<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:GHSHE:2025:1787</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2025-10-31T09:48:12</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2025-06-26</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Gerechtshof_'s-Hertogenbosch" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Gerechtshof 's-Hertogenbosch</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2025-06-26</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">200.350.924_01</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#hogerBeroep">Hoger beroep</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">'s-Hertogenbosch</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#civielRecht_personenEnFamilierecht">Civiel recht; Personen- en familierecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHSHE:2025:1787">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHSHE:2025:1787</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2025-10-31T09:46:28</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2025-10-31</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:GHSHE:2025:1787 Gerechtshof 's-Hertogenbosch , 26-06-2025 / 200.350.924_01</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:GHSHE:2025:1787:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <parablock>
        <para>Bekrachtiging afwijzen verzoek eenhoofdig gezag. De GI fungeert als regievoerder. Dat is de reden waarom er op dit moment geen sprake is van een klem of verloren-situatie of eenhoofdig gezag anderszins in het belang van de minderjarige noodzakelijk is. </para>
        <para>Vernietiging ten aanzien van zorgregeling. Minimumregeling wordt vastgesteld waarbij de regie over de (uitbreiding van de) zorgregeling bij de GI wordt bepaald.</para>
      </parablock>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:GHSHE:2025:1787:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <uitspraak.info>
    <bridgehead role="bold">GERECHTSHOF 's-HERTOGENBOSCH</bridgehead>
    <para>Team familie- en jeugdrecht</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Uitspraak	: 26 juni 2025</para>
      <para>Zaaknummer			: 200.350.924/01</para>
      <para>Zaaknummer eerste aanleg	: C/03/320411 / FA RK 23-2770</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>in de zaak in hoger beroep van:</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">
          [de moeder]
        </emphasis>,</para>
      <para>wonende te [woonplaats] ,</para>
      <para>verzoekster in hoger beroep,</para>
      <para>hierna te noemen: de moeder,</para>
      <para>advocaat: mr. M. Bos,</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>tegen</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">
          [de vader]
        </emphasis>,</para>
      <para>wonende te [woonplaats] ,</para>
      <para>verweerder in hoger beroep,</para>
      <para>hierna te noemen: de vader<emphasis role="italic">,</emphasis></para>
      <para>advocaat: mr. V.C.C. Luijten.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Deze zaak gaat over: </para>
      <para>
        <emphasis role="bold">
          [minderjarige]
        </emphasis>, geboren op [geboortedatum] 2018 te [geboorteplaats] ,	</para>
      <para>hierna te noemen: [minderjarige] .</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Als belanghebbende merkt het hof aan:</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">
          [de grootmoeder vz]
        </emphasis>,</para>
      <para>wonende te [woonplaats] ,</para>
      <para>hierna te noemen: de grootmoeder vz.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Als informant merkt het hof aan:</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">William Schrikker Stichting Jeugdbescherming &amp; Jeugdreclassering</emphasis>,</para>
      <para>gevestigd te [vestigingsplaats] ,</para>
      <para>hierna te noemen: de GI (gecertificeerde instelling).</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>In zijn hoedanigheid als omschreven in artikel 810 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering is in de procedure gekend: </para>
      <para>
