<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:GHSHE:2025:2458</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2026-05-01T10:02:21</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2025-09-09</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Gerechtshof_'s-Hertogenbosch" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Gerechtshof 's-Hertogenbosch</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2025-09-09</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">200.343.478_01</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#hogerBeroepKortGeding">Hoger beroep kort geding</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">'s-Hertogenbosch</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#civielRecht_verbintenissenrecht">Civiel recht; Verbintenissenrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:relation rdfs:label="Formele relatie" ecli:resourceIdentifier="ECLI:NL:RBZWB:2024:2298" psi:type="http://psi.rechtspraak.nl/hogerBeroep" psi:aanleg="http://psi.rechtspraak.nl/eerdereAanleg">Eerste aanleg: ECLI:NL:RBZWB:2024:2298</dcterms:relation>
      <dcterms:references rdfs:label="Wetsverwijzing" bwb:resourceIdentifier="jci1.31:c:BWBR0005291&amp;artikel=318&amp;g=1992-01-01">Burgerlijk Wetboek Boek 3 318</dcterms:references>
      <dcterms:references rdfs:label="Wetsverwijzing" bwb:resourceIdentifier="jci1.31:c:BWBR0005537&amp;g=2026-01-01">Algemene wet bestuursrecht</dcterms:references>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
          <rdf:li>NJFCZ 2026/166</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHSHE:2025:2458">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHSHE:2025:2458</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2026-03-10T11:34:24</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2026-03-10</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:GHSHE:2025:2458 Gerechtshof 's-Hertogenbosch , 09-09-2025 / 200.343.478_01</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:GHSHE:2025:2458:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Vordering in kort geding tot opheffing van executoriaal beslag op AOW-uitkering van echtpaar voor vordering die de gemeente in 2005 heeft verkregen op dat echtpaar ter zake een ten onrechte verstrekte bijstandsuitkering. Kort na ontstaan van de vordering hebben partijen een afbetalingsregeling getroffen waarop jarenlang is afgelost. Toepassing verjaringsregels BW omdat titel 4.4 van de Awb over bestuursrechtelijke geldschulden pas na het ontstaan van de vordering, namelijk op 1 juli 2009, in werking is getreden. Is de verjaring van de vordering op de voet van artikel 3:318 BW gestuit door een erkenning van de vordering door het echtpaar, blijkende uit het treffen van en gedurende vele jaren nakomen van de afbetalingsregeling?</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:GHSHE:2025:2458:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <uitspraak.info>
    <bridgehead role="bold">GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH  </bridgehead>
    <para>Team Handelsrecht</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>zaaknummer 200.343.478/01</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">arrest van 9 september 2025</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>in de zaak van </para>
    </parablock>
    <para />
  </uitspraak.info>
  <section>
    <title>
      <nr>1</nr> [appellant sub 1] ,<?linebreak?>2.     [appellant sub 2] ,<?linebreak?>beiden wonende te [woonplaats] ,</title>
    <parablock>
      <para>appellanten, </para>
      <para>hierna aan te duiden als [appellant sub 1] en [appellant sub 2] ,</para>
      <para>advocaat: mr. M.W. van der Heijden te Vught,</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>tegen</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">Gemeente [XX] ,</emphasis>
      </para>
      <para>gevestigd te [vestigingsplaats] ,</para>
      <para>geïntimeerde,</para>
      <para>hierna aan te duiden als de gemeente,</para>
