<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:GHSHE:2025:1871</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2025-11-10T11:40:03</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2025-07-04</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Gerechtshof_'s-Hertogenbosch" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Gerechtshof 's-Hertogenbosch</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2025-07-03</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">200.353.568_01</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#hogerBeroep">Hoger beroep</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">'s-Hertogenbosch</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#civielRecht_personenEnFamilierecht">Civiel recht; Personen- en familierecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHSHE:2025:1871">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHSHE:2025:1871</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2025-11-10T11:38:44</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2025-11-10</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:GHSHE:2025:1871 Gerechtshof 's-Hertogenbosch , 03-07-2025 / 200.353.568_01</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:GHSHE:2025:1871:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Bekrachtiging gezagsbeëindigende maatregel moeder. Onderzoek wijst uit dat moeder over onvoldoende pedagogische vaardigheden beschikt. Minderjarige verblijft al bijna 2 jaar in perspectiefbiedend gezinshuis. Moeder blijft strijden: minderjarige heeft rust en duidelijkheid nodig om tot ontwikkeling te kunnen komen.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:GHSHE:2025:1871:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <uitspraak.info>
    <bridgehead role="bold">GERECHTSHOF 's-HERTOGENBOSCH </bridgehead>
    <para />
    <parablock>
      <para>Team familie- en jeugdrecht</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Uitspraak	: 3 juli 2025</para>
      <para>Zaaknummer	: 200.353.568/01</para>
      <para>Zaaknummer 1e aanleg	: C/01/410454 / FA RK 24-4845</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>in de zaak in hoger beroep van:</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">
          [de moeder]
        </emphasis>, </para>
      <para>wonende te [woonplaats] ,</para>
      <para>verzoekster in hoger beroep,</para>
      <para>hierna te noemen: de moeder,</para>
      <para>advocaat: mr. V. de Roo,</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>tegen</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">Raad voor de Kinderbescherming,</emphasis>
      </para>
      <para>regio Oost-Brabant, locatie [locatie] ,</para>
      <para>verweerder in hoger beroep,</para>
      <para>hierna te noemen: de raad.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Als belanghebbenden worden aangemerkt:</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>1. <emphasis role="underline">[de vader] , </emphasis></para>
    <parablock>
      <para>wonende op een geheim adres, </para>
      <para>hierna te noemen: de vader,</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>2. <emphasis role="underline">William Schrikker Stichting Jeugdbescherming en Jeugdreclassering</emphasis>,</para>
    <parablock>
      <para>gevestigd te [vestigingsplaats] ,</para>
      <para>hierna te noemen: de GI (Gecertificeerde Instelling),</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>3. <emphasis role="underline">[de gezinshuisouder]</emphasis>,</para>
    <parablock>
      <para>wonende te [woonplaats] ,</para>
      <para>hierna te noemen: de gezinshuisouder,</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="underline">In het kort</emphasis>
      </para>
      <para>De moeder is het er niet mee eens dat de rechtbank haar ouderlijk gezag over de 11-jarige [minderjarige] heeft beëindigd.  </para>
    </parablock>
    <para />
  </uitspraak.info>
  <section>
    <title>
      <nr>1</nr>Het geding in eerste aanleg</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het hof verwijst voor het verloop van het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de rechtbank Oost-Brabant van 28 maart 2025, uitgesproken onder voormeld zaaknummer.</para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>2</nr>Het geding in hoger beroep</title>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>2.1.</nr>