        <emphasis role="bold">de Raad voor de Kinderbescherming</emphasis>,</para>
      <para>hierna te noemen: de raad.</para>
    </parablock>
    <para />
  </uitspraak.info>
  <section>
    <title>
      <nr>1</nr>Het geding in eerste aanleg</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het hof verwijst voor het verloop van het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de rechtbank Limburg, zittingsplaats Maastricht, van 4 november 2024, uitgesproken onder voormeld zaaknummer.</para>
      <para>
        <emphasis role="bold">2.	Het geding in hoger beroep</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>2.1.</nr>
      <para>Bij de bestreden beschikking heeft de rechtbank, uitvoerbaar bij voorraad, een eerder vastgestelde zorgregeling gewijzigd en vastgesteld dat [minderjarige] voortaan eenmaal per twee weken op neutraal terrein gedurende twee uur contact heeft met de vader. Het verzoek van de moeder om het gezamenlijk gezag van de ouders te beëindigen en de moeder met het eenhoofdig gezag over [minderjarige] te belasten is afgewezen. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.2.</nr>
      <para>De moeder kan zich met deze beslissing niet verenigen en zij is hiervan in hoger beroep gekomen. Bij beroepschrift met producties, ingekomen ter griffie op 3 februari 2025, heeft de moeder verzocht voormelde beschikking, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, te vernietigen en opnieuw rechtdoende:</para>
      <itemizedlist mark="-">
        <listitem>
          <para>A1) primair de beschikking van 13 maart 2023 te wijzigen en de vader het recht op een zorg- en contactregeling met [minderjarige] te ontzeggen, dan wel deze zorg- en contactregeling stop te zetten;</para>
        </listitem>
        <listitem>
          <para>A2) subsidiair de beschikking van 13 maart 2023 te wijzigen en een zorg- en contactregeling vast te stellen waarbij [minderjarige] eenmaal per maand voor de duur van een uur onder begeleiding van [instantie] , dan wel een andere professionele hulpverleningsorganisatie, op neutraal terrein contact heeft met de vader, dan wel een zodanige beslissing te nemen die het hof in goede justitie zal vermenen te behoren;</para>
        </listitem>
        <listitem>
          <para>B) te bepalen dat het gezamenlijk gezag van de ouders over [minderjarige] wordt beëindigd en dat de moeder met het eenhoofdig gezag over [minderjarige] wordt belast. </para>
        </listitem>
      </itemizedlist>
      <para />
      <paragroup>
        <nr>2.2.1.</nr>
        <para>Tijdens de mondelinge behandeling in hoger beroep heeft de moeder het primaire onder A1 geformuleerde verzoek ingetrokken.</para>
        <para />
      </paragroup>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.3.</nr>
      <para>Er is geen verweerschrift ingekomen. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.4.</nr>
      <para>De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 21 mei 2025. Bij die gelegenheid zijn gehoord: </para>
      <para>- mr. Bos namens de moeder;</para>
      <para>
        <emphasis role="italic">-</emphasis>de vader, bijgestaan door mr. Luijten;</para>
      <para>
        <emphasis role="italic">-	</emphasis>de GI, vertegenwoordigd door [vertegenwoordiger van de GI];</para>
      <para>- de raad, vertegenwoordigd door [vertegenwoordiger van de raad].</para>
      <para />
      <paragroup>
        <nr>2.4.1.</nr>
        <para>De moeder is, hoewel behoorlijk opgeroepen, niet tijdens de mondelinge behandeling verschenen. De grootmoeder vz is, met bericht van afmelding, eveneens niet tijdens de mondelinge behandeling verschenen. </para>
        <para />
      </paragroup>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.5.</nr>
      <para>Het hof heeft voorts kennisgenomen van de inhoud van:</para>
      <para>- het proces-verbaal van de mondelinge behandeling in eerste aanleg d.d. 14 december 2023;</para>
      <para>- de brief van 14 mei 2025 van de grootmoeder vz, ingekomen op 16 mei 2025.</para>
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>3</nr>De feiten</title>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>3.1.</nr>
