<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:GHSHE:2025:2483</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2026-05-27T11:52:54</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2025-09-11</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Gerechtshof_'s-Hertogenbosch" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Gerechtshof 's-Hertogenbosch</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2025-09-11</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">200.354.844_01 en 200.354.701_01</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#hogerBeroep">Hoger beroep</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">'s-Hertogenbosch</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#civielRecht_personenEnFamilierecht">Civiel recht; Personen- en familierecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHSHE:2025:2483">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHSHE:2025:2483</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2026-05-27T11:51:03</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2026-05-27</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:GHSHE:2025:2483 Gerechtshof 's-Hertogenbosch , 11-09-2025 / 200.354.844_01 en 200.354.701_01</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:GHSHE:2025:2483:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Bekrachtiging gezagsbeëindigende maatregel</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:GHSHE:2025:2483:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <uitspraak.info>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">GERECHTSHOF 's-HERTOGENBOSCH </emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Team familie- en jeugdrecht</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Uitspraak: 		11 september 2025</para>
      <para>Zaaknummers:		200.354.844/01 (hoger beroep van de moeder)</para>
      <para>		200.354.701/01 (hoger beroep van de vader)</para>
      <para>Zaaknummer eerste aanleg: 	C/03/325482/ FA RK 23-4783</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>in de zaken in hoger beroep van:</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">
          [de moeder]
        </emphasis>,</para>
      <para>wonende op het voor een hof bekend geheim adres,</para>
      <para>verzoekster in hoger beroep <emphasis role="underline">in de zaak met zaaknummer 200.354.844/01</emphasis>,</para>
      <para>belanghebbende <emphasis role="underline">in de zaak met zaaknummer 200.354.701/01</emphasis>,</para>
      <para>hierna te noemen: de moeder,</para>
      <para>advocaat: mr. E.A.M. Ramakers,</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>en</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">
          [de vader]
        </emphasis>,	</para>
      <para>wonende te [woonplaats] ,</para>
      <para>verzoeker in hoger beroep <emphasis role="underline">in de zaak met zaaknummer 200.354.701/01</emphasis>,</para>
      <para>belanghebbende <emphasis role="underline">in de zaak met zaaknummer 200.354.844/01</emphasis>,</para>
      <para>hierna te noemen: de vader,</para>
      <para>advocaat: mr. F.W. Oehlen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>tegen</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">de Raad voor de Kinderbescherming,</emphasis>
      </para>
      <para>regio Limburg, locatie [locatie 1] ,</para>
      <para>verweerder in hoger beroep <emphasis role="underline">in beide zaaknummers</emphasis>,</para>
      <para>hierna te noemen: de raad.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>over </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">
          [minderjarige]
        </emphasis>, </para>
      <para>geboren op [geboortedatum] 2020 te [geboorteplaats] , </para>
      <para>hierna te noemen: [minderjarige] .</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het hof merkt <emphasis role="underline">in beide zaaknummers</emphasis> als belanghebbenden aan:</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">William Schrikker Stichting Jeugdbescherming en Jeugdreclassering</emphasis>,</para>
      <para>gevestigd te [vestigingsplaats] ,</para>
      <para>hierna te noemen: de GI (gecertificeerde instelling).</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">De gezinshuisouders van het gezinshuis</emphasis>, </para>
      <para>gevestigd op een voor het hof bekend geheim adres,</para>
      <para>hierna te noemen: de gezinshuisouders. </para>
      <para>
        <emphasis role="bold">1.	Het geding in eerste aanleg</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het hof verwijst voor het verloop van het geding in eerste aanleg <emphasis role="underline">in beide zaaknummers</emphasis> naar de beschikking van de rechtbank Limburg, zittingsplaats Maastricht, van 11 februari 2025, uitgesproken onder voormeld zaaknummer.</para>
    </parablock>
    <para />
    <bridgehead role="bold">2 Het geding in hoger beroep</bridgehead>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>2.1.</nr>
      <para>Bij de bestreden – uitvoerbaar bij voorraad verklaarde – beschikking heeft de rechtbank het gezag van de moeder en de vader over [minderjarige] beëindigd en de GI tot voogd benoemd.</para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="underline">in de zaak met zaaknummer 200.354.844/01 in het hoger beroep van de moeder</emphasis>:</para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.2.</nr>
      <para>De moeder kan zich met deze beslissing niet verenigen en zij is hiervan in hoger beroep gekomen. Bij beroepschrift met producties, ingekomen ter griffie op 8 mei 2025, heeft de moeder verzocht, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, </para>
      <itemizedlist mark="-">
        <listitem>
          <para>primair: de bestreden beschikking te vernietigen en het verzoek tot beëindiging van het gezag van de moeder (en de vader) over [minderjarige] af te wijzen;</para>
        </listitem>
        <listitem>
          <para>subsidiair: het NIFP te gelasten onderzoek te doen zoals omschreven onder punt 56 van het beroepschrift, althans een deskundigenonderzoek zoals het hof in goede justitie meent te behoren.</para>
        </listitem>
      </itemizedlist>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="underline">in de zaak met zaaknummer 200.354.701/01 in het hoger beroep van de vader</emphasis>:</para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.3.</nr>
      <para>De vader kan zich met deze beslissing niet verenigen en hij is hiervan in hoger beroep gekomen. Bij beroepschrift met producties, ingekomen ter griffie op 13 mei 2025, heeft de vader verzocht, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, </para>
      <itemizedlist mark="-">
        <listitem>
