<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:GHSHE:2025:2484</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2026-05-28T09:48:12</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2025-09-11</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Gerechtshof_'s-Hertogenbosch" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Gerechtshof 's-Hertogenbosch</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2025-09-11</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">200.355.029_01 en 200.356.419_01</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#hogerBeroep">Hoger beroep</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">'s-Hertogenbosch</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#civielRecht_personenEnFamilierecht">Civiel recht; Personen- en familierecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHSHE:2025:2484">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHSHE:2025:2484</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2026-05-28T09:47:06</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2026-05-28</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:GHSHE:2025:2484 Gerechtshof 's-Hertogenbosch , 11-09-2025 / 200.355.029_01 en 200.356.419_01</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:GHSHE:2025:2484:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Rechtmatigheidstoets. Spoed uithuisplaatsing en verlenging daarvan terecht verleend. Gedeeltelijke vernietiging verlenging uithuisplaatsing bij de vader met gezag voor de duur van één jaar. Nog onvoldoende zicht op de thuissituatie en de pedagogische vaardigheden van de vader. Niet met zekerheid valt vast te stellen dat een plaatsing van de kinderen bij de vader voor het komende jaar de beste plek voor de kinderen is.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:GHSHE:2025:2484:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <uitspraak.info>
    <bridgehead role="bold">GERECHTSHOF 's-HERTOGENBOSCH </bridgehead>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Team familie- en jeugdrecht</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Uitspraak	: 11 september 2025</para>
      <para>Zaaknummers	: 200.355.029/01 en 200.356.419/01</para>
      <para>Zaaknummers 1e aanleg: C/01/413741 / JE RK 25-377</para>
      <para>	  C/01/414572 / JE RK 25-501 </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>in de zaken in hoger beroep van:</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">
          [de moeder]
        </emphasis>,</para>
      <para>wonende op een bij het hof bekend adres,</para>
      <para>verzoekster in hoger beroep,</para>
      <para>hierna te noemen: de moeder,</para>
      <para>advocaat: mr. G. Kartal,</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>tegen</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">Stichting Jeugdbescherming Brabant</emphasis>,</para>
      <para>statutair gevestigd te [vestigingsplaats] , locatie [locatie] ,</para>
      <para>verweerster in hoger beroep,</para>
      <para>hierna te noemen: de gecertificeerde instelling (de GI).</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Deze zaken gaan over de minderjarigen:</para>
    </parablock>
    <itemizedlist mark="-">
      <listitem>
        <para>
          <emphasis role="bold">
            [minderjarige 1] (hierna: [minderjarige 1] )</emphasis>, geboren op [geboortedatum] 2019 te [geboorteplaats] ;</para>
      </listitem>
      <listitem>
        <para>
          <emphasis role="bold">
            [minderjarige 2] (hierna: [minderjarige 2] )</emphasis>, geboren op [geboortedatum] 2020 te                          [geboorteplaats] .</para>
      </listitem>
    </itemizedlist>
    <para />
    <parablock>
      <para>Als belanghebbende in deze zaken wordt aangemerkt:</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">
          [de vader]
        </emphasis>
      </para>
      <para>wonende te [woonplaats] ,</para>
      <para>hierna te noemen: de vader, </para>
      <para>advocaat: mr. S. Akpinar.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>In zijn hoedanigheid als omschreven in artikel 810 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) is in deze procedures gekend:</para>
      <para>
        <emphasis role="bold">de Raad voor de Kinderbescherming</emphasis>,</para>
      <para>regio Oost-Brabant, locatie [locatie] ,</para>
      <para>hierna te noemen: de raad.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </uitspraak.info>
  <section>
    <title>
      <nr>1</nr>Het geding in eerste aanleg</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het hof verwijst in de zaak <emphasis role="underline">met zaaknummer 200.355.029/01</emphasis> voor het verloop van het geding in eerste aanleg naar de beschikkingen van de rechtbank Oost-Brabant van 19 maart 2025 en 4 april 2025, beide uitgesproken onder zaaknummer C/01/413741 / JE RK 25-377.</para>
      <para>Het hof verwijst in de zaak <emphasis role="underline">met zaaknummer 200.356.419/01</emphasis> voor het verloop van het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de rechtbank Oost-Brabant mondeling uitgesproken op 28 mei 2025 en op schrift gesteld op 18 juni 2025, uitgesproken onder zaaknummer C/01/414572 / JE RK 25-501. </para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>2</nr>Het geding in hoger beroep</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="underline">In de zaak met zaaknummer 200.355.029/01:</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>2.1.</nr>
      <para>Bij beroepschrift met producties, ingekomen ter griffie op 26 mei 2025, heeft de moeder verzocht, zo nodig onder verbetering en/of aanvulling van de gronden, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, voormelde beschikkingen van 19 maart 2025 en 4 april 2025 te vernietigen en, opnieuw rechtdoende, het verzoek van de GI alsnog af te wijzen.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.2.</nr>
