<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:GHSHE:2025:1786</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2025-10-30T10:14:34</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2025-06-26</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Gerechtshof_'s-Hertogenbosch" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Gerechtshof 's-Hertogenbosch</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2025-06-26</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">200.350.595_01</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#hogerBeroep">Hoger beroep</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">'s-Hertogenbosch</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#civielRecht_personenEnFamilierecht">Civiel recht; Personen- en familierecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHSHE:2025:1786">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHSHE:2025:1786</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2025-10-30T10:12:07</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2025-10-30</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:GHSHE:2025:1786 Gerechtshof 's-Hertogenbosch , 26-06-2025 / 200.350.595_01</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:GHSHE:2025:1786:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Hoofdverblijfplaats en inschrijving BRP wijzigen.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:GHSHE:2025:1786:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <uitspraak.info>
    <bridgehead role="bold">GERECHTSHOF 's-HERTOGENBOSCH</bridgehead>
    <para />
    <parablock>
      <para>Team familie- en jeugdrecht</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Uitspraak	: 26 juni 2025</para>
      <para>Zaaknummer			: 200.350.595/01</para>
      <para>Zaaknummer eerste aanleg	: C/03/322672 / FA RK 23-3674</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>in de zaak in hoger beroep van:</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">
          [de moeder]
        </emphasis>,</para>
      <para>wonende te [woonplaats] ,</para>
      <para>verzoekster in hoger beroep,</para>
      <para>hierna te noemen: de moeder,</para>
      <para>advocaat: mr. L.N. Hermans,</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>tegen</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">
          [de vader]
        </emphasis>,</para>
      <para>wonende te [woonplaats]</para>
      <para>verweerder in hoger beroep,</para>
      <para>hierna te noemen: de vader,</para>
      <para>advocaat: mr. M. van Riet.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Deze zaak gaat over:</para>
      <para>
        <emphasis role="bold">
          [minderjarige]
        </emphasis>, geboren op [geboortedatum] 2013 te [geboorteplaats] , </para>
      <para>hierna te noemen: [minderjarige] .</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>In zijn hoedanigheid als omschreven in artikel 810 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering is in de procedure gekend:</para>
      <para>
        <emphasis role="bold">de Raad voor de Kinderbescherming</emphasis>,</para>
      <para>hierna te noemen: de raad.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </uitspraak.info>
  <section>
    <title>
      <nr>1</nr>Het geding in eerste aanleg</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het hof verwijst voor het verloop van het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de rechtbank Limburg, zittingsplaats Maastricht, van 31 oktober 2024, uitgesproken onder voormeld zaaknummer.</para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>2</nr>Het geding in hoger beroep</title>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>2.1.</nr>
      <para>Bij de bestreden – uitvoerbaar bij voorraad verklaarde – beschikking heeft de rechtbank de reguliere zorgregeling gewijzigd en het verzoek van de moeder om te bepalen dat [minderjarige] voortaan zijn hoofdverblijfplaats zal hebben bij de moeder en op haar adres wordt ingeschreven, afgewezen. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.2.</nr>
