<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:GHSHE:2025:2338</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2026-03-03T09:41:52</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2025-08-28</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Gerechtshof_'s-Hertogenbosch" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Gerechtshof 's-Hertogenbosch</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2025-08-28</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">200.356.114_01</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#hogerBeroep">Hoger beroep</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">'s-Hertogenbosch</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#civielRecht_insolventierecht">Civiel recht; Insolventierecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHSHE:2025:2338">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHSHE:2025:2338</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2026-03-03T09:40:18</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2026-03-03</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:GHSHE:2025:2338 Gerechtshof 's-Hertogenbosch , 28-08-2025 / 200.356.114_01</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:GHSHE:2025:2338:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Vernietiging weigering toelating schuldsaneringsregeling. Verzoek tot toelating alsnog toegewezen. Eerdere ingangsdatum.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:GHSHE:2025:2338:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <uitspraak.info>
    <bridgehead role="bold">GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH      </bridgehead>
    <para />
    <parablock>
      <para>Team Handelsrecht</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Uitspraak	: 28 augustus 2025</para>
      <para>Zaaknummer	: 200.356.114/01</para>
      <para>Zaaknummer eerste aanleg	: C/03/338620 / FT RK 25/66</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>in de zaak in hoger beroep van:</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">
          [appellant] ,</emphasis>
      </para>
      <para>wonende te [woonplaats] ,</para>
      <para>appellant,</para>
      <para>hierna te noemen: [appellant] ,</para>
      <para>advocaat: mr. B.H.A. Augustin te Urmond.</para>
    </parablock>
    <para />
  </uitspraak.info>
  <section>
    <title>
      <nr>1</nr>Het geding in eerste aanleg</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het hof verwijst naar het vonnis van de rechtbank Limburg, zittingsplaats Maastricht, van 3 juni 2025.</para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>2</nr>Het geding in hoger beroep</title>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>2.1.</nr>
      <para>Bij beroepschrift met één productie, ontvangen op 11 juni 2025, heeft [appellant] verzocht voormeld vonnis te vernietigen en hem alsnog toe te laten tot de wettelijke schuldsaneringsregeling.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.2.</nr>
      <parablock>
        <para>De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 20 augustus 2025. Bij die gelegenheid is gehoord:</para>
        <para>- [appellant] , bijgestaan door mr. Augustin.</para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.3.</nr>
      <para>Het hof heeft voorts kennisgenomen van de inhoud van:</para>
      <para>- het proces-verbaal van de mondelinge behandeling in eerste aanleg op 19 maart 2025, ontvangen op 17 juli 2025;</para>
      <para>- de stukken van de eerste aanleg, ontvangen op 11 augustus 2025;</para>
      <para>- nadere stukken, waaronder een nieuwe arbeidsovereenkomst van [appellant] , ontvangen op 20 augustus 2025.</para>
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section role="overwegingen">
    <title>
      <nr>3</nr>De beoordeling</title>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>3.1.</nr>
      <para>