      <para>advocaat: mr. B.C.W. Smits te Tilburg,</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>als vervolg op het door het hof gewezen tussenarrest van 10 september 2024 in het hoger beroep van het door de voorzieningenrechter van de rechtbank Zeeland-West-Brabant, zittingsplaats Breda, onder zaaknummer C/02/418876 / KG ZA 24-65 gewezen kortgedingvonnis van 3 april 2024.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>5</nr>Het vervolg van de procedure in hoger beroep</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het vervolg van de procedure in hoger beroep blijkt uit:</para>
    </parablock>
    <itemizedlist mark="-">
      <listitem>
        <para>het tussenarrest van 10 september 2024 waarbij het hof een mondelinge behandeling na aanbrengen heeft gelast;</para>
      </listitem>
      <listitem>
        <para>het proces-verbaal van de mondelinge behandeling van 26 november 2024;</para>
      </listitem>
      <listitem>
        <para>de memorie van grieven;</para>
      </listitem>
      <listitem>
        <para>de memorie van antwoord.</para>
      </listitem>
    </itemizedlist>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het hof heeft daarna een datum voor arrest bepaald. Het hof doet recht op bovenvermelde stukken en de stukken van de eerste aanleg.</para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section role="overwegingen">
    <title>
      <nr>6</nr>De beoordeling</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">De vaststaande feiten en de kern van het geschil</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>6.1.1.</nr>
      <para>Het gaat in dit kort geding naar de kern genomen om de vraag of de vordering die de gemeente op [appellant sub 1] en [appellant sub 1] heeft gekregen wegens een ten onrechte verstrekte bijstandsuitkering, is verjaard en of de gemeente daarom het ter verhaal van die vordering gelegde beslag moet opheffen. Hierbij komt de vraag aan de orde of de verjaring van de vordering is gestuit doordat [appellant sub 1] en [appellant sub 1] kort na het ontstaan van de vordering een afbetalingsregeling hebben getroffen met de gemeente en die afbetalingsregeling jarenlang zijn nagekomen.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>6.1.2.</nr>
      <para>In dit hoger beroep kan op hoofdlijnen worden uitgegaan van de volgende feiten.</para>
      <itemizedlist mark="-">
        <listitem>
          <para>a.   [appellant sub 1] en [appellant sub 1] zijn echtgenoten.</para>
        </listitem>
        <listitem>
          <para>b.   De gemeente heeft bij beschikking van 28 oktober 2005 het besluit genomen tot terugvordering van [appellant sub 1] en [appellant sub 1] van een bedrag van € 41.516,09 wegens ten onrechte verstrekte bijstandsuitkering over de periode van 1 november 2000 tot 1 september 2005.</para>
        </listitem>
        <listitem>
          <para>c.   [appellant sub 1] heeft op 21 november 2005 tegen dat besluit bezwaar gemaakt. De gemeente heeft bij besluit op bezwaar van 2 februari 2006 het bezwaar ongegrond verklaard.</para>
        </listitem>
        <listitem>
          <para>d.   Op 13 december 2005 (bevestigd bij brief van 16 december 2005) is de gemeente met betrekking tot de terugvordering met [appellant sub 1] en [appellant sub 1] een betalingsregeling overeengekomen. Deze hield in dat [appellant sub 1] en [appellant sub 1] vanaf 1 januari 2006 maandelijks een bedrag van € 75,-- zouden gaan aflossen.</para>
        </listitem>
        <listitem>
          <para>e.   [appellant sub 1] en [appellant sub 1] hebben vanaf 1 januari 2006 het bedrag van € 75,-- maandelijks steeds betaald.</para>
        </listitem>
        <listitem>
          <para>f.   [appellant sub 1] heeft bij brief van 26 oktober 2008 de gemeente voorgesteld om de schuld af te kopen voor een bedrag van € 9.000,-- dan wel € 10.000,--. De gemeente heeft dit voorstel afgewezen en heeft een tegenvoorstel gedaan dat door [appellant sub 1] en [appellant sub 1] niet is geaccepteerd.</para>
        </listitem>
        <listitem>
          <para>g.   Door de gemeente zijn in de periode 3 december 2009 tot en met 25 juni 2019 diverse brieven gestuurd naar [appellant sub 1] en [appellant sub 1] , voornamelijk met betrekking tot de berekening van de aflossingscapaciteit en de hoogte van het openstaande bedrag en verzoeken om afkoop of kwijtschelding van de schuld.</para>
        </listitem>
        <listitem>
          <para>h.   Bij brief van 1 maart 2012 heeft [appellant sub 1] aan de gemeente onder meer het volgende geschreven:</para>
        </listitem>
      </itemizedlist>
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">“De gemeente [XX] heeft een verhaalsvordering op mij. Ik betaal ongeveer zes jaar € 75,00 per maand. Dit wordt een te zware last voor mijn gezin.</emphasis>
        </para>
        <para>
          <emphasis role="italic">Ik vraag U hierdoor kwijtschelding van die schuld. (…)”</emphasis>
        </para>
        <para>De gemeente heeft vervolgens bij brief van 4 april 2012 – kort gezegd – aan [appellant sub 1] en [appellant sub 1] meegedeeld dat zij niet voldoen aan de voorwaarden die de gemeente aan kwijtschelding heeft gesteld. </para>
      </parablock>
      <itemizedlist mark="-">
        <listitem>
          <para>i.   Bij brief van 25 juni 2019 heeft de gemeente aan [appellant sub 1] geschreven dat de openstaande schuld van € 31.102,80 niet of niet volledig is terugbetaald en dat de gemeente door toezending van deze brief de verjaring van de vordering(en) stuit.</para>
        </listitem>
        <listitem>
          <para>j.   In reactie op de brief van 25 juni 2019 heeft [appellant sub 1] bij e-mail van 29 juni 2019 aan de gemeente geschreven dat de vordering is verjaard.</para>
        </listitem>
        <listitem>
          <para>k.   Bij brief van 18 juli 2019 heeft de gemeente aan [appellant sub 1] en [appellant sub 1] geschreven dat er geen sprake is van verjaring en dat de maandelijkse betalingsregeling van € 75,-- per maand ongewijzigd voortgezet wordt.</para>
        </listitem>
        <listitem>
          <para>l.   In april 2023 zijn [appellant sub 1] en [appellant sub 1] gestopt met het voldoen aan de betalingsregeling.</para>
        </listitem>
        <listitem>
          <para>m.   De gemeente heeft op 28 november 2023 beslag laten leggen onder de SVB op de gemeenschappelijke AOW-uitkering van [appellant sub 1] en [appellant sub 1] voor de op dat moment nog openstaande schuld van € 28.930,57.</para>
        </listitem>
      </itemizedlist>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">Het kort geding bij de voorzieningenrechter</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>6.2.1.</nr>
      <para>
        [appellant sub 1] en [appellant sub 1] vorderden in het kort geding bij de voorzieningenrechter als voorziening bij voorraad, samengevat:</para>
      <itemizedlist mark="-">
        <listitem>
          <para>
            <emphasis role="underline">primair</emphasis>: opheffing van het op de gemeenschappelijke AOW-uitkering van [appellant sub 1] en [appellant sub 1] gelegde beslag;</para>
        </listitem>
        <listitem>
          <para>
            <emphasis role="underline">subsidiair</emphasis>: veroordeling van de gemeente om het beslag op te heffen en de verdere tenuitvoerlegging te staken en gestaakt te houden, een en ander binnen 24 uur na betekening van het te dezen te wijzen vonnis, op straffe van verbeurte van een dwangsom;</para>
        </listitem>
      </itemizedlist>
      <para>met veroordeling van de gemeente in de proceskosten.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>6.2.2.</nr>
      <para>Aan deze vordering hebben [appellant sub 1] en [appellant sub 1] ten grondslag gelegd dat de vordering waarvoor de gemeente beslag heeft gelegd, verjaard is zodat de inningsbevoegdheid van de gemeente is vervallen en het beslag onrechtmatig is.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>6.2.3.</nr>
      <para>De gemeente heeft gemotiveerd verweer gevoerd. Dat verweer zal, voor zover in hoger beroep van belang, in het navolgende aan de orde komen.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>6.2.4.</nr>
      <para>In het beroepen kortgedingvonnis heeft de voorzieningenrechter, samengevat, als volgt geoordeeld:</para>
