurte van een dwangsom van € 1.000,00 per dag voor iedere dag, een dagdeel aan te merken als dag, dat de man hiermee in gebreke blijft, na dat 7 dagen zijn verstreken nadat hij daartoe per aangetekende brief is gesommeerd.</para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>En voorts de man te veroordelen om na verkoop van de woning mee te werken aan de notariële overdracht van de gezamenlijke woning aan [adres 1] te [woonplaats] en daartoe alle noodzakelijke rechtshandelingen te verrichten en overeenkomsten en aktes te ondertekenen, met bepaling dat wanneer de man niet die (rechts)handelingen verricht waartoe hij gehouden is, de vrouw op grond van artikel 3:299 BW gemachtigd is om de woning vervolgens mede namens de man te leveren aan de opvolgend eigenaar dan wel met verbeurte van een dwangsom van € 1.000,00 per dag, een dagdeel aan te merken als dag, voor iedere dag dat hij hiermee in gebreke blijft, na dat 7 dagen zijn verstreken nadat hij daartoe per aangetekende brief is gesommeerd.</para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="underline">Subsidiair:</emphasis>
        </para>
        <para>te bepalen dat de woning gelegen aan [adres 1] te [woonplaats] dient te worden verkocht door tussenkomst van makelaar [makelaar] te [plaats 1] ,</para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>alsmede te bepalen dat de overwaarde (= verkoopopbrengst -/- hypotheekschuld -/- verkoopkosten, zoals makelaarskosten) van de gezamenlijke woning tussen partijen bij helfte wordt verdeeld.</para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>En voorts de man te veroordelen binnen om binnen 72 uur na betekening van de in deze te wijzen beschikking (althans binnen een termijn die uw Gerechtshof in goede justitie vermeent te behoren) zijn onvoorwaardelijke medewerking te verlenen aan verkoop door [makelaar] te [plaats 1] van het registergoed van de man en de vrouw, staande en gelegen aan [adres 1] te [woonplaats] tegen een door de makelaar vast te stellen vraagprijs en laatprijs en voorts door de man te veroordelen </para>
        <para>a) schriftelijke opdracht tot verkoop te verstrekken aan [makelaar] te [plaats 1] ,</para>
        <para>b) zijn medewerking te verlenen aan al hetgeen door [makelaar] te [plaats 1] noodzakelijk wordt geacht om het registergoed aan [adres 1] te [woonplaats] te verkopen tegen de redelijkerwijs best haalbare prijs en medewerking te verlenen aan alle daartoe door de makelaar voorgestelde acties (zoals open huizen routes), waarbij alle adviezen van de makelaar, ook die ten aanzien van de stellen vraagprijs, zullen worden opgevolgd.</para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>Met bepaling dat wanneer de man niet die (rechts)handelingen verricht waartoe hij gehouden is, de vrouw op grond van artikel 3:299 BW gemachtigd is om de woning vervolgens mede namens de man te verkopen, dan wel met verbeurte van een dwangsom van € 1.000,00 per dag voor iedere dag, een dagdeel aan te merken als dag, dat de man hiermee in gebreke blijft, na dat 7 dagen zijn verstreken nadat hij daartoe per aangetekende brief is gesommeerd.</para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>En voorts de man te veroordelen om na verkoop van de woning mee te werken aan de notariële overdracht van de gezamenlijke woning gelegen aan [adres 1] te [woonplaats] en daartoe alle noodzakelijke rechtshandelingen te verrichten en overeenkomsten en aktes te ondertekenen, met bepaling dat wanneer de man niet die (rechts)handelingen verricht waartoe hij gehouden is, de vrouw op grond van artikel 3:299 BW gemachtigd is om de woning vervolgens mede namens de man te leveren aan de opvolgend eigenaar dan wel met verbeurte van een dwangsom van € 1.000,00 per dag, een dagdeel aan te merken als dag, voor iedere dag dat hij hiermee in gebreke blijft, na dat 7 dagen zijn verstreken nadat hij daartoe per aangetekende brief is gesommeerd.</para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="underline">Meer subsidiair:</emphasis>
        </para>