      <para>Bij verweerschrift met één productie, ingekomen ter griffie op 14 augustus 2025, heeft de vader verzocht, bij beschikking, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, het verzoek in hoger beroep van de moeder af te wijzen.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.3.</nr>
      <para>Bij verweerschrift met producties, ingekomen ter griffie op 18 augustus 2025, heeft de GI verzocht het hoger beroep van de moeder af te wijzen en de bestreden beschikkingen ongewijzigd in stand te laten.</para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="underline">In de zaak met zaaknummer 200.356.419/01:</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.4.</nr>
      <para>Bij beroepschrift met producties, ingekomen ter griffie op 30 juni 2025, heeft de moeder verzocht, zo nodig onder verbetering en/of aanvulling van de gronden, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, voormelde beschikking te vernietigen en, opnieuw rechtdoende, <emphasis role="underline">primair</emphasis> het verzoek van de GI alsnog af te wijzen, althans <emphasis role="underline">subsidiair</emphasis> de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] zoveel mogelijk in duur te beperken.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.5.</nr>
      <para>Bij verweerschrift, ingekomen ter griffie op 14 augustus 2025, heeft de vader verzocht, bij beschikking, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, het verzoek in hoger beroep van de moeder af te wijzen.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.6.</nr>
      <para>Bij verweerschrift met producties, ingekomen ter griffie op 18 augustus 2025, heeft de GI verzocht de bestreden beschikking ongewijzigd in stand te laten.</para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="underline">Samenhang zaken 200.355.029/01 en 200.356.419/01:</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.7.</nr>
      <para>Gelet op de samenhang in de bovengenoemde zaken heeft het hof de zaken tegelijkertijd behandeld en beslist.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.8.</nr>
      <para>De mondelinge behandeling van beide zaken heeft plaatsgevonden op 21 augustus 2025. Bij die gelegenheid zijn gehoord: </para>
      <itemizedlist mark="-">
        <listitem>
          <para>de moeder, bijgestaan door mr. Kartal;</para>
        </listitem>
        <listitem>
          <para>de GI, vertegenwoordigd door [vertegenwoordiger van de GI 1] en [vertegenwoordiger van de GI 2] ;</para>
        </listitem>
        <listitem>
          <para>de vader, bijgestaan door mr. Akpinar.</para>
        </listitem>
      </itemizedlist>
      <para />
      <paragroup>
        <nr>2.8.1.</nr>
        <para>De raad is niet tijdens de mondelinge behandeling in hoger beroep verschenen. </para>
      </paragroup>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.9.</nr>
      <para>Het hof heeft verder in beide zaken kennisgenomen van de inhoud van:</para>
      <itemizedlist mark="-">
        <listitem>
          <para>productie 10 ingediend door de advocaat van de moeder op 18 augustus 2025;</para>
        </listitem>
        <listitem>
          <para>productie 11 ingediend door de advocaat van de moeder op 19 augustus 2025;</para>
        </listitem>
        <listitem>
          <para>productie 12 ingediend door de advocaat van de moeder op 20 augustus 2025.</para>
        </listitem>
      </itemizedlist>
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section role="overwegingen">
    <title>
      <nr>3</nr>De beoordeling</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="underline">De feiten in beide zaken 200.355.029/01 en 200.356.419/01:</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>3.1.</nr>
      <para>Uit de inmiddels verbroken relatie van de moeder en de vader zijn [minderjarige 1] en [minderjarige 2] geboren.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.2.</nr>
      <para>De moeder en de vader oefenen gezamenlijk het ouderlijk gezag over de kinderen uit.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.3.</nr>
      <para>
        [minderjarige 1] en [minderjarige 2] hebben hun hoofdverblijfplaats bij de moeder.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.4.</nr>
      <para>Bij beschikking van 15 maart 2024 zijn [minderjarige 1] en [minderjarige 2] voorlopig onder toezicht gesteld van de GI tot 15 juni 2024. Bij diezelfde beschikking is een spoedmachtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] in een voorziening voor (netwerk-)pleegzorg dan wel in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder verleend, met ingang van 15 maart 2024 tot 12 april 2024. Bij beschikking van 28 maart 2024 heeft de kinderrechter de beslissing over de spoedmachtiging tot uithuisplaatsing herroepen per 28 maart 2024.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.5.</nr>
      <parablock>
        <para>Bij beschikking van 7 juni 2024 zijn [minderjarige 1] en [minderjarige 2] onder toezicht gesteld van de GI voor de duur van een jaar. De moeder heeft hoger beroep ingesteld tegen die beslissing. </para>
        <para>Bij beschikking van 28 november 2024 heeft dit hof de ondertoezichtstelling bekrachtigd.</para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="underline">In de zaak met zaaknummer 200.355.029/01:</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">De procedures in eerste aanleg (zaaknummer C/01/413741 / JE RK 25-377)</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.6.</nr>
      <para>De GI heeft de rechtbank verzocht om met spoed een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] te verlenen in een voorziening voor pleegzorg, voor de duur van vier weken. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.7.</nr>