          <para>primair: de bestreden beschikking te vernietigen en het verzoek tot beëindiging van het gezag van de vader over [minderjarige] af te wijzen;</para>
        </listitem>
        <listitem>
          <para>subsidiair: het NIFP te gelasten onderzoek te doen zoals omschreven onder punt 56 van het beroepschrift, althans een deskundigenonderzoek zoals het hof in goede justitie meent te behoren.</para>
        </listitem>
      </itemizedlist>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="underline">in beide zaaknummers</emphasis>:</para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.4.</nr>
      <para>Bij verweerschrift, ingekomen ter griffie op 4 juli 2025, heeft de raad verzocht de bestreden beschikking in stand te laten en te concluderen tot afwijzing van de beroepschriften van de vader en de moeder. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.5.</nr>
      <para>Bij verweerschrift, ingekomen ter griffie op 10 juli 2025, heeft de GI verzocht de door de ouders ingestelde hoger beroepen niet-ontvankelijk te verklaren dan wel af te wijzen en de beschikking waarvan beroep te bekrachtigen.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.6.</nr>
      <para>De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 24 juli 2025. De zaken zijn tegelijk, maar niet gevoegd behandeld. Bij die gelegenheid zijn gehoord: </para>
      <itemizedlist mark="-">
        <listitem>
          <para>de moeder;</para>
        </listitem>
        <listitem>
          <para>mr. Ramakers als advocaat van de moeder en waarnemend voor mr. Oehlen ook namens de vader;</para>
        </listitem>
        <listitem>
          <para>de raad, vertegenwoordigd door [vertegenwoordiger van de raad] ;</para>
        </listitem>
        <listitem>
          <para>de GI, vertegenwoordigd door [vertegenwoordiger van de GI 1] en [vertegenwoordiger van de GI 2] ;</para>
        </listitem>
        <listitem>
          <para>de gezinshuismoeder.</para>
        </listitem>
      </itemizedlist>
      <para />
      <paragroup>
        <nr>2.6.1.</nr>
        <para>De vader is, hoewel behoorlijk opgeroepen, niet tijdens de mondelinge behandeling verschenen. Mr. Ramakers heeft bij de mondelinge behandeling toegelicht waarom de vader niet is verschenen.</para>
        <para />
      </paragroup>
      <paragroup>
        <nr>2.6.2.</nr>
        <para>De GI heeft verzocht om aanwezigheid van de gedragswetenschapper die bij het gezinshuis en bij [minderjarige] is betrokken, tijdens de mondelinge behandeling. Het hof heeft dit toegestaan en de gedragswetenschapper als informant gehoord. </para>
        <para />
      </paragroup>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.7.</nr>
      <para>Het hof heeft voorts kennisgenomen van de inhoud van:</para>
      <itemizedlist mark="-">
        <listitem>
          <para>het proces-verbaal van de mondelinge behandeling in eerste aanleg d.d. 14 januari 2025;</para>
        </listitem>
        <listitem>
          <para>het NIFP-rapport d.d. 6 september 2021, ingekomen op 18 juli 2025.</para>
        </listitem>
      </itemizedlist>
      <para />
    </paragroup>
  </uitspraak.info>
  <section>
    <title>
      <nr>3</nr>De feiten</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="underline">in beide zaaknummers</emphasis>:</para>
    </parablock>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>3.1.</nr>
      <para>Bij beschikking van de rechtbank Limburg, zittingsplaats Maastricht , van 21 januari 2020 is (de toen nog ongeboren) [minderjarige] voorlopig onder toezicht gesteld van de GI, met ingang van 21 januari 2020 tot 21 april 2020. Daarnaast is een spoedmachtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] verleend voor de duur van twee weken. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.2.</nr>
      <para>
        [minderjarige] is op [geboortedatum] 2020 geboren uit de affectieve relatie van de moeder en de vader. De vader heeft [minderjarige] erkend.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.3.</nr>
      <para>De ouders hebben op 24 januari 2020 in het gezagsregister laten aantekenen dat zij gezamenlijk met het gezag over [minderjarige] zijn belast. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.4.</nr>
      <para>Bij beschikking van de rechtbank van 30 januari 2020 is een machtiging tot uithuisplaatsing verleend met ingang van 5 februari 2020 tot 21 april 2020. Deze beschikking van 30 januari 2020 is bekrachtigd bij beschikking van dit hof van 9 april 2020. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.5.</nr>
      <para>
        [minderjarige] verblijft sinds april 2020 in het gezinshuis. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.6.</nr>
      <para>Bij beschikking van de rechtbank van 17 april 2020 zijn de ouders in de uitoefening van het gezag over [minderjarige] geschorst met ingang van 17 april 2020 tot 1 mei 2020, waarbij iedere overige beslissing is aangehouden. Bij beschikking van de rechtbank van 30 april 2020 is het verzoek tot schorsing afgewezen. De GI is hiervan dezelfde dag van in beroep gekomen. Bij beschikking van dit hof van (eveneens) 30 april 2020 is de eerdere beschikking van die dag van de rechtbank vernietigd en zijn de ouders met ingang van 1 mei 2020 tot 29 mei 2020 geschorst in de uitoefening van het gezag over [minderjarige] en is de GI belast met de voorlopige voogdij over [minderjarige] . Bij beschikking van dit hof van 26 mei 2020 is het resterende verzoek van de GI afgewezen. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.7.</nr>
      <para>Bij beschikking van de rechtbank van (wederom) 30 april 2020 zijn de ouders, naar aanleiding van een nieuw verzoek van de raad, geschorst in de uitoefening van het gezag over [minderjarige] met ingang van 30 april 2020 tot 14 mei 2020 en is de GI belast met de voorlopige voogdij over [minderjarige] . Bij beschikking van de rechtbank van 13 mei 2020 zijn de ouders in de uitoefening van het gezag over [minderjarige] geschorst met ingang van 14 mei 2020 totdat op het verzoek tot beëindiging van het gezag van de ouders is beslist. Bij beschikking van dit hof van 19 november 2020 zijn deze beschikkingen bekrachtigd. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.8.</nr>
      <para>Bij beschikking van de rechtbank van 30 november 2021 is het verzoek van de raad tot beëindiging van het gezag van de ouders afgewezen. Bij deze beschikking is [minderjarige] met ingang van 30 november 2021 onder toezicht gesteld van de GI en is een machtiging tot uithuisplaatsing in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder (zijnde een gezinshuis) verleend. Deze maatregelen zijn vervolgens steeds verlengd, laatstelijk tot 30 juni 2025.</para>
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section role="overwegingen">
    <title>
      <nr>4</nr>De beoordeling</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="underline">in de zaak met zaaknummer 200.354.844/01 in hoger beroep van de moeder</emphasis>:</para>
    </parablock>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>4.1.</nr>
      <parablock>
        <para>De moeder voert – samengevat – het volgende aan. Ten onrechte heeft de rechtbank het gezag van de ouders over [minderjarige] beëindigd. Uit het NIFP-rapport bleek slechts dat er vragen waren over de mogelijkheid van de moeder om responsief en sensitief op [minderjarige] aan te sluiten. Er is niet geconcludeerd dat de moeder dat niet kon. De rechtbank heeft in eerdere uitspraken overwogen dat vanwege de zeer beperkte contacten tussen [minderjarige] en de ouders, er een magere basis is voor conclusies over hun opvoedingscapaciteiten. De rechtbank kon zich eerder niet aan de indruk onttrekken dat de raad en de GI ten onrechte nadruk legde op één incident in de contactregeling, en de positieve kanten niet of onvoldoende belichtten. De rapportage van [instantie 1] vermeldde ook weinig positieve ervaringen, terwijl die uit de omgangsverslagen wel blijken. Hieruit blijkt immers dat de ouders op momenten goed in staat zijn om [minderjarige] te corrigeren, bij hem aan te sluiten en dat de moeder openstaat voor feedback en dit goed oppakt. De rechtbank overwoog eerder ook dat er geen zorgen waren over de invulling van het contact tussen de moeder en [minderjarige] . Dat de ouders een belast verleden hebben en onveilig zijn gehecht, doet hier niet aan af. De situatie omtrent [jongste kind] , het jongste kind van de ouders, bevestigt dat de ouders sensitief en responsief kunnen aansluiten bij een kind, voldoende opvoedcapaciteiten hebben en een veilig opvoedingsklimaat kunnen bieden. [jongste kind] woont bij de moeder en staat niet onder toezicht. De moeder heeft opvoedondersteuning, hulp en begeleiding bij zijn verzorging en opvoeding geaccepteerd. </para>
        <para>In de bestreden beschikking is niet gemotiveerd waarom aan het mislukken van de methode Basic Trust ineens de conclusie is verbonden dat het de ouders niet is gelukt om te laten zien dat zij over voldoende opvoedingscapaciteiten beschikken. Eerder werd deze conclusie niet hieraan verbonden en heeft de GI zelfs aangegeven nog geen perspectiefbesluit te hebben genomen omdat er nog zicht moest komen op het perspectief van [minderjarige] . Door toedoen van de GI is de afgelopen jaren veel kostbare tijd verloren gegaan. Na de traumatische uithuisplaatsing van [minderjarige] is er een tijd geen enkel contact geweest tussen de ouders en [minderjarige] . Dit is onbegrijpelijk en heeft diepe wonden achtergelaten. De rechtbank heeft er keer op keer op aangedrongen dat er meer en langer contact moest komen bij de moeder thuis, waarbij begeleiding in het weekend kon plaatsvinden door iemand die dit contact interactief vorm kon geven. Ook moest er een plan komen met doelen en verwachtingen. Meermaals heeft de rechtbank overwogen dat de GI in de uitvoering hiervan tekort is geschoten. Nadat uiteindelijk hulpverlening van de grond kwam en de contactregeling werd uitgebreid, heeft de GI gelijk het enige incident tussen de vader en de GI aangegrepen om de contacten drastisch te beperken, ook tussen de moeder en [minderjarige] . Vanaf dat moment mocht het contact alleen plaatsvinden in [locatie 2] , hetgeen voor de moeder op veel praktische problemen stuit. De rechtbank overwoog eerder dat de GI hierin onvoldoende naar oplossingen heeft gezocht. Al met al is de GI ernstig tekortgeschoten in de uitvoering van haar taken en heeft de GI niet ingezet op een thuisplaatsing en evenmin op uitbreiding van het contact tussen [minderjarige] en de ouders, zodat eventuele problemen in de gehechtheid niet aan de ouders kunnen worden toegerekend en geen grond kunnen zijn voor een gezagsbeëindiging. Problematische gehechtheid kan bovendien worden hersteld en indien niet duidelijk is of [minderjarige] aan de ouders kan hechten zal daar onderzoek naar moeten worden verricht. De huidige contactmomenten verlopen heel goed.</para>
      </parablock>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.2.</nr>
      <parablock>
        <para>De aanvaardbare termijn is niet overschreden. Hoewel [minderjarige] al vijf jaar bij de gezinshuisouders verblijft, ligt zijn perspectief nog niet definitief daar. Het is duidelijk dat het niet goed gaat met [minderjarige] in het gezinshuis, wat zich al langere tijd uit in steeds heviger wordende gedragsproblematiek in zijn dagelijkse leven. [minderjarige] ervaart spanningen en vertoont extreem grensoverschrijdend gedrag bestaande uit schreeuwen, schelden, bijten, slaan en schoppen. Onduidelijk is in hoeverre de gedragsproblematiek wordt veroorzaakt door kindeigen problematiek of door zijn huidige situatie en trauma in verband met de uithuisplaatsing. De gedragsproblemen worden niet veroorzaakt door het feit dat de moeder het gezag over hem heeft. De rechtbank overwoog eerder dat niet kan worden uitgesloten dat [minderjarige] uit een gemis van de moeder negatief gedrag laat zien. [minderjarige] is nog te jong om onduidelijkheid te ervaren over zijn perspectief en om te weten wat gezag inhoudt. Voortzetting van de huidige beschermingsmaatregelen levert geen belemmering voor zijn ontwikkeling op. Voor het geval het hof van oordeel is dat de aanvaardbare termijn mogelijk is overschreden, dient daar eerst onderzoek naar gedaan te worden.</para>
        <para>Uit diagnostisch onderzoek van [instantie 2] is gebleken dat voor [minderjarige] traumabehandeling en medicatie noodzakelijk is. De ouders waren niet bekend met het onderzoek, maar willen meewerken aan noodzakelijke behandelingen van [minderjarige] . Zij willen echter geïnformeerd worden over het onderzoek en de mogelijke behandeling, maar het is niet zo dat [minderjarige] niet kan starten met traumabehandeling vanwege de weigering van de ouders. Bovendien wordt gezien dat [minderjarige] ook met medicatie gevaarlijk gedrag laat zien en dat het niet helpt.</para>
        <para>Uit de jurisprudentie over artikel 8 EVRM blijkt dat er voldoende inspanningen moeten zijn geleverd om gezinshereniging mogelijk te maken, alvorens gezag mag worden beëindigd en dat is niet het geval. </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.3.</nr>
      <para>Tot slot heeft de rechtbank ten onrechte een deskundigenonderzoek niet noodzakelijk geacht. Artikel 810a Rv biedt de mogelijkheid voor een onafhankelijk onderzoek om de juistheid van het standpunt van de moeder (dat moeder, eventueel met hulp en ondersteuning, in staat is om [minderjarige] zelf te verzorgen en opvoeden en dat zulks ook in het belang van [minderjarige] is) aan te tonen. De moeder dient nog een kans te krijgen en acht het in het belang van [minderjarige] om een NIFP-onderzoek laten uitvoeren ter beantwoording van de volgende onderzoeksvragen:</para>