      <itemizedlist mark="-">
        <listitem>
          <para>
            [appellant sub 1] en [appellant sub 1] hebben een spoedeisend belang bij beoordeling van hun vordering in kort geding (rov. 4.1).</para>
        </listitem>
        <listitem>
          <para>Zolang de betalingsregeling wordt nagekomen, is de hoofdvordering niet opeisbaar en kan er geen sprake zijn van verjaring van de hoofdvordering. [appellant sub 1] en [appellant sub 1] zijn de betalingsregeling steeds nagekomen tot april 2023 (rov. 4.2).</para>
        </listitem>
        <listitem>
          <para>Bovendien zijn er voldoende aanwijzingen dat [appellant sub 1] en [appellant sub 1] de vordering hebben erkend. Dit blijkt uit het feit dat zij een betalingsregeling hebben afgesproken met de gemeente en daaraan uitvoering hebben gegeven, en ook uit de brieven van [appellant sub 1] en [appellant sub 1] van 26 oktober 2008 en 1 maart 2012 (rov. 4.3).</para>
        </listitem>
        <listitem>
          <para>Verjaring en stuiting van de verjaring zijn dus niet aan de orde (rov. 4.4).</para>
        </listitem>
        <listitem>
          <para>Dit brengt mee dat, nu [appellant sub 1] en [appellant sub 1] per april 2023 de betalingsregeling niet meer nakomen, de gemeente niet ten onrechte beslag heeft gelegd op de AOW-uitkering van [appellant sub 1] en [appellant sub 1] . De vorderingen van [appellant sub 1] en [appellant sub 1] worden daarom afgewezen (rov. 4.5).</para>
        </listitem>
      </itemizedlist>
      <para>Op grond van deze oordelen heeft de voorzieningenrechter de vorderingen van [appellant sub 1] en [appellant sub 1] afgewezen en hen veroordeeld in de proceskosten, vermeerderd met de wettelijke rente daarover.</para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">Het geding in hoger beroep</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>6.3.1.</nr>
      <para>
        [appellant sub 1] en [appellant sub 1] hebben in hoger beroep drie grieven aangevoerd. [appellant sub 1] en [appellant sub 1] hebben op basis van die grieven geconcludeerd tot vernietiging van het beroepen kortgedingvonnis en tot het alsnog toewijzen van hun vorderingen, met veroordeling van de gemeente in de proceskosten van beide instanties.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>6.3.2.</nr>
      <para>De gemeente heeft de grieven bestreden en geconcludeerd tot bekrachtiging van het beroepen kortgedingvonnis, met veroordeling van [appellant sub 1] en [appellant sub 1] in de proceskosten van het hoger beroep, vermeerderd met wettelijke rente.</para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">Over het spoedeisend belang </emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>6.4.</nr>
      <para>Naar het oordeel van het hof hebben [appellant sub 1] en [appellant sub 1] een spoedeisend belang bij beoordeling van hun vordering in kort geding, omdat zij opheffing vorderen van het beslag op hun AOW-uitkering, en stellen dat zij met die uitkering in hun levensonderhoud voorzien.</para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">Vooropstelling</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
      <paragroup>
        <nr>6.5.1.</nr>
        <parablock>
          <para>Voordat het hof de grieven behandelt, stelt het hof het volgende voorop. </para>
          <para>Bij besluit op bezwaar van 2 februari 2006 heeft de gemeente het bezwaar tegen de beschikking van 28 oktober 2005 tot terugvordering van [appellant sub 1] en [appellant sub 1] van een bedrag van € 41.516,09 verworpen. Er is niet gesteld of gebleken dat [appellant sub 1] en [appellant sub 1] beroep hebben ingesteld tegen de ongegrondverklaring van hun bezwaar tegen dit terugvorderingsbesluit. Het terugvorderingsbesluit heeft daarom formele rechtskracht gekregen. De inhoud van dat besluit strekt daarom in dit kort geding tot uitgangspunt.</para>
        </parablock>
        <para />
      </paragroup>
      <paragroup>
        <nr>6.5.2.</nr>