      <para>Bij de bestreden – uitvoerbaar bij voorraad verklaarde – beschikking van 19 maart 2025 heeft de rechtbank aan de GI een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] in een voorziening voor pleegzorg verleend, met ingang van 19 maart 2025 tot 16 april 2025.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.8.</nr>
      <para>De kinderen zijn na afgifte van genoemde machtiging in een crisispleeggezin van Stichting [stichting] geplaatst.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.9.</nr>
      <para>De GI heeft vervolgens de rechtbank verzocht om aan de GI met ingang van 16 april 2025 een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] bij de ouder met gezag (zijnde de vader) te verlenen, voor de duur van de ondertoezichtstelling (tot 7 juni 2025).</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.10.</nr>
      <parablock>
        <para>Bij de bestreden – uitvoerbaar bij voorraad verklaarde – beschikking van 4 april 2025 heeft de rechtbank aan de GI een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] verleend bij de andere ouder met gezag (zijnde de vader) voor de duur van de ondertoezichtstelling, derhalve met ingang van 16 april 2025 tot 7 juni 2025.</para>
        <para>
          [minderjarige 1] en [minderjarige 2] verblijven inmiddels bij de vader. </para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">De procedure in hoger beroep</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.11.</nr>
      <para>De moeder kan zich met de beslissingen van de rechtbank in de beschikkingen van 19 maart 2025 en 4 april 2025 niet verenigen en zij is hiervan in hoger beroep gekomen.</para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">De standpunten</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.12.</nr>
      <para>De moeder voert – samengevat – het volgende aan.</para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="underline">Ten aanzien van de beschikking van 19 maart 2025:</emphasis>
        </para>
        <para>De rechtbank heeft ten onrechte overwogen dat de ernst van de situatie van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] een onmiddellijk ingrijpen rechtvaardigde wegens de ernstige signalen van onveiligheid. </para>
        <para>De moeder heeft altijd goed voor [minderjarige 1] en [minderjarige 2] gezorgd. Over de opvoeding door de moeder zijn geen zorgen (geweest). Ook is de moeder (emotioneel) stabiel en beschikbaar voor de kinderen. De moeder was alleen vanwege een ontregeling tijdelijk niet in staat om adequate zorg aan de kinderen te bieden. Voor zover er al zorgen waren over de thuissituatie en het psychisch functioneren van de moeder heeft zij hier de GI inzicht in gegeven. De moeder heeft meegewerkt aan de hulpverlening die voor haar nodig werd gevonden vanuit [instantie 1] . [instantie 1] heeft het gezin van de moeder ambulant begeleid en heeft recent nog positief over de moeder gerapporteerd. De moeder is bij de instelling [Instelling]  onderzocht en er is vervolgens aan de raad gerapporteerd dat geen sprake was van een psychotisch beeld, maar dat sprake was van een ontregeling van tijdelijke aard. De GI is niet bij de moeder thuis geweest. De informatie die vanuit derden bij de GI terecht is gekomen rechtvaardigt niet de conclusie dat sprake is van onvoorspelbaarheid en risicogedrag bij de moeder. De zorgen over de moeder worden door de GI (uitsluitend) gebaseerd op zorgen/signalen vanuit school. De moeder kan zich niet voorstellen dat deze zorgen/signalen daadwerkelijk door de school over de moeder zijn geuit. Zij heeft altijd een goed contact met de school gehad en zij is door de school nooit aangesproken op de vermeende zorgen. De GI overlegt geen schrijven waaruit blijkt dat de zorgen/signalen van school afkomstig zijn. Het betreft een op blanco papier getypt document, waarvan niet kan worden vastgesteld wie dit heeft geschreven en/of van welke bron dit afkomstig is. Bovendien heeft de moeder tegen de vanuit school gemelde zorgen/signalen gemotiveerd verweer gevoerd en dit verweer onderbouwd met bewijsstukken. </para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="underline">Ten aanzien van de beschikking van 4 april 2025:</emphasis>
        </para>
        <para>De rechtbank heeft ten onrechte geoordeeld dat een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] ook met ingang van 16 april 2025 nog steeds voor de duur van de ondertoezichtstelling in het belang van hun verzorging en opvoeding noodzakelijk is. Daarbij wordt ten onrechte overwogen dat de moeder kampt met persoonlijke (psychiatrische) problematiek. Dat de moeder wisselvallig en onvoorspelbaar zou zijn blijkt nergens uit. De moeder betwist dat sprake is van een beperkt zicht op de situatie bij de moeder thuis. Diverse personen die de moeder regelmatig zien en/of regelmatig thuis op bezoek komen zien geen aanwijzingen die duiden op de door de GI gestelde zorgen over de psychische gesteldheid van de moeder, verwardheid of alcoholmisbruik. De moeder kampt met een medische aandoening waardoor zij naar alcohol ruikt. Zij heeft ambulante begeleiding van [instantie 1] . Verder zijn er afspraken gemaakt over het contactherstel met de vader onder begeleiding van [instantie 1] bij [stichting] ; hiermee zou in april 2025 worden gestart. Ook is de moeder altijd open en eerlijk. Zij heeft aan de GI toestemming gegeven om gegevens op te vragen bij haar huisarts en de betrokken hulpverlening, maar de GI ontkent dit.</para>
        <para>De beslissing van de rechtbank is in strijd met artikel 18.1. van het IVRK. Er is te snel gekozen voor een uithuisplaatsing van de kinderen, zonder dat er voldoende is gekeken naar minder ingrijpende alternatieven om de zorgen over de kinderen weg te nemen. De maatregel van uithuisplaatsing is disproportioneel/onevenredig ingrijpend voor [minderjarige 1] en [minderjarige 2] .</para>