      <para>De moeder kan zich met de beslissing omtrent de hoofdverblijfplaats niet verenigen en zij is hiervan in hoger beroep gekomen. Bij beroepschrift met producties, ingekomen ter griffie op 28 januari 2025, heeft de moeder verzocht voormelde beschikking te vernietigen voor wat betreft het wijzigen van de hoofdverblijfplaats van [minderjarige] bij de moeder en te bepalen dat [minderjarige] voortaan zijn hoofdverblijf bij de moeder zal hebben.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.3.</nr>
      <para>Bij verweerschrift met producties, ingekomen ter griffie op 18 maart 2025, heeft de vader verzocht, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, de door de moeder opgeworpen grieven ongegrond te verklaren en het hoger beroep van de moeder af te wijzen als zijnde ongegrond dan wel onbewezen. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.4.</nr>
      <para>De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 21 mei 2025. Bij die gelegenheid zijn gehoord: </para>
      <itemizedlist mark="-">
        <listitem>
          <para>de moeder, bijgestaan door mr. Hermans;</para>
        </listitem>
        <listitem>
          <para>de vader, bijgestaan door mr. Van Riet;</para>
        </listitem>
        <listitem>
          <para>de raad, vertegenwoordigd door [vertegenwoordiger van de raad] . </para>
        </listitem>
      </itemizedlist>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.5.</nr>
      <para>Het hof heeft [minderjarige] in de gelegenheid gesteld zijn mening kenbaar te maken. Hij heeft hiervan geen gebruik gemaakt.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.6.</nr>
      <para>Het hof heeft voorts kennisgenomen van de inhoud van:</para>
      <itemizedlist mark="-">
        <listitem>
          <para>het proces-verbaal van de mondelinge behandeling in eerste aanleg d.d. 25 september 2024;</para>
        </listitem>
        <listitem>
          <para>het V6-formulier met bijlagen van 1 mei 2025, ingekomen op 2 mei 2025;</para>
        </listitem>
        <listitem>
          <para>de namens de moeder op de mondelinge behandeling overgelegde spreekaantekeningen.</para>
        </listitem>
      </itemizedlist>
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>3</nr>De feiten</title>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>3.1.</nr>
      <para>De moeder en de vader hebben een relatie met elkaar gehad. Tijdens de relatie is [minderjarige] geboren. De vader heeft [minderjarige] erkend en de ouders oefenen gezamenlijk het ouderlijk gezag over [minderjarige] uit. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.2.</nr>
      <para>
        [minderjarige] heeft zijn hoofdverblijf bij de vader en staat op het adres van de vader ingeschreven.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.3.</nr>
      <para>In het op 5 november 2020 door de ouders ondertekende ouderschapsplan zijn de ouders een zorgregeling overeengekomen waarbij [minderjarige] van woensdag 12.30 uur (na school) tot zaterdag 12.30 uur bij de moeder verblijft. Ook zijn zij een regeling overeengekomen over de verdeling van de zorg tijdens bijzondere dagen, de vakanties en feestdagen.</para>
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section role="overwegingen">
    <title>
      <nr>4</nr>De beoordeling</title>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>4.1.</nr>
      <parablock>
        <para>De moeder voert – samengevat – het volgende aan. Vanwege relatieproblemen en middelengebruik van de vader heeft zich op 23 december 2024 opnieuw een onveilige situatie voorgedaan in het bijzijn van [minderjarige] , als gevolg waarvan [minderjarige] een tijd niet naar de vader is gegaan. De vader is niet goed in staat om voor [minderjarige] te zorgen vanwege de problematiek ten aanzien van de uithuisplaatsing van zijn dochter en zijn alcohol- en mogelijk middelengebruik. De moeder acht het in het belang van [minderjarige] dat hij zijn hoofdverblijf bij haar krijgt, te meer omdat [minderjarige] het grootste deel van de week bij haar is en zij sinds februari 2023 de hoofdverzorgende is. [minderjarige] verblijft van dinsdag na school tot zaterdag 12.30 uur bij de moeder. Afspraken voor [minderjarige] (zoals de opticien, huisarts, tandarts of orthodontist) zullen voornamelijk op de dagen vallen dat hij bij de moeder is. De communicatie tussen de ouders is niet goed waardoor de moeder niet of te laat wordt geïnformeerd door de vader over dit soort afspraken. De