        <para>Te bepalen dat de woning aan [adres 1] te [woonplaats] aan de man wordt toegedeeld, onder de opschortende voorwaarde dat de vrouw zo spoedig mogelijk doch uiterlijk binnen drie maanden na datum van de in dezen te wijzen beschikking wordt ontslagen uit de hoofdelijke aansprakelijkheid voor de op de woning rustende hypotheek en uitkering aan de vrouw van de helft van de overwaarde. En deze overwaarde te berekenen op basis van de marktwaarde zoals te taxeren door een door partijen gezamenlijk te kiezen dan wel door uw Gerechtshof te benoemen ter plaatse goed bekend staande NVM- makelaar, en waarbij ter berekening van de overwaarde als peildatum ter zake de hypotheekschuld de datum van de notariele akte van verdeling gehanteerd zal worden.</para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>En voorts, voor zover de man niet binnen 3 maanden na datum van de in dezen te wijzen beschikking aan de opschortende voorwaarde (ontslag uit hoofdelijke aansprakelijkheid + uitkering helft overwaarde) heeft voldaan, de man te veroordelen binnen om binnen 72 uur na betekening van de in deze te wijzen beschikking (althans binnen een termijn die uw Gerechtshof in goede justitie vermeent te behoren) zijn onvoorwaardelijke medewerking te verlenen aan verkoop door [makelaar] te [plaats 1] van het registergoed van de man en de vrouw, staande en gelegen aan [adres 1] te [woonplaats] tegen een door de makelaar vast te stellen vraagprijs en laatprijs en voorts door de man te veroordelen</para>
        <para>a) schriftelijke opdracht tot verkoop te verstrekken aan [makelaar] te [plaats 1] ,</para>
        <para>b) zijn medewerking te verlenen aan al hetgeen door [makelaar] te [plaats 1] noodzakelijk wordt geacht om het registergoed aan [adres 1] te [woonplaats] te verkopen tegen de redelijkerwijs best haalbare prijs en medewerking te verlenen aan alle daartoe door de makelaar voorgestelde acties (zoals open huizen routes), waarbij alle adviezen van de makelaar, ook die ten aanzien van de stellen vraagprijs, zullen worden opgevolgd.</para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>Met bepaling dat wanneer de man niet die (rechts)handelingen verricht waartoe hij gehouden is, de vrouw op grond van artikel 3:299 BW gemachtigd is om de woning vervolgens mede namens de man te verkopen dan wel met verbeurte van een dwangsom van € 1.000,00 per dag voor iedere dag, een dagdeel aan te merken als dag, dat de man hiermee in gebreke blijft, na dat 7 dagen zijn verstreken nadat hij daartoe per aangetekende brief is gesommeerd.</para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>En voorts de man te veroordelen om na verkoop van de woning mee te werken aan de notariële overdracht van de gezamenlijke woning aan [adres 1] te [woonplaats] en daartoe alle noodzakelijke rechtshandelingen te verrichten en overeenkomsten en aktes te ondertekenen, met bepaling dat wanneer de man niet die (rechts)handelingen verricht waartoe hij gehouden is, de vrouw op grond van artikel 3:299 BW gemachtigd is om de woning vervolgens mede namens de man te leveren aan de opvolgend eigenaar dan wel met verbeurte van een dwangsom van € 1.000,00 per dag, een dagdeel aan te merken als dag, voor iedere dag dat hij hiermee in gebreke blijft, na dat 7 dagen zijn verstreken nadat hij daartoe per aangetekende brief is gesommeerd.</para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>Meer meer subsidiair:</para>
        <para>Dan wel een andere beslissing te nemen die uw Gerechtshof in dezen geraden acht.</para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>Kosten rechtens.”</para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>6.6.</nr>
      <para>Ter toelichting op dit verzoek voert zij aan dat het inmiddels al meer dan een jaar geleden is dat de rechtbank heeft beslist dat de woning aan de man moet worden toegedeeld. Tot nu toe heeft de man geen actie ondernomen om de overgang van de woning aan hem te realiseren en de vrouw te doen ontslaan uit de hoofdelijke aansprakelijkheid van de hypotheek. Zij leidt daaruit af dat de man niet in staat is om de woning over te nemen, dan wel dat hij de woning niet langer wil overnemen. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>6.7.</nr>