      <para>Uit de inmiddels verbroken relatie van de moeder en de vader is [minderjarige] geboren. De vader heeft [minderjarige] erkend. De moeder oefende van rechtswege eenhoofdig het gezag uit over [minderjarige] .</para>
      <para />
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.2.</nr>
      <para>Op 8 februari 2019 is [minderjarige] voorlopig onder toezicht gesteld van de GI. Bij beschikking van de rechtbank Limburg, zittingsplaats Maastricht, van 27 maart 2019 is een spoedmachtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een voorziening voor pleegzorg verleend.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.3.</nr>
      <para>Bij beschikking van de rechtbank van 7 mei 2019 is [minderjarige] met ingang van 8 mei 2019 onder toezicht gesteld van de GI en is een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een pleeggezin verleend. De ondertoezichtstelling is daarna steeds verlengd tot 8 mei 2023. De machtiging tot uithuisplaatsing is daarna steeds verlengd tot 8 januari 2021.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.4.</nr>
      <para>
        [minderjarige] woonde vanaf 3 december 2020 weer bij de moeder. Bij beschikking van 15 december 2020 is een deeltijdmachtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] verleend in die zin dat hij eenmaal per veertien dagen een weekend in het pleeggezin verblijft. Vanaf 7 november 2021 verbleef [minderjarige] weer volledig bij de moeder.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.5.</nr>
      <para>Bij beschikking van de rechtbank van 11 januari 2022 is onder andere bepaald dat de ouders voortaan gezamenlijk zijn belast met het gezag over [minderjarige] . </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.6.</nr>
      <para>Bij beschikking van de rechtbank van 13 maart 2023 is bepaald dat [minderjarige] iedere woensdag van 12.45/13.00 uur tot 19.00 uur bij de vader verblijft. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.7.</nr>
      <para>Vanaf juli 2023 verbleef [minderjarige] ieder weekend bij een deeltijdpleeggezin. Vanaf 5 september 2023 ging [minderjarige] van maandag tot en met woensdag naar een deeltijdpleeggezin. Om het weekend ging hij naar de grootmoeder vz. Op 19 februari 2024 is [minderjarige] in het gezin van een schoonzus van de moeder gaan wonen. Sinds 11 maart 2024 verblijft [minderjarige] weer bij de grootmoeder vz. Sinds 30 april 2024 staat [minderjarige] ingeschreven bij de grootmoeder vz.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.8.</nr>
      <para>Bij beschikking van de rechtbank van 16 juli 2024 is [minderjarige] onder toezicht gesteld van de GI tot 16 juli 2025. Daarbij is een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een netwerkpleeggezin (zijnde de grootmoeder vz) voor de duur van een jaar verleend. </para>
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section role="overwegingen">
    <title>
      <nr>4</nr>De beoordeling</title>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>4.1.</nr>
      <parablock>
        <para>De moeder voert – samengevat – het volgende aan. Sinds de geboorte van [minderjarige] is de verstandhouding tussen de ouders slecht. Vanuit de vader is naar [minderjarige] sprake van aantrek- en afstootgedrag. Dit blijkt ook uit het feit dat de vader zelf het verzoek indiende tot het stopzetten van de zorgregeling. Inmiddels is er weer contact tussen de vader en [minderjarige] , maar niet conform de bestreden beschikking. De GI heeft beslist dat het contact begeleid moest worden. De GI heeft na de bestreden beschikking een video van de grootmoeder vz ontvangen waaruit zou blijken dat de vader [minderjarige] hardhandig aanpakt, tegen hem schreeuwt en dat [minderjarige] de hele woonkamer moest stofzuigen. De moeder heeft nog steeds zorgen over het contact. Er is geen sprake van duidelijkheid, stabiliteit en voorspelbaarheid. De moeder heeft begrepen dat er na de bestreden beschikking één contactmoment is geweest tussen [minderjarige] en de vader op 3 december 2024 voor de duur van een uur. [minderjarige] heeft weerstand tegen het contact. Na het contactmoment op 3 december 2024 heeft [minderjarige] twee keer in zijn broek gepoept. Sindsdien is er geen contact