vader maakt afspraken zonder met de moeder te overleggen en hij ontvangt de post hieromtrent. Bij de afspraak voor een inenting van [minderjarige] is het misgegaan. De moeder is hier door de vader niet van op de hoogte gesteld. Het sluit meer aan op de praktijk als [minderjarige] op het adres van de moeder wordt ingeschreven en zij het contactadres is voor deze afspraken. De moeder heeft niet laten blijken en is geenszins van plan om bij een wijziging van de hoofdverblijfplaats de vader niet meer te informeren over [minderjarige] . De moeder heeft waar mogelijk haar e-mailadres laten toevoegen bij instanties, zonder die van de vader te laten verwijderen. Ook informeert zij de vader over afspraken waar zij met [minderjarige] heen gaat. Het is juist de vader die afspraken maakt en wijzigt voor [minderjarige] zonder de moeder hierover te informeren. Dit is een onwerkbare situatie en zorgt voor veel stress. </para>
        <para>Ook om financiële redenen is het van belang dat het hoofdverblijf van [minderjarige] bij de moeder wordt bepaald. De vader ontvangt kinderbijslag, kindgebonden budget, alleenstaande ouderkorting en de vergoedingen van Stichting Leergeld. De vader betaalt geen kinderalimentatie. Toch betaalt de moeder de kosten voor [minderjarige] zoals kleding, sport- en voetbal uitrusting, de aanvullende bijdrage voor een bril, cadeautjes voor kinderfeestjes, communiefeest en bijvoorbeeld een fiets. De vader heeft met een eenmalige vergoeding aangeboden om de moeder te compenseren, hetgeen de moeder niet heeft geaccepteerd omdat er een structurele toebedeling aan haar moet zijn voor de kosten die zij maakt. De vader heeft geen bewijsstukken overgelegd waaruit blijkt dat hij de meeste kosten voor de ontwikkeling en opvoeding van [minderjarige] betaalt. Onder druk van de rechtbank en advocaten is een regeling getroffen die inhoudt dat de vader vanaf januari 2025 de helft van de kinderbijslag aan de moeder zal overmaken, maar de eerste betaling heeft al gehaperd. </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.2.</nr>
      <parablock>
        <para>De vader voert – samengevat – het volgende aan. De zorgregeling met [minderjarige] heeft sinds 23 december 2024 een tijd stilgelegen omdat er zich een incident heeft voorgedaan bij de vader thuis. Dit had vooral betrekking op de oudere dochter van de vader, [dochter] . De moeder heeft [minderjarige] vervolgens thuisgehouden waardoor de vader zich genoodzaakt zag om een kort geding te starten. Bij vonnis van 11 maart 2025 heeft de voorzieningenrechter bepaald dat het contact tussen de vader en [minderjarige] zo spoedig mogelijk dient te worden hervat, met een korte opbouwregeling voor de maand maart, op straffe van een dwangsom. </para>
        <para>De vader ontkent de beschuldigingen van de moeder en vindt het kwalijk dat de moeder [minderjarige] tegen hem opzet en hem diskwalificeert als ouder. De ouders zijn in overleg met de gecertificeerde instelling in 2020 een ouderschapsplan overeengekomen. Dit ouderschapsplan is na een langdurig proces en hulpverlening tot stand gekomen. De hoofdverblijfplaats is altijd bij de vader geweest. Het verblijf van [minderjarige] bij de moeder is de afgelopen jaren uitgebreid omdat de moeder steeds meer aankon en meer verantwoordelijkheid kon dragen. De vader zag dit aanvankelijk als een positieve ontwikkeling. De vader en de moeder nemen allebei zorgtaken voor [minderjarige] op zich. Door de co-ouderschapsregeling zullen de ouders moeten blijven communiceren, ongeacht waar [minderjarige] zijn hoofdverblijfplaats heeft. Het probleem is dat de ouders niet goed kunnen communiceren. De ouders zijn ingeschreven voor een traject ouderschapsreorganisatie bij [instantie] . Het is onjuist dat een hoofdverblijf bij de moeder voor meer duidelijkheid zorgt. Er was duidelijkheid maar de moeder veroorzaakt onduidelijkheid doordat zij [minderjarige] bij de vader probeert weg te houden en zich niet neerlegt bij de beschikking. Partijen hebben de afgelopen jaren veelvuldig e-mailcontact gehad als er zaken dienden te worden geregeld. De vader merkt dat de moeder steeds meer zaken naar haar toe heeft getrokken en diverse malen heeft geprobeerd de regie over te nemen. De vader vindt het van groot belang dat de hoofdverblijfplaats van [minderjarige] bij hem blijft. Dit zou de moeder anders alleen nog maar meer ruimte geven om naar eigen inzicht te handelen, hetgeen niet in het belang van [minderjarige] is. Het komt voor dat er afspraken voor [minderjarige] worden gepland op de dagen dat hij bij de moeder verblijft. De vader maakt geen afspraken voor [minderjarige] in de tijd dat hij bij de moeder is zonder overleg met de moeder. Indien het de moeder niet lukt om mee te gaan naar die afspraken hoort de vader het graag, zodat hij kan kijken of hij mee kan gaan. </para>