      <parablock>
        <para>Bij beroepschrift met producties, ingekomen ter griffie op 11 april 2025, heeft de moeder verzocht voormelde beschikking te vernietigen en, opnieuw rechtdoende,</para>
        <para>het verzoek van de raad tot beëindiging van haar ouderlijk gezag over [minderjarige] af te wijzen, dan wel – subsidiair – Stichting Jeugdbescherming Brabant te benoemen tot voogdes.</para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.2.</nr>
      <parablock>
        <para>Bij verweerschrift met producties, ingekomen ter griffie op 22 mei 2025, heeft de raad verzocht de bestreden beschikking in stand te laten en hetgeen verzocht is in </para>
        <para>het beroepschrift af te wijzen. </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.3.</nr>
      <para>De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 3 juni 2025. Bij die gelegenheid zijn gehoord: </para>
      <itemizedlist mark="-">
        <listitem>
          <para>de moeder, bijgestaan door mr. R.W. de Gruijl; </para>
        </listitem>
        <listitem>
          <para>de raad, vertegenwoordigd door mevrouw [vertegenwoordiger van de raad] ;</para>
        </listitem>
        <listitem>
          <para>de GI, vertegenwoordigd door mevrouw [vertegenwoordiger van de GI] .</para>
        </listitem>
      </itemizedlist>
      <para>De vader en de gezinshuisouder zijn, hoewel behoorlijk opgeroepen, niet verschenen.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.4.</nr>
      <para>Het hof heeft voorts kennisgenomen van de inhoud van de brief van 21 mei 2025 van de advocaat van de moeder met als bijlage een compleet afschrift van het verzoekschrift eerste aanleg.</para>
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section role="overwegingen">
    <title>
      <nr>3</nr>De beoordeling</title>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>3.1.</nr>
      <parablock>
        <para>Uit de inmiddels verbroken affectieve relatie van de ouders is geboren:</para>
        <para>- [minderjarige] (hierna: <emphasis role="bold underline">[minderjarige]</emphasis>), op [geboortedatum] 2014 te [geboorteplaats] .</para>
        <para>De vader heeft [minderjarige] erkend en sinds 13 februari 2024 had hij, met de moeder samen, het gezag over [minderjarige] . </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.2.</nr>
      <parablock>
        <para>
          [minderjarige] heeft sinds 15 oktober 2021 onafgebroken onder toezicht gestaan van de GI en vanaf 24 augustus 2022 heeft ze niet meer thuis bij de moeder gewoond. Sinds 3 juli 2023 verblijft ze in het huidige gezinshuis van mevrouw [de gezinshuisouder] . </para>
        <para>
          [minderjarige] heeft eenmaal per drie weken twee uur begeleid contact met haar moeder.  </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.3.</nr>
      <para>Bij de bestreden – uitvoerbaar bij voorraad verklaarde – beschikking heeft de rechtbank het gezag van de moeder en van de vader over [minderjarige] beëindigd.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.4.</nr>
      <parablock>
        <para>De moeder kan zich met de beslissing tot beëindiging van haar gezag niet verenigen en zij is hiervan in hoger beroep gekomen. In haar beroepschrift, zoals aangevuld tijdens de mondelinge behandeling, voert ze – samengevat – het volgende aan.</para>
        <para>De gezagsbeëindigende maatregel is niet noodzakelijk en de aanvaardbare termijn is voor [minderjarige] nog niet verstreken. Er is geen aanleiding om aan te nemen dat de moeder haar verantwoordelijkheid voor [minderjarige] niet kan dragen, ook al zal dat mogelijk altijd op afstand blijven. Door behoud van haar ouderlijk gezag komt de gezondheid en ontwikkeling van [minderjarige] niet in het gedrang. De gezagsbeëindigende maatregel levert een schending van artikel 8 EVRM op. De moeder is in staat om de verzorging en opvoeding van [minderjarige] op zich te nemen. De moeder heeft een volwassen dochter en zoon uit een eerdere relatie en zij heeft nooit problemen ervaren in de opvoeding. Dit laat zien dat zij ook in staat moet worden geacht om de opvoeding en verzorging van [minderjarige] op zich te nemen. Het is onhandig van de moeder geweest