<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:GHSHE:2025:1938</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2025-09-11T14:17:47</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2025-07-09</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Gerechtshof_'s-Hertogenbosch" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Gerechtshof 's-Hertogenbosch</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2025-07-09</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">23/449</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#hogerBeroep">Hoger beroep</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">'s-Hertogenbosch</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht_belastingrecht">Bestuursrecht; Belastingrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHSHE:2025:1938">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHSHE:2025:1938</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2025-09-11T14:15:35</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2025-09-11</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:GHSHE:2025:1938 Gerechtshof 's-Hertogenbosch , 09-07-2025 / 23/449</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:GHSHE:2025:1938:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Het hof verklaart het hoger beroep niet-ontvankelijk, omdat geen toereikende machtiging is overgelegd. De gemachtigde heeft weliswaar een machtiging overgelegd, maar die is ondertekend door iemand anders dan diegene namens wie hoger beroep is ingesteld. Dat het volgens de gemachtigde gaat om een machtiging van de echtgenote van belanghebbende, maakt dat niet anders. Bovendien is niet voldaan aan het verzoek om een recente machtiging te overleggen.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:GHSHE:2025:1938:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <para>
    <emphasis role="bold">GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH</emphasis>
  </para>
  <para>Team belastingrecht</para>
  <para>Enkelvoudige Belastingkamer</para>
  <para>Nummer: 23/449</para>
  <parablock>
    <para>
      <emphasis role="bold">Uitspraak op het hoger beroep van</emphasis>
    </para>
  </parablock>
  <parablock>
    <para>
      <emphasis role="bold">
        [belanghebbende] ,</emphasis>
    </para>
    <para>wonend in [woonplaats] ,</para>
    <para>hierna: belanghebbende,</para>
  </parablock>
  <parablock>
    <para>tegen de uitspraak van de rechtbank Oost-Brabant (hierna: de rechtbank) van 10 februari 2023, nummer SHE 21/1490, in het geding tussen belanghebbende en</para>
  </parablock>
  <parablock>
    <para>
      <emphasis role="bold">de heffingsambtenaar van de Belastingsamenwerking Oost-Brabant,</emphasis>
    </para>
    <para>hierna: de heffingsambtenaar.</para>
  </parablock>
  <section>
    <title>Overwegingen</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">Ten aanzien van de ontvankelijkheid</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <para>1. De zitting bij het hof heeft plaatsgevonden op 4 oktober 2024 in ’s-Hertogenbosch. Daar is via een digitale beeld- en geluidverbinding verschenen [gemachtigde] (hierna: [gemachtigde] ).</para>
    <para />
    <para>2. Het hof heeft partijen voorafgaand aan de zitting schriftelijk geïnformeerd dat de behandeling van de zaak op deze zitting beperkt blijft tot de vraag of er (tijdig) een toereikende machtiging is overgelegd. De heffingsambtenaar is in de gelegenheid gesteld om bij de behandeling van de zaak aanwezig te zijn, maar heeft niet aan het hof laten weten dat hij daarbij aanwezig wil zijn.</para>
    <para />
    <para>3. Het hoger beroep is namens [bedrijf] B.V. ingediend door [gemachtigde] . Het hof heeft [gemachtigde] met een brief van 15 mei 2023 in de gelegenheid gesteld om uiterlijk 12 juni 2023 een recente schriftelijke machtiging aan te leveren. Het hof heeft in de brief vermeld dat het hoger beroep anders nietontvankelijk kan worden verklaard. [gemachtigde] heeft daar niet op gereageerd.</para>
    <para />
    <para>4. Het hof heeft op 9 november 2023 een herinnering gestuurd en [gemachtigde] in de gelegenheid gesteld om uiterlijk 23 november 2023 de ontbrekende stukken aan te leveren. Daarbij heeft het hof wederom vermeld dat het hoger beroep anders niet-ontvankelijk kan worden verklaard. [gemachtigde] heeft met een brief van 20 november 2023, door het hof ontvangen op 21 november 2023, gereageerd, waarbij hij onder meer stelt dat de schriftelijke machtiging zich reeds in het dossier bevindt.</para>
    <para />
    <para>5. [gemachtigde] heeft verder, na afloop van de daarvoor gestelde termijn, met een brief van 2 oktober 2024, door het hof ontvangen op 4 oktober 2024, de schriftelijke machtiging van 28 april 2021, ondertekend door [naam] , aangeleverd, die zich al in het dossier bevond.</para>
    <para />