        [appellant] heeft de rechtbank verzocht om de toepassing van de schuldsaneringsregeling uit te spreken. Uit de verklaring ex artikel 285 Faillissementswet (Fw) van [appellant] blijkt een totale schuldenlast van € 56.095,50. Daaronder bevinden zich preferente schulden aan Sociale Zaken [regio] ter hoogte van € 10.500,33, aan de Belastingdienst ter hoogte van € 319,00 en aan UWV VFV/Invorderen ter hoogte van € 1.078,89. Uit voornoemde verklaring blijkt eveneens dat geen minnelijk traject heeft plaatsgevonden, omdat het totaalbedrag van de schuldenlast van [appellant] slechts gedeeltelijk is vastgesteld. Veel schuldeisers hebben namelijk niet gereageerd op de saldoverzoeken, waardoor het totaalbedrag niet vaststaat. Er bestaat bovendien een reële kans dat het schuldenoverzicht niet volledig is aangezien [appellant] zich al een langdurige periode in een problematische schuldsituatie bevindt.  </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.2.</nr>
      <para>Bij vonnis waarvan beroep heeft de rechtbank het verzoek van [appellant] afgewezen. De rechtbank heeft daartoe op de voet van artikel 288 lid 1 aanhef en sub b en c Fw (samengevat) overwogen dat niet voldoende aannemelijk is dat [appellant] ten aanzien van het ontstaan en onbetaald laten van schulden in de drie jaar voorafgaand aan de dag waarop het verzoekschrift is ingediend, te goeder trouw is geweest noch dat [appellant] de uit de schuldsaneringsregeling voortvloeiende verplichtingen naar behoren zal nakomen en zich zal inspannen zoveel mogelijk baten voor de boedel te verwerven.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.3.</nr>
      <para>De rechtbank heeft dit als volgt gemotiveerd.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.3.</nr>
      <para>De rechtbank leidt dit onder meer af uit de gang van zaken tijdens het bewind, dat tweemaal (kort) ten behoeve van de verzoeker is ingesteld van 16 juli 2020 tot 16 augustus -2021 en van 16 februari 2023 tot 16 juni 2024. Een deel van de schulden is ontstaan in de tussenliggende periode. Tijdens het laatste bewind heeft de verzoeker zijn inkomen niet op de beheerrekening gestort, waardoor de bewindvoerder de vaste lasten niet kon betalen. Ook hierdoor zijn schulden ontstaan. Bij die bewindvoerder was ook sprake van bedreigingen door de verzoeker. Ook door het niet accepteren van de hulp van de bewindvoerder terwijl dit wel nodig was, en het niet storten van het loon op de beheerrekening, is de verzoeker niet te goeder trouw geweest bij het ontstaan van zijn schulden.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.4.</nr>
      <para>Zoals gezegd is het de verzoeker die de goede trouw aannemelijk moet maken. Dat moet conform het procesreglement onder meer gebeurden door overlegging van afschriften van bankrekeningen (al bij de indiening van het verzoekschrift).. De verzoeker heeft echter geen afschriften overgelegd van [zijn] ING-rekening (…) en van de Oranje-spaarrekening, die beide in het zicht van de schuldsaneringsregeling zijn opgezegd. Hij heeft dit niet gedaan, hoewel hij daartoe herhaaldelijk in de gelegenheid is gesteld en daartoe in staat was. Bij de ING kunnen bankafschriften tot zeven jaar na het beëindigen van een rekening worden opgevraagd met transactiegegevens tot tien jaar terug. Nu de opgevraagde afschriften van deze bankrekeningen niet zijn overgelegd, heeft de verzoeker de beoordeling of hij te goeder trouw heeft gehandeld, gefrustreerd en hoe dan ook de goede trouw niet aannemelijk(er) gemaakt.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.5.</nr>
      <parablock>
        <para>Verder is naar het oordeel van de rechtbank niet aannemelijk geworden dat de verzoeker de informatieverplichting naar behoren zal nakomen.</para>
        <para>Hij heeft in het voortraject bij de Kredietbank een vervalst overzicht van de uitkering van zijn partner overgelegd. Dit behoort tot zijn risicosfeer, óók als, zoals hij stelt, zijn partner het document heeft gephotoshopt. Voorts blijkt uit de overgelegde mailwisseling met de schuldhulpverlener van eind april 2025 dat hij niet naar behoren informatie verschaft (in dit geval over een verhuizing) en op een onacceptabele wijze communiceert – in dit dossier al de tweede hulpverlener die te maken krijgt met dreigementen van de verzoeker.</para>
        <para>Tot slot heeft de verzoeker geen stukken overgelegd waaruit blijkt dat, zoals hij ter zitting stelde en anders dan de stukken deden vermoeden, geen sprake was van een dreigende uithuiszetting bij het verlenen van bijzondere bijstand wegens een mogelijke huisuitzetting.</para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.4.</nr>