        <para>Verder heeft de rechtbank ten onrechte overwogen dat er geen zorgelijke signalen zijn over de thuissituatie bij de vader of over zijn opvoedvaardigheden. De moeder betwist dat de vader over (voldoende) opvoedvaardigheden beschikt. Ouders hebben nooit samengewoond. De moeder heeft altijd voor de kinderen gezorgd en hen opgevoed. De vader woonde tot voor kort nog bij zijn moeder voor wie hij mantelzorger is. Er is juist geen zicht op de thuissituatie bij de vader. Bovendien worden de kinderen bij de vader niet goed verzorgd.</para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.13.</nr>
      <parablock>
        <para>De GI voert – samengevat – het volgende aan.</para>
        <para>Hoewel de termijnen waarvoor de machtigingen tot uithuisplaatsing zijn verleend reeds zijn verstreken, heeft de moeder nog wel belang bij een rechtmatigheidstoets door het hof. De rechtbank heeft de beide machtigingen uithuisplaatsing op goede gronden verleend. Ten tijde van de verlening van de machtiging om de kinderen met spoed uit huis te plaatsen werd voldaan aan de voorwaarde van onmiddellijk en ernstig gevaar voor de kinderen, zoals bepaald in artikel 800 lid 3 Rv juncto artikel 1:1265b van het Burgerlijk Wetboek (BW).    </para>
        <para>Er waren al langere tijd zorgen over de moeder en haar thuissituatie. Er hebben meerdere raadsonderzoeken in een korte periode plaatsgevonden. Deze onderzoeken hebben weliswaar niet geleid tot een ondertoezichtstelling van de kinderen, maar hieruit zijn wel telkens zorgen over het psychisch welbevinden van de moeder naar voren gekomen. De moeder heeft een lange geschiedenis binnen de GGZ. De GI wilde hierover informatie opvragen, maar de moeder heeft hiervoor eerst haar toestemming geweigerd. De moeder heeft na een eerdere crisissituatie kort hulpverlening gehad. Verdere hulpverlening via het FACT is niet van de grond gekomen. De GI heeft nog steeds zorgen over het psychisch welbevinden van de moeder. Er is sprake van een jarenlang patroon waarbij het bepaalde periodes goed gaat met de moeder en waarbij het bepaalde periodes niet goed met haar gaat. Vooral bij externe stress komt de moeder in een negatieve spiraal terecht. Hulpverlening ontvangen en accepteren is een belangrijke voorwaarde om psychisch stabiel te worden. Bij de moeder is hulpverlening van [instantie 1] ingezet. Aanvankelijk werd door [instantie 1] alleen overbruggingszorg geboden, bestaande uit één keer per week telefonisch contact. Vanaf december 2024 is sprake van een wekelijks huisbezoek aan de moeder. Op 12 maart 2025 heeft [instantie 1] haar zorgen gedeeld over het gedrag van de moeder. Ook de school heeft op 12 maart 2025 telefonisch haar zorgen met de GI gedeeld en deze zorgen schriftelijk bevestigd op 17 maart 2025. De zorgen van de school hadden betrekking op de basale verzorging van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] , de alcohollucht die meerdere malen bij de moeder is geroken, het rijden onder invloed en het isoleren van de kinderen. </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.14.</nr>
      <parablock>
        <para>De vader voert – samengevat – het volgende aan.</para>
        <para>De raad is in het verleden meerdere keren betrokken geweest. De kinderen zijn twee keer elders geplaats omdat het niet veilig geacht werd bij de moeder. Dit had ook te maken met de (psychische) gesteldheid van de moeder en omdat zij uit contact trad met de hulpverlening. De situatie van de moeder is zorgelijk omdat de psychische gesteldheid van de moeder wisselt. De gesteldheid van de moeder (en hiermee ook de zorg voor de kinderen) lijkt afhankelijk te zijn van andere invloeden (waar de moeder vaak geen invloed op heeft). Ook het vermoeden van alcoholmisbruik door de moeder is een terugkerend thema. Naast het feit dat er geen contact was tussen de vader en de kinderen werden er ook zorgelijke signalen  over de moeder vanuit de school gemeld. Ook was de moeder ambivalent richting de hulpverlening en de GI en wenste zij de hulpverlening naar eigen inzicht in te vullen. Dit heeft er uiteindelijk toe geleid dat de kinderen met spoed uit huis zijn geplaatst. Deze uithuisplaatsing is weliswaar ingrijpend geweest, maar wel in het belang van de kinderen. De moeder zet haar strijd tegen de vader onverminderd voort. De vader erkent dat de kinderen angstsignalen laten zien; deze signalen worden echter ingegeven door de moeder. Hij had voor de contactbreuk een warm en bijna dagelijks contact met de kinderen. De vader heeft tijdens de ondertoezichtstelling een goed contact met de GI opgebouwd. Na de spoeduithuisplaatsing is gefaseerd gewerkt naar de plaatsing van de kinderen bij de vader. De vader betwist de (strafrechtelijke) aantijgingen van de moeder. Er is geen stopgesprek met de vader gevoerd.      </para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">De motivering van de beslissing</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.15.</nr>
      <para>Het hof overweegt het volgende. </para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="underline">Rechtmatigheidstoets</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
      <paragroup>
        <nr>3.15.1.</nr>
        <parablock>