        <para>De uit het terugvorderingsbesluit voortvloeiende verplichting van [appellant sub 1] en [appellant sub 1] om het genoemde bedrag terug te betalen, betreft een verplichting tot betaling van een bestuursrechtelijke geldschuld. Titel 4.4 van de Awb bevat bepalingen over bestuursrechtelijke geldschulden. De van die titel onderdeel uitmakende afdeling 4.4.3 van de Awb bevat bepalingen over de verjaring van dergelijke geldschulden. Titel 4.4 van de Awb is op 1 juli 2009 in werking getreden.</para>
        <para />
      </paragroup>
      <paragroup>
        <nr>6.5.3.</nr>
        <para>De rechtsvordering van de gemeente tot terugvordering van het onverschuldigd betaalde bedrag is ontstaan op 28 oktober 2005, zijnde de datum van het terugvorderingsbesluit. De betalingsregeling is vervolgens in december 2005 getroffen. Daarom is in dit geval niet de vanaf 1 juli 2009 geldende titel 4.4 van de Awb van toepassing, maar moet worden aangesloten bij de bepalingen over verjaring die zijn neergelegd in artikel 3:306 en verder van het BW (artikel III, vierde lid, Vierde tranche van de Awb).</para>
        <para />
      </paragroup>
      <paragroup>
        <nr>6.5.4.</nr>
        <para>Tussen partijen is niet in geschil dat de vordering van de gemeente in beginsel verjaart door verloop van een termijn van vijf jaren na de invorderingsbeschikking van 28 oktober 2005. [appellant sub 1] en [appellant sub 1] hebben dat gesteld in de inleidende dagvaarding (punt 3.1), de gemeente heeft het in de conclusie van antwoord niet betwist, de voorzieningenrechter heeft het kennelijk ook tot uitgangspunt genomen; [appellant sub 1] en [appellant sub 1] hebben het in de memorie van grieven (punt 2.2.1) gesteld en de gemeente heeft het ook in de memorie van antwoord niet voldoende gemotiveerd betwist. Het hof zal daarom ook tot uitgangspunt nemen dat voor de vordering van de gemeente tot terugbetaling van het onverschuldigd betaalde bedrag in beginsel een termijn van vijf jaar geldt. Daarbij kan naar het oordeel van het hof in het midden blijven of die termijn gebaseerd is op artikel 3:307, 3:308 of 3:309 BW. In al die gevallen geldt hetgeen hierna wordt geoordeeld over stuiting van de verjaring door erkenning van de vordering.</para>
        <para />
      </paragroup>
      <paragroup>
        <nr>6.5.5.</nr>
        <para>Volledigheidshalve merkt het hof nog op dat [appellant sub 1] en [appellant sub 1] in dit geding geen beroep hebben gedaan op verjaring van de bevoegdheid tot tenuitvoerlegging als bedoeld in artikel 3:324 BW. De in dat artikel genoemde termijn van 20 jaar is overigens, mede gelet op het bepaalde in artikel 3:325 BW en hetgeen hierna wordt geoordeeld over erkenning van de vordering, nog niet verstreken.</para>
        <para />
        <parablock>
          <para>
            <emphasis role="italic">Over grief 2: stuiting van de verjaring door erkenning van de vordering</emphasis>
          </para>
        </parablock>
        <para />
      </paragroup>
      <paragroup>
        <nr>6.6.1.</nr>
        <para>Het hof ziet nu aanleiding om eerst grief 2 te behandelen. Die grief is gericht tegen rov. 4.3 van het vonnis. De voorzieningenrechter heeft daarin geoordeeld, samengevat, dat [appellant sub 1] en [appellant sub 1] de vordering hebben erkend doordat zij:</para>
        <itemizedlist mark="-">
          <listitem>
            <para>een betalingsregeling hebben afgesproken met de gemeente en daaraan uitvoering hebben gegeven;</para>
          </listitem>
          <listitem>
            <para>door verzending van de brieven van 26 oktober 2008 en 1 maart 2012;</para>
          </listitem>
        </itemizedlist>
        <para>en dat daarom van verjaring geen sprake is. Naar het hof begrijpt, baseert de voorzieningenrechter dit op artikel 3:318 BW: <emphasis role="italic">“Erkenning van het recht tot welks bescherming de rechtsvordering dient, stuit de verjaring van de rechtsvordering tegen hem die het recht erkent.”</emphasis>. De voorzieningenrechter overweegt in rov. 4.4 weliswaar dat stuiting van de verjaring niet meer beoordeeld hoeft te worden, maar hij doelt daarbij kennelijk op stuiting door aanmaning of mededeling in de zin van artikel 3:317 BW.</para>