met de vader meer geweest. [minderjarige] wil niet. De grootmoeder vz wil hem niet dwingen en de vader heeft niet meer geïnformeerd bij de GI of [instantie] . Op aandringen van de GI stond er een tweede contactmoment gepland op 28 januari 2025, maar de vader was onbereikbaar voor de betrokken instanties. Inmiddels is er één keer per maand een uur contact tussen [minderjarige] en de vader onder begeleiding van [instantie] op een neutrale locatie. De moeder wil dat deze regeling wordt vastgelegd. De moeder heeft er geen bezwaar tegen om een minimale zorgregeling vast te leggen waarbij de GI de regie krijgt over de uitbreiding hiervan.</para>
        <para>Er is bovendien sprake van een situatie waarin er een onaanvaardbaar risico is dat [minderjarige] klem of verloren zal raken tussen de ouders en niet te verwachten is dat hier binnen afzienbare tijd verbetering in zal komen, zodat de moeder moet worden belast met het eenhoofdig gezag over [minderjarige] . De ouders communiceren al jaren niet meer. De vader heeft de moeder en haar partner overal op geblokkeerd waardoor zij de vader niet kan bereiken, terwijl de bereidheid tot communicatie een basisvereiste voor gezamenlijk gezag is. De vader is ook voor de betrokken hulpverleners niet of moeilijk bereikbaar. Benodigde handtekeningen voor noodzakelijke hulpverlening voor [minderjarige] worden niet, of pas maanden later gegeven. Bovendien weet de vader niet waar hij zijn handtekening voor zet. Ook de GI ervaart moeilijkheden in de samenwerking met de vader. Er is aan hem een schriftelijke aanwijzing verstuurd in verband met het niet tekenen van toestemmingsformulieren. De vader vertraagt en bemoeilijkt al jaren de start en voortzetting van noodzakelijk hulp voor [minderjarige] . Van de moeder kan niet worden verlangd dat zij telkens haar advocaat moet inschakelen om de benodigde handtekeningen van de vader te krijgen. Evenmin kan van de GI worden verlangd dat zij telkens via een (aankondiging van een) schriftelijke aanwijzing de handtekeningen van de vader verkrijgt. Voortzetting van het gezamenlijk gezag levert een onwenselijke situatie op. Beëindiging van het gezamenlijk gezag is bovendien anderszins in het belang van [minderjarige] noodzakelijk. De vader is geen duurzame en stabiele factor in het leven van [minderjarige] . Hij is derhalve niet in staat om belangrijke beslissing over hulpverlening of school in het belang van [minderjarige] te nemen. </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.2.</nr>
      <parablock>
        <para>De vader voert tijdens de mondeling behandeling – samengevat – het volgende aan. De vader wil dat de bestreden beschikking wordt bekrachtigd. De vader heeft sinds de bestreden beschikking een keer per maand een uur begeleid contact met [minderjarige] en dat verloopt goed. De moeder heeft vanaf 21 februari 2025 een tijd geen contact met [minderjarige] gehad. De vader volgt de adviezen van de GI op en werkt mee aan de beperktere regeling maar wil dat de zorgregeling uit de bestreden beschikking wordt nagekomen. Zijn thuissituatie is gestabiliseerd waardoor hij weer ruimte heeft voor contact met [minderjarige] . De vader krijgt een keer per week een uur ambulante begeleiding. Het is goed als de GI de regie krijgt over de uitbreiding van de zorgregeling, waarbij het belangrijk is dat de regeling uit de bestreden beschikking wordt bekrachtigd zodat daar in ieder geval naartoe gewerkt zal worden. </para>
        <para>Wat betreft het gezag merkt de vader op dat hij weldegelijk zijn medewerking verleent waar nodig. Er is geen reden om de moeder alleen met het gezag te belasten. De vader weet waar hij voor tekent, hij doet dit ook voor zijn dochter. Enkele weken geleden heeft de vader nog toestemming gegeven voor hulp voor [minderjarige] . In het laatste RTO is afgesproken dat de ouders geen contact met elkaar mogen hebben om ruzies te voorkomen. Het is echter niet zo dat de moeder de vader niet kan bereiken over gezagskwesties. De vader heeft de moeder op sociale media geblokkeerd, maar zij kan hem telefonisch of per e-mail bereiken. Er zijn twee gelijkwaardige ouders en het is niet duidelijk waarom een van hen een hoofdrol moet krijgen. Met de raad is de vader van mening dat het gezamenlijk gezag in stand moet blijven. </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.3.</nr>