          <para>De Hoge Raad heeft in de beschikking van 9 juli 2021 (ECLI:NL:HR:2021:1112) overwogen dat indien de periode waarvoor een machtiging tot uithuisplaatsing of ondertoezichtstelling is gegeven ten tijde van de uitspraak in hoger beroep is verstreken, het hof aan de hand van de aangevoerde grieven dient te beoordelen of de bestreden beslissing terecht is gegeven. Het gaat in dat geval om een rechtmatigheidstoets. Bij de bestreden beschikkingen van 19 maart 2025 respectievelijk 4 april 2025 heeft de rechtbank een (spoed)machtiging tot uithuisplaatsing van de kinderen verleend over de periode van 19 maart 2025 tot 16 april 2025 respectievelijk over de periode van 16 april 2025 tot 7 juni 2025. De termijnen van deze machtigingen zijn inmiddels verstreken. Gelet op het door artikel 8 EVRM gewaarborgde recht op eerbiediging van het gezinsleven, heeft de moeder een rechtens relevant belang om de rechtmatigheid van de door de rechtbank verleende (spoed)machtigingen tot uithuisplaatsing van de kinderen te laten toetsen. </para>
          <para>Het hof zal hiertoe overgaan.</para>
        </parablock>
        <para />
        <parablock>
          <para>
            <emphasis role="underline">De inhoudelijke beoordeling van de uithuisplaatsing </emphasis>
          </para>
        </parablock>
        <para />
      </paragroup>
      <paragroup>
        <nr>3.15.2.</nr>
        <para>Ingevolge artikel 1:265b lid 1 BW kan de rechter de gecertificeerde instelling, als bedoeld in artikel 1.1 van de Jeugdwet, die belast is met de uitvoering van de ondertoezichtstelling, op haar verzoek machtigen de minderjarige gedurende dag en nacht uit huis te plaatsen indien dit noodzakelijk is in het belang van de verzorging en opvoeding van de minderjarige of tot onderzoek van diens geestelijke of lichamelijke gesteldheid.</para>
        <para />
      </paragroup>
      <paragroup>
        <nr>3.15.3.</nr>
        <para>Aan het hof ligt de vraag voor of [minderjarige 1] en [minderjarige 2] in de periode van 19 maart 2025 tot 16 april 2025 en in de periode van 16 april 2025 tot 7 juni 2025 terecht en op goede gronden (met spoed) uit huis zijn geplaatst. Het hof overweegt hieromtrent als volgt.</para>
        <para />
      </paragroup>
      <paragroup>
        <nr>3.15.4.</nr>
        <para>Vast staat dat de kinderen – gelet op de door de rechtbank uitgesproken ondertoezichtstelling, die door het hof werd bekrachtigd en die recent opnieuw is verlengd – ernstig in hun ontwikkeling worden bedreigd. Ook blijkt uit de stukken dat de moeder een forse voorgeschiedenis heeft binnen de GGZ (waaronder borderline problematiek, een eetstoornis en randpsychoses passend bij persoonlijkheidsproblematiek en stemmingswisselingen). Genoemde psychische problematiek van de moeder is (mede) de aanleiding geweest voor een aantal raadsonderzoeken binnen een relatief korte periode. Ook is de moeder in maart 2024 nog beoordeeld door de crisisdienst van [Instelling] omdat zij een overdosis Oxazepam had ingenomen. Dit incident heeft tot een voorlopige ondertoezichtstelling en een kortdurende spoed uithuisplaatsing van de kinderen geleid. Die spoed uithuisplaatsing van de kinderen is later door de rechtbank herroepen. </para>
        <para />
      </paragroup>
      <paragroup>
        <nr>3.15.5.</nr>
        <para>Ten tijde van de door de GI verzochte en de bij de bestreden beschikking van 19 maart 2025 verleende (spoed)machtiging uithuisplaatsing werden er opnieuw vanuit meerdere disciplines (onder meer vanuit de school, de wijkagent en [instantie 1] ) ernstige zorgen over het psychisch welzijn van de moeder, de veiligheid van de kinderen en over de thuissituatie bij de moeder geuit. Zo heeft school ernstige zorgen geuit over een waargenomen alcohollucht bij de moeder, het mogelijk rijden onder invloed, verwardheid, isolatie van de kinderen en de slechte verzorging van de kinderen. Ook ontbrak sinds mei 2024 ieder contact tussen de vader en de kinderen en zijn de pogingen om tot contactherstel te komen binnen het gedwongen kader niet voldoende van de grond gekomen. Genoemde feiten en omstandigheden, in onderlinge samenhang bezien, maken dat de rechtbank de (spoed) machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] op 19 maart 2025 terecht en op goede gronden heeft verleend en nadien bij beschikking van 4 april 2025 terecht heeft verlengd. De ernstige zorgen over de kinderen waren immers op 4 april 2025 nog niet afgenomen. Dit maakt dat de (spoed) uithuisplaatsing van de kinderen de periode van 19 maart 2025 tot 16 april 2025 respectievelijk over de periode van 16 april 2025 tot 7 juni 2025 in het belang van de verzorging en opvoeding van de kinderen noodzakelijk was. Het beroep van de moeder op artikel 18.1. van het IVRK slaagt niet omdat het IVRK zich onder de gegeven omstandigheden niet tegen de maatregel tot (spoed) uithuisplaatsing van de kinderen verzet. Hetgeen de moeder verder nog in hoger beroep heeft aangevoerd, kan evenmin tot een ander oordeel leiden.</para>
        <para />
      </paragroup>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.16.</nr>
      <para>Het voorgaande leidt ertoe dat de beschikkingen van 19 maart 2025 respectievelijk 4 april 2025 dienen te worden bekrachtigd.</para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="underline">In de zaak met zaaknummer 200.356.419/01:</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">De procedure in eerste aanleg (zaaknummer C/01/414572 / JE RK 25-501)</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.17.</nr>
      <para>De GI heeft de rechtbank, voor zover van belang, verzocht om de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] bij de ouder met gezag (de vader) te verlengen voor de duur van één jaar.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.18.</nr>
      <para>Bij de bestreden – uitvoerbaar bij voorraad verklaarde – beschikking heeft de rechtbank, voor zover in hoger beroep van belang, de aan de GI verleende machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] bij de andere ouder met gezag, zijnde de vader, voor de duur van één jaar verlengd, met ingang van 7 juni 2025 tot 7 juni 2026.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.19.</nr>
      <parablock>
