<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:GHSHE:2025:2084</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2026-02-03T09:55:19</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2025-07-24</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Gerechtshof_'s-Hertogenbosch" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Gerechtshof 's-Hertogenbosch</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2025-07-24</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">200.355.325_01</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#hogerBeroep">Hoger beroep</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">'s-Hertogenbosch</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#civielRecht_insolventierecht">Civiel recht; Insolventierecht</dcterms:subject>
      <dcterms:references rdfs:label="Wetsverwijzing" bwb:resourceIdentifier="jci1.31:c:BWBR0001860&amp;artikel=354&amp;g=2017-09-01">Faillissementswet 354</dcterms:references>
      <dcterms:references rdfs:label="Wetsverwijzing" bwb:resourceIdentifier="jci1.31:c:BWBR0001860&amp;artikel=358&amp;g=2008-03-26">Faillissementswet 358</dcterms:references>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHSHE:2025:2084">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHSHE:2025:2084</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2026-02-03T09:54:07</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2026-02-03</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:GHSHE:2025:2084 Gerechtshof 's-Hertogenbosch , 24-07-2025 / 200.355.325_01</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:GHSHE:2025:2084:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Artt. 354 lid 1 Fw / saniet heeft een boedelachterstand laten ontstaan en is de informatieplicht niet voldoende nagekomen  / saniet is toerekenbaar tekortgeschoten in de nakoming van één of meer uit de schuldsaneringsregeling voortvloeiende verplichtingen / geen toepassing aan artikel 354 lid 2 Fw / geen ‘schone lei’ verleend op grond van artikel 358 lid 2 Fw  / bekrachtiging</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:GHSHE:2025:2084:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <uitspraak.info>
    <bridgehead role="bold">GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH      </bridgehead>
    <para />
    <parablock>
      <para>Team Handelsrecht</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Uitspraak	: 24 juli 2025</para>
      <para>Zaaknummer	: 200.355.325/01</para>
      <para>Zaaknummer eerste aanleg	: [insolventienummer]</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>in de zaak in hoger beroep van:</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">
          [appellante] ,</emphasis>
      </para>
      <para>wonende te [woonplaats] ,</para>
      <para>appellante,</para>
      <para>hierna te noemen: [appellante] ,</para>
      <para>advocaat: mr. J.M. van der Linden.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </uitspraak.info>
  <section>
    <title>
      <nr>1</nr>Het geding in eerste aanleg</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het hof verwijst naar het vonnis van 20 mei 2025 van de rechtbank Zeeland-West-Brabant, zittingsplaats Breda.</para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>2</nr>Het geding in hoger beroep</title>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>2.1.</nr>
      <para>Bij beroepschrift met productie, ingekomen ter griffie op 28 mei 2025, heeft [appellante] verzocht voormeld vonnis te vernietigen en primair de schuldsaneringsregeling van [appellante] alsnog onder verlening van de schone lei te beëindigen, subsidiair de schuldsaneringsregeling te verlengen teneinde [appellante] de gelegenheid te geven een door het hof vastgestelde boedelachterstand in te lossen.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.2.</nr>
      <parablock>
        <para>De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 16 juli 2025.</para>
        <para>Bij die gelegenheid zijn gehoord:</para>
      </parablock>
      <para>- [appellante] , bijgestaan door de tolk Engelse taal, dhr. V. Bolt (tolknummer: 40775) en </para>
      <para>mr. Van der Linden;</para>
      <para>- mevrouw [bewindvoerder] , hierna te noemen: de bewindvoerder. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.3.</nr>
      <para>Het hof heeft verder kennisgenomen van de inhoud van:</para>
      <para>- de aanvullende producties van [appellante] , ontvangen op 3 juli 2025;</para>
      <para>- de brief met bijlagen van de bewindvoerder, ontvangen op 11 juli 2025;</para>
      <para>- de aanvullende stukken van [appellante] , ontvangen op 15 juli 2025;</para>
      <para>- het zonder toestemming van het hof door [appellante] toegezonden overzicht plus begeleidend schrijven op 16 juli 2025.</para>
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section role="overwegingen">
    <title>
      <nr>3</nr>De beoordeling</title>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>3.1.</nr>
      <para>Bij vonnis van 7 september 2023 is ten aanzien van [appellante] de toepassing van de schuldsaneringsregeling uitgesproken.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.2.</nr>
      <parablock>
        <para>Bij vonnis van 20 mei 2025, waarvan beroep, heeft de rechtbank op de voet van artikel 354 lid 1 Faillissementswet (Fw) bij wijze van eindoordeel in verband met het verstrijken van de looptijd van de schuldsaneringsregeling, geoordeeld dat [appellante] toerekenbaar is tekortgeschoten in de nakoming van de uit de schuldsaneringsregeling voortvloeiende afdrachtplicht. </para>
        <para>De rechtbank heeft daarbij geen toepassing gegeven aan artikel 354 lid 2 Fw, zodat op grond van artikel 358 lid 2 Fw aan [appellante] geen “schone lei” is verleend. </para>
        <para>De rechtbank heeft ten slotte bepaald dat de toepassing van de schuldsaneringsregeling eindigt op het moment dat de slotuitdelingslijst verbindend is geworden, doch dat de uit de schuldsaneringsregeling voortvloeiende verplichtingen van [appellante] reeds per 7 maart 2025 zijn geëindigd.</para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.3.</nr>
      <para>
        [appellante] kan zich met deze beslissing niet verenigen en zij is hiervan in hoger beroep gekomen. [appellante] heeft het volgende aangevoerd. </para>
      <para />
      <paragroup>
        <nr>3.3.1.</nr>
        <para>
          [appellante] heeft over de eerste vijf maanden van de schuldsaneringsregeling (september 2023 tot en met januari 2024) geen maandelijkse boedelafdracht voldaan, omdat haar vanuit de gemeente [gemeente] was toegezegd dat zij ten tijde van de wettelijke schuldsanerings-regeling geen maandelijkse boedelafdracht verschuldigd was. [appellante] is namelijk slachtoffer van de Toeslagenaffaire en de Belastingdienst zou al haar schulden gaan voldoen, althans zo heeft de gemeente het aan haar voorgehouden. Pas per e-mail van 13 november 2023 deelde de gemeente aan [appellante] en de bewindvoerder mede dat er tóch een boedelafdracht gereserveerd moest worden, omdat er schulden waren die door de Belastingdienst niet zouden worden meegenomen. In november 2023 kwam [appellante] onder beschermingsbewind te staan (dat begin maart 2025 weer is opgeheven) en de beschermingsbewindvoerder kon aanvankelijk vanuit het VTLB niet alle vaste lasten voldoen. De reden hiervoor was dat [appellante] een eigen paard had en de kosten voor het paard hoog waren. Over de maanden december 2024 en januari 2024 kon dus geen boedelafdracht voldaan worden. Uiteindelijk heeft de gemeente [gemeente] vanuit de Brede Ondersteuning de kosten voor de paarden op zich genomen tot 1 januari 2025. Hierdoor werd het voor [appellante] mogelijk om de maandelijkse boelafdrachten te gaan verrichten.</para>
        <para />
      </paragroup>
      <paragroup>
        <nr>3.3.2.</nr>
        <para>
          [appellante] betwist dat zij bij of na de aanvang van de schuldsaneringsregeling voldoende duidelijk is geïnformeerd over het gegeven dat zij, ondanks  de genoemde toezegging van de gemeente, toch verplicht was maandelijks aan de boedel af te dragen. Pas toen [appellante] in januari 2024 van de rechter-commissaris een waarschuwingsbrief ontving in verband met het laten ontstaan van een boedelachterstand, is zij via de beschermingsbewindvoerder gaan inlossen op de boedelachterstand. Daarna is in het afdragen van de maandelijkse boedelafdrachten geen grotere achterstand meer ontstaan. Volgens [appellante] zijn haar de uit de schuldsaneringsregeling voortvloeiende verplichtingen, zowel door de rechtbank bij de toelatingszitting, als daarna door de bewindvoerder, niet of enkel in algemene zin voorgehouden. </para>