dat zij in oktober 2024 niet meer wilde meewerken aan de omgangsregeling met [minderjarige] ; de moeder gaat dat niet goedpraten. Sinds mei 2025 is de omgangsregeling hervat en het verloopt goed. Voorafgaand aan 2022 zijn er nooit zorgen geuit over de opvoedsituatie bij de moeder. De moeder heeft alles verloren door de fouten van de vader, want hij ging vreemd en hij vertelde onwaarheden aan Veilig Thuis. De moeder heeft geen vertrouwen in de hulpverlening en ze heeft grote zorgen over het gezinshuis waar [minderjarige] verblijft, gebaseerd op de bevindingen van de detective die de vader heeft ingeschakeld. De moeder wil overal aan meewerken, zolang gewerkt wordt aan de thuisplaatsing van [minderjarige] . Van onrust en/of onduidelijkheid als gevolg van twee ouders die het onderling oneens zijn over bij wie hun dochter zou moeten komen te wonen, is geen sprake meer. De vader heeft afstand van [minderjarige] genomen, waardoor er enkel hoeft te worden teruggewerkt naar plaatsing bij de moeder. De GI heeft te snel het opvoedbesluit genomen dat [minderjarige] opgroeit in het gezinshuis, want er zijn nog andere opties. De moeder heeft meerdere malen aangegeven dat er ook kan worden gedacht aan een gezinsopname of een Nika traject. Het is het beste als [minderjarige] weer bij de moeder komt komen. De moeder kan er niet in berusten dat [minderjarige] bij de gezinshuisouder blijft wonen als de bestreden beschikking wordt bekrachtigd. De moeder ervaart met de huidige GI een zeer moeilijke samenwerking, waardoor ze haar omgangsrecht nauwelijks tot niet heeft uitgeoefend. De moeder heeft geen enkel vertrouwen in deze GI of in één van haar medewerkers. Daarom doet zij haar subsidiaire verzoek.</para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.5.</nr>
      <parablock>
        <para>De raad voert in het verweerschrift, zoals aangevuld tijdens de mondelinge behandeling, samengevat, het volgende aan.</para>
        <para>Uit het raadsrapport en de actuele informatie van de GI is voldoende duidelijk geworden dat een gezagsbeëindigende maatregel nog steeds noodzakelijk is, omdat [minderjarige] ernstig wordt bedreigd in haar ontwikkeling (met name als ze onder de hoede van haar moeder zou komen) en dat de moeder niet in staat is om de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding te dragen binnen een voor [minderjarige] aanvaardbaar te achten termijn. [minderjarige] is een kwetsbaar meisje met een belast verleden en kindeigen problematiek. De moeder wordt opgeslokt door haar eigen problemen. Een extra belemmering wordt gevormd door het wantrouwen van de moeder in de hulpverlening en de aanhoudende strijd van beide ouders onderling. De moeder beschikt niet over verandermogelijkheden en heeft een andere kijk op problemen. Dat maakt de samenwerking lastig. Het is daarom niet mogelijk gebleken om stap voor stap te werken aan verbetering. Voor een gezinsopname of een traject bij Nika is het noodzakelijk dat de moeder de problemen erkent en dat zij bereid is om hulpverlening en begeleiding te accepteren. Dat is beide onvoldoende aanwezig bij de moeder. Tevens blijken de ouders onvoldoende leerbaar, hebben zij beperkt zelfinzicht en zien zij de consequenties van hun eigen gedrag niet in. De ouders leggen de problemen buiten zichzelf . Het is al duidelijk wat [minderjarige] nodig heeft om te voorkomen dat haar ontwikkeling negatief wordt beïnvloed. Een nader onderzoek zal geen meerwaarde hebben. Het is voor [minderjarige] van belang dat zij duidelijkheid heeft over de plek waar zij mag opgroeien. [minderjarige] ervaart spanningen en onrust rondom de verlenging van de ondertoezichtstelling en machtiging uithuisplaatsing en stelt veel vragen ter verduidelijking over waar zij mag opgroeien. [minderjarige] groeit in haar ontwikkeling sinds zij in het gezinshuis verblijft. Ze vindt het fijn om bij de gezinshuisouder te wonen en wil hier ook niet weg. Het is belastend en onduidelijk voor [minderjarige] dat de moeder aangeeft dat ze er alles aan zal doen om [minderjarige] naar huis te krijgen. Nu uit het perspectiefonderzoek duidelijk naar voren is gekomen dat [minderjarige] in het gezinshuis mag blijven wonen, wordt gezien dat [minderjarige] al meer rust ervaart en dat zij een vooruitgang in haar ontwikkeling heeft doorgemaakt. De raad heeft geen signalen van onveiligheid voor [minderjarige] gezien bij de gezinshuisouder. Het subsidiaire verzoek moet worden afgewezen. [minderjarige] heeft een goede band met de betrokken jeugdbeschermer en voelt zich door haar gehoord en gezien. De raad heeft niet de verwachting dat een andere gecertificeerde instelling voor meer vertrouwen bij de moeder kan zorgen, omdat zich in het verleden stelselmatige conflicten hebben voorgedaan tussen de moeder en hulpverleners.</para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.6.</nr>