      <para>De <emphasis role="underline">man</emphasis> heeft in reactie op het aanvullend verzoek van de vrouw aangevoerd dat de vrouw daarin niet-ontvankelijk moet worden verklaard, omdat het aanvullend verzoek in strijd is met de twee-conclusie-regel. Van een uitzonderingsgrond is geen sprake. </para>
      <para />
      <parablock>
        <para>Verder is de vrouw niet in staat om de woning over te nemen. Zij heeft een inkomen uit een WIA-uitkering. Met dat inkomen is zij niet in staat om de overname van de woning te financieren. Hij kan de woning wél overnemen. Hij legt daartoe over een verklaring van de hypotheekadviseur (productie 13). Hieruit volgt dat hij de vrouw kan laten ontslaan uit de hoofdelijke aansprakelijkheid voor de hypothecaire geldlening. De reden dat hij geen stappen heeft ondernomen om de overgang van de woning aan hem te realiseren is gelegen in het feit dat de vrouw een hoger beroepsprocedure heeft opgestart tegen de vermogensrechtelijke afwikkeling van het huwelijk. Daarbij komt dat hij naar alle waarschijnlijkheid een vordering op de vrouw zal hebben, en het wenselijk (en tevens gebruikelijk is) om deze te verrekenen met de helft van de overwaarde van de woning. Het is niet geheel ondenkbaar dat de vrouw bij uitbetaling van de overwaarde van de woning dit bedrag reeds zou hebben uitgegeven in plaats van dat zij dit bedrag zou aanwenden voor de betaling van de vordering aan de man. Tot slot heeft de vrouw nooit een bijdrage geleverd aan de betalingen van de hypotheek, noch heeft hij hier een vordering voor ingesteld, zodat de vrouw geen enkel nadeel ondervindt van het feit dat zij nog niet is ontslagen uit de hoofdelijke aansprakelijkheid voor de hypotheek.   </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>6.8.</nr>
      <para>Het <emphasis role="underline">hof</emphasis> overweegt als volgt.</para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">Over de toelaatbaarheid van het aanvullend verzoek (twee-conclusie-regel)</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
      <paragroup>
        <nr>6.8.1.</nr>
        <para>Naar het oordeel van het hof is geen sprake van strijd met de twee-conclusie-regel. Met haar aanvullend verzoek beoogt de vrouw aanpassing aan nieuwe ontwikkelingen, in die zin dat de overgang van de woning aan de man nog altijd niet is gerealiseerd, terwijl de door de rechtbank daarvoor bepaalde termijn van drie maanden inmiddels ruimschoots is verstreken. Van strijd met de eisen van een goede procesorde is geen sprake.</para>
        <para />
        <parablock>
          <para>
            <emphasis role="italic">Over het primaire verzoek</emphasis>
          </para>
        </parablock>
        <para />
      </paragroup>
      <paragroup>
        <nr>6.8.2.</nr>
        <para>De vrouw verzoekt de woning aan haar toe te delen voor € 323.000,--. Het hof wijst dit verzoek af. De vrouw heeft tegenover de gemotiveerde betwisting van de man onvoldoende (nader) onderbouwd dat zij de overname van de woning kan financieren. Het had op haar weg gelegen om aan de hand van concrete bescheiden inzichtelijk te maken hoe zij de overname van de woning kan financieren. Dit heeft zij nagelaten, hetgeen voor haar eigen rekening en risico dient te komen. Voor zover de vrouw ter mondelinge behandeling in hoger beroep nog heeft gesteld dat haar kinderen bereid zijn om de overname van de woning te financieren, gaat het hof daaraan voorbij als onvoldoende onderbouwd. </para>
        <para />
        <parablock>
          <para>
            <emphasis role="italic">Over het subsidiaire verzoek</emphasis>
          </para>
        </parablock>
        <para />
      </paragroup>
      <paragroup>
        <nr>6.8.3.</nr>
        <para>Ook het verzoek tot, kort gezegd, verkoop van de woning aan een derde, wijst het hof af. Met het overleggen van een verklaring van zijn hypotheekadviseur (pr. 13 in hoger beroep), heeft de man genoegzaam aangetoond dat hij de overname van de woning wél kan financieren.</para>
        <para />
        <parablock>
          <para>
            <emphasis role="italic">Over het meer subsidiaire verzoek</emphasis>
          </para>
        </parablock>
        <para />
      </paragroup>
      <paragroup>
        <nr>6.8.4.</nr>