      <orderedlist numeration="arabic">
        <listitem>
          <para>wat zijn de mogelijkheden van moeder tot het zelf opvoeden van [minderjarige] ?</para>
        </listitem>
        <listitem>
          <para>heeft moeder daarbij, indien zij zelf tot het zelf opvoeden van [minderjarige] in staat is, specifieke hulpverlening nodigen zo ja, welke?</para>
        </listitem>
        <listitem>
          <para>waardoor worden de gedragsproblemen van [minderjarige] veroorzaakt?</para>
        </listitem>
        <listitem>
          <para>welke hulpverlening c.q. behandeling heeft [minderjarige] nodig?</para>
        </listitem>
        <listitem>
          <para>wat zijn de specifieke opvoed behoeften van [minderjarige] ?</para>
        </listitem>
        <listitem>
          <para>welke verblijfssituatie is in het belang van [minderjarige] ?</para>
        </listitem>
        <listitem>
          <para>kan [minderjarige] zich nog hechten aan moeder?</para>
        </listitem>
        <listitem>
          <para>is voor [minderjarige] de aanvaardbare termijn verstreken?</para>
        </listitem>
      </orderedlist>
      <para>in geval [minderjarige] niet meer thuis geplaatst kan worden: welke contactregeling met moeder is dan in het belang van [minderjarige] ?</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.4.</nr>
      <parablock>
        <para>De raad voert – samengevat – het volgende aan. In het raadsrapport van 14 december 2023 concludeert de raad dat de ouders een belast verleden hebben en het hen reeds jaren niet lukt om stabiel te functioneren. De vader is bekend met forse agressie-regulatie problematiek met als gevolg dat het de hulpverlening en de jeugdbeschermer niet lukt om constructief met hem het gesprek te voeren, waardoor hulpverleningsprocessen niet opgestart konden worden of vroegtijdig stagneerden. De raad omschrijft dat in de relatie van de ouders met regelmaat sprake was van hoogoplopende spanningen. Zij kunnen fel in discussie met de hulpverlening of met elkaar gaan in het bijzijn van [minderjarige] , als gevolg waarvan [minderjarige] zich terugtrekt of angstig reageert, met name richting de vader. [minderjarige] is een zeer alerte jongen die reageert op situaties die voor hem spanningsvol en/of nieuw zijn. Hij heeft een meer dan gemiddelde behoefte aan rust, voorspelbaarheid en opvoeders die beschikbaar voor hem zijn. De ouders laten een beeld zien waarbij zij afspraken niet nakwamen, contactmomenten afzeggen of tijdens momenten met [minderjarige] met name bezig waren de discussie te voeren met de hulpverlening. Dit heeft er toe geleid dat [minderjarige] de contactmomenten als zeer spanningsvol is gaan ervaren. De raad concludeert dat ouders geen of een hele geringe bereidheid hebben om hulpverlening te aanvaarden. </para>
        <para>Intensieve inzet van de klinisch psycholoog ( Basic Trust Methode) om het perspectief van [minderjarige] te onderzoeken heeft niet geleid tot duidelijkheid omdat de ouders zich niet wilden of konden conformeren aan de werkwijze, waarna verschillende afspraken werden afgezegd. Het is teleurstellend dat de ouders deze mogelijkheid niet met beide handen hebben aangenomen. Ook [instantie 3] , dat werd ingezet ten behoeve van opvoedondersteuning in de thuissituatie bij de ouders, concludeert dat het niet of onvoldoende lukte om constructief in contact te komen met de ouders. De momenten dat het wel lukt om met de moeder in gesprek te komen of een huisbezoek af te leggen ziet [instantie 3] een zorgzame moeder die het lukt om sensitief en responsief te reageren op [jongste kind] . De ouders zijn in staat gebleken om enkele contactmomenten op een voor [minderjarige] aanvaardbare wijze vorm te geven. Tegelijkertijd wordt de zorg uitgesproken over een ongezonde dynamiek tussen de ouders. Opgemerkt moet worden dat het vormgeven van een contactmoment tussen ouder en kind wezenlijk anders is dan het bieden van een veilig opvoedklimaat of de verantwoordelijkheid hebben over de zorg- en opvoedingstaken van een kind. Uit de evaluaties blijkt dat het de ouders niet of onvoldoende lukt om een veilig opvoedklimaat voor [minderjarige] te bieden en om tegemoet te komen aan zijn behoeften zodat de hulpverlening, de GI en de raad niet anders kunnen concluderen dan dat het hen ontbreekt aan de juiste opvoedingscapaciteiten. Gezien het belaste verleden van [minderjarige] heeft hij een andere opvoedbehoefte dan [jongste kind] . De ouders laten op geen enkel moment blijken hier notie van te nemen of hier actief naar te handelen. [minderjarige] is een jong kind dat een valse start heeft gehad. Hij heeft geborgenheid en veiligheid gemist en heeft een ongezonde hechting doorgemaakt. De GI heeft meermaals ingezet op gesprekken met de ouders om contactregelingen te evalueren en te komen tot een bestendige contactregeling. De vader weigert zich echter te committeren aan noodzakelijke veiligheidsafspraken. De raad heeft meermaals zorgen uitgesproken over de relatie tussen de ouders die met momenten gepaard gaan met hoogoplopende spanningen. De moeder sprak uit dat zij wilde scheiden in het belang van [jongste kind] en [minderjarige] , maar meer dan het uitspreken van dit voornemen is het niet gekomen. De ouders hebben meermaals in het bijzijn van [minderjarige] geuit dat zij in de zorg van [minderjarige] willen voorzien. [minderjarige] kent al lange tijd veel onduidelijkheid over zijn perspectief en de plek waar hij zal opgroeien. </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.5.</nr>
      <para>In het verweerschrift en op de mondelinge behandeling voert de raad aan dat hij, gelet op het bovenstaande, in het rapport van december 2023 niet anders kon concluderen dan dat [minderjarige] niet langer kon wachten op ontwikkelingen die ouders zouden maken. De rechtbank heeft terecht overwogen dat de aanvaardbare termijn is verstreken. Het is wel degelijk aan de ouders te wijten dat [minderjarige] onvoldoende is gehecht aan hen omdat de motivatie, de wil of het vermogen ontbrak om te laten zien dat zij er onvoorwaardelijk voor [minderjarige] zijn. Er is voldoende inzet geweest om duidelijkheid te verschaffen over de mogelijkheid van ouders om voor [minderjarige] te kunnen zorgen (perspectiefonderzoek, begeleide omgangsmomenten, gesprekken met de jeugdbeschermer). Dit heeft niet geleid tot een duurzame verandering bij ouders. De continuïteit voor [minderjarige] , duidelijkheid en rust om aan zijn verdere ontwikkeling toe te komen kunnen niet bereikt worden met een lichtere maatregel dan een gezagsbeëindiging en wegen zwaarder dan de belangen van de ouders bij behoud van het gezag. Hoewel het raadsrapport van december 2023 al van langer geleden is, vindt de raad na enige afwegingen tijdens de mondelinge behandeling uiteindelijk een nader onderzoek niet nodig. De raad betrekt hierbij de zorgen om het gedrag van [minderjarige] en wat hij allemaal nodig heeft om veilig op te groeien en zijn ontwikkeling vooruit te helpen. De moeder zou het alleen moeten doen nu de vader niet of minder betrokken is. Zij zou daarin overvraagd worden en zij heeft geen eerlijke kans bij een onderzoek. Een nader onderzoek is bovendien zonder meer belastend voor [minderjarige] .</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.6.</nr>