      <para>De GI heeft op de mondelinge behandeling verklaard dat het goed gaat met [minderjarige] en dat ze een enorme positieve ontwikkeling heeft doorgemaakt op school en in het gezinshuis, sinds voor haar duidelijk is, dat ze mag opgroeien in het gezinshuis. De omgangsregeling tussen de moeder en [minderjarige] is sinds kort hervat. Die verloopt prettig voor beiden. De GI is bezig met het hervatten van de omgangsregeling tussen [minderjarige] en de vader en tussen [minderjarige] en haar oudste halfzus. De laatste weken ziet de GI soms dat de moeder tot inzicht komt over wat goed is voor [minderjarige] . De moeder zegt bijvoorbeeld dat het niet goed is als [minderjarige] weg moet bij gezinshuis. Soms geeft de moeder aan geen andere GI te willen, want dan moet ze opnieuw een band opbouwen en opnieuw haar verhaal doen. Deze inzichten staan echter haaks op de momenten waarop dat inzicht er niet is. [minderjarige] krijgt hulp gericht op haar hechtingsproblematiek (Theraplay) en op haar trauma’s (Write Junior).  </para>
      <para />
      <parablock>
        <para>Het hof overweegt het volgende. </para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="underline">Gezagsbeëindigende maatregel </emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <paragroup>
        <nr>3.7.1.</nr>
        <para>Ingevolge artikel 1:266 van het Burgerlijk Wetboek (BW) kan het gezag van een ouder over een of meer van zijn kinderen beëindigd worden indien:</para>
        <para>a. een minderjarige zodanig opgroeit dat hij in zijn ontwikkeling ernstig wordt bedreigd, en de ouder niet de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding, bedoeld in </para>
        <para>artikel 1:247 lid 2 BW, in staat is te dragen binnen een voor de persoon en de ontwikkeling van de minderjarige aanvaardbaar te achten termijn, of</para>
        <para>de ouder het gezag misbruikt.</para>
      </paragroup>
      <paragroup>
        <nr>3.7.2.</nr>
        <para>Gesteld noch gebleken is dat er sprake is van misbruik van gezag (sub b). Dit betekent dat aan het hof de vraag voorligt of voldaan is aan het bepaalde in artikel 1:266 lid 1 sub a, BW. Het hof is met de rechtbank van oordeel dat hiervan sprake is. </para>
      </paragroup>
      <paragroup>
        <nr>3.7.3.</nr>
        <para>Bij artikel 1:266 lid 1 aanhef en sub a BW is blijkens de memorie van toelichting het ijkpunt voor het bepalen van de aanvaardbare termijn voor een kind de periode van onzekerheid over in welk gezin hij verder zal opgroeien die het kind kan overbruggen zonder verdergaand ernstige schade op te lopen voor zijn ontwikkeling. Wat voor een minderjarige een redelijke termijn is, is afhankelijk van zijn/haar leeftijd en ontwikkeling. De rechter dient na te gaan of de gezagsbeëindiging in het concrete geval in redelijke verhouding staat tot het na te streven doel (proportionaliteitsbeginsel) en of het te beogen resultaat niet met een minder ingrijpend alternatief bereikt kan worden (subsidiariteitsbeginsel). Uit artikel 8 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (EVRM) vloeit voort dat de beëindiging van het gezag van de ouder(s) in het belang van de minderjarige noodzakelijk dient te zijn. Iedere kinderbeschermingsmaatregel is in principe tijdelijk en moet als doel hebben om het kind weer terug naar thuis te laten keren. De overheid moet hulpverlening of andere ondersteuning inzetten die ervoor kan zorgen dat een kind weer terug naar huis kan en met het gezin wordt herenigd. De mogelijkheid van terugplaatsing moet serieus zijn overwogen en de ouders moeten in voldoende mate in het besluitvormingsproces zijn betrokken. Voor het beëindigen van het gezag is vereist dat de rechter een afweging maakt tussen de belangen van het kind en die van zijn ouder(s). Die belangenafweging kan in het nadeel van de ouder(s) uitvallen als het belang van het kind om na het verstrijken van een (aanzienlijke) periode bij het pleeggezin te kunnen blijven opgroeien zwaarder weegt dan het belang van de ouders bij gezinshereniging. Er kan echter slechts sprake zijn van beëindiging van het ouderlijk gezag wanneer de instandhouding van het gezag schadelijk is voor de gezondheid en ontwikkeling van het kind. </para>