        <para>Dit verzoek wijst het hof ook af. De man heeft voldoende toegelicht waarom de overgang van de woning aan hem nog niet heeft plaatsgevonden. Hij heeft onweersproken verklaard dat de financiering van de overname van de woning onlosmakelijk is verbonden met de vermogensrechtelijke afwikkeling van het huwelijk, zodat niet van de man verwacht kan worden dat hij reeds op één onderdeel, te weten de toedeling van de woning aan hem, een betaling aan de vrouw zal voldoen.</para>
        <para />
        <parablock>
          <para>
            <emphasis role="italic">Slotsom</emphasis>
          </para>
        </parablock>
        <para />
      </paragroup>
      <paragroup>
        <nr>6.8.5.</nr>
        <para>De slotsom van het voorgaande is dat het hof het aanvullend verzoek van de vrouw op alle onderdelen zal afwijzen.</para>
        <para />
        <parablock>
          <para>
            <emphasis role="underline">De grieven </emphasis>
          </para>
        </parablock>
        <para />
        <parablock>
          <para>
            <emphasis role="italic">Afwikkeling huwelijkse voorwaarden (grief 1 en 2 vrouw)</emphasis>
          </para>
        </parablock>
        <para />
      </paragroup>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>6.9.</nr>
      <para>Grief 1 en 2 keren zich tegen rov. 4.34 van de bestreden beschikking. Daarin heeft de rechtbank het volgende overwogen:</para>
      <para />
      <parablock>
        <para>“Uit het bepaalde in artikel 2.1 en 2.2. van de huwelijkse voorwaarden en hetgeen op de mondelinge behandeling is gesteld door beide partijen, leidt de rechtbank af dat het uitgangspunt van partijen was dat het in deze artikelen genoemde vermogen van ieder van hen bij echtscheiding terugbetaald zou worden aan de desbetreffende partij.</para>
        <para>Een authentieke akte, zoals de akte huwelijkse voorwaarden, levert ingevolge artikel 157 lid 2 Rv tussen partijen dwingend bewijs op van de (waarheid van de) daarin opgenomen verklaring van partijen. Dit komt erop neer dat het ervoor gehouden moet worden dat bij het aangaan van deze notariële akte tussen partijen niet in geschil was dat van de gemeenschap van goederen zijn uitgezonderd het vermogen van de man van € 135.494,69 en het vermogen van de vrouw van € 10.000,=. Gelet op de gemotiveerde betwisting door de man van de stelling van de vrouw, had het op de weg van de vrouw gelegen om tegenbewijs te leveren van haar stellingen. Zij heeft hiertoe geen aanbod gedaan. De rechtbank gaat daarom aan de stellingen van de vrouw voorbij. </para>
        <para>Dit betekent dat de gemeenschap aan de man een bedrag van € 135.494,69 dient te vergoeden en aan de vrouw een bedrag van € 10.000,=.</para>
        <para>Per saldo betekent dit dat de vrouw aan de man een bedrag van € 62.747,35 moet voldoen.”</para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>6.10.</nr>
      <para>Met haar grieven betoogt de <emphasis role="underline">vrouw</emphasis> dat de huwelijkse voorwaarden vernietigbaar zijn vanwege dwaling, dan wel misbruik van omstandigheden. Dát zijn de vernietigingsgronden waarop de vrouw zich, als verklaard bij de mondelinge behandeling in hoger beroep, heeft beroepen en waarvan de man dit ook zo heeft begrepen, gelet op hetgeen hij hierover naar voren heeft gebracht. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>6.11.</nr>
      <para>Voor zover hier relevant, luiden de huwelijkse voorwaarden als volgt:</para>
      <para />
      <parablock>
        <para>“(...) 1.2 wettelijke beperkte gemeenschap van goederen</para>
        <para>Er bestaat tussen de echtgenoten een wettelijke beperkte gemeenschap van goederen in de</para>
        <para>zin van artikel 1:94 Burgerlijk Wetboek, die in deze huwelijkse voorwaarden wordt</para>
        <para>uitgebreid.</para>
        <para>(…)</para>
        <para>2. Tijdens het huwelijk</para>
      </parablock>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.1</nr>
      <parablock>
        <para>aangepaste beperkte gemeenschap van goederen</para>
        <para>De echtgenoten breiden de wettelijke beperkte gemeenschap van goederen in de zin van</para>
        <para>artikel 1:94 Burgerlijk Wetboek uit, zodat ook in de gemeenschap van goederen vallen:</para>