        <para>De moeder kan zich met deze beslissing van de rechtbank niet verenigen en zij is hiervan in hoger beroep gekomen.</para>
        <para>
          <emphasis role="italic">De standpunten</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.20.</nr>
      <parablock>
        <para>De moeder voert – samengevat – het volgende aan.</para>
        <para>
          <emphasis role="underline">Primair</emphasis> is de verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing niet noodzakelijk in het belang van de kinderen. De rechtbank heeft ten onrechte overwogen dat het niet mogelijk is dat de kinderen op dit moment bij de moeder wonen omdat er al langere tijd zorgen bestaan over de opvoedsituatie bij de moeder. De rechtbank heeft verder ten onrechte overwogen dat de moeder weigert om inzicht te geven in haar persoonlijke problematiek en/of psychisch welbevinden. De GI heeft voldoende zicht op het psychisch functioneren van de moeder. Voor zover er recent nog zorgen waren over de thuissituatie en psychisch functioneren van de moeder, heeft zij hierin inzicht gegeven en meegewerkt aan de hulpverlening die voor haar nodig werd gevonden vanuit [instantie 1] . [instantie 1] heeft de moeder ambulant begeleid en heeft recent ook positief over de moeder gerapporteerd. Verder heeft de moeder haar medewerking verleend aan psycho-educatie bij [stichting] en heeft zij zes uur per week begeleiding van een WMO-begeleider van de gemeente. De GI stelt ten onrechte dat de moeder psychische problematiek heeft waarin zij wegzakt. De moeder is emotioneel stabiel en beschikbaar voor de kinderen. Inmiddels is het geruime tijd geleden dat sprake was van een tijdelijke ontregeling waardoor zij niet in staat was om adequate zorg aan de kinderen te bieden. Na een eenmalig psychiatrisch consult op 5 juni 2025 werd door professionals van [Instelling] bevestigd dat de GI ten onrechte is overgegaan tot een uithuisplaatsing van de kinderen. De moeder erkent dat zij soms emotioneel is, maar dat is logisch omdat zij ook veel heeft meegemaakt. De psychiater heeft echter geoordeeld dat het voldoende is dat de moeder contact onderhoudt met de praktijkondersteuner van de huisarts (POH). De zorgen van de GI over de moeder zijn ten onrechte gebaseerd op nieuwe ongefundeerde zorgen/signalen vanuit de school. Bovendien hadden deze zorgen met een minder ingrijpende maatregel kunnen worden weggenomen. <emphasis role="underline">Subsidiair</emphasis> dient – gelet op alle ontwikkelingen die de moeder nu doormaakt – de termijn van de machtiging tot uithuisplaatsing te worden bekort.</para>
        <para>Verder wordt de situatie van de vader door de GI rooskleuriger voorgesteld dan de werkelijkheid om de plaatsing van de kinderen bij de vader te rechtvaardigen en/of in stand te houden. De problematiek van de kinderen is niet ontstaan in de thuissituatie bij de moeder, maar door het forceren van het contact met de vader via de uithuisplaatsing. Het zicht van de GI op de thuissituatie van de vader ontbreekt. De vader woont niet bij zijn Turkse gezin maar bij zijn moeder, voor wie hij mantelzorger is. De nieuwe partner van de vader zorgt voor de kinderen. De vader kan geen zorgtaken op zich nemen omdat zijn draagkracht beperkt is. Ook worden de kinderen bij de vader niet goed verzorgd. Zo hebben zij gaatjes in hun tanden. De moeder heeft de kinderen als Nederlanders opgevoed, maar zij bevinden zich nu in een Turks gezin met een Turkse achtergrond. De beheersing van de Nederlandse taal van de kinderen is daardoor achteruit gegaan.</para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.21.</nr>
      <parablock>
        <para>De GI voert – samengevat – het volgende aan.</para>
        <para>De uithuisplaatsing van de kinderen is gebaseerd op de zorgen in de thuissituatie en het handelen van de moeder. Het contactherstel met de vader is hier geen directe factor in geweest. De ontwikkelingen van de moeder zijn echter nog te prematuur om nu al over te gaan tot een terugplaatsing van de kinderen. De moeder heeft pas nadat de kinderen uit huis zijn geplaatst toestemming aan de GI verleend om contact op te nemen met de bij haar betrokken professionals. Ook bemerkt de GI een verandering in de samenwerking met de moeder sinds de uithuisplaatsing van de kinderen. Op dit moment begeleidt [instantie 1] de contactmomenten tussen de moeder en de kinderen. Het klopt dat [instantie 1] hier positief over is. Dat informanten positief over de moeder zijn kan een rol spelen in de uitbreiding van de contacten tussen de moeder en de kinderen. Overigens is de WMO-begeleider geen jeugdhulpaanbieder. Alles wat zij stelt over de rol en oudertaken van de moeder is gebaseerd op uitlatingen van de moeder. Er heeft recent nog een uitbreiding in de contactmomenten plaatsgevonden. De GI werkt nog steeds aan een terugplaatsing van de kinderen bij de moeder. De GI heeft na de spoeduithuisplaatsing van de kinderen voorwaarden gesteld aan de moeder waar zij aan moet voldoen alvorens een terugplaatsing gerealiseerd kan worden. Momenteel voldoet de moeder nog altijd niet aan die voorwaarden. Hulpverlening ontvangen en accepteren is een belangrijke voorwaarde om stabiel te worden en te blijven. Uit het voortgangsverslag blijkt dat [instantie 1] er niet aan toekomt om met de moeder te werken aan de door de GI gestelde doelen. De moeder gebruikt de afspraken met [instantie 1] veelal om haar negatieve ervaringen met de GI en/of de vader te delen en te ventileren. Hierdoor is de opvoedondersteuning niet van de grond gekomen. Verder blijkt uit het psychiatrisch consult bij [Instelling] dat de moeder geen actieve hulpvraag heeft; dat is wat anders dan dat de moeder geen behandeling nodig heeft. Ook lukt het de moeder niet om de kinderen emotionele toestemming te geven in het contact met de vader. [instantie 1] ziet dat de kinderen klem zitten in een loyaliteitsconflict tussen de ouders. </para>