        <para />
      </paragroup>
      <paragroup>
        <nr>3.3.3.</nr>
        <parablock>
          <para>
            [appellante] betwist voorts dat de boedelachterstand € 12.000 zou bedragen. Volgens het meest recente boedeloverzicht is een achterstand ontstaan in de betaling van de reguliere maandelijkse boedelafdracht ten bedrage van € 5.488,62. Deze achterstand (ontstaan in de eerste vijf maanden van de regeling) kan haar niet toegerekend worden, omdat zij gerechtvaardigd in de veronderstelling verkeerde dat zij geen maandelijkse boedelafdracht behoefde te verrichten. Verder staat in het boedeloverzicht dat [appellante] op haar leefgeldrekening alimentatie heeft ontvangen voor een bedrag van € 2.700 en dat dit bedrag</para>
          <para>de boedel toekomt. [appellante] heeft op de eindzitting naar voren gebracht dat zij geen alimentatie heeft ontvangen. [appellante] betwist dan ook dat dit bedrag een boedelachterstand kan vormen. </para>
          <para>Zij heeft wel regelmatig geld ontvangen van de vader van haar zoon en van haar ex-partner, omdat die weten dat zij maar weinig geld beschikbaar heeft om van te leven. Ook staat in het boedeloverzicht dat [appellante] op een Belgische rekening een bedrag van € 4.740 heeft ontvangen, welk bedrag de boedel zou toekomen. [appellante] betwist dat zij een Belgische rekening heeft, maar zij heeft wel een Wise-card waarop geldbedragen zijn binnengekomen. Op de eindzitting heeft [appellante] de rechtbank medegedeeld dat zij op deze kaart gelden heeft ontvangen, onder meer van haar oma en haar vader. Haar ex-partner heeft geld gestort voor vliegtickets voor een begrafenis in Amerika. [appellante] stelt niet te hebben geweten dat zij geen gelden mocht ontvangen van derden en zij betwist dan ook dat het bedrag van € 4.740 aan de boedel toekomt en onderdeel uitmaakt van de boedelachterstand.  </para>
        </parablock>
        <para />
      </paragroup>
      <paragroup>
        <nr>3.3.4.</nr>
        <para>
          [appellante] concludeert dat zij geen boedelachterstand heeft laten ontstaan die haar verweten kan worden en dat daarom haar schuldsaneringsregeling beëindigd kan worden mèt verlening van de schone lei. Als het hof wel van oordeel is dat sprake is van een boedelachterstand die aan [appellante] valt toe te rekenen, doet zij een beroep op artikel 354 lid 2 Fw. Ten slotte is [appellante] bereid om haar medewerking aan een verlenging te verlenen.</para>
        <para />
      </paragroup>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.4.</nr>
      <para>De bewindvoerder heeft in haar brief de actuele stand van de boedel en  boedelverslagen doorgegeven. [appellante] had schulden die niet onder de kwijtscheldingsregeling van de Belastingdienst vielen en waarvoor zij dus afdrachtplichtig was. Volgens de bewindvoerder is [appellante] wel degelijk in oktober en november 2023 op de hoogte gesteld van die afdrachtplicht en zij verwijst naar diverse overgelegde e-mails. Wat bij de rechtbank en in het vonnis onbesproken is gebleven, is dat [appellante] een paard bezit. De bewindvoerder heeft meermaals aan [appellante] gevraagd hoe zij dat paard heeft bekostigd en wat de waarde is van het paard. [appellante] heeft nooit antwoord op die vragen gegeven. Wat betreft de Belgische rekening verwijst de bewindvoerder naar de diverse overgelegde leefgeld bankafschriften. [appellante] heeft in de periode van 16 december 2023 tot en met 22 juli 2024 diverse geldbedragen (voor bijna € 5.000,-- in totaal) vanaf rekening [rekeningnummer] bij de [bank] Bank naar de leefgeldrekening gestort. Uit de bankafschriften blijkt niet dat van deze gelden tickets naar Amerika zijn gekocht. Bovendien heeft [appellante] niet om toestemming voor een vakantie naar Amerika verzocht bij de bewindvoerder. Ten slotte verklaart de bewindvoerder dat de vader van de zoon van [appellante] regelmatig geld naar [appellante] heeft overgemaakt (door [appellante] zelf ‘giften’ genoemd), die volgens de bewindvoerder op grond van art. 297 lid 2 sub c Fw toekomen aan de boedel. De bewindvoerder concludeert dat het bestreden vonnis dient te worden bekrachtigd.  </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.5.</nr>