        <para>- de goederen en schulden die de echtgenoten bij het aangaan van het huwelijk individueel hadden;</para>
        <para>- de erfrechtelijke verkrijgingen en giften, ongeacht of daar een uitsluitingsclausule zoals</para>
        <para>bedoeld in artikel 1:94 lid 3 Burgerlijk Wetboek aan is verbonden.</para>
        <para>Van de gemeenschap van goederen zijn echter uitgezonderd:</para>
        <para>- de inbreng in de woning gelegen aan [adres 1] te [woonplaats] door de</para>
        <para>verschenen persoon sub l (hof: de man) van een bedrag in contanten groot</para>
        <para>éénhonderdvijfendertigduizend vierhonderdvierennegentig euro en negenenzestig eurocent</para>
        <para>(€ 135.494,69).</para>
        <para>- een geldbedrag van de verschenen persoon sub 2 (hof: de vrouw) groot tienduizend</para>
        <para>euro (€ 10.000,00);</para>
        <para>(…)”</para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>6.12.</nr>
      <para>Het beroep van de vrouw op vernietigbaarheid betreft deze laatste twee bepalingen. Die bepalingen zijn volgens haar anders dan hetgeen tussen partijen is overeengekomen. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>6.13.</nr>
      <parablock>
        <para>Ter toelichting hierop voert zij het volgende aan. Zij is niet betrokken geweest bij de totstandkoming van de huwelijkse voorwaarden, althans is zij daarbij door de man niet juist geïnformeerd. De man heeft het overleg met de notaris gevoerd en de vrouw meegenomen naar de ondertekening van de huwelijkse voorwaarden. Ondanks haar uitdrukkelijke wens, mocht daarbij geen vertaler aanwezig zijn. De man wist of had moeten begrijpen dat de vrouw door haar afhankelijkheid en onervarenheid bewogen werd tot het geven van instemming met de huwelijkse voorwaarden en hij heeft desondanks de instemming van de vrouw bevorderd terwijl hij wist of had moeten begrijpen dat hij de vrouw daarvan had behoren te weerhouden aangezien de inhoud van de huwelijkse voorwaarden anders was dan hij met de vrouw had besproken c.q. dan de vrouw dacht. </para>
        <para>De vrouw was ten tijde van het ondertekenen van de huwelijkse voorwaarden in de</para>
        <para>veronderstelling dat partijen in algehele gemeenschap van goederen zouden huwen met uitzondering van de bedragen die de man in de woning heeft geïnvesteerd en de grond die de vrouw in Polen bezat. Op het moment van sluiten van de huwelijkse voorwaarden had de man echter geen gelden geïnvesteerd in de woning en de latere investering was vele malen lager dan het in de huwelijkse voorwaarden opgenomen bedrag van € 135.494,69, namelijk slechts € 68.462,70. Ook is haar pas later gebleken dat de grond die zij in Polen bezat onderdeel is gaan uitmaken van de huwelijksgemeenschap, terwijl dit tegen haar wens was.</para>
        <para>Vanwege haar Poolse achtergrond wist zij niet wat een vergoedingsrecht inhield en wat de kracht van huwelijkse voorwaarden was. Als zij dat wel had geweten, had zij de huwelijkse voorwaarden nooit gesloten. Hetzelfde geldt voor de inbreng van de grond in Polen in de huwelijksgemeenschap. Zij verzoekt het hof primair het nadeel van de huwelijkse voorwaarden op te heffen voor zover het het in de huwelijkse voorwaarden neergelegde vergoedingsrecht van de man betreft (artikel 2.1 derde dwarsstreep) alsmede de inbreng van het perceel van de vrouw en subsidiair, voor zover het hof van oordeel is dat het redelijk is rekening te houden met de bedragen die de man na het sluiten van de huwelijkse voorwaarden in de woning van partijen heeft geïnvesteerd, het nadeel van de huwelijkse voorwaarden op te heffen voor wat betreft het meerdere van € 68.462,70, alsmede de inbreng van het perceel van de vrouw. </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>6.14.</nr>
      <para>De <emphasis role="underline">man</emphasis> voert hiertegen het volgende aan. De vrouw is wel degelijk betrokken geweest bij de totstandkoming van de huwelijkse voorwaarden en ingelicht over het vergoedingsrecht van € 135.494,69. Er hebben daartoe twee afspraken met de notaris plaatsgevonden. De vrouw is bij allebei de afspraken aanwezig geweest. De notaris heeft beide keren de inhoud van de huwelijkse voorwaarden aan de vrouw uitgelegd. Op de vraag van de notaris of er een vertaler aanwezig moest zijn, heeft de vrouw aangegeven dat zij alles begreep van hetgeen zij besproken hadden en ook dat ze thuis de conceptakte had ontvangen en deze uitvoerig had doorgenomen. Mocht de notaris hebben opgemerkt dat een vertaler toch noodzakelijk was, dan had hij deze alsnog ingeschakeld. Het was de wens van de vrouw om met de huwelijkse voorwaarden de wettelijke beperkte gemeenschap van goederen uit te breiden naar een algehele gemeenschap van goederen. Aangezien de man over veel vermogen en spullen beschikte zou zij hier veel voordeel van ondervinden. Nu uiteindelijk is gebleken dat het bedrag dat de man heeft geïnvesteerd in de woning ervoor zorgt dat hij een vordering zal hebben op de vrouw, doet zij er alles aan om daar onder uit te komen. Er is wel degelijk sprake geweest van een investering ter hoogte van € 135.494,69. Hij verwijst daarvoor naar de door hem als producties HB 2 tot en met HB 5 in hoger beroep in het geding gebrachte stukken. Dat de vrouw niet wist wat een vergoedingsrecht inhield is dubieus, gelet op het feit zij zelf ook een vergoedingsrecht heeft laten opnemen in de huwelijkse voorwaarden ter hoogte van € 10.000,--. De vrouw is hierover wel degelijk ingelicht. Van een onjuiste voorstelling van zaken, is dan ook geen sprake. Weersproken wordt ten slotte dat het tegen de wens van de vrouw in is, dat het stuk grond in Polen onderdeel is gaan uitmaken van de huwelijksgemeenschap. Partijen hebben hierover uitvoerig met de notaris gesproken.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>6.15.</nr>
      <parablock>
        <para>Het <emphasis role="underline">hof</emphasis> oordeelt als volgt.</para>
        <para>Het beroep van de vrouw op vernietigbaarheid van de huwelijkse voorwaarden gaat niet op. De feiten waarop de vrouw zich beroept, zijn door de man voldoende gemotiveerd betwist. Het hof wijst hierbij ook op de (onweersproken) schriftelijke verklaring van de notaris waarin de notaris de procedure schetst voor het opmaken en ondertekenen van stukken (productie HB1 vws man). </para>
        <para>Voor zover de vrouw heeft betoogd dat het de bedoeling van partijen was om alleen de <emphasis role="underline">daadwerkelijke</emphasis> investeringen van de man in de woning van de huwelijksgemeenschap uit te zonderen, overweegt het hof als volgt. </para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>Het hof stelt vast dat de uitleg van de inhoud van de huwelijkse voorwaarden in geschil is.</para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>Volgens vaste rechtspraak dient de uitleg van de overeenkomst van huwelijkse voorwaarden te geschieden aan de hand van de Haviltex-maatstaf. Zie o.m. HR 3 september 2010, ECLI:NL:HR:2010:BM6085 en HR 4 mei 2007, ECLI:NL:HR:2007:BA1564.</para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>De Haviltex-maatstaf (HR 13 maart 1981, ECLI:NL:HR:1981:AG4158) luidt als volgt:</para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>“De vraag hoe in een schriftelijk contract de verhouding van partijen is geregeld en of dit contract een leemte laat die moet worden aangevuld, kan niet worden beantwoord op grond van alleen maar een zuiver taalkundige uitleg van de bepalingen van dat contract. Voor de beantwoording van die vraag komt het immers aan op de zin die partijen in de gegeven omstandigheden over en weer redelijkerwijs aan deze bepalingen mochten toekennen en op hetgeen zij te dien aanzien redelijkerwijs van elkaar mochten verwachten. Daarbij kan mede van belang zijn tot welke maatschappelijke kringen partijen behoren en welke rechtskennis van zodanige partijen kan worden verwacht.”</para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>Bij deze uitleg dient de rechter rekening te houden met alle bijzondere omstandigheden van het gegeven geval, gewaardeerd naar hetgeen de maatstaven van redelijkheid en billijkheid meebrengen (HR 20 februari 2004, ECLI:NL:HR:2004:AO1427, NJ 2005/493).