        <para />
      </paragroup>
      <paragroup>
        <nr>6.6.2.</nr>
        <para>In de toelichting op grief 2 betwisten [appellant sub 1] en [appellant sub 1] dat in hun brieven van 26 oktober 2008  en 1 maart 2012 een erkenning van de vordering besloten ligt. Naar het oordeel van het hof kan dat verder in het midden blijven. Die betwisting doet immers geen afbreuk aan het oordeel van de voorzieningenrechter dat [appellant sub 1] en [appellant sub 1] de vordering van de gemeente hebben erkend door een betalingsregeling af te spreken met de gemeente en daaraan uitvoering te gegeven.</para>
        <para />
      </paragroup>
      <paragroup>
        <nr>6.6.3.</nr>
        <para>
          [appellant sub 1] en [appellant sub 1] hebben in de toelichting op de grief verder gesteld dat zij geen betalingen hebben verricht ter erkenning van enig recht van de gemeente, maar om beslag te voorkomen. Het hof oordeelt over die stelling als volgt. Volgens artikel 3:318 BW stuit – kort gezegd – een erkenning van het recht van de schuldeiser, de verjaring van de vordering. Het is hierbij volgens vaste rechtspraak niet noodzakelijk dat de schuld uitdrukkelijk wordt erkend. Elke handeling of gedraging van de schuldenaar waaruit blijkt dat hij de schuld erkent, stuit de verjaring. Een erkenning van een schuld kan bijvoorbeeld besloten liggen in het betalen van rente. Of bepaalde handelingen en/of gedragingen een erkenning inhouden, is een kwestie van rechterlijke waardering (uitleg) en leent zich niet zozeer voor bewijslevering.</para>
        <para />
      </paragroup>
      <paragroup>
        <nr>6.6.4.</nr>
        <para>Tegen de achtergrond van deze maatstaven moet naar het voorshands oordeel van het hof in het onderhavige geval het treffen van een afbetalingsregeling en het gedurende meerdere jaren door [appellant sub 1] en [appellant sub 1] nakomen daarvan, worden gekwalificeerd als een erkenning van de vordering door [appellant sub 1] en [appellant sub 1] . Er is onvoldoende gebleken van omstandigheden op grond waarvan aangenomen zou moeten worden dat de vordering hiermee niet werd erkend of dat de erkenning slechts betrekking had op een deel van de vordering. Dit betekent naar het voorshands oordeel van het hof dat de verjaring van de vordering is gestuit toen de betalingsregeling in december 2005 werd getroffen en vanaf 1 januari 2006 werd nagekomen, en dat de stuiting heeft voortgeduurd tot het staken van de afbetalingen in april 2023. Daarna is op de voet van artikel 3:319 lid 1 en lid 2 BW een nieuwe verjaringstermijn van vijf jaar gaan lopen, zodat de vordering van de gemeente niet is verjaard. </para>
        <para />
      </paragroup>
      <paragroup>
        <nr>6.6.5.</nr>
        <para>Om bovenstaande redenen verwerpt het hof grief 2. Dit brengt mee dat het beroep van [appellant sub 1] en [appellant sub 1] op verjaring geen doel treft, en dat het beroepen vonnis dus bekrachtigd moet worden.</para>
        <para />
        <parablock>
          <para>
            <emphasis role="italic">Over grief 1: is de vordering pas opeisbaar geworden na staking van de afbetalingen op grond van de afbetalingsregeling en is daarom geen sprake van verjaring?</emphasis>
          </para>
        </parablock>
        <para />
      </paragroup>
      <paragroup>
        <nr>6.6.1.</nr>
        <para>Grief 1 is gericht tegen rov. 4.2 van het vonnis. De voorzieningenrechter heeft daarin geoordeeld dat, zolang de betalingsregeling wordt nagekomen, de hoofdvordering niet opeisbaar is en er geen sprake kan zijn van verjaring van de hoofdvordering. </para>
        <para />
      </paragroup>
      <paragroup>
        <nr>6.6.2.</nr>
        <para>Deze grief hoeft niet behandeld te worden omdat uit hetgeen het hof hiervoor ten aanzien van grief 2 heeft geoordeeld, al volgt dat de vordering van de gemeente niet verjaard is en dat het beroepen vonnis dus bekrachtigd moet worden.</para>
        <para />
        <parablock>
          <para>