      <para>De advocaat van de vader bij de mondelinge behandeling het volgende naar voren gebracht, in aanvulling op het beroepschrift. De vader heeft geen persoonlijke hulpverlening. De advocaat denkt dat de vader zal meewerken aan een nader (NIFP-)onderzoek, mocht dit er komen. Dat ligt ook aan hoe met vader wordt omgegaan. Dat vader afstand heeft genomen van [minderjarige] , zoals moeder zegt, zal waarschijnlijk te maken hebben met zelfbescherming van de kant van de vader. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.7.</nr>
      <parablock>
        <para>De GI voert – samengevat – het volgende aan. Het doel van de ondertoezichtstelling is altijd geweest om te onderzoeken of het perspectief van [minderjarige] bij de ouders ligt. Gebleken is dat de ouders de basale zorg en veiligheid aan [minderjarige] niet kunnen bieden. Als gevolg van de persoonlijke problematieken worden zij overvraagd tijdens contactmomenten. Daarnaast is het een patroon dat [minderjarige] voortdurend wordt belast door intimiderende en dreigende uitingen door de vader. De rechtbank en de jeugdbeschermers hebben meermaals aangegeven dat de vader behandeling nodig heeft om zijn agressie te kunnen reguleren, zodat [minderjarige] hier niet mee wordt belast. Tot op heden heeft hij hier geen stappen in ondernomen. Aangezien de ouders samenwonen is het geen kwestie van alleen de moeder die open dient te staan voor hulpverlening. Er heeft nog geen herstelgesprek plaatsgevonden tussen de vader en de GI waardoor de vader [minderjarige] al lange tijd niet heeft gezien. </para>
        <para>De situatie van [jongste kind] is niet vergelijkbaar. Uit het integraal verslag diagnostisch onderzoek blijkt dat [minderjarige] gediagnostiseerd is met PTSS. [minderjarige] heeft meer dan gemiddeld behoefte aan duidelijkheid, structuur en grenzen. Wanneer hem deze niet geboden worden bestaat het risico dat de ernst van zijn gedragsproblemen zal toenemen en zijn ontwikkeling stagneert. Het lukt de ouders niet om dit te bieden. Tijdens de contactmomenten blijkt dat de ouders regelmatig niet op  één lijn liggen, wat [minderjarige] veel onduidelijkheid geeft. Er zijn in het verleden twee keer Veilig Thuis-meldingen gedaan tijdens contactmomenten tussen [minderjarige] en de ouders. Voorafgaand aan het bezoek aan de ouders is [minderjarige] extreem onrustig en geeft hij aan niet te willen deelnemen. Na het bezoek is hij gespannen, alert en druk. Ook slaapt hij dan slecht, schreeuwt hij en slaat, bijt of duwt hij andere kinderen in het gezinshuis. </para>
        <para>De GI dient belast te blijven met de voogdij over [minderjarige] . Er zijn hiervoor geen andere personen in het netwerk van [minderjarige] beschikbaar. Het is in het belang van [minderjarige] , dat er een neutrale persoon betrokken blijft om zijn belangen te behartigen. Uit het voortgangsverslag van [instantie 2] van juni 2025 blijkt dat er naast PTSS ook zorgen zijn over kindeigen problematiek bij [minderjarige] . Dat zal de komende tijd verder worden onderzocht. Het is onjuist dat de ouders niet op de hoogte zijn van dit onderzoek. De jeugdbeschermers hebben meermaals met de moeder gesproken over de bevindingen, de ouders hebben daarop aangegeven dat ze niet willen dat [minderjarige] medicatie gaat slikken. De betrokken psychiater en [instantie 2] hebben meerdere malen gepoogd een afspraak met de moeder te plannen waarin zij de gevraagde informatie zou ontvangen omtrent de noodzakelijk geachte behandeling. De jeugdbeschermers hebben de moeder ook meermaals gevraagd om [minderjarige] in te schrijven op een basisschool in de buurt zodat het samenwerkingsverband kan worden betrokken bij het vinden van passend onderwijs voor [minderjarige] . De moeder heeft hier enkele maanden over gedaan waarna achteraf bleek dat de inschrijving niet juist was gedaan. Na het uitspreken van de gezagsbeëindiging heeft de jeugdbeschermer alsnog een aanmelding gedaan bij een basisschool in de buurt. Het vinden van passend vervolgonderwijs heeft meer dan één jaar stil gelegen, hetgeen niet in het belang is van [minderjarige] . De bezoeken tussen [minderjarige] en de moeder vinden al geruime tijd volgens dezelfde frequentie plaats. De moeder zegt regelmatig een bezoek af en komt eerder of later bij een bezoek. [jongste kind] mag een keer per maand aansluiten, ook hierin wordt gewisseld om verschillende redenen. De moeder sluit vrijwel elke evaluatie te laat of niet aan terwijl deze ruim op tijd door [instantie 4] worden gecommuniceerd. De contactmomenten vinden nog steeds plaats in [locatie 2] omdat de vader de moeder vaak brengt en dus nog in de buurt is. Uit het voortgangsverslag van [instantie 2] van juni 2025 blijkt dat het niet goed gaat met [minderjarige] en dat een uitbreiding van de contactmomenten niet in zijn belang is. De aanvaardbare termijn voor [minderjarige] is ruim overschreden. [minderjarige] groeit op in een gezinshuis en ervaart veel onduidelijkheid over waar zijn perspectief ligt. Hij ervaart niet de rust die hij nodig heeft om tot optimale ontwikkeling te komen. Een nader onderzoek zou dan ook niet in het belang van [minderjarige] zijn. </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.8.</nr>