        <para>
          [instantie 1] heeft, alvorens de kinderen bij de vader zijn geplaatst, een aantal observatiemomenten bij de vader thuis gedaan. [instantie 1] heeft hierover gerapporteerd aan de GI, maar deze verslagen zijn in het kader van privacy niet met de moeder gedeeld. Uit deze verslagen zijn geen zorgen over de thuissituatie bij de vader naar voren gekomen. Dat [medewerkster] van [instantie 1] recent zorgen over de kinderen in de thuissituatie bij de vader heeft geconstateerd, is door haar niet aan de GI kenbaar gemaakt. Daarnaast heeft de GI meerdere huisbezoeken gebracht aan de vader en heeft de GI meerdere gesprekken met de kinderen gevoerd om de plaatsing te monitoren. De GI heeft niet zelf geconstateerd noch signalen vanuit derden (zoals school) ontvangen dat de kinderen bij de vader niet adequaat worden verzorgd. Bovendien is [medewerkster] pas kort betrokken en heeft zij maar enkele contactmomenten begeleid. De GI erkent wel dat de zorg voor vijf jonge kinderen met uitdagingen gepaard kan gaan. De vader staat daarom op de wachtlijst voor een beeldvormingstraject bij [instantie 2] . [instantie 2] gaat actief in de thuissituatie van de vader observeren. Ter overbrugging zal [instantie 1] eind augustus 2025 starten met opvoedondersteuning in de thuissituatie bij de vader. Momenteel gaat het goed met de kinderen bij de vader. De GI heeft wel geconstateerd dat de kinderen verstoord hechtingsgedrag vertonen. Het is daarom in het belang van de kinderen dat er gekeken wordt naar de hechtingsrelatie met hun ouders. Het traject bij [instantie 2] zal echter eerst moeten worden afgerond, zodat de kinderen niet met hulp worden overspoeld. Ook indien uit het traject bij [instantie 2] zou blijken dat de thuissituatie bij de vader niet voldoet, kunnen de kinderen op dit moment nog niet bij de moeder worden geplaatst.</para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.22.</nr>
      <parablock>
        <para>De vader voert <emphasis role="underline">in aanvulling op</emphasis> zijn verweer in de zaak met zaaknummer 200.355.029/01 – samengevat – nog het volgende aan.</para>
        <para>De machtiging tot uithuisplaatsing van de kinderen bij de vader is terecht verlengd. Uit de stukken volgt dat er nog steeds ernstige zorgen over de moeder en de thuissituatie van de moeder bestaan. Een terugplaatsing van de kinderen bij de moeder is op dit moment nog niet aan de orde. De moeder heeft in het verleden verschillende zelfmoordpogingen gedaan. Er is nog steeds sprake van beperkt begeleid contact tussen de moeder en de kinderen. Wanneer de moeder langdurig stabiel is, dan mogen de kinderen worden teruggeplaatst. Dat is op dit moment nog niet het geval. De door de moeder overgelegde getuigenverklaringen ‘zetten geen zoden aan de dijk’. De vader heeft bovendien zijn ‘vraagtekens’ bij de hulpverlening van [instantie 1] . De moeder gebruikt [instantie 1] om haar gevoelens over de vader te ventileren. Nu lijkt de moeder bij [instantie 1] een begeleider te hebben gevonden die daarvoor open staat en die een mening over de vader heeft. Het is niet de bedoeling dat de begeleider van de moeder een persoonlijk getuigschrift overlegt. Deze begeleider zou neutraal moeten zijn; zij is er voor de kinderen. Bovendien is de begeleider van de moeder pas kort betrokken en heeft zij slechts enkele contactmomenten tussen de moeder en de kinderen begeleid. De vader erkent wel dat deze contactmomenten goed verlopen. </para>
        <para>De moeder blijft de vader in diskrediet brengen. De vader betwist dat hij niet met zijn nieuwe gezin samenwoont. De kinderen verkeren nu in een stabiele thuissituatie met twee verzorgers. De kinderen doen het goed bij de vader. De vader betwist dat de beheersing Nederlandse taal van de kinderen achteruit is gegaan en dat de gaatjes in de tanden van de kinderen bij hem zijn ontstaan. </para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">De motivering van de beslissing</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.23.</nr>
      <para>Het hof overweegt het volgende. </para>
      <para />
      <paragroup>
        <nr>3.23.1.</nr>
        <para>Ingevolge artikel 1:265b lid 1 BW kan de rechter de gecertificeerde instelling, als bedoeld in artikel 1.1 van de Jeugdwet, die belast is met de uitvoering van de ondertoezichtstelling, op haar verzoek machtigen de minderjarige gedurende dag en nacht uit huis te plaatsen indien dit noodzakelijk is in het belang van de verzorging en opvoeding van de minderjarige of tot onderzoek van diens geestelijke of lichamelijke gesteldheid.</para>
        <para />
      </paragroup>
      <paragroup>
        <nr>3.23.2.</nr>
        <para>Op grond van artikel 1:265c lid 2 BW kan de rechter, mits aan de grond, bedoeld in artikel 1:265b lid 1 BW is voldaan, de duur van de machtiging uithuisplaatsing telkens verlengen met ten hoogste een jaar. </para>
        <para />
      </paragroup>
      <paragroup>
        <nr>3.23.3.</nr>