            <emphasis role="italic">Conclusie en afwikkeling</emphasis>
          </para>
        </parablock>
        <para />
      </paragroup>
      <paragroup>
        <nr>6.3.1.</nr>
        <para>Uit het voorgaande volgt dat de grieven geen doel treffen en dat het beroepen vonnis bekrachtigd moet worden.</para>
        <para />
      </paragroup>
      <paragroup>
        <nr>6.3.2.</nr>
        <para>Het hof zal [appellant sub 1] en [appellant sub 1] als de in het ongelijk gestelde partijen veroordelen in de proceskosten van het hoger beroep. Het hof zal die kosten aan de zijde van de gemeente begroten op:</para>
        <itemizedlist mark="-">
          <listitem>
            <para>Griffierechten			€    798,--</para>
          </listitem>
          <listitem>
            <para>Salaris advocaat		€ 1.214,-- (1 punt x tarief II)</para>
          </listitem>
          <listitem>
            <para>Nakosten			€    178,-- (plus de verhoging zoals vermeld in de </para>
          </listitem>
        </itemizedlist>
        <parablock>
          <para>     beslissing)</para>
          <para>
            <emphasis role="underline">                                                                                                 +</emphasis>
          </para>
        </parablock>
        <para />
        <parablock>
          <para>Totaal				€ 2.190,--</para>
        </parablock>
        <para />
      </paragroup>
      <paragroup>
        <nr>6.3.3.</nr>
        <para>Bij een veroordeling van twee of meer partijen tot betaling van de proceskosten, geldt als uitgangspunt dat zij ieder voor het geheel aansprakelijk zijn en dus hoofdelijk zijn verbonden tot nakoming van die veroordeling. Daartoe is niet vereist dat de in het gelijk gestelde partij heeft gevorderd of verzocht dat de veroordeling van de wederpartijen in de proceskosten hoofdelijk zal worden toegewezen (HR 23 december 2022, ECLI:NL:HR:2022:1942). Het hof zal [appellant sub 1] en [appellant sub 1] daarom hoofdelijk in de proceskosten veroordelen.</para>
        <para />
      </paragroup>
      <paragroup>
        <nr>6.3.4.</nr>
        <para>Het hof zal de gevorderde wettelijke rente over de proceskosten toewijzen zoals vermeld in de beslissing.</para>
        <para />
      </paragroup>
      <paragroup>
        <nr>6.3.5.</nr>
        <para>Het bovenstaande leidt tot de onderstaande uitspraak.</para>
        <para />
      </paragroup>
    </paragroup>
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>7</nr>De uitspraak</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het hof:</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>bekrachtigt het door de voorzieningenrechter van de rechtbank Zeeland-West-Brabant, zittingsplaats Breda, onder zaaknummer C/02/418876 / KG ZA 24-65 tussen partijen gewezen kortgedingvonnis van 3 april 2024;</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>veroordeelt [appellant sub 1] en [appellant sub 1] hoofdelijk in de proceskosten van het hoger beroep ten bedrage van € 2.190,--, te betalen binnen veertien dagen na heden; als [appellant sub 1] en [appellant sub 1] niet tijdig aan de proceskostenveroordeling voldoen en het arrest daarna wordt betekend, dan moeten zij € 92,-- extra betalen vermeerderd met de kosten van betekening;</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>veroordeelt [appellant sub 1] en [appellant sub 1] hoofdelijk in de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na heden zijn voldaan;</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>verklaart deze proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad;</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>wijst het in hoger beroep meer of anders gevorderde af.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Dit arrest is gewezen door mrs. I.B.N. Keizer, J.B. Smits en J. den Hoed en in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op 9 september 2025.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>	griffier					rolraadsheer</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
  </section>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>