        <para />
      </paragroup>
      <paragroup>
        <nr>3.7.4.</nr>
        <para>Uit het psychologisch onderzoek van [instantie] (10 mei 2024) naar het opgroeiperspectief van [minderjarige] , blijkt dat [minderjarige] veel onrust en onveiligheid heeft gekend in haar leven. Zij kampt met een ontremde sociaalcontactstoornis en een posttraumatische stressstoornis. [minderjarige] lijkt erg betrokken op haar verzorgers, maar er is sprake van oppervlakkige, ambivalente gehechtheidsrelaties met haar ouders/verzorgers, waarin loyaliteitsproblemen haar parten spelen. In de relatie met haar moeder stelt ze zich geparentificeerd op. Uit het dossier blijkt dat er tijdens de uithuisplaatsing van [minderjarige] meerdere malen is geprobeerd om te werken naar een thuisplaatsing, maar dat dit onmogelijk is gebleken, omdat de ouders onvoldoende leerbaar bleken, over beperkt zelfinzicht beschikken, de consequenties van hun eigen gedrag niet inzien en problemen buiten zichzelf leggen. [instantie] concludeert na het onderzoek dat de ouders onvoldoende pedagogische vaardigheden hebben en daardoor geen of in te geringe mate een positieve bijdrage aan de ontwikkeling van [minderjarige] leveren. </para>
        <para />
      </paragroup>
      <paragroup>
        <nr>3.7.5.</nr>
        <para>Het hof is met de rechtbank van oordeel dat voor [minderjarige] de aanvaardbare termijn inmiddels is verstreken. [minderjarige] verblijft al sinds 3 juli 2023 in het huidige gezinshuis en haar opgroeiperspectief is daar bepaald. [minderjarige] verblijft al te lang in onduidelijkheid en uit de stukken blijkt dat ze hier last van had: ze stelde veel vragen hierover en gedroeg zich onrustig, waardoor ze niet toekwam aan haar ontwikkelingstaken. Tijdens het raadsonderzoek heeft [minderjarige] tegen de raadsmedewerker verteld dat ze niet over haar gevoelens kan praten met haar moeder, omdat ze bang is dat haar moeder dan boos wordt op de gezinshuisouder en ze dan misschien naar een andere plek moet. De gedragswetenschapper heeft tegenover de raad op 10 oktober 2024 verklaard dat de ouders tijdens het onderzoek van [instantie] de onrust in stand hielden door aan [minderjarige] vragen te stellen waar zij niets mee kan, zoals ‘welke kleur wil je op je kamer’ of ‘kijk eens wat er nog op je kamer staat’ tijdens het videobellen. De moeder lijkt niet in te zien dat zij hiermee [minderjarige] belast. Ook op de mondelinge behandeling bij het hof is dit zichtbaar geworden. De moeder heeft verklaard dat zij blijft strijden voor [minderjarige] . Hoewel het de moeder vrijstaat om beslissingen van de rechter te laten toetsen in hoger beroep, betekent dit wel dat zij de onrust voor [minderjarige] (maar ook voor zichzelf) in stand houdt. Daar komt nog bij dat de moeder, hoewel begrijpelijk, telkens hoopt dat het hof anders beslist dan de rechtbank en dat zij deze hoop deelt met [minderjarige] , waarmee ze [minderjarige] keer op keer belast. Het hof onderschrijft dan ook het standpunt en de adviezen van de betrokken professionals ([instantie], de raad en de GI) dat het voor [minderjarige] van groot belang is dat zij duidelijkheid krijgt over de plek waar ze definitief gaat opgroeien. </para>
        <para />
      </paragroup>
      <paragroup>
        <nr>3.7.6.</nr>
        <para>Het hof is verder van oordeel dat het belang van [minderjarige] zich verzet tegen een nader onderzoek door middel van een gezinsopname of een Nika-traject, zoals de moeder voorstelt. [minderjarige] zal in beide trajecten betrokken moeten worden en het hof acht dit te belastend voor haar, te meer nu al een uitvoerig onderzoek door [instantie] heeft plaatsgevonden waarbij [minderjarige] ook is betrokken. De onduidelijkheid over waar [minderjarige] zal opgroeien blijft dan langer bestaan en het hof acht dit schadelijk voor haar.</para>
        <para />
      </paragroup>