      <para>
        [appellant] kan zich met deze beslissing niet verenigen en is hiervan in hoger beroep gekomen. [appellant] heeft in het beroepschrift en ter zitting in hoger beroep – zakelijk weergegeven – het volgende aangevoerd.</para>
      <itemizedlist mark="-">
        <listitem>
          <para>
            [appellant] had de eerste keer bewind aangevraagd omdat hij in de veronderstelling was dat dit moest om in aanmerking te komen voor de wettelijke schuldsanering. De bewindvoerder constateerde in zijn contacten met [appellant] echter dat [appellant] totaal niet viel in de categorieën mensen die normaal gesproken tot de doelgroep behoren. Het eerste bewind is daarom beëindigd. Het tweede bewind is beëindigd omdat [appellant] geen vertrouwen had in de professionaliteit van deze bewindvoerder.</para>
        </listitem>
        <listitem>
          <para>
            [appellant] heeft eenmaal zijn salaris niet laten storten op de beheerrekening, maar op diens leefgeldrekening. De reden hiervoor is dat [appellant] was gewisseld van baan en aan de loonadministratie een kopie van diens bankpas diende te overhandigen. [appellant] had slechts een bankpas van zijn leefgeldrekening. Deze rekening werd toen door de administratie gekoppeld aan de overboeking. Dit betrof slechts één maand.</para>
        </listitem>
        <listitem>
          <para>
            [appellant] ontkent ten stelligste ooit enige bewindvoerder bedreigd te hebben.</para>
        </listitem>
        <listitem>
          <para>De rechtbank heeft ten onrechte geoordeeld dat [appellant] heeft verzaakt om rekeningafschriften van zijn opgezegde ING-rekening en Oranje-spaarrekening te overleggen. Zowel [appellant] als de Kredietbank hebben meermaals pogingen ondernomen om deze bankafschriften te ontvangen, maar de ING bank reageert niet. Ook mr. Augustin heeft geprobeerd de bankafschriften te verkrijgen, maar kreeg eveneens te horen dat de bankafschriften niet meer beschikbaar waren.</para>
        </listitem>
        <listitem>
          <para>De rechtbank heeft ten onrechte geoordeeld dat [appellant] niet heeft aangetoond dat hij de uit de schuldsanering voortvloeiende verplichtingen naar behoren zal nakomen. [appellant] heeft nimmer valsheid in geschrifte gepleegd. De door de rechtbank geformuleerde "risico aansprakelijkheid" met betrekking tot het handelen van diens partner kan geen grondslag vinden in enige wettelijke bepaling. De partner van [appellant] heeft enkel een einddatum op het document gezet omdat deze einddatum uit geen enkel stuk bleek, maar wel eenvoudig te achterhalen was.</para>
        </listitem>
        <listitem>
          <para>De rechtbank heeft ten onrechte geoordeeld dat [appellant] niet heeft aangetoond dat hij de uit de schuldsanering voortvloeiende verplichtingen naar behoren zal nakomen. [appellant] heeft namelijk wel informatie over zijn verhuizing gegeven. Ook heeft er geen huisuitzetting plaatsgevonden. Er is één keer sprake geweest van een potentiële huisuitzetting, maar deze is nooit uitgevoerd omdat [appellant] tijdig een nieuwe woning had gevonden. Onduidelijk is om welke huisuitzetting de rechtbank het heeft. </para>
        </listitem>
        <listitem>
          <para>Daarnaast heeft [appellant] een nieuw dienstverband vanaf 1 september 2025 bij [bedrijf 1] . Hij zal daar een MBO2-opleiding volgen tot beveiliger. Als hij binnen het jaar zijn certificering haalt, krijgt hij een vaste aanstelling. </para>
        </listitem>
      </itemizedlist>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.5.</nr>
      <para>Het hof komt tot de volgende beoordeling.</para>
      <para />
      <paragroup>
        <nr>3.5.1.</nr>
        <para>Ingevolge artikel 288 lid 1 aanhef en sub b Fw wordt het verzoek tot toelating tot de wettelijke schuldsaneringsregeling slechts toegewezen indien voldoende aannemelijk is dat de schuldenaar ten aanzien van het ontstaan of onbetaald laten van zijn schulden in de drie jaar voorafgaand aan de dag waarop het verzoekschrift is ingediend te goeder trouw is geweest. Hierbij gaat het om een gedragsmaatstaf die mede wordt gehanteerd om beoogd misbruik van de schuldsaneringsregeling tegen te gaan, waarbij de rechter met alle omstandigheden van het geval rekening kan houden. Daarbij spelen (onder meer) een rol de aard en de omvang van de vorderingen, het tijdstip waarop de schulden zijn ontstaan, de mate waarin de schuldenaar een verwijt kan worden gemaakt dat de schulden zijn ontstaan en/of onbetaald gelaten en het gedrag van de schuldenaar voor wat betreft zijn inspanningen de schulden te voldoen of acties zijnerzijds om verhaal door schuldeisers juist te frustreren.</para>
        <para />
      </paragroup>
      <paragroup>
        <nr>3.5.2.</nr>
        <para>Daarnaast blijkt uit artikel 288 lid 1 aanhef en sub c Fw dat het verzoek tot toelating tot de wettelijke schuldsaneringsregeling slechts wordt toegewezen indien voldoende aannemelijk is dat de schuldenaar de uit de schuldsaneringsregeling voortvloeiende verplichtingen naar behoren zal nakomen en zich zal inspannen zoveel mogelijk baten voor de boedel te verwerven.</para>
        <para />
      </paragroup>
      <paragroup>
        <nr>3.5.3.</nr>
        <parablock>
          <para>
            [appellant] heeft twee keer onder bewind gestaan met een korte tijd ertussen. In die tussentijd zijn nieuwe schulden ontstaan. Dit zijn echter geen opvallende schulden en het enkele feit dat er nieuwe schulden tussen de twee bewinden zijn ontstaan, maakt voor het hof niet zonder meer dat ze niet te goeder trouw zijn ontstaan. </para>
          <para>Daarnaast had [appellant] een betaalrekening en spaarrekening (Oranjerekening) bij ING maar daarvan heeft hij geen bankafschriften overgelegd. Over de spaarrekening heeft [appellant] tijdens de zitting in eerste aanleg verklaard dat deze niet werd gebruikt en dat er daarom geen afschriften van die rekening zijn. [appellant] heeft, ook met behulp van de Kredietbank, geprobeerd om de bankafschriften van de ING-rekening te verkrijgen, maar kreeg te horen dat ze niet meer beschikbaar waren. Mr. Augustin heeft verklaard ook een poging te hebben gedaan, maar eveneens zonder succes. Het hof acht het daarom niet aan [appellant] toe te rekenen dat hij de bankafschriften van de rekeningen niet kan overleggen. </para>
          <para>De rechtbank heeft het [appellant] daarnaast aangerekend dat hij een vervalst stuk heeft overgelegd aan de Kredietbank. De partner van [appellant] had op dit document (een overzicht van haar uitkering) zelf een einddatum toegevoegd. Het hof benadrukt dat [appellant] geen gefotoshopte stukken dient te overleggen, ook niet als het fotoshoppen niet door hemzelf maar door zijn partner is gedaan. Het is het hof echter niet gebleken dat de daadwerkelijk verstrekte informatie, waaronder de toegevoegde einddatum, niet juist was. Het zelf (laten) toevoegen van de einddatum is in dit geval dan ook niet voldoende om te kunnen oordelen dat [appellant] niet te goeder trouw was. Dat [appellant] op grond hiervan de informatieverplichting niet zal nakomen zoals de rechtbank heeft geoordeeld, is het hof evenmin gebleken. De kunstgreep was in dit geval namelijk juist ingegeven vanuit de wens om de gevraagde informatie wel te (kunnen) geven. Daarnaast heeft [appellant] , zo blijkt uit de stukken, vrijwel altijd een baan gehad en inkomsten verworven. </para>
        </parablock>
        <para />
      </paragroup>
      <paragroup>
        <nr>3.5.4.</nr>
        <para>In tegenstelling tot de rechtbank, is het hof op grond van de verstrekte informatie van oordeel dat voldoende aannemelijk is gemaakt dat [appellant] ten aanzien van het ontstaan en onbetaald laten van schulden in de drie jaar voorafgaand aan de dag waarop het betreffende verzoekschrift is ingediend, te goeder trouw is geweest en voorts dat voldoende aannemelijk is gemaakt dat [appellant] de uit de schuldsaneringsregeling voortvloeiende verplichtingen naar behoren zal nakomen en zich zal inspannen zoveel mogelijk baten voor de boedel te verwerven.</para>
        <para />
      </paragroup>
      <paragroup>
        <nr>3.5.5.</nr>
        <para>Het hof overweegt verder dat sinds de wetswijziging van 1 juli 2023 uit artikel 349a lid 1 Fw – kort samengevat – volgt dat een eerdere ingangsdatum van de wettelijke schuldsanering tot de mogelijkheden behoort als naar behoren is afgelost in de in artikel 285, eerste lid, onder f Fw bedoelde buitengerechtelijke schuldregeling. Uit het arrest van de Hoge Raad van 20 december 2024 (ECLI:NL:HR:2024:1913) blijkt dat met ‘buitengerechtelijke schuldregeling’ in artikel 349a lid 1 Fw niet wordt gedoeld op een schuldeisersakkoord, maar op het minnelijke traject van schuldhulpverlening. Uit het arrest blijkt eveneens dat een aflossing die of een gespaard bedrag dat ten goede is gekomen of komt aan de gezamenlijke schuldeisers in de eerste plaats is aan te merken als ‘eerste aflossing’ in de zin van artikel 349a lid 1 Fw. Een aflossing aan één of enkele schuldeisers uit hoofde van een ten laste van de schuldenaar gelegd beslag kan in beginsel ook als zodanige eerste aflossing worden aangemerkt. Daarnaast blijkt uit dit arrest dat de schuldenaar tijdens het minnelijke voortraject waarin de eerste aflossing is gedaan, dient te voldoen aan de verplichtingen die uit dat traject voortvloeien. Als uitgangspunt geldt daarbij dat de schuldenaar tijdens het minnelijke voortraject maximaal, op basis van de normen die gelden voor berekening van het vrij te laten bedrag, moet aflossen op zijn schulden en dat hij zich moet inspannen om zoveel mogelijk baten voor de schuldeisers te verwerven.</para>
        <para />
      </paragroup>
      <paragroup>
        <nr>3.5.6.</nr>
        <para>
          [appellant] heeft verzocht om de wettelijke schuldsaneringsregeling op een eerdere datum te laten ingaan. Het hof ziet daartoe in dit geval aanleiding en wel om het volgende. Vanaf 9 december 2024 heeft er beslag gelegen op de inkomsten van [appellant] . Dit beslag is gelegd namens [bedrijf 2] door [deurwaarderskantoor 1] . Op 30 december 2024 is ook beslag gelegd op de inkomsten van [appellant] namens Sociale Zaken [regio] door [deurwaarderskantoor 2] . Door deze beslagleggingen heeft, gelet op voornoemd arrest van de Hoge Raad, de eerste afdracht in de buitengerechtelijke schuldregeling plaatsgevonden vanaf 9 december 2024. [appellant] had in die periode een fulltime dienstverband bij [bedrijf 3] . Hij heeft zich in die periode dus ingespannen om zoveel mogelijk baten voor de schuldeisers te verwerven en heeft, gelet op de beslagvrije voet, maximaal afgelost. Het hof zal daarom de ingangsdatum van de wettelijke schuldsaneringsregeling bepalen op 9 december 2024.</para>
        <para />
      </paragroup>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.6.</nr>
      <para>Het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd. </para>
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>4</nr>De uitspraak</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het hof:</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>vernietigt het vonnis waarvan beroep;</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>en opnieuw rechtdoende:</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>verklaart de schuldsaneringsregeling van toepassing ten aanzien van:</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">
          [appellant] ,</emphasis>
      </para>
      <para>geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1993,</para>
      <para>wonende te ( [postcode] ) [woonplaats] aan [adres] ;</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>bepaalt de ingangsdatum van de wettelijke schuldsaneringsregeling op 9 december 2024;</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>bepaalt de looptijd van de wettelijke schuldsaneringsregeling op 18 maanden, te rekenen vanaf 9 december 2024, waardoor deze termijn eindigt op 9 juni 2026;</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>bepaalt dat de griffier van dit hof onverwijld aan de griffier van de rechtbank Limburg kennis geeft van deze uitspraak in verband met de benoeming van een rechter-commissaris en een bewindvoerder.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Dit arrest is gewezen door mrs. J.W. van Rijkom, J.B. Smits en T. van der Valk en in het openbaar uitgesproken op 28 augustus 2025.</para>
    </parablock>
  </section>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>