</para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>Uit hetgeen de man in zijn stukken en ter mondelinge behandeling naar voren heeft gebracht, leidt het hof af dat ook hij ervan uitgaat dat van de huwelijksgemeenschap zijn uitgezonderd de <emphasis role="underline">daadwerkelijk</emphasis> door hem gedane investeringen in de woning. Volgens de man gaat het daarbij om het in de huwelijkse voorwaarden opgenomen bedrag van € 135.494,69. Voor de onderbouwing van dit bedrag verwijst hij naar de door hem in hoger beroep overgelegde producties HB 2 tot en met HB 5. </para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>Het hof stelt vast dat de vrouw de investeringen van de man in de woning heeft erkend tot een bedrag van € 68.462,70. Het hof verwijst daarbij naar pt. 11 van het beroepschrift van de vrouw, waarin zij verwijst naar het door haar als productie 8 in hoger beroep in het geding gebrachte Excel-overzicht van de door haar erkende investeringen van de man die bij elkaar opgeteld leiden tot het voormelde bedrag van € 68.462,70. Voorts is er nog een verdere investering in de woning  (dan die opgenomen op het Excel-overzicht: een bedrag van € 17.834,07 dat blijkens de nota van afrekening van de verkoop van de eerdere woning van de man aan [adres 2] in [plaats 2] (productie HB2) en de nota van afrekening van de woning van partijen aan [adres 1] (productie 9 van de vrouw in eerste aanleg), door de man is aangewend bij de aankoop van laatstgenoemde woning. De overige door de man gestelde (en door de vrouw niet erkende) investeringen in de woning die tot het totaalbedrag van € 135.494,69 zouden moeten leiden, heeft de man niet aangetoond.</para>
        <para>De producties HB 3 en HB 4 die de man als onderbouwing van zijn investeringen in de woning heeft overgelegd, betreffen alleen bankafschriften met bij- en afschrijvingen. Zonder verdere toelichting en onderliggende facturen, die ontbreken, kunnen daaruit de door de man gestelde investeringen niet worden afgeleid. Het had op de weg van de man gelegen deze stukken in het geding te brengen. Nu hij dit heeft nagelaten, dient dat voor zijn rekening en risico te blijven.</para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>Het voorgaande leidt tot de slotsom dat slechts voor een bedrag van (68.462,70 + 17.834,07=) € 86.296,77 is komen vast te staan dat die gelden door de man zijn geïnvesteerd in de woning en daarmee dus zijn uitgezonderd van de huwelijksgemeenschap. Dit betekent dat de gemeenschap aan de man dient te vergoeden voormeld bedrag van € 86.296,77. Nu verder niet in geschil is dat de gemeenschap aan de vrouw een bedrag van € 10.000,-- moet vergoeden, brengt het voorgaande met zich dat per saldo de vrouw aan de man een bedrag van ((86.296,77 – 10.000) : 2=) € 38.148,39 moet voldoen. In zoverre slagen op dit onderdeel de grieven van de vrouw. Het hof begrijpt het petitum van de vrouw aldus dat zij voor de investeringen van de man in de woning heeft verzocht een verklaring voor recht af te geven. Het hof zal daarom voor recht verklaren dat de inbreng van de man in de woning € 86.296,77 bedraagt en zal overeenkomstig het verzoek van de vrouw daarbij, het door de vrouw aan de man te betalen bedrag vaststellen op € 38.148,39.</para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">Bankrekeningen (grief 3 vrouw)</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>6.16.</nr>
      <para>Uit de stukken en het verhandelde op de mondelinge behandeling in hoger beroep, is gebleken dat partijen het erover eens zijn dat de vrouw in het kader van de door het hof vast te stellen verdeling van hun banksaldi een bedrag van € 288,74 aan de man dient te voldoen. Overeenkomstig het verzoek van de man, zal het hof in het dictum opnemen dat de man voor dit bedrag een vordering heeft op de vrouw.</para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">Stuk grond met bebouwing in Polen (grief 1 man)</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>6.17.</nr>
      <para>De grief van de man gaat over de taxatie van het stuk grond met bebouwing in Polen. Op de mondelinge behandeling in hoger beroep zijn partijen overeengekomen dat voor de in de verdeling te betrekken waarde hiervan kan worden uitgegaan van 113.000,-- Zloty. Grief 1 van de man behoeft hiermee geen verdere bespreking meer. </para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">Vergoedingsrecht € 21.900,-- (grief 2 man)</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>6.18.</nr>