      <paragroup>
        <nr>3.7.7.</nr>
        <para>Verder betrekt het hof bij de beoordeling dat de gezagsbeëindigende maatregel heeft geleid tot een vooruitgang in [minderjarige] ’s ontwikkeling. Sinds het voor haar duidelijk is geworden dat ze niet meer zal opgroeien bij de moeder, is zowel op school als bij de gezinshuisouder zichtbaar geworden dat dit [minderjarige] goed heeft gedaan en dat zij tot rust is gekomen. Het hof acht het voor de verdere veilige ontwikkeling van [minderjarige] van cruciaal belang dat deze duidelijkheid nu blijft bestaan en dat haar verblijfplek niet meer ter discussie kan worden gesteld. Hiervoor is het nodig dat het gezag van de moeder beëindigd wordt (en blijft). Gezien haar verleden van ‘strijden voor [minderjarige] ’ en haar verklaring op de mondelinge behandeling dat ze ‘er niet in kan berusten als [minderjarige] bij de gezinshuisouder blijft wonen als het hof de beschikking bekrachtigt’, is het juist noodzakelijk dat het gezag niet langer bij de moeder ligt. Anders zou dit te belastend zijn voor [minderjarige] en krijgt [minderjarige] nooit de rust en de duidelijkheid die zij zo hard nodig heeft om toe te kunnen komen aan haar ontwikkelingstaken en de noodzakelijke behandeling voor haar trauma’s en hechtingsproblematiek. </para>
        <para />
      </paragroup>
      <paragroup>
        <nr>3.7.8.</nr>
        <para>Dit betekent dat naar het oordeel van het hof aan alle voorwaarden voor beëindiging van het gezag is voldaan en dat het hof het hoger beroep van de moeder afwijst zodat de gezagsbeëindigende maatregel ten aanzien van haar in stand blijft. </para>
        <para />
        <parablock>
          <para>
            <emphasis role="underline">Subsidiaire verzoek </emphasis>
          </para>
        </parablock>
      </paragroup>
      <paragroup>
        <nr>3.7.9.</nr>
        <para>Het hof wijst ook het subsidiaire verzoek van de moeder tot wijziging van de GI af. Uit het hele procesdossier is een patroon zichtbaar van een strijdende moeder die moeite heeft om tot samenwerking met de hulpverlening te komen. Gebleken is dat de moeder het, bij herhaling, zo lastig heeft gevonden dat ze werd aangesproken op haar gedrag dat ze niet meer met de betreffende hulpverlener kon samenwerken. Ter illustratie: er is al meerdere keren gewisseld van omgangsbegeleider en hierdoor heeft er in de periode oktober 2024 tot mei 2025 geen omgang tussen de moeder en [minderjarige] plaatsgevonden. Het is dan ook ongewis of een andere GI wél met de moeder tot een vruchtbare samenwerking kan komen. Daarnaast zal [minderjarige] hierbij niet gebaat zijn, omdat [minderjarige] een goede band heeft met deze jeugdbeschermers, zodat een voortzetting van de betrokkenheid van de huidige GI in haar belang is. Het hof ziet in deze GI een betrokken hulpverlener die zich inspant om de band tussen [minderjarige] en haar familieleden in tact te houden. Dankzij de interventie van deze GI is er nu opnieuw contact tussen [minderjarige] en haar ouders en is de GI nu ook doende om [minderjarige] in contact te brengen met haar halfzus.  </para>
        <para />
      </paragroup>
      <paragroup>
        <nr>3.7.10.</nr>
        <para>Beslist wordt als volgt.</para>
        <para />
      </paragroup>
    </paragroup>
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>
      <nr>4</nr>De beslissing</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het hof:</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>bekrachtigt de bestreden beschikking, voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen; </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>verzoekt de griffier krachtens het bepaalde in het Besluit Gezagsregisters een afschrift van deze uitspraak toe te zenden aan de griffier van de rechtbank Oost-Brabant, afdeling civiel recht, team familie- en jeugdrecht ter attentie van het centraal gezagsregister;</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>wijst af het meer of anders verzochte. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Deze beschikking is gegeven door mrs. C.M.J. Peters, S.P.A. Wensink-Vergunst, M.E.M. Beijersbergen en is op 3 juli 2025 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van D. van der Horst, griffier.</para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>