        <para>Zoals het hof reeds hiervoor in het kader van de rechtmatigheidstoets in de zaak met <emphasis role="underline">zaaknummer 200.355.029/01</emphasis> in rechtsoverweging 3.15.5. heeft overwogen werden er ten tijde van de eerste uithuisplaatsing op 19 maart 2025 vanuit meerdere disciplines (onder meer vanuit de school, de wijkagent en [instantie 1] ) ernstige zorgen over het psychisch welzijn van de moeder, de veiligheid van de kinderen en over de thuissituatie bij de moeder geuit. Uit de stukken en het besprokene tijdens de mondelinge behandeling in hoger beroep volgt – naar het oordeel van het hof – dat deze zorgen ook ten tijde van de verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing met ingang van 7 juni 2025 onvoldoende waren afgenomen. Daarbij neemt het hof in aanmerking dat de moeder de afgelopen jaren een patroon heeft laten zien dat zij met periodes goed in staat is om voor de kinderen te zorgen, maar dat er ook periodes zijn dat het niet goed gaat met de moeder. Het is – naar het oordeel van het hof – onvoldoende gebleken dat (mede gelet op de voorgeschiedenis van de moeder binnen de GGZ) de moeder langdurig (psychisch) stabiel is zodat een uithuisplaatsing niet langer in het belang van de verzorging en opvoeding van de kinderen noodzakelijk is. Het door de moeder als productie 9 overgelegde verslag van het eenmalig psychiatrisch consult is daartoe onvoldoende. Ook hierin wordt melding gemaakt van de uitgebreide psychiatrische voorgeschiedenis van de moeder. Verder volgt hieruit dat de moeder geen hulpvraag heeft. Bovendien was de psychische toestand van de moeder niet de enige reden waarom de rechtbank een machtiging tot uithuisplaatsing van de kinderen heeft verleend. Zo bestonden er ook ernstige zorgen over de veiligheid van de kinderen en de thuissituatie bij de moeder, die ook nu nog steeds aanwezig zijn. De door de moeder overgelegde verklaringen en rapportages (producties 10, 11 en 12) kunnen niet tot een ander oordeel leiden. Niet in geschil is dat de moeder volgens de betrokken hulpverlening en ook volgens de GI een positieve ontwikkeling in de begeleide contactmomenten met de kinderen lijkt door te maken. Het hof acht die positieve ontwikkeling – ook gelet op het verleden – echter nog te prematuur om reeds nu over te kunnen gaan tot een terugplaatsing van de kinderen. </para>
        <para />
      </paragroup>
      <paragroup>
        <nr>3.23.4.</nr>
        <para>Het hof heeft op grond van de stukken en het besprokene tijdens de mondelinge behandeling in hoger beroep overigens ook zorgen over de thuissituatie van de vader en/of die thuissituatie wel voldoende in beeld is. Ook de GI vindt opvoedondersteuning bij de vader noodzakelijk, nu de vader en diens partner ineens de zorg hebben voor vijf jonge kinderen. De vader staat op de wachtlijst voor een traject bij [instantie 2] . Ter overbrugging start [instantie 1] in augustus 2025 met opvoedondersteuning in het gezin van de vader. Het hof gaat er vanuit dat de GI de situatie bij de vader thuis nauwlettend nader onderzoekt dan wel in de gaten houdt.</para>
        <para />
      </paragroup>
      <paragroup>
        <nr>3.23.5.</nr>
        <para>Genoemde feiten en omstandigheden, in onderlinge samenhang bezien, maken dat het hof van oordeel is dat op dit moment nog niet met zekerheid valt vast te stellen dat de verlenging van de uithuisplaatsing bij de vader voor de periode van één jaar het meest in het belang van de kinderen is. Het hof ziet hierin aanleiding om de verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing van de kinderen bij de vader in duur te bekorten tot een periode van zes maanden, derhalve tot 7 december 2025. Die periode dient de GI dan te benutten om zicht te krijgen op de thuissituatie van de vader en op de opvoedvaardigheden van de vader en om te bezien of de situatie van de moeder nog verder is gestabiliseerd en daarmee een (gefaseerde) terugplaatsing in de (nabije) toekomst aan de orde is. Het subsidiaire verzoek in hoger beroep van de moeder wordt derhalve toegewezen.</para>
        <para />
      </paragroup>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.24.</nr>
      <para>Op grond van het voorgaande zal het hof de bestreden beschikking van 28 mei 2025 gedeeltelijk vernietigen en het inleidend verzoek van de GI tot verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing van de kinderen bij de andere ouder met gezag, zijnde de vader, met ingang van 7 december 2025 alsnog afwijzen. </para>
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>
      <nr>4</nr>De beslissing</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het hof:</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="underline">In de zaak met zaaknummer 200.355.029/01:</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>bekrachtigt de beschikkingen van de rechtbank Oost-Brabant van 19 maart 2025 en 4 april 2025, met zaaknummer C/01/413741 / JE RK 25-377; </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>wijst af het meer of anders verzochte. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="underline">In de zaak met zaaknummer 200.356.419/01:</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>vernietigt met ingang van 7 december 2025 de beschikking van de rechtbank Oost-Brabant van 28 mei 2025 (op schrift gesteld op 18 juni 2025), met zaaknummer C/01/414572 / JE RK 25-501, voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen;</para>
      <para>en, in zoverre, opnieuw rechtdoende:</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>wijst met ingang van 7 december 2025 alsnog af het inleidend verzoek van de GI tot verlenging van de machtiging uithuisplaatsing tot uithuisplaatsing van [minderjarige 1] , geboren op [geboortedatum] 2019 te [geboorteplaats] , en [minderjarige 2] , geboren op [geboortedatum] 2020 te [geboorteplaats] , bij de andere ouder met gezag, zijnde de vader;</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>bekrachtigt de genoemde beschikking voor wat betreft de verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] over de periode van 7 juni 2025 tot 7 december 2025; </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad; </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>wijst af het meer of anders verzochte. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Deze beschikking is gegeven door mrs. E.P. de Beij, M.J.C. van Leeuwen en H.J. Witkamp en is in het openbaar uitgesproken op 11 september 2025 in tegenwoordigheid van de griffier.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
  </section>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>