      <para>Met zijn grief verzoekt de <emphasis role="underline">man</emphasis> het hof te bepalen dat aan hem een vergoedingsrecht toekomt van € 21.900,-- ter zake van voorhuwelijkse investeringen in het onroerend goed van de vrouw in Polen. Ter toelichting hierop voert hij aan dat hij voor het huwelijk van partijen in de periode van 11 maart 2022 tot 13 september 2022 aanzienlijke bedragen aan de vrouw heeft overgemaakt voor de bouw van het huis in Polen. In totaal gaat het om een bedrag van € 21.900,--. Op grond van artikel 2.2 van de huwelijkse voorwaarden heeft de man in de zin van artikel 1:87 BW recht op terugbetaling van een geldbedrag. Dit bedrag is gelijk aan het nominale bedrag dat aan het vermogen van een echtgenoot is onttrokken.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>6.19.</nr>
      <para>De <emphasis role="underline">vrouw</emphasis> weerspreekt dat de man een vergoedingsrecht toekomt. Er bestaat daarvoor geen grondslag nu het gaat om investeringen die door de man zijn gedaan voordat partijen zijn gehuwd.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>6.20.</nr>
      <parablock>
        <para>Het <emphasis role="underline">hof</emphasis> overweegt als volgt.</para>
        <para>Beoordeeld dient te worden of aan de man een vergoedingsrecht toekomt ten aanzien van de door hem gestelde investeringen van € 21.900,-- in het onroerend goed van de vrouw in Polen. Dit is niet het geval nu het gaat om investeringen van de man die vóór het huwelijk van partijen zijn gedaan. Een (wettelijke) grondslag voor een vergoedingsrecht daarvoor ontbreekt, de vergoedingsrechten van titel 6 en 7 van Boek 1 BW zijn niet van (overeenkomstige) toepassing en anderszins is voor een vergoedingsrecht onvoldoende gesteld. De grief van de man faalt mitsdien. </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>
      <nr>7</nr>De slotsom</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>in het principaal en het incidenteel hoger beroep</para>
    </parablock>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>7.1.</nr>
      <para>Op grond van hetgeen hiervoor is overwogen zal het hof beslissen zoals hierna in het dictum is bepaald.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>7.2.</nr>
      <para>Het hof zal de proceskosten in hoger beroep compenseren, nu partijen (gewezen) echtgenoten zijn.</para>
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>
      <nr>8</nr>De beslissing </title>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het hof:</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>vernietigt de beschikking van de rechtbank Zeeland-West-Brabant (Breda) van 27 februari 2024, voor zover daarin is beslist dat de vrouw aan de man moet voldoen een bedrag van € 62.747,35 (rov. 4.34), </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>en in zoverre opnieuw rechtdoende:</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>verklaart voor recht dat de inbreng van de man in de woning aan [adres 1] te [woonplaats] € 86.296,77 bedraagt en stelt daarbij het bedrag dat de vrouw ter zake aan de man moet voldoen vast op € 38.148,39 (rov. 6.15);</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>stelt de verdeling van de banksaldi aldus vast dat de man ter zake een vordering heeft op de vrouw van € 288,74 (rov. 6.16); </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>bekrachtigt de beschikking van de rechtbank voor het overige;</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>compenseert de kosten van het geding in hoger beroep in die zin, dat elke partij de eigen kosten draagt;</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>wijst af het meer of anders verzochte.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Deze beschikking is gegeven door mrs. G.J. Vossestein, A.J.F. Manders en T.J. Mellema-Kranenburg, en is op 18 september 2025 uitgesproken in het openbaar door mr. P.P.M. van Reijsen in tegenwoordigheid van de griffier.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
  </section>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>