      <para>De grootmoeder vz voert – samengevat – aan dat zij neutraal wil blijven in de procedure. De grootmoeder vz vindt het belangrijk dat [minderjarige] structureel en duidelijk contact houdt met beide ouders en dat er een duidelijk toekomstperspectief komt. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.4.</nr>
      <parablock>
        <para>De GI voert – samengevat – het volgende aan. Nadat de zorgregeling tussen [minderjarige] en de moeder even heeft stilgelegen ziet [minderjarige] beide ouders weer. Op 23 april 2025 heeft de GI de zorgregeling met de vader geëvalueerd en is er gesproken over mogelijke uitbreiding. Er speelt op dit moment echter veel in het leven van [minderjarige] waardoor er is besloten om de zorgregeling nog te laten zoals deze nu wordt uitgevoerd. De GI vindt het belangrijk dat de regie over de zorgregeling bij de GI komt te liggen.</para>
        <para>De GI neemt de regie met betrekking tot de benodigde gezagsbeslissingen. Op het moment dat de GI toestemming van de vader nodig heeft, stuurt de jeugdbeschermer het daartoe bestemde formulier naar de vader en zijn begeleider. De vader mist het overzicht als het formulier alleen naar hem wordt gestuurd. Via zijn begeleider wordt het getekend en dan heeft de GI enkele dagen later het formulier terug. Aan de moeder wordt het rechtstreeks voorgelegd. Dat betreft de praktische invulling van het gezag. Wat betreft de inhoudelijke invulling, het nemen van belangrijke beslissingen, vindt de GI dat de ouders niet altijd beslissingen nemen in het belang van [minderjarige] . Daarom heeft de GI recent een verzoek tot onderzoek naar een gezagsbeëindigende maatregel bij de raad ingediend.</para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.5.</nr>
      <parablock>
        <para>De raad adviseert – samengevat – het volgende. De moeder uit veel zorgen over de zorgregeling tussen [minderjarige] en de vader. De GI onderzoekt wat mogelijk is. Het zou daarom goed zijn als er een minimale zorgregeling wordt vastgelegd, waarbij de GI de mogelijkheid heeft om de contacten uit te breiden. Het is goed dat er aandacht is voor het feit dat er op dit moment veel in het leven van [minderjarige] speelt waardoor uitbreiding van de zorgregeling op dit moment nog niet aan de orde is. Het is positief dat de vader zich daar naar kan schikken. De raad vindt het zorgelijk dat vanwege een moeizame samenwerking en oplopende spanningen er een periode geen contact is geweest tussen de moeder en [minderjarige] . </para>
        <para>Wat betreft het gezag adviseert de raad het gezamenlijk gezag in stand te laten. De raad gaat onderzoek doen naar een gezagsbeëindigende maatregel. Op dit moment fungeert de GI als regievoerder in de samenwerking tussen de ouders. De raad verwacht niet dat de samenwerking tussen de ouders gaat verbeteren en dat zij zelfstandig het gezamenlijk gezag kunnen invullen. Beide ouders werken op dit moment echter mee en geven toestemming indien nodig. De vader is betrokken in het leven van [minderjarige] . De raad ziet daarom op dit moment geen reden om het gezamenlijk gezag te beëindigen. De raad maakt zich zorgen over het feit dat het lijkt alsof de moeder haar best doet om de vader een zo klein mogelijke rol in het leven van [minderjarige] te geven. Het zou mooi zijn als de ouders elkaar meer positie in het leven van [minderjarige] gunnen. De gronden voor een gezagsbeëindigende maatregel zijn anders en daar gaat de raad nog onderzoek naar doen.  </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.6.</nr>
      <para>Het hof overweegt als volgt. </para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="underline">Gezag</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
      <paragroup>
        <nr>4.6.1.</nr>
        <para>Het hof stelt vast dat de ouders ingevolge de beschikking van de rechtbank Limburg, zittingsplaats Maastricht, van 11 januari 2022 gezamenlijk het ouderlijk gezag over [minderjarige] uitoefenen.</para>
        <para />
      </paragroup>
      <paragroup>