      <para>De gezinshuismoeder voert – samengevat – het volgende aan. [minderjarige] is een lieve spontane jongen die al in het gezinshuis woont sinds hij zeven weken oud is. Hij heeft een bovengemiddelde begeleidingsbehoefte. Hij heeft een-op-een begeleiding nodig om zich prettig en veilig te voelen. De gezinshuismoeder slaapt op een matras in de kamer van [minderjarige] omdat hij bang is om alleen te zijn. Er is geprobeerd om hem alleen in de kamer te laten slapen, maar dat lukte niet. Hij heeft heel veel duidelijkheid en voorspelbaarheid nodig. Samenspel met andere kinderen vindt hij lastig. Hij heeft een controlebehoefte en is zelfbepalend. Hij kan fysiek agressief zijn naar andere kinderen en naar de gezinshuisouders. Dat uit zich in bijten, schoppen, slaan en duwen. [minderjarige] heeft veel een-op-een begeleiding nodig om de veiligheid thuis te kunnen waarborgen. Hij loopt snel over in zijn emoties en kan zichzelf moeilijk reguleren zonder de hulp van een volwassene. Hij geniet ook van de begeleiding en persoonlijke aandacht. [minderjarige] heeft weinig interesse in school en er is weinig groei te zien in zijn sensorisch spel. [minderjarige] heeft veel nabijheid nodig. Voorheen verstopte hij zich als er volwassen personen in huis kwamen. Sinds hij de medicatie slikt wordt hij wat opener en durft hij mensen meer aan te kijken. Er zijn verschillende medicaties geprobeerd. Het gaat inmiddels beter. De scherpe randjes zijn eraf en hij is minder angstig in nieuwe situaties. [minderjarige] is niet zelfredzaam. Hij is nog niet zindelijk. Bij [instantie 2] is gestart met traumabehandeling. De rode draad is dat er duidelijkheid moet komen over waar [minderjarige] mag opgroeien. Het blijft onrustig bij hem. Binnenkort zal het duidelijk worden welk onderwijs passend is. [minderjarige] kan in het gezinshuis blijven. Er is veel begeleiding voor hem geregeld. [minderjarige] komt onrustig terug van contactmomenten met de moeder. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.9.</nr>
      <para>De gedragswetenschapper vertelt dat [minderjarige] traumabehandeling krijgt. De behandelaars vermoeden dat er veel is gebeurd in de spanningsopbouw van [minderjarige] . Het is belangrijk dat de ouders willen samenwerken met [instantie 2] en zij zijn uitgenodigd maar niet gekomen. Er speelt veel bij [minderjarige] , zo is er mogelijk sprake van trauma, kindeigen problematiek en hechtingsproblematiek. Hierdoor is het lastig om te bepalen waar op ingezet moet worden om [minderjarige] te ondersteunen bij zijn ontwikkeling. Er wordt nu ingezet op het helder krijgen van de kindeigen problematiek. [minderjarige] laat autistische kenmerken zien waarvan het niet duidelijk is of dit wellicht komt door genen of door trauma. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.10.</nr>
      <para>Het hof overweegt als volgt. </para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="underline">in de zaak met zaaknummer 200.354.701/01 in het hoger beroep van de vader</emphasis>:</para>
      </parablock>
      <para />
      <paragroup>
        <nr>4.10.1.</nr>
        <para>Ingevolge artikel 806 lid 1 sub a van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering kan in de onderhavige zaak hoger beroep worden ingesteld door de verzoeker en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak. De bestreden beschikking dateert van 11 februari 2025. De laatste dag van de termijn voor het aanwenden van het rechtsmiddel in de onderhavige zaak door de vader was dus in beginsel 11 mei 2025. Omdat dat een zondag is had, met inachtneming van de Algemene termijnenwet, het hoger beroep uiterlijk op 12 mei 2025 kunnen worden ingesteld. </para>
        <para />
      </paragroup>
      <paragroup>
        <nr>4.10.2.</nr>
        <para>Het beroepschrift van de vader is op 13 mei 2025 ter griffie van het hof ingekomen, derhalve na het verstrijken van de beroepstermijn. Voor zover namens de vader tijdens de mondelinge behandeling in hoger beroep een beroep is gedaan op de redelijkheid en billijkheid, merkt het hof op dat er geen feiten of omstandigheden zijn gebleken die een overschrijding van de beroepstermijn in het onderhavige geval rechtvaardigt. </para>
        <para />
      </paragroup>
      <paragroup>
        <nr>4.10.3.</nr>
        <para>Dit brengt mee dat het hof de vader niet-ontvankelijk dient te verklaren in zijn hoger beroep. Het hof komt daardoor niet toe aan een inhoudelijke behandeling van de grieven.</para>
        <para />
        <parablock>
          <para>
            <emphasis role="underline">in de zaak met zaaknummer 200.354.844/01 in het hoger beroep van de moeder</emphasis>:</para>
        </parablock>
        <para />
      </paragroup>
      <paragroup>
        <nr>4.10.4.</nr>
        <para>Ingevolge artikel 1:266 van het Burgerlijk Wetboek (BW) kan het gezag van een ouder over een of meer van zijn kinderen beëindigd worden indien:</para>
        <orderedlist numeration="loweralpha">
          <listitem>
            <para>een minderjarige zodanig opgroeit dat hij in zijn ontwikkeling ernstig wordt bedreigd, en de ouder niet de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding, bedoeld in artikel 1:247 lid 2 BW, in staat is te dragen binnen een voor de persoon en de ontwikkeling van de minderjarige aanvaardbaar te achten termijn, of</para>
          </listitem>
          <listitem>
            <para>de ouder het gezag misbruikt.</para>
          </listitem>
        </orderedlist>
        <para>Er is geen sprake van misbruik van het gezag. Het hof dient dus te beoordelen of het gezag beëindigd dient te worden op grond van het criterium onder a.</para>
        <para />
      </paragroup>
      <paragroup>
        <nr>4.10.5.</nr>
        <parablock>
          <para>Bij artikel 1:266 lid 1 aanhef en sub a BW is blijkens de memorie van toelichting het ijkpunt voor het bepalen van de aanvaardbare termijn voor een kind, de periode van onzekerheid over in welk gezin hij verder zal opgroeien die het kind kan overbruggen zonder verdergaand ernstige schade op te lopen voor zijn ontwikkeling. De rechter dient na te gaan of de gezagsbeëindiging in het concrete geval in redelijke verhouding staat tot het na te streven doel (proportionaliteitsbeginsel) en of het te beogen resultaat niet met een minder ingrijpend alternatief bereikt kan worden (subsidiariteitsbeginsel).</para>
          <para>Uit artikel 8 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (EVRM) vloeit bovendien voort dat de beëindiging van het gezag van de ouder(s) in het belang van de minderjarige noodzakelijk dient te zijn. Iedere kinderbeschermingsmaatregel is in principe tijdelijk en moet als doel hebben het kind weer terug naar thuis te laten keren. De overheid moet hulpverlening of andere ondersteuning inzetten die ervoor kan zorgen dat een kind weer terug naar huis kan en met het gezin wordt herenigd. De mogelijkheid van terugplaatsing moet serieus zijn overwogen en de ouders moeten in voldoende mate in het besluitvormingsproces zijn betrokken. Voor het beëindigen van het gezag is vereist dat de rechter een afweging maakt tussen de belangen van het kind en die van zijn ouder(s). Die belangenafweging kan in het nadeel van de ouder(s) uitvallen als het belang van het kind om na het verstrijken van een (aanzienlijke) periode bij het pleeggezin te kunnen blijven opgroeien zwaarder weegt dan het belang van de ouders bij gezinshereniging. Er kan echter slechts sprake zijn van beëindiging van het ouderlijk gezag wanneer de instandhouding van het gezag van het kind schadelijk is voor de gezondheid en ontwikkeling van het kind. </para>
        </parablock>
        <para />
      </paragroup>
      <paragroup>
        <nr>4.10.6.</nr>
        <para>Volgens de uitspraak van de Hoge Raad van 30 maart 2018 (ECLI:NL:HR:2018:488) heeft een zaak die kan leiden tot een rechterlijke beslissing op de voet van art. 1:266 BW tot beëindiging van het door de ouders gezamenlijk uitgeoefende ouderlijk gezag over een kind met wie die ouders gezinsleven hebben, rechtstreeks betrekking op het recht op gezinsleven van elk van beide ouders, zodat elk van hen in het kader van die zaak als belanghebbende moet worden aangemerkt. De uit art. 8 EVRM voortvloeiende eis dat elk van beide ouders in voldoende mate wordt betrokken bij het besluitvormingsproces met betrekking tot de beëindiging van het door de ouders (aanvankelijk) gezamenlijk uitgeoefende ouderlijk gezag, brengt mee dat de appellerende ouder, in dit geval de moeder, dit hoger beroep ook kan betrekken op de beëindiging van het door de andere ouder uitgeoefende ouderlijk gezag, in dit geval de vader.</para>
        <para />
      </paragroup>
      <paragroup>
        <nr>4.10.7.</nr>
        <para>Evenals de rechtbank is het hof van oordeel dat [minderjarige] (nog steeds) ernstig in zijn ontwikkeling wordt bedreigd, hetgeen ook niet wordt betwist. Duidelijk is geworden dat [minderjarige] bovengemiddeld veel vraagt van zijn opvoeders. Hij heeft vrijwel constant één-op-één begeleiding nodig en ondersteuning bij zijn emoties. [minderjarige] vertoont zorgelijk (agressief) gedrag in het dagelijks leven; onderzocht wordt nog waar dit gedrag vandaan komt. Mogelijk is er sprake van trauma- en hechtingsproblematiek, en ook kindeigen problematiek is nog niet uitgesloten. Op dit moment krijgt [minderjarige] al traumabehandeling en medicatie, waarbij wordt onderzocht welke trauma’s [minderjarige] precies heeft opgedaan.</para>
        <para />
      </paragroup>
      <paragroup>
        <nr>4.10.8.</nr>
        <para>Het hof is van oordeel dat de ouders niet in staat zijn de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding van [minderjarige] te dragen binnen een voor hem aanvaardbare termijn. </para>
        <para />
      </paragroup>
      <paragroup>
        <nr>4.10.9.</nr>
        <para>Wat betreft de vader overweegt het hof daartoe het volgende. In het verleden heeft de vader zich regelmatig bedreigend of intimiderend opgesteld naar de GI of hulpverlening. Mede hierdoor, alsook doordat hij afspraken niet na kwam, is het de vader sinds de geboorte van [minderjarige] onvoldoende gelukt om hulpverlening in te zetten of af te ronden. In het NIFP-rapport van 6 september 2021 zijn duidelijke acties opgenomen voor de ouders wat nodig is om toe te werken naar een thuisplaatsing voor [minderjarige] . Zo diende de vader onder andere behandeling te krijgen gericht op zijn emotieregulatie en diende de ouders samen een specifieke behandeling te krijgen gericht op sensitief en responsief ouderschap, zodat zij bewust zouden worden van het creëren van een veilig hechtingsproces voor [minderjarige] . Hoewel het lang heeft geduurd, heeft de GI uiteindelijk gespecialiseerde begeleiding door Basic Trust ingezet om meer zicht te krijgen op de opvoedvaardigheden van de ouders in relatie tot [minderjarige] en (het ontwikkelen van) interactievaardigheden met betrekking tot [minderjarige] . De ouders hebben aan deze hulpverlening onvoldoende meegewerkt; dan wel was er onvoldoende vertrouwen in de ingezette methodes, dan wel kwamen zij afspraken niet na.</para>
        <para />
      </paragroup>
      <paragroup>
        <nr>4.10.10.</nr>
        <para>De vader heeft ook geen stappen gezet op het gebied van agressieregulatie. De vader heeft [minderjarige] inmiddels al lange tijd, sinds mei 2023, niet gezien nadat de GI uit veiligheidsoverwegingen de contacten heeft stopgezet, totdat er een herstelgesprek zou plaatsvinden met de vader. De vader heeft ervoor gekozen dit gesprek tot op heden niet aan te gaan. Dat de GI dus niet opnieuw heeft ingezet op uitbreiding van de zorgregeling, komt door toedoen van de vader. Tot op heden moeten zelfs de contactmomenten tussen [minderjarige] en de moeder nog in [locatie 2] plaatsvinden, nu de vader de moeder naar [locatie 2] brengt en zich dan dus nog in de omgeving bevindt. Dit terwijl contact met [minderjarige] in [locatie 2] voor de moeder veel praktische problemen oplevert. Doordat de vader dit herstelgesprek niet aangaat, laat hij zien dat hij niet handelt in het belang van [minderjarige] , voor wie contact met zijn ouders belangrijk is. Ook uit het verloop van het raadsonderzoek blijkt dat de vader niet constructief in gesprek kan gaan en dat zijn boosheid hem daarin belemmert. Volgens de moeder heeft de vader ervoor gekozen om zich alleen nog maar op [jongste kind] te richten. Of dit inderdaad het standpunt van de vader is, is het hof niet duidelijk, nu de vader niet aanwezig was bij de mondelinge behandeling en het hof hem daarover geen vragen heeft kunnen stellen. Het hof constateert wel dat de vader al langere tijd geen stappen zet tot contactherstel met [minderjarige] . </para>
        <para />
      </paragroup>
      <paragroup>
        <nr>4.10.11.</nr>
        <para>Ook wat betreft de moeder is het naar het oordeel van het hof duidelijk geworden dat zij de opvoedverantwoordelijkheid voor [minderjarige] niet kan dragen. Uit het NIFP rapport van 2021 volgt dat de moeder (evenals de vader) zelf onveilig is gehecht en daardoor te maken heeft met een beperkt basisvertrouwen. De moeder laat volgens de onderzoeker zien dat zij zonder verdere hulpverlening onvoldoende sensitief en responsief reageert naar [minderjarige] . Ook voor de moeder geldt dat de daarvoor noodzakelijk geachte hulpverlening niet voldoende van de grond is gekomen, vanwege weinig continuïteit in het nakomen van afspraken in combinatie met het ontbreken van vertrouwen in de Basic Trust methodiek.</para>
        <para />
      </paragroup>
      <paragroup>
        <nr>4.10.12.</nr>
        <para>Het hof ziet dat de moeder haar best doet om zich in te zetten voor [minderjarige] . Zij is echter niet in staat gebleken de zorgregeling en hulpverleningsafspraken de afgelopen jaren structureel na te komen. In het raadsonderzoek komt naar voren dat ouders al veelvuldig omgangsafspraken afzegden. De moeder zegt de bezoeken nog steeds regelmatig af of zij sluit eerder of later aan. De bij [minderjarige] betrokken psychiater heeft meerdere malen geprobeerd met de moeder een afspraak te plannen waarin zij de gevraagde informatie zou ontvangen over de behandeling van [minderjarige] , maar dit is tot op heden niet gelukt. </para>
        <para />
      </paragroup>
      <paragroup>
        <nr>4.10.13.</nr>
        <para>Daarbij komen de grote zorgen over [minderjarige] , die niet op die manier aanwezig waren bij het NIFP onderzoek in 2021. Deze zorgen zijn zodanig toegenomen dat [minderjarige] nu één-op-één begeleiding nodig heeft. De opvoedvraag die aan de moeder gesteld wordt is alleen maar zwaarder geworden. Met de raad is het hof van oordeel dat de moeder daarin overvraagd zal worden en deze verantwoordelijkheid niet zal kunnen dragen. </para>
        <para />
      </paragroup>
      <paragroup>
        <nr>4.10.14.</nr>
        <para>Dat staat nog los van het feit dat de vader nog steeds in de thuissituatie aanwezig is. Door zijn problematiek en zijn niet coöperatieve houding heeft [minderjarige] al langere tijd geen contact met de moeder kunnen hebben in de thuissituatie en er is op dit moment geen concrete verwachting dat dit op termijn anders zal kunnen zijn. </para>
        <para />
      </paragroup>
      <paragroup>
        <nr>4.10.15.</nr>
        <para>Het hof kent minder gewicht toe aan het feit dat de moeder (samen met de vader) voor [jongste kind] zorgt en dat de raad in die situatie geen ondertoezichtstelling nodig acht, gelet op de zorgen die er zijn over de emotieregulatieproblematiek van de vader, de zorgen over de mogelijkheden van de moeder en de verzwaarde opvoedvraag van [minderjarige] . [minderjarige] vraagt bovengemiddeld veel van zijn opvoeders en heeft andere dingen nodig dan [jongste kind] .</para>
        <para />
      </paragroup>
      <paragroup>
        <nr>4.10.16.</nr>
        <para>Het hof gaat voorbij aan de stelling dat nog niet tot een gezagsbeëindiging kan worden overgegaan omdat de GI in de uitvoering van de beschermingsmaatregelen de afgelopen jaar steken heeft laten vallen. De GI heeft na het eerder afgewezen verzoek tot gezagsbeëindiging uiteindelijk hulp ingezet en het contact tussen [minderjarige] en de ouders is uitgebreid. Het is de ouders ondanks deze inzet niet gelukt om te laten zien dat zij [minderjarige] kunnen bieden wat hij nodig heeft. De ouders miskennen hun eigen aandeel hierin, onder meer dat het contact in mei 2023 is stopgezet na een heftig incident tussen de vader en de omgangsbegeleider waarbij het tot op heden niet is gelukt hierover rustig in gesprek te gaan en veiligheidsafspraken te maken, als ook het onvoldoende gebruiken van de hulpverlening van Basic Trust . </para>
        <para />
      </paragroup>
      <paragroup>
        <nr>4.10.17.</nr>
        <para>
          [minderjarige] woont al bijna 5,5 jaar in het gezinshuis, wordt ouder en heeft behoefte aan duidelijkheid en perspectief. Niet omdat hij hier specifiek naar vraagt, wel omdat de gezinshuisouders naar hem moeten kunnen uitstralen dat hij op de plek kan blijven die hij als thuis kent. Voor zover dan ook is gesteld dat de aanvaardbare termijn van [minderjarige] (nog) niet is verstreken en hij geen last ervaart van voortzetting van de huidige beschermingsmaatregelen merkt het hof op dat zowel de raad, de GI, de gezinshuismoeder en de gedragswetenschapper hebben aangegeven dat het belangrijk is dat [minderjarige] weet waar hij zal gaan opgroeien. Dat hij vanwege zijn leeftijd nog niet weet wat gezag is, of niet opgeroepen wordt voor kindgesprekken, doet hier niets aan af. Het is belangrijk dat dat de gezinshuisouders kunnen uitdragen aan [minderjarige] dat hij in het gezinshuis mag blijven, dat hij daar verder zal opgroeien en vooruit kan kijken. Daarnaast is gebleken dat een situatie waarbij de ouders het gezag over [minderjarige] hebben onrust geeft, zoals rondom het starten van medicatie en de inschrijving op school. [minderjarige] ervaart in het gezinshuis een stabiele en veilige opvoedomgeving waarbij de gezinshuisouders zich inzetten om hem te bieden wat hij nodig heeft, hetgeen in zijn belang is. </para>
        <para />
      </paragroup>
      <paragroup>
        <nr>4.10.18.</nr>
        <para>Een nader (NIFP-)onderzoek acht het hof niet in het belang van [minderjarige] . Een onderzoek zal hoe dan ook belastend zijn voor [minderjarige] en veel tijd kosten. Zoals hiervoor overwogen heeft [minderjarige] behoefte aan duidelijkheid en zekerheid rondom zijn perspectief. Een nieuw onderzoek zal ervoor zorgen dat er nog een lange tijd geen beslissing wordt genomen, zodat [minderjarige] langer in onzekerheid blijft.</para>
        <para />
      </paragroup>
      <paragroup>
        <nr>4.10.19.</nr>
        <para>Zoals de GI terecht heeft opgemerkt is er niemand anders in de omgeving van [minderjarige] die de voogdij over hem kan dragen dan de GI. Gesteld noch gebleken is dat, indien het gezag van de ouders wordt beëindigd, het niet in het belang van [minderjarige] is dat de GI wordt belast met de voogdij over hem.</para>
        <para />
      </paragroup>
      <paragroup>
        <nr>4.10.20.</nr>
        <para>Gelet op het vorenstaande zal het hof in het hoger beroep van de moeder de bestreden beschikking bekrachtigen. </para>
        <para />
      </paragroup>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.11.</nr>
      <para>Beslist wordt als volgt. </para>
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>
      <nr>5</nr>De beslissing</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het hof:</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="underline">in de zaak met zaaknummer 200.354.701/01 in het hoger beroep van de vader</emphasis>:</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>verklaart de vader niet-ontvankelijk in het door hem ingestelde hoger beroep tegen de beschikking van de rechtbank Limburg, zittingsplaats Maastricht , van 11 februari 2025.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="underline">in de zaak met zaaknummer 200.354.844/01 in het hoger beroep van de moeder</emphasis>:</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>bekrachtigt de beschikking van de rechtbank Limburg, zittingsplaats Maastricht , van 11 februari 2025, voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen; </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>verzoekt de griffier krachtens het bepaalde in het Besluit Gezagsregisters een afschrift van deze uitspraak toe te zenden aan de griffier van de rechtbank Oost-Brabant, afdeling civiel recht, team familie- en jeugdrecht ter attentie van het centraal gezagsregister;</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>wijst af het meer of anders verzochte. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Deze beschikking is gegeven door mrs. S.P.A. Wensink-Vergunst, E.M.C. Dumoulin en E.F.M. van Swaaij en is op 11 september 2025 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.</para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>