      <para>Het hof komt tot de volgende beoordeling.</para>
      <para />
      <paragroup>
        <nr>3.5.1.</nr>
        <para>Bij het einde van de termijn gedurende welke de toepassing van de schuldsaneringsregeling van kracht is, dient op de voet van artikel 354 lid 1 Fw te worden vastgesteld of de schuldenaar toerekenbaar is tekortgeschoten in de nakoming van één of meer uit de schuldsaneringsregeling voortvloeiende verplichtingen. Bij deze vaststelling geldt als maatstaf of een tekortkoming, in het licht van alle omstandigheden van het geval, een duidelijke aanwijzing vormt dat het bij de schuldenaar aan de van hem te vergen medewerking aan een doeltreffende uitvoering van de schuldsaneringsregeling heeft ontbroken. Ingevolge artikel 354 lid 2 Fw dient de rechter voorts na te gaan of er aanleiding bestaat om te bepalen dat een tekortkoming gezien haar bijzondere aard of geringe betekenis buiten beschouwing blijft.</para>
        <para />
      </paragroup>
      <paragroup>
        <nr>3.5.2.</nr>
        <para>Het hof constateert op basis van de diverse overgelegde e-mails dat [appellante] vanaf het begin van de schuldsaneringsregeling voldoende op de hoogte is gesteld van de uit de schuldsaneringsregeling voortvloeiende verplichtingen, waaronder de informatieplicht en óók de afdrachtplicht. Het hof doelt met name op de inhoud van de volgende e-mails van de bewindvoerder aan [appellante] (en steeds cc aan de beschermingsbewindvoerder en de gemeente), waarvan [appellante] de ontvangst niet heeft betwist. </para>
        <para />
        <parablock>
          <para>In de e-mail van 6 oktober 2023 (onderdeel van productie 6 van [appellante] ) schrijft de bewindvoerder aan [appellante] (cc beschermingsbewindvoerder en gemeente):</para>
          <para>
            <emphasis role="italic">“Bijgevoegd treft u het aanvangsverslag WSNP en de berekening VTLB. Ik verzoek u vriendelijk alles goed door te lezen. </emphasis>
          </para>
        </parablock>
        <para />
        <parablock>
          <para>
            <emphasis role="italic">Graag ontvang ik nog onderstaande informatie en specificaties: </emphasis>
          </para>
          <para>
            <emphasis role="italic">• Huurspecificatie met splitsing kale huur en servicekosten; </emphasis>
          </para>
          <para>
            <emphasis role="italic">• Inkomensspecificatie laatste drie maanden </emphasis>
          </para>
          <para>
            <emphasis role="italic">• Beschikking toeslagen Belastingdienst 2023; </emphasis>
          </para>
          <para>
            <emphasis role="italic">• Beschikking voorlopige teruggaaf Belastingdienst; </emphasis>
          </para>
          <para>
            <emphasis role="italic">• Polis van uw zorgverzekering 2023; </emphasis>
          </para>
          <para>
            <emphasis role="italic">• Bankafschriften van de laatste drie maanden van alle bankrekeningen; </emphasis>
          </para>
          <para>
            <emphasis role="italic">• Andere informatie waarvan u vermoedt dat deze relevant is. </emphasis>
          </para>
        </parablock>
        <para />
        <parablock>
          <para>
            <emphasis role="italic">Hoe reist u naar het werk? Wat is het adres van uw werk waar u naartoe reist? Werkt en reist u 5 dagen per week? 	</emphasis>
          </para>
        </parablock>
        <para />
        <parablock>
          <para>
            <emphasis role="italic">Is er kinderopvang? Wat zijn de kosten van de kinderopvang? Graag ontvang ik de nota’s. </emphasis>
          </para>
          <para>
            <emphasis role="italic">Dient er alimentatie aan u te worden betaald? Is er een omgangsregeling tussen vader en zoon? </emphasis>
          </para>
        </parablock>
        <para />
        <parablock>
          <para>
            <emphasis role="italic">Staat u onder (psychische) behandeling? Zo ja, bij welke instantie? Heeft u medicatie voorgeschreven gekregen? </emphasis>
          </para>
        </parablock>
        <para />
        <parablock>