        <nr>4.6.2.</nr>
        <parablock>
          <para>Ingevolge artikel 1:253n lid 1 van het Burgerlijk Wetboek (BW) kan de rechter het gezamenlijk gezag, bedoeld in de artikelen 251, tweede lid, 251b, eerste lid, 252, eerste lid, 253q, vijfde lid, of 277, eerste lid, op verzoek van de niet met elkaar gehuwde ouders of een van hen beëindigen, indien nadien de omstandigheden zijn gewijzigd of bij het nemen van de beslissing van onjuiste of onvolledige gegevens is uitgegaan. Alsdan bepaalt de rechtbank aan wie van de ouders voortaan het gezag over het kind toekomt.</para>
          <para>Lid 2 verklaart artikel 1:251 eerste en derde lid BW van overeenkomstige toepassing, op grond waarvan de rechter bepaalt dat het gezag over een kind aan één ouder toekomt indien:</para>
        </parablock>
        <orderedlist numeration="loweralpha">
          <listitem>
            <para>er een onaanvaardbaar risico is dat het kind klem of verloren zou raken tussen de ouders en niet te verwachten is dat hierin binnen afzienbare tijd voldoende verbetering zou komen, of</para>
          </listitem>
          <listitem>
            <para>wijziging van het gezag anderszins in het belang van het kind noodzakelijk is.</para>
          </listitem>
        </orderedlist>
        <para />
      </paragroup>
      <paragroup>
        <nr>4.6.3.</nr>
        <para>Artikel 1:253n BW is van overeenkomstige toepassing op gezamenlijk gezag bedoeld in artikel 1:253c BW (zie Hoge Raad 29 november 2024, ECLI:NL:HR:2024:1775).</para>
        <para />
      </paragroup>
      <paragroup>
        <nr>4.6.4.</nr>
        <para>Tussen partijen is niet in geschil, en voldoende is komen vast te staan, dat er sprake is van een wijziging van omstandigheden op grond waarvan een (her)beoordeling van het gezag over [minderjarige] aan de orde is. </para>
        <para />
      </paragroup>
      <paragroup>
        <nr>4.6.5.</nr>
        <parablock>
          <para>Evenals de rechtbank is het hof – in lijn met het advies van de raad – van oordeel dat het niet in het belang van [minderjarige] noodzakelijk is om het gezamenlijk gezag van de ouders te beëindigen. De vader heeft tijdens de mondelinge behandeling in hoger beroep onbetwist naar voren gebracht dat hij telefonisch en per e-mail bereikbaar is voor de moeder. Ook de GI kan de vader bereiken, waarbij het lukt om hem via zijn begeleider benodigde handtekeningen te laten zetten ten behoeve van [minderjarige] . Zo heeft de vader recent nog toestemming gegeven voor het opstarten van hulpverlening voor [minderjarige] . De GI fungeert als regievoerder tussen de ouders waardoor het ontbreken van rechtstreekse communicatie tussen hen op dit moment niet in de weg staat aan (de praktische invulling van) gezamenlijk gezag. De moeder heeft onvoldoende concrete feiten of omstandigheden gesteld waaruit blijkt dat de vader gezagsbeslissingen frustreert of vertraagt. Het hof heeft ook geen reden om aan te nemen dat de vader niet mee zal werken aan toekomstige gezagsbeslissingen. </para>
          <para>Tijdens de mondelinge behandeling in hoger beroep is naar voren gekomen dat de GI recent een verzoek tot onderzoek naar een gezagsbeëindigende maatregel aan de raad heeft gedaan. Dit onderzoek zal nog gaan plaatsvinden. Het hof is van oordeel dat de vader op dit moment betrokken is in het leven van [minderjarige] , bereikbaar is voor de moeder en de GI en zijn medewerking geeft aan te nemen gezagsbeslissingen. Gelet daarop is er geen sprake van een situatie waarbij [minderjarige] klem of verloren is of zal raken tussen de ouders of dat beëindiging van het gezamenlijk gezag anderszins in zijn belang noodzakelijk is. </para>
        </parablock>
        <para />
      </paragroup>
      <paragroup>
        <nr>4.6.6.</nr>
        <para>Gelet op het voorgaande zal het hof de bestreden beschikking voor wat betreft de beslissing over het gezag bekrachtigen.</para>
        <para />
        <parablock>
          <para>
            <emphasis role="underline">Zorgregeling</emphasis>
          </para>
        </parablock>
        <para />
      </paragroup>
      <paragroup>
        <nr>4.6.7.</nr>