        <para>De ouders hebben bovendien na de bestreden beschikking veelvuldig overleg gehad over de (her)verdeling van de financiën voor [minderjarige] . Er is afgesproken dat de kinderbijslag voortaan telkens bij helfte zal worden verdeeld. Deze afspraak wordt nagekomen. De goederen van de vader staan onder bewind, hetgeen met zich mee kan brengen dat de betaling van de helft van de kinderbijslag aan de moeder soms wat later volgt dan de datum waarop het geld door de SVB wordt overgemaakt. Daarbij komt dat de vader nagenoeg alle grote kostenposten voor zijn rekening neemt. De moeder kiest er zelf voor om zaken zoals kleding of voetbalspullen ook aan te schaffen. [minderjarige] kan de spullen van de vader meenemen als hij bij de moeder verblijft. Bovendien kan de moeder een bonnetje laten zien van de door haar aangeschafte spullen als zij financieel ondersteund moet worden, maar zij doet dit niet. [minderjarige] zal de komende jaren diverse orthodontie behandelingen nodig hebben. Dit zal zeker € 3.000,- gaan kosten dat zelf dient te worden gefinancierd. De vader spaart hier al geruime tijd voor en zal deze kosten volledig op zich nemen. Het financiële argument kan derhalve ook niet leiden tot rechtvaardiging voor een wijziging van de hoofdverblijfplaats. </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.3.</nr>
      <para>De raad adviseert – samengevat – het volgende. Het is positief dat de ouders ervoor open staan om aan de slag te gaan met een traject voor ouderschapsreorganisatie bij [instantie] . Er is veel onduidelijkheid tussen de ouders en [minderjarige] zal daar last van hebben. Mogelijk wordt een deel van de onduidelijkheid opgelost als [minderjarige] wordt ingeschreven op het adres van de moeder. [minderjarige] is doordeweeks voornamelijk bij de moeder en zij zal dus zorgdragen voor begeleiding van [minderjarige] naar de meeste afspraken. Juist rondom die afspraken gaat het mis in de communicatie tussen de ouders.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.4.</nr>
      <para>Het hof overweegt als volgt. </para>
      <para />
      <paragroup>
        <nr>4.4.1.</nr>
        <para>Ingevolge artikel 1:253a lid 1 van het Burgerlijk Wetboek (BW) kunnen geschillen omtrent de gezamenlijke uitoefening van het ouderlijk gezag aan de rechter worden voorgelegd. Daartoe behoort ook, gelet op artikel 1:253a lid 2, aanhef en sub b BW, het geschil bij welke ouder het kind zijn hoofdverblijfplaats heeft. De rechter neemt een zodanige beslissing als hem in het belang van het kind wenselijk voorkomt. </para>
        <para />
      </paragroup>
      <paragroup>
        <nr>4.4.2.</nr>
        <para>Ingevolge het ouderschapsplan heeft [minderjarige] zijn hoofdverblijf bij de vader en is hij aldaar ingeschreven in de Basisregistratie Personen (BRP). Uit de stukken en hetgeen besproken tijdens de mondelinge behandeling in hoger beroep, alsmede gelet op het door de moeder geformuleerde verzoek in eerste aanleg, concludeert het hof dat tussen partijen niet in geschil is dat het verzoek van de moeder in hoger beroep zo moet worden begrepen dat zij verzoekt het hoofdverblijf van [minderjarige] én daarmee zijn inschrijving in de BRP te wijzigen.</para>
        <para />
      </paragroup>
      <paragroup>
        <nr>4.4.3.</nr>
        <parablock>
          <para>Het hof stelt voorop dat er geen aantoonbare zorgen zijn over de opvoedomgeving van de vader die maken dat de hoofdverblijfplaats van [minderjarige] enkel om die reden zou moeten worden gewijzigd. Wel is duidelijk geworden dat de communicatie tussen partijen moeizaam verloopt. Dit betreft communicatie over [minderjarige] , over afspraken voor [minderjarige] en over financiële zaken. Dit veroorzaakt onrust en onduidelijkheid. Met de raad is het hof van oordeel dat [minderjarige] hier last van heeft.</para>