    <para>6. Het hof overweegt dat [gemachtigde] geen toereikende machtiging heeft overgelegd binnen de door het hof - tweemaal - daarvoor gestelde termijn. [gemachtigde] heeft binnen deze termijn slechts verwezen naar het dossier. In het dossier bevindt zich weliswaar een schriftelijke machtiging van 28 april 2021, ondertekend door [naam] , maar geen schriftelijke machtiging van belanghebbende. Dat een schriftelijke machtiging van belanghebbende in deze procedure nog niet was overgelegd en zich dus ook niet in het dossier bevond, was [gemachtigde] bekend. De rechtbank had het beroep om die reden namelijk niet-ontvankelijk verklaard.</para>
    <para />
    <para>7. Het hof is van oordeel dat de schriftelijke machtiging van [naam] niet geldt als een toereikende machtiging waaruit volgt dat [gemachtigde] gemachtigd was om namens belanghebbende beroep in te stellen. De door [gemachtigde] op de zitting gestelde feiten dat [naam] de echtgenote van belanghebbende is en dat belanghebbende in de lockdownperiode mogelijk wegens een coronabesmetting in het ziekenhuis lag, brengen het hof niet tot een ander oordeel. In de door [naam] ondertekende schriftelijke machtiging staat niet dat zij een volmacht namens belanghebbende aan [gemachtigde] verleent. Zij kan dat niet namens zichzelf doen aangezien de beschikking is gegeven aan [belanghebbende] . Echtgenoten mogen – zonder daaraan voorafgaande bevoegdheidsverlening waarvan in dit geval niet is gebleken – niet namens elkaar rechtshandelingen verrichten zoals het verlenen van een volmacht. Het voorgaande wordt niet anders in het geval dat belanghebbende in het ziekenhuis lag en daardoor zelf niet in staat was om een schriftelijke machtiging af te geven. Dit alles neemt overigens ook niet weg dat niet is voldaan aan het verzoek om een recente machtiging te overleggen.</para>
    <para />
    <para>8. Aangezien het ontbreken van een schriftelijke machtiging als een verzuim in de zin van artikel 6:6 Algemene wet bestuursrecht moet worden aangemerkt en [gemachtigde] dat verzuim niet heeft hersteld binnen de daarvoor gestelde termijn, zal het hof het hoger beroep nietontvankelijk verklaren.<footnote-ref linkend="_541f6206-6b02-4fbf-b8ba-be7ad6e0ef6e" /></para>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">Conclusie</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <para>9. Het hoger beroep is niet-ontvankelijk. Voor vergoeding van de proceskosten van belanghebbende of vergoeding van het betaalde griffierrecht bestaat geen aanleiding.</para>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>Beslissing</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het hof verklaart het hoger beroep niet-ontvankelijk.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De uitspraak is gedaan door M.J.C. Pieterse, raadsheer, in tegenwoordigheid van R. Camps, als griffier. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 9 juli 2025 en een afschrift van de uitspraak is op die datum in Mijn Rechtspraak geplaatst. Aan de partij die niet digitaal procedeert, is een afschrift op die datum aangetekend per post verzonden.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De griffier,	De raadsheer,</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>R. Camps	M.J.C. Pieterse</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">Het aanwenden van een rechtsmiddel</emphasis>
      </para>
      <para>Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij <emphasis role="bold">de Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad www.hogeraad.nl</emphasis>. </para>
      <para>Bepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie instellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aan <emphasis role="bold">de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), postbus 20303, 2500 EH Den Haag. </emphasis>Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (zie <emphasis role="bold">www.hogeraad.nl</emphasis>). </para>
      <para>Bij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen:</para>
    </parablock>
    <orderedlist numeration="arabic">
      <listitem>
        <para>Bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.</para>
      </listitem>
      <listitem>
        <para>(Alleen bij procederen op papier) het beroepschrift moet ondertekend zijn;</para>
      </listitem>
      <listitem>
        <para>Het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:</para>
      </listitem>
    </orderedlist>
    <orderedlist numeration="loweralpha">
      <listitem>
        <para>de naam en het adres van de indiener;</para>
      </listitem>
      <listitem>
        <para>de dagtekening;</para>
      </listitem>
      <listitem>
        <para>een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;</para>
      </listitem>
      <listitem>
        <para>e gronden van het beroep in cassatie.</para>
      </listitem>
    </orderedlist>
    <parablock>
      <para>Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.</para>
      <para>In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de andere partij te veroordelen in de proceskosten.</para>
    </parablock>
  </section>
  <footnote id="_541f6206-6b02-4fbf-b8ba-be7ad6e0ef6e" label="1">
    <para> Hoge Raad 10 januari 2014, ECLI:NL:HR:2014:2, r.o. 3.3.1 tot en met 3.3.4.</para>
  </footnote>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>