<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:GHSHE:2025:1657</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2025-10-07T10:27:06</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2025-06-17</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Gerechtshof_'s-Hertogenbosch" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Gerechtshof 's-Hertogenbosch</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2025-06-12</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">200.348.257_01</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#verwijzingNaHogeRaad">Verwijzing na Hoge Raad</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">'s-Hertogenbosch</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#civielRecht_personenEnFamilierecht">Civiel recht; Personen- en familierecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHSHE:2025:1657">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHSHE:2025:1657</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2025-10-07T10:26:20</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2025-10-07</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:GHSHE:2025:1657 Gerechtshof 's-Hertogenbosch , 12-06-2025 / 200.348.257_01</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:GHSHE:2025:1657:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <parablock>
        <para>Zorgregeling. Procedure in hoger beroep na cassatie. Omvang van de rechtsstrijd. </para>
        <para>Door de gang van zaken in de procedures in eerste aanleg, hoger beroep en cassatie, die zijn aangevangen met het inleidend verzoek van de moeder van september 2022, is de zorgregeling in nog geen enkele bodemprocedure inhoudelijk door een rechter beoordeeld en heeft er (derhalve) nog geen enkel raadsonderzoek plaatsgevonden. Het hof acht van belang dat er nu eerst onderzoek wordt gedaan door een onafhankelijke, professionele instantie, om zicht te krijgen op de in de beschikking beschreven zorgen.</para>
      </parablock>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:GHSHE:2025:1657:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <uitspraak.info>
    <bridgehead role="bold">GERECHTSHOF 's-HERTOGENBOSCH</bridgehead>
    <para>Team familie- en jeugdrecht</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Uitspraak: 12 juni 2025</para>
      <para>Zaaknummer gerechtshof: 200.348.257/01</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Zaaknummer rechtbank Midden-Nederland, locatie Utrecht : C/16/544880 / FO RK 22-1035 </para>
      <para>Zaaknummer gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, locatie Arnhem: 200.323.766/01</para>
      <para>Zaaknummer Hoge Raad: 23/04744</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>in de zaak in hoger beroep <emphasis role="bold">na verwijzing door de Hoge Raad</emphasis> van:</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold underline">
          [de moeder]
        </emphasis>,</para>
      <para>wonende te [woonplaats] ,</para>
      <para>verzoekster in hoger beroep,</para>
      <para>hierna te noemen: de moeder,</para>
      <para>advocaat: mr. H. Loonstein,</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>tegen</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold underline">
          [de vader]
        </emphasis>,</para>
      <para>wonende te [woonplaats] ,</para>
      <para>verweerder in hoger beroep,</para>
      <para>hierna te noemen: de vader,</para>
      <para>advocaat: mr. S. Meeuwsen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Deze zaak gaat over de minderjarigen:</para>
    </parablock>
    <itemizedlist mark="-">
      <listitem>
        <para>
          <emphasis role="bold underline">
            [minderjarige 1]
          </emphasis>, geboren op [geboortedatum] 2018 te [geboorteplaats] ; </para>
      </listitem>
      <listitem>
        <para>
          <emphasis role="bold underline">
            [minderjarige 2]
          </emphasis>, geboren op [geboortedatum] 2021 te [geboorteplaats] .</para>
      </listitem>
    </itemizedlist>
    <para />
    <parablock>
      <para>In zijn hoedanigheid als omschreven in artikel 810 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering is in de procedure gekend:</para>
      <para>de <emphasis role="bold underline">Raad voor de Kinderbescherming</emphasis>,</para>
      <para>locatie: [locatie] , </para>
      <para>hierna te noemen: de raad.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </uitspraak.info>
  <section>
    <title>
      <nr>1</nr>Het geding in cassatie</title>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>1.1.</nr>
      <para>Het hof verwijst voor het verloop van het geding in cassatie naar de beschikking van de Hoge Raad der Nederlanden (hierna: de Hoge Raad) van 28 juni 2024, uitgesproken onder voormeld zaaknummer.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>1.2.</nr>
      <para>Bij die beschikking heeft de Hoge Raad de beschikking van het hof Arnhem-Leeuwarden, locatie Arnhem, van 19 september 2023 vernietigd en het geding naar het hof ’s-Hertogