<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:GHSHE:2025:2462</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2026-03-31T10:03:49</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2025-09-09</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Gerechtshof_'s-Hertogenbosch" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Gerechtshof 's-Hertogenbosch</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2025-09-09</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">200.350.589_02</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#kortGeding">Kort geding</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">'s-Hertogenbosch</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#civielRecht_personenEnFamilierecht">Civiel recht; Personen- en familierecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHSHE:2025:2462">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHSHE:2025:2462</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2026-03-31T09:54:12</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2026-03-31</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:GHSHE:2025:2462 Gerechtshof 's-Hertogenbosch , 09-09-2025 / 200.350.589_02</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:GHSHE:2025:2462:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Nakoming omgangsregeling.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:GHSHE:2025:2462:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <uitspraak.info>
    <bridgehead role="bold">GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH </bridgehead>
    <para>Team Handelsrecht</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>zaaknummer 200.350.589/02</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">arrest van 9 september 2025</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>in de zaak van </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">
          [appellante]
        </emphasis>,</para>
      <para>wonende te [woonplaats] ,</para>
      <para>appellante,</para>
      <para>hierna aan te duiden als de vrouw,</para>
      <para>advocaat: mr. H. Sanli te Helmond,</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>tegen</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">
          [geïntimeerde] ,</emphasis>
      </para>
      <para>wonende te [woonplaats] ,</para>
      <para>geïntimeerde,</para>
      <para>hierna aan te duiden als de man,</para>
      <para>advocaat: mr. L. Proenings te Deurne.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>op het bij exploot van dagvaarding van 24 januari 2025 ingeleide hoger beroep van het vonnis van 30 december 2024, door de voorzieningenrechter van de rechtbank Oost-Brabant, zittingsplaats 's-Hertogenbosch, gewezen tussen de vrouw als gedaagde en de man als eiser.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </uitspraak.info>
  <section>
    <title>
      <nr>1</nr>Het geding in eerste aanleg (zaak-/rolnummer C/01/409967 / KG ZA 24-613)</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar voormeld vonnis.</para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>2</nr>Het geding in hoger beroep</title>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>2.1.</nr>
      <para>Het verloop van de procedure blijkt uit:</para>
      <itemizedlist mark="-">
        <listitem>
          <para>de dagvaarding in hoger beroep, tevens houdende de grieven, en productie 1 t/m 3;</para>
        </listitem>
        <listitem>
          <para>de memorie van antwoord;</para>
        </listitem>
        <listitem>
          <para>een indieningsformulier van 10 juli 2025 aan zijde van de vrouw met productie 4;</para>
        </listitem>
        <listitem>
          <para>een indieningsformulier van 11 juli 2025 aan zijde van de man met productie 1;</para>
        </listitem>
        <listitem>
          <para>een indieningsformulier van 17 juli 2025 aan zijde van de vrouw met productie (emailbericht van de man van 5 juni 2025 met bijlagen).</para>
        </listitem>
      </itemizedlist>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.2.</nr>
      <parablock>
        <para>De procedure is aanvankelijk ingeschreven onder zaaknummer 200.350.589/01. </para>
        <para>Op 15 april 2025 is de procedure ambtshalve geroyeerd, nadat partijen op de rolzitting van 1 april 2025 hadden verzuimd een nadere instructie te geven. </para>
        <para>Op verzoek van de vrouw is de procedure op 13 mei 2025 hervat. De procedure is voortgezet onder zaaknummer 200.350.589/02.</para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.3.</nr>
      <para>Op 17 juli 2025 heeft er een mondelinge behandeling plaatsgevonden. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.4.</nr>
      <para>Het hof doet recht op bovenvermelde stukken.</para>
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section role="overwegingen">
    <title>
      <nr>3</nr>De beoordeling</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">De feiten</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>3.1.</nr>
      <para>In dit hoger beroep kan worden uitgegaan van de volgende feiten.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.2.</nr>
      <para>Uit het inmiddels ontbonden huwelijk tussen partijen is op [geboortedatum] te [geboorteplaats] de minderjarige <emphasis role="underline">[persoon A]</emphasis> (hierna: [A] ) geboren. Partijen zijn gezamenlijk belast met het gezag over [A] . </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.3.</nr>
      <para>Bij beschikking van 26 oktober 2020 heeft de rechtbank Oost-Brabant op verzoek van Stichting Jeugdbescherming Brabant de zorgregeling gewijzigd en de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken nader bepaald. In die beschikking is - voor zover voor deze procedure van belang - bepaald:</para>
      <para />
      <parablock>
        <para>“(..) <emphasis role="italic">Vakanties in het buitenland</emphasis></para>
        <para>In geval van een buitenlandse (vlieg)vakantie van een de ouders met [A] zullen de ouders, nadat de thuisblijvende ouder geïnformeerd is over de bestemming en de reisinformatie, op eerste verzoek van elkander een toestemmingsformulier invullen. Een voorbeeld van dergelijk formulier staat onder meer op de website http://www.defensie.nl.</para>
        <para>Ook in geval van een in Nederland te houden vakantie, zullen de ouders elkander ten alle</para>
        <para>tijden de verblijfs- en contactgegevens van de vakantiebestemming verstrekken. (..)”</para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.4.</nr>
      <para>Bij vonnis van 28 juli 2023 heeft de voorzieningenrechter in rechtsoverweging 4.6 het volgende overwogen:</para>
      <para />
      <parablock>
        <para>“(..) Partijen zijn het er over eens dat hun - door de rechtbank in de beschikking van 26 oktober 2020 vastgelegde - afspraak omtrent het reizen met [A] naar het buitenland er op neer komt dat partijen elkaar over en weer bij voorbaat toestemming verlenen voor buitenlandse vakanties onder de opschortende voorwaarde dat de thuisblijvende partij vooraf tijdig wordt geïnformeerd omtrent de voorgenomen periode, reisbestemming en verblijfplaats aldaar, blijkend uit ter zake opgemaakte en ter ondertekening aan de thuisblijvende ouder voorgelegde toestemmings-formulieren, zoals deze onder meer te vinden zijn op de website van het ministerie van buitenlandse zaken. De vrouw heeft ter zitting bevestigd dat zij zich aan deze afspraak wil blijven committeren maar dat zij vasthoudt aan een voorafgaande opgave van het reisdoel, verblijfplaats en reisperiode. (..)” </para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>De voorzieningenrechter heeft de man veroordeeld tot nakoming van de in de beschikking van 26 oktober 2020 vastgestelde vakantieregeling en tot betaling van een dwangsom aan de vrouw van € 1.000,- voor iedere keer dat hij daar niet aan voldoet. </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.5.</nr>
      <para>De vrouw is overgegaan tot executie van voornoemd vonnis van 28 juli 2023. Ze heeft bij deurwaardersexploot van 3 oktober 2024 aan de man bevel gedaan tot betaling van de dwangsom van € 1.000,-, vermeerderd met de kosten. De vrouw heeft voorts executoriaal derdenbeslag laten leggen op de uitkering van de man. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.6.</nr>
      <para>De voorzieningenrechter heeft in het bestreden vonnis van 30 december 2024 de vrouw veroordeeld om de executie van het vonnis in kort geding van 28 juli 2023 te staken en gestaakt te houden en het door haar op de uitkering van de man gelegde derdenbeslag op te heffen. De vrouw is voorts veroordeeld om aan de man een dwangsom van € 1.000,- te betalen als ze hiertoe in gebreke blijft, te vermeerderen met € 250,- per dag, met een maximum van € 5.000,- en om binnen twee dagen na betekening van het bestreden vonnis aan de man terug te betalen hetgeen zij ingevolge het beslag reeds heeft geïncasseerd. Ten slotte is de vrouw veroordeeld om de proceskosten in eerste aanleg te betalen en de wettelijke rente indien de proceskosten niet binnen veertien dagen zijn betaald. </para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">De omvang van de procedure in hoger beroep</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.7.</nr>
      <para>De vrouw heeft in hoger beroep drie grieven aangevoerd en geconcludeerd tot vernietiging van het beroep en vonnis en opnieuw rechtdoende: </para>
      <itemizedlist mark="-">
        <listitem>
          <para>tot afwijzing van de vorderingen van de man in eerste aanleg, </para>
        </listitem>
        <listitem>
          <para>althans te bepalen dat de vrouw op juiste gronden de dwangsommen (zoals vastgelegd bij vonnis van 28 juli 2023) heeft geëxecuteerd;</para>
        </listitem>
        <listitem>
          <para>te bepalen dat de man wordt veroordeeld tot betaling van de extra kosten van de deurwaarder ad € 679,35 evenals de (proces)kosten van eerste aanleg alsmede de (proces)kosten van deze beroepsprocedure, althans een door het hof in goede justitie te bepalen bedrag. </para>
        </listitem>
      </itemizedlist>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.8.</nr>
      <parablock>
        <para>De man heeft gemotiveerd verweer gevoerd en geconcludeerd tot bekrachtiging van het bestreden vonnis voor wat betreft de door de vrouw aangehaalde grieven. </para>
        <para>De man heeft zijn verzoek aangevuld en gevorderd om de vrouw in de proceskosten van het hoger beroep te veroordelen. </para>
      </parablock>
      <para />
      <paragroup>
        <nr>3.8.1.</nr>
        <para>Het hof heeft op de mondelinge behandeling beslist dat de vordering van de man om de vrouw in de proceskosten van het hoger beroep te veroordelen in de onderhavige beslissing zal worden meegenomen. De man heeft dit weliswaar niet als zodanig in het petitum van zijn memorie van antwoord gevorderd, maar de bedoeling van de man blijk onmiskenbaar uit het lichaam van de memorie van antwoord (randnummer 29). </para>
        <para />
        <parablock>
          <para>
            <emphasis role="italic">De standpunten van partijen </emphasis>
          </para>
        </parablock>
        <para />
      </paragroup>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.9.</nr>
      <parablock>
        <para>De vrouw voert - zakelijk weergegeven - het volgende aan. </para>
        <para>De rechtbank heeft ten onrechte overwogen dat sprake is van misbruik van executiebevoegd-heid door de vrouw (eerste grief), de vrouw is ten onrechte veroordeeld in de kosten van de procedure in eerste aanleg (tweede grief) en de rechtbank heeft ten onrechte een niet gevorderd bedrag ter zake de dwangsommen uitgesproken (derde grief). </para>
        <para>Er is sprake (geweest) van een complexe scheiding. Om telkens terugkerende ruis en discussies te voorkomen is er een gedetailleerde zorgregeling tot stand gekomen, in samenspraak met de gecertificeerde instelling, die vanwege de ondertoezichtstelling van [A] betrokken was. Partijen hebben onder meer afgesproken dat wanneer de ene ouder met [A] naar het buitenland reist, hij of zij het toestemmingsformulier minimaal drie maanden tevoren aan de andere ouder moet sturen. </para>
        <para>De rechtbank is van een volstrekt onjuiste lezing van de gemaakte afspraken uitgegaan. </para>
        <para>Het is onjuist dat de ouders elkaar bij voorbaat toestemming verlenen voor buitenlandse vakanties en dat toestemming van de andere ouder niet noodzakelijk is. Dit zou in strijd zijn met het ouderlijk gezag. Er is duidelijk afgesproken dat de ouders elkaar tijdig en deugdelijk zouden informeren, waarbij de toestemmingsformulieren correct moeten zijn ingevuld en tijdig aan de andere ouder moeten worden toegezonden. </para>
        <para>In deze procedure gaat het erom dat de man de vrouw op 5 juli 2024 heeft geïnformeerd over een vakantie van 7 juli 2024 tot 21 juli 2024. Niet alleen is de vrouw niet tijdig door de man geïnformeerd, namelijk pas twee dagen tevoren, maar zij is ook onjuist geïnformeerd. Op het toestemmingsformulier stond namelijk 7 juni tot en met 21 juni 2024 als reisperiode vermeld. Het is niet aan de vrouw om dit te corrigeren. De man handelt hiermee in strijd met de vakantieregeling en ook in strijd met de belangen van [A] . De man is vervolgens zonder ingevuld toestemmingsformulier met [A] op vakantie geweest. Hiermee is in feite sprake van het onttrekken van [A] aan het gezag van de moeder en van internationale kinderontvoering. </para>
        <para>Het kan niet zo zijn dat een ouder onvoorwaardelijk met [A] naar het buitenland kan afreizen. De thuisblijvende ouder moet de mogelijkheid hebben om aan de andere ouder geen toestemming te verlenen om met [A] naar het buitenland te gaan. De reden waarom het toestemmingsformulier tijdig aan de thuisblijvende ouder moet wordt verstrekt is erin gelegen dat bij een weigering van de thuisblijvende ouder de andere ouder in de gelegenheid is om vervangende toestemming bij de rechter te vragen. </para>
        <para>De vrouw is niet voor niets eerder naar de rechter gegaan en de vordering van de vrouw die heeft geleid tot haar executiebevoegdheid is niet voor niets toegewezen. De man blijft de vrouw dwarszitten en zij loopt continu achter de feiten aan. [A] heeft hier last van. </para>
        <para>De vrouw voert verder aan dat het in familierechtelijke zaken gebruikelijk is dat de proceskosten worden gecompenseerd. Er wordt volgens de vrouw met twee maten gemeten. In 2023 is er geen proceskostenveroordeling uitgesproken toen de vrouw in het gelijk werd gesteld, maar ze wordt nu wel veroordeeld om de proceskosten van de man te voldoen. </para>
        <para>De voorzieningenrechter is, ten slotte, buiten de rechtsstrijd getreden door een hogere dwangsom op te leggen dan gevorderd. Het belang van [A] is hiermee niet gediend, omdat de strijd tussen partijen hierdoor is verhard. </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.10.</nr>
      <parablock>
        <para>De man heeft - zakelijk weergegeven - het volgende verweer gevoerd. </para>
        <para>De rechtbank heeft op goede gronden geconcludeerd dat partijen met elkaar zijn overeengekomen dat zij elkaar bij voorbaat toestemming verlenen voor buitenlandse vakanties, hetgeen uitdrukkelijk in het vonnis van 28 juli 2023 is opgenomen. In het vonnis staat verder uitdrukkelijk vermeld dat de vrouw ter zitting heeft bevestigd dat ze zich aan deze afspraak wil blijven committeren, maar dat ze vasthoudt aan een voorafgaande opgave van het reisdoel, de verblijfplaats en de reisperiode. De uitspraak is inmiddels onherroepelijk, net als de uitspraak van 26 oktober 2020, waarin de afspraken over de vakantie zijn opgenomen.<?linebreak?>Doel en strekking van de veroordeling van de man tot nakoming van de afspraken over de vakantie zoals deze is opgenomen in het vonnis van 28 juli 2023 is om te voorkomen dat de man naar het buitenland gaat met [A] zonder de vrouw te informeren. </para>
        <para>Het valt buiten de taak van de executierechter om de eerder door de bodemrechter besliste rechtsverhouding opnieuw te beoordelen. De executierechter dient slechts te beoordelen of de voorwaarden waaronder de dwangsom is verschuldigd zijn vervuld. </para>
        <para>De man heeft de vrouw bij email van 5 juli 2024 geïnformeerd over het reisdoel (vakantie) de verblijfplaats (adres in [B] ) en de reisperiode ( 7-21 juli 2024 ), onder overlegging van een ingevuld toestemmingsformulier. Hiermee heeft hij voldaan aan het doel en strekking van de veroordeling van voornoemd vonnis van 28 juli 2023.</para>
        <para>Het is de vrouw die zich niet aan de afspraken houdt door het formulier niet te ondertekenen en niet te reageren op berichten van de man, althans pas na drie weken, teneinde de dwangsom op te eisen. Dit terwijl in de beschikking van 26 oktober 2020 is opgenomen dat de ouders op eerste verzoek van de andere ouder het toestemmingsformulier zullen invullen. De man voert verder aan dat het voor de vrouw duidelijk was dat de man in de maand juli zou weggaan aangezien de maand juni al was verstreken. Dat de man op het formulier ‘juni’ heeft ingevuld in plaats van ‘juli’ kan daarom ook niet tot een andere beslissing leiden. </para>
        <para>De man voert verder aan dat de vrouw op goede gronden in de proceskosten is veroordeeld. </para>
        <para>De proceskosten met betrekking tot de eerdere procedure in 2023 alsmede de inhoud van dat vonnis liggen niet aan het hof voor. Het gaat er in deze procedure om of de voorwaarden om tot executie te mogen overgaan zijn vervuld. Dat is niet het geval. De man heeft door het handelen van de vrouw kosten moeten maken. De proceskostenveroordeling is belangrijk, omdat voorkomen moet worden dat dit nog een keer gebeurt. </para>
        <para>De man wordt door het hoger beroep opnieuw onnodig op kosten gejaagd. Zijn inkomen is net te hoog om in aanmerking te komen voor gesubsidieerde rechtsbijstand (een toevoeging). Om die reden verzoekt de man om de vrouw tevens in de proceskosten van het hoger beroep te veroordelen. </para>
        <para>Voor wat betreft de dwangsom staat het de rechter vrij om de hoogte daarvan te bepalen en is de rechter niet gebonden aan het door de man gevorderde bedrag (zie Benelux Gerechtshof 17 december 1992, ECLI:NL:XX;1992:AD1802 en Parket bij de Hoge Raad 3 mei 2023,</para>
        <para>ECLI:NL:PHR:2023:470).</para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">De motivering van de beslissing</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.11.</nr>
      <para>Het hof onderschrijft de overwegingen van de voorzieningenrechter die tot de bestreden beslissing hebben geleid en neemt die na eigen onderzoek en waardering over en maakt die tot de zijne. Het hof voegt hier nog het volgende aan toe. </para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">Eerste grief</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.12.</nr>
      <parablock>
        <para>Het gaat er in de eerste plaats om of partijen met elkaar hebben afgesproken dat zij elkaar bij voorbaat toestemming geven om met [A] naar het buitenland af te reizen. </para>
        <para>Het hof begrijpt uit rechtsoverweging 4.6. van het vonnis van 28 juli 2023 dat dit onderwerp destijds uitgebreid op de mondelinge behandeling is besproken, zodat het onwaarschijnlijk is dat de voorzieningenrechter deze afspraak verkeerd zou hebben geïnterpreteerd. De vrouw heeft daarbij uitdrukkelijk vermeld dat ze zich aan de afspraak wil blijven committeren, mits de thuisblijvende ouder vooraf tijdig wordt geïnformeerd over de periode, reisbestemming en de verblijfsplaats, waarbij een ter zake opgemaakt toestemmingsformulier ter ondertekening aan de thuisblijvende ouder wordt voorgelegd. </para>
        <para>Het hof ziet op grond van hetgeen de vrouw heeft aangevoerd niet in hoe deze afspraak anders kan worden geïnterpreteerd, zodat het hof uitgaat van de juistheid van die afspraak. De afspraak levert ook geen strijd op met enige dwingendrechtelijke bepaling. </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.13.</nr>
      <parablock>
        <para>Het hof dient vervolgens te beoordelen of de man heeft voldaan aan de opschortende voorwaarden die aan deze afspraak zijn verbonden. De vrouw voert aan dat de man in juli 2024 het toestemmingsformulier niet tijdig en niet op de juiste wijze aan de vrouw heeft voorgelegd. </para>
        <para>Ter onderbouwing van haar standpunt heeft de vrouw verwezen naar een emailbericht van 23 oktober 2020. In dit bericht vrouw schrijft de vrouw weliswaar aan de man dat de zomervakantie minimaal drie maanden tevoren tussen de ouders moet worden vastgelegd, maar deze zinsnede is voor meerdere uitleg vatbaar. Hieruit kan niet worden geconcludeerd dat de man met deze voorwaarde heeft ingestemd, dat sprake was van een afspraak die in samenspraak met de jeugdzorgwerker is gemaakt of dat het zo is dat de ouders elkaar binnen de genoemde periode van drie maanden op de hoogte moeten stellen over de periode, reisbestemming en de verblijfsplaats, dan wel het toestemmingsformulier aan de andere ouder moeten hebben verzonden. </para>
        <para>De man heeft bovendien naar voren gebracht dat hij in dit geval de vrouw niet eerder kon berichten omdat hij de vakantie vanwege een financiële meevaller last minute had gepland. </para>
        <para>Alhoewel het hof beaamt dat twee dagen voorafgaand aan de reis vrij kort is, maakt dit nog niet dat de man hiermee de afspraken heeft geschonden.</para>
        <para>Het hof concludeert op grond van de stukken dat de man ook aan de overige afspraken heeft voldaan. Hij heeft de vrouw niet alleen (tijdig) geïnformeerd over de voorgenomen reisperiode, maar hij heeft de vrouw daarnaast geïnformeerd over de reisbestemming en de verblijfplaats en hij heeft bij zijn emailbericht aan de vrouw een ingevuld toestemmingsformulier gevoegd. </para>
        <para>Voor wat betreft de reisperiode acht het hof het volstrekt ongeloofwaardig dat het voor de vrouw niet duidelijk was over welke reisperiode het ging. De verschrijving door de man op het formulier rechtvaardigt op geen enkele wijze het handelen van de vrouw, namelijk het niet ondertekenen van het toestemmingsformulier, waardoor de man mogelijk problemen zou krijgen aan de grens. De man heeft immers de vereiste toestemming (bij voorbaat) ontvangen conform de eerdere afspraak tussen partijen en er was geen sprake is van handelen in strijd met het gezag en/of internationale kinderontvoering. </para>
        <para>Het kan de vrouw worden verweten dat ze tot 24 juli 2025 heeft gewacht om de man op zijn vermeende overtreding van het vonnis van 28 juli 2023 aan te spreken. Ze heeft vervolgens geen gehoor willen geven aan het verzoek van de man om de executie te staken en de uitkomst van de procedure af te wachten, hetgeen voor haar rekening en risico dient te komen. </para>
        <para>De vrouw heeft in hoger beroep geen feiten of omstandigheden naar voren gebracht die tot een ander oordeel kunnen leiden. </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.14.</nr>
      <para>Het voorgaande leidt tot de conclusie dat de vrouw misbruik heeft gemaakt van haar executiebevoegdheid en dat haar grief niet slaagt. </para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">Tweede grief</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.15.</nr>
      <parablock>
        <para>Alhoewel de proceskosten in een familierechtelijke procedure veelal worden gecompenseerd heeft de rechtbank op goede gronden geoordeeld dat er aanleiding is om hiervan af te wijken. De vrouw is in het ongelijk gesteld en ze heeft de man onnodig voor kosten gesteld. Het ligt daarom in de rede om de vrouw in de proceskosten van de man te veroordelen. Het hof is met de rechtbank van oordeel dat voorkomen moet worden dat de vrouw in de toekomst opnieuw lichtzinnig en onbedoeld gebruik zal maken van de aan haar bij vonnis van 28 juli 2023 gegeven executiebevoegdheid. </para>
        <para>Dit brengt tevens met zich dat voor een veroordeling van de man in de (extra) kosten van de deurwaarder, zoals door de vrouw verzocht, geen plaats is.</para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">Derde grief</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.16.</nr>
      <para>Voor zover de vrouw heeft aangevoerd dat de rechtbank buiten de rechtsstrijd is getreden door een dwangsom vast te stellen van € 1.000,- per dag terwijl de man een bedrag van € 500,- had gevorderd, slaagt haar grief niet. Het staat de rechter vrij om op grond van artikel 611b Rv en de jurisprudentie hierover de hoogte van de dwangsom te bepalen. Het is in zoverre voldoende dat er door de man een dwangsom is gevorderd. </para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">Ten overvloede</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.17.</nr>
      <para>Het hof overweegt ten slotte nog als volgt. De vrouw voert terecht aan dat [A] niet gebaat is bij de onderhavige beslissing. Het belang van [A] wordt echter niet geschaad door de betreffende uitkomst van de procedure, maar door het terugkerend gedrag van partijen zelf. Het heeft zowel voor de man als voor de vrouw te gelden dat zij in het belang van [A] moeten handelen, waarbij zij er ieder voor zich verantwoordelijk voor zijn dat [A] een onbelast contact met de andere ouder kan hebben. Dit brengt met zich dat ze de andere ouder tijd en vakanties met [A] gunnen, dat zij elkaar niet onnodig dwars zitten en dat zij elkaar de nodige medewerking verlenen om een vakantie mogelijk te maken, waarbij het aan de ouder die met vakantie gaat is om te bepalen hoe zij hun tijd met [A] invullen.</para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">Proceskosten in hoger beroep</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.18.</nr>
      <para>Het verzoek van de man om de vrouw in de proceskosten van het hoger beroep te veroordelen, wordt toegewezen, aangezien de vrouw in het ongelijk wordt gesteld en de man door toedoen van de vrouw onnodig kosten heeft moeten maken. Zoals het hof hiervoor reeds heeft overwogen wordt dit de vrouw zwaar aangerekend. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.19.</nr>
      <para>De proceskosten van de man worden begroot op een bedrag van in totaal € 2.256,-,  bestaande uit een bedrag van € 362,- aan griffierecht, € 1.716,- aan advocaatkosten en € 178,- aan nakosten. Deze kosten zullen worden vermeerderd met de wettelijke rente, indien de vrouw de proceskosten niet binnen veertien dagen na aanschrijving c.q. betekening door de man heeft betaald.</para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">Slotsom</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.20.</nr>
      <para>Op grond van het voorgaande zal het hof de bestreden beslissing bekrachtigen en beslissen als volgt. </para>
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>4</nr>De uitspraak</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het hof:</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>bekrachtigt het vonnis van de voorzieningenrechter van de rechtbank Oost-Brabant van 30 december 2024;</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>veroordeelt de vrouw in de proceskosten van het hoger beroep, en begroot die kosten tot op heden aan de zijde van de man op € 362,- aan griffierecht, € 1.716,- aan salaris advocaat en € 178,- aan nakosten, eventueel te vermeerderen met de wettelijke rente indien de vrouw de proceskosten niet binnen veertien dagen na aanschrijving c.q. betekening door de man heeft betaald;</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad; </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>wijst af het meer of anders gevorderde. </para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Dit arrest is gewezen door mrs. A.M. Bossink, E.M.D.M. van der Linden en M.I. Peereboom- van Drunick en is in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op 9 september 2025.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>	griffier					rolraadsheer</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
  </section>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>