          <para>Van belang is dat de zorgregeling uit het ouderschapsplan feitelijk is gewijzigd en dat [minderjarige] inmiddels al geruime tijd, te weten sinds februari 2023, meer tijd bij de moeder doorbrengt dan in het ouderschapsplan is bepaald. Er is nu een zorgregeling waarbij [minderjarige] van dinsdagmiddag na school tot zaterdagmiddag bij de moeder verblijft. De moeder draagt daarbij ook zorg voor de begeleiding van [minderjarige] naar het voetbal op zaterdag. Hij is bij de moeder gedurende vier nachten/dagen per week. [minderjarige] verblijft vervolgens van zaterdagmiddag tot dinsdag voor school bij de vader. Dit betreft drie nachten/dagen. Hoewel een dergelijke regeling – an sich – nog steeds als een co-ouderschapregeling kan worden betiteld, doet dit niet af aan het feit dat [minderjarige] per week meer tijd bij de moeder dan de vader doorbrengt. Dit betreft bovendien het overgrote deel van de doordeweekse dagen. Logischerwijs kan het dan ook niet anders dan dat de afspraken voor [minderjarige] voornamelijk zullen plaatsvinden op de dagen dat hij bij de moeder verblijft en dat zij hiervoor zorgdraagt; de vader heeft hiervoor enkel maandagmiddag na schooltijd beschikbaar. </para>
          <para>Voornoemde omstandigheden in onderlinge samenhang bezien brengen naar het oordeel van hof met zich dat het redelijk is en mede om praktische redenen wenselijk is in het belang van [minderjarige] dat hij wordt ingeschreven op het adres van de moeder. De huidige onrust over de afspraken is niet in het belang van [minderjarige] . Het hof gaat ervan uit dat als de moeder alle berichtgeving over afspraken ontvangt, de onrust hieromtrent zal verminderen. Zij kan dan zelf afspraken inplannen en wijzigen op basis van haar agenda. Bovendien zal de moeder financiële aangelegenheden kunnen aanvragen voor [minderjarige] wanneer hij bij haar wordt ingeschreven. Dit zal ook de onrust hieromtrent verminderen omdat de moeder dan in staat is zelf spullen aan te schaffen voor [minderjarige] en partijen minder in overleg hoeven te treden over financiële zaken c.q. bonnetjes wanneer de moeder bepaalde uitgaven voor [minderjarige] heeft gedaan. Het hof merkt uitdrukkelijk op dat het belangrijk is en blijft dat beide ouders elkaar over en weer informeren over zaken en afspraken aangaande [minderjarige] en dat zij in het belang van [minderjarige] bij [instantie] zullen gaan werken aan de verbetering van hun onderlinge communicatie.</para>
        </parablock>
        <para />
      </paragroup>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.5.</nr>
      <para>Het hof concludeert dat in het belang van [minderjarige] is om zijn hoofdverblijfplaats en mitsdien zijn inschrijving in de BRP te wijzigen. Dit laatste zal het hof niet in het dictum van onderhavige beschikking opnemen nu de moeder in hoger beroep slechts heeft verzocht om bepaling van het hoofdverblijf van [minderjarige] bij haar. Het hof zal de beschikking waarvan beroep vernietigen voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen, en het verzoek van de moeder om de hoofdverblijfplaats van [minderjarige] te wijzigen alsnog toewijzen.</para>
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>
      <nr>5</nr>De beslissing</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het hof:</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>vernietigt de tussen partijen gegeven beschikking van de rechtbank Limburg, zittingsplaats Maastricht, van 31 oktober 2024 voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen;</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>en in zoverre opnieuw rechtdoende;</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>bepaalt het hoofdverblijf van <emphasis role="bold">[minderjarige]</emphasis>, geboren op [geboortedatum] 2013 te [geboorteplaats] , bij de moeder;</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>wijst af het meer of anders verzochte.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Deze beschikking is gegeven door mrs. E.M.D.M. van der Linden, E.P. de Beij en K.A. Boshouwers en is op 26 juni 2025 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van mr. C.A.M. Smolders, griffier.</para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>