        <para>Ingevolge artikel 1:253a lid 1 BW kunnen geschillen omtrent de gezamenlijke uitoefening van het ouderlijk gezag aan de rechter worden voorgelegd. In het geval van een geschil omtrent de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken kan de rechter, gelet op artikel 1:377e BW in samenhang met artikel 1:253a lid 4 BW, een eerdere beslissing dienaangaande wijzigen op grond dat nadien de omstandigheden zijn gewijzigd. De rechter neemt een zodanige beslissing als hem in het belang van het kind wenselijk voorkomt. </para>
        <para />
      </paragroup>
      <paragroup>
        <nr>4.6.8.</nr>
        <para>De raad en de GI hebben tijdens de mondelinge behandeling in hoger beroep aangegeven dat zij het in het belang van [minderjarige] achten om een zorgregeling vast te leggen tussen [minderjarige] en de vader en daarbij de GI te belasten met de regie over (de uitbreiding van) deze zorgregeling. Hierdoor zou de GI in staat zijn om in het belang en op het tempo van [minderjarige] de zorgregeling bij te sturen en aan te passen waar nodig. Namens de ouders is hiermee ingestemd. Het hof acht dit in het belang van [minderjarige] en zal dit derhalve vastleggen. Het hof dient dan nog te beoordelen welke ‘minimumregeling’ er dient te gelden.   </para>
        <para />
        <para />
      </paragroup>
      <paragroup>
        <nr>4.6.9.</nr>
        <para>Sinds de bestreden beschikking hebben [minderjarige] en de vader een keer per maand een uur contact met elkaar onder begeleiding van [instantie] op een neutraal terrein. Dit komt overeen met het (nieuwe primaire) verzoek van de moeder. De GI heeft opgemerkt dat er op dit moment veel in het leven van [minderjarige] speelt en in overleg met de vader is afgesproken deze beperktere regeling uit te voeren. De vader heeft dit geaccepteerd en komt de regeling na. Vóór de bestreden beschikking is er enige tijd geen contact geweest tussen [minderjarige] en de vader. Het hof vindt het belangrijk dat [minderjarige] ’s tempo wordt gevolgd en zal daarom de huidige feitelijke regeling vastleggen. </para>
        <para />
      </paragroup>
      <paragroup>
        <nr>4.6.10.</nr>
        <para>Op grond van het vorenstaande zal het hof de beschikking waarvan beroep voor wat betreft de omgangsregeling vernietigen en het (nieuwe primaire) verzoek van de moeder toewijzen en de regie over de (uitbreiding van de) zorgregeling bij de GI bepalen.</para>
        <para />
      </paragroup>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.7.</nr>
      <para>Beslist wordt als volgt. </para>
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>
      <nr>5</nr>De beslissing</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het hof:</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>vernietigt de tussen partijen gegeven beschikking van de rechtbank Limburg, zittingsplaats Maastricht, van 4 november 2024, voor wat betreft de gewijzigde zorgregeling;</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>en in zoverre opnieuw rechtdoende;</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>wijzigt de bij beschikking van de rechtbank Limburg, zittingsplaats Maastricht, van 13 maart 2023 (zaaknummer C/03/264064 / FA RK 19-1747) vastgestelde zorgregeling en bepaalt dat [minderjarige] een keer per maand voor de duur van een uur onder begeleiding van [instantie] , dan wel een andere professionele hulpverleningsorganisatie, op neutraal terrein contact heeft met de vader;</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>bepaalt dat de regie over (de uitbreiding van) het contact tussen [minderjarige] en de vader bij de GI berust;</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>bekrachtigt de beschikking waarvan beroep voor het overige.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>wijst af het meer of anders verzochte.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Deze beschikking is gegeven door mrs. E.P. de Beij, E.M.D.M. van der Linden en K.A. Boshouwers en is op 26 juni 2025 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van mr. C.A.M. Smolders, griffier.</para>
    </parablock>
  </section>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>