          <para>
            <emphasis role="italic">De belastingdienst heeft onderstaande gemaild: </emphasis>
          </para>
          <para>
            <emphasis role="italic">‘Mevrouw heeft op 9 februari 2022 een brief ontvangen over het doorgeven van haar private schulden aan [instantie] . Zij komt niet in aanmerking voor het versneld beëindigen van haar schuldentraject.’</emphasis>
          </para>
        </parablock>
        <para />
        <parablock>
          <para>
            <emphasis role="italic">Graag ontvang ik ook de brief van 9-2-2022 die u van de belastingdienst heeft ontvangen.”</emphasis>
          </para>
        </parablock>
        <para />
        <parablock>
          <para>Op 12 oktober 2023 (bijlage 3 bewindvoerder/productie 6 [appellante] ) schrijft de bewindvoerder aan [appellante] (cc beschermingsbewindvoerder en gemeente):</para>
          <para>
            <emphasis role="italic">“Ik ben vandaag teruggebeld door de belastingdienst en er zal geen garantstelling komen, waarmee ik de WSNP zou kunnen afwikkelen. </emphasis>
          </para>
        </parablock>
        <para />
        <parablock>
          <para>
            <emphasis role="italic">Mevrouw [appellante] , dan wel de beschermingsbewindvoerder, zal zich moeten wenden tot [instantie] . Mevrouw [appellante] heeft op 9 februari 2022 een brief ontvangen over het indienen van private schulden bij [instantie] . U kunt alle schulden die zijn ontstaan tussen 1 januari 2006 en 1 juni 2021 kunnen indienen. Alle vorderingen welke na die datum zijn ontstaan en zullen niet door de belastingdienst betaald worden. De schulden van na die datum zullen onder de werking van de WSNP vallen en bij het verkrijgen van de schone lei behoeft u deze schulden ook niet meer te betalen. </emphasis>
          </para>
        </parablock>
        <para />
        <parablock>
          <para>
            <emphasis role="italic">Van de belastingdienst heb ik vernomen dat het indienen van de vorderingen op korte termijn dient te gebeuren, zodra het beschermingsbewind is uitgesproken en u over een Digid daarvoor beschikt.</emphasis>
          </para>
          <para>
            <emphasis role="italic">Mevrouw komt niet in aanmerking voor versneld beëindiging. Ten tijde van erkenning gedupeerdheid was er geen actief traject. Ook is dit traject gestart na 5 november 2022, deze trajecten komen niet in aanmerking voor versneld beëindiging (artikel 4.6 lid 1 Wet hersteloperatie toeslagen).</emphasis>
          </para>
        </parablock>
        <para />
        <parablock>
          <para>
            <emphasis role="italic">Mevrouw [appellante] zal dan ook gedurende de looptijd WSNP aan alle verplichtingen dienen te voldoen. Voor de zekerheid stuur ik de uitleg WSNP waarin de verplichtingen zijn opgenomen nogmaals in PDF bestand aan u door. </emphasis>
          </para>
        </parablock>
        <para />
        <parablock>
          <para>
            <emphasis role="italic">Het zadel zal aan de schuldeiser retour gegeven moeten worden, om zodoende de vordering te verlagen. Ik adviseer u daarvoor contact met de schuldeiser op te nemen en afspraken over te maken. </emphasis>
          </para>
        </parablock>
        <para />
        <parablock>
          <para>
            <emphasis role="italic">Graag verneem ik of de beschermingsbewindvoerder het budget rond krijgt met de kosten van het paard wat onderhouden dient te worden. </emphasis>
          </para>
        </parablock>
        <para />
        <parablock>
          <para>
            <emphasis role="italic">Ik verneem graag wanneer het paard is gekocht, voor welk bedrag en hoe u de kosten van het paard allemaal uit het VTLB kunt voldoen.” </emphasis>
          </para>
        </parablock>
        <para />
        <parablock>
          <para>In de e-mail van 5 november 2023 (bijlage 4 bewindvoerder/productie 6 [appellante] ) schrijft de bewindvoerder aan [appellante] (cc beschermingsbewindvoerder en gemeente):</para>
          <para>
            <emphasis role="italic">“Helaas moet ik u berichten dat uw schuldsanering (nog) niet goed verloopt. </emphasis>
          </para>
          <para>
            <emphasis role="italic">Zolang het beschermingsbewind niet is uitgesproken bent u zelf verantwoordelijk om de vaste lasten te betalen, de boedelafdracht te voldoen, voldoende te informeren en geen nieuwe schulden te laten ontstaan. </emphasis>
          </para>
        </parablock>
        <para />
        <parablock>
          <para>
            <emphasis role="italic">Er is tot op heden geen boedelafdracht betaald. Het saldo op de boedelrekening is € 0,00.</emphasis>
          </para>
        </parablock>
        <para />
        <parablock>
          <para>
            <emphasis role="italic">Er zijn al nieuwe schulden ontstaan en ik weet niet of het budget straks voldoende is en of de beschermingsbewindvoerder alle nieuwe schulden kan voldoen. Graag verneem ik of de beschermingsbewindvoerder het budget rond krijgt met de kosten van het paard wat onderhouden dient te worden.</emphasis>
          </para>
        </parablock>
        <para />
        <parablock>
          <para>
            <emphasis role="italic">Het zadel zal aan de schuldeiser retour gegeven moeten worden, om zodoende de vordering te verlagen. Ik adviseer u daarvoor contact met de schuldeiser op te nemen en afspraken over te maken. </emphasis>
          </para>
        </parablock>
        <para />
        <parablock>
          <para>
            <emphasis role="italic">Ik verneem graag wanneer het paard is gekocht, voor welk bedrag en hoe u de kosten van het paard allemaal uit het VTLB kunt voldoen.</emphasis>
          </para>
          <para>
            <emphasis role="italic">Doordat het in de 1e maanden niet goed verloopt dient u er rekening mee te houden dat de WSNP verlengd kan worden met het aantal maanden waarin niet aan de verplichtingen van de WSNP is voldaan, maar daarmee zou u nog wel steeds voor de schone lei in aanmerking kunnen komen.”</emphasis>
          </para>
        </parablock>
        <para />
      </paragroup>
      <paragroup>
        <nr>3.5.3.</nr>
        <parablock>
          <para>Deze informatie is naar het oordeel van het hof meer dan ‘enkel in algemene zin’ en voor [appellante] moet in ieder geval begin oktober/november voldoende duidelijk zijn geweest dat zij een informatieplicht én een afdrachtplicht had. Ter zitting bij dit hof heeft [appellante] verklaard dat toen haar op enig moment duidelijk werd dat het anders liep dan haar was voorgespiegeld door de gemeente, ze toch de keuze heeft gemaakt de schuldsaneringsregeling voort te zetten omwille van (de veiligheid van) haar zoon, omdat de gemeente anders alle financiële ondersteuning (voor haar zoon en voor haar paard) zou stoppen. Na deze bewuste keuze tot voortzetting, heeft zij echter nog steeds onvoldoende voldaan aan de informatieplicht en aan de afdrachtplicht. Dat de stagnering in de afdracht mede kwam door de hoge kosten van het paard van [appellante] , zoals [appellante] stelt, wringt met een doeltreffende uitvoering en juiste naleving van de schuldsaneringsregeling. Temeer omdat [appellante] ondanks diverse verzoeken van de bewindvoerder geen enkele openheid van zaken heeft gegeven over (de waarde van) dat paard, waarmee [appellante] zelfs regelmatig wedstrijden heeft gereden (in 2024 maandelijks, zo heeft zij ter zitting van dit hof verklaard) en waarvan zij de waarde ter zitting van het hof voorzichtig schat op € 10.000 tot € 30.000, mede afhankelijk van zijn gezondheid en betekenis van recente aandoeningen. Nadere stukken ter zake (de waarde van het) paard heeft [appellante] niet overgelegd, ook niet de - blijkens de overgelegde informatie over mogelijk niet betaalde premie - bestaande verzekeringspolis met vermelding van het bedrag waarvoor het paard is verzekerd.     </para>
          <para>Voorts heeft [appellante] niet aan de bewindvoerder gemeld dat zij via de Wise-card gelden heeft ontvangen van derden. Met betrekking tot de geldstortingen van “ [ex-partner] ” heeft [appellante] ter zitting bij dit hof desgevraagd verklaard dat dit gelden zijn van haar ex-partner [ex-partner] , die tot 12 januari 2024 bij haar inwoonde. Deze informatie bleek ter zitting nieuw te zijn voor de bewindvoerder, die daarop terecht verklaarde dat haar afdrachtcapaciteit door die samenwoning tot 12 januari 2024 hoger had moeten worden berekend en daarmee ook de boedelachterstand. Wat betreft de gelden die [appellante] heeft ontvangen van de vader van haar zoon (in de bankafschriften zijn die gelden genoemd ‘ [naam 1] – [naam 2] ’ per betreffende maand of ‘ [naam 3] ’) en die zij ook niet aan de bewindvoerder heeft gemeld, is het hof van oordeel dat deze ofwel als alimentatie in beginsel via het VTLB toekomen aan de boedel ofwel zijn aan te merken als nieuwe schulden.</para>
        </parablock>
        <para />
      </paragroup>
      <paragroup>
        <nr>3.5.4.</nr>
        <para>Verder heeft [appellante] ter zitting verklaard dat zij de stallingskosten voor haar paard niet kan bekostigen en dat zij daarom werkzaamheden in/voor de stal verricht om de stallingsgelden op die manier te voldoen. Ook dit was niet eerder door [appellante] bekend gemaakt. Terecht heeft de bewindvoerder daarop opgemerkt dat dat op zijn minst op gespannen voet lijkt te staan met het feit dat [appellante] bij haar werkgever (nog steeds) ziek gemeld is. De vraag rijst daarmee ook of [appellante] wel in voldoende mate aan haar inspanningsverplichting voldoet.</para>
        <para />
      </paragroup>
      <paragroup>
        <nr>3.5.5.</nr>
        <para>Het hof stelt vast dat [appellante] toerekenbaar is tekortgeschoten in de nakoming van meerdere uit de schuldsaneringsregeling voortvloeiende verplichtingen. Het hof ziet geen aanleiding om op de voet van artikel 354 lid 2 Fw te bepalen dat deze tekortkomingen gezien haar bijzondere aard of geringe betekenis buiten beschouwing blijven. Het hof acht net als de rechtbank ook geen termen aanwezig om de termijn van de wettelijke schuldsanerings-regeling te verlengen.<?linebreak?></para>
      </paragroup>
      <paragroup>
        <nr>3.5.6.</nr>
        <para>Het na de behandeling ongevraagd toegezonden overzicht, waarop de bewindvoerder nog niet heeft kunnen reageren, en op basis waarvan [appellante] stelt 600,= per maand te kunnen gaan aflossen, leidt niet tot een ander oordeel. Door het nalaten van [appellante] is de boedelachterstand waarschijnlijk veel hoger dan eerder berekend. Dit nog los van de waarde van het paard per moment waarop de bewindvoerder daarover vragen heeft gesteld, welk paard [appellante] blijkbaar toch nog steeds zelf wil behouden.<?linebreak?>Nu [appellante] daarnaast lopende de schuldsanering haar lopende kosten al niet alle zelf kon voldoen – waarbij tot 1 januari 2025 de Brede ondersteuning diverse kosten waaronder € 450,= per maand voor stallingskosten betaalde –, acht het hof onvoldoende aannemelijk dat [appellante] in staat zal zijn tot een structurele inlossing van € 600, = per maand. Zeker niet indien in ogenschouw worden genomen de periodieke kosten van haar hippische hobby als blijkend uit de bankafschriften. Dat [appellante] daarbij bovendien in staat zal zijn de nog nader te bepalen doch substantiële boedelachterstand (gegeven de door de bewindvoerder becijferde achterstand op basis van toen door [appellante] verstrekte gegevens, de ontvangen bedragen van [naam 4] en [ex-partner] , de ontvangen giften uit België en de buiten de boedel houden van de waarde van het paard) daadwerkelijk in te lossen tijdens een maximale verlenging is daarmee onvoldoende onderbouwd.  </para>
        <para />
      </paragroup>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.6.</nr>
      <para>Op grond hiervan is het hof van oordeel dat de rechtbank de toepassing van de schuldsaneringsregeling ten aanzien van [appellante] terecht heeft beëindigd zonder toekenning van de “schone lei”, nu zowel de niet nagekomen afdrachtplicht als de niet nagekomen informatieplicht ieder voor zich al deze beslissing kan dragen en rechtvaardigt. <?linebreak?>Het vonnis waarvan beroep zal worden bekrachtigd.</para>
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>4</nr>De uitspraak</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het hof:</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>bekrachtigt het vonnis waarvan beroep.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Dit arrest is gewezen door mrs. J.B. Smits, R.R.M. de Moor en M.W.M. Souren en in het openbaar uitgesproken op 24 juli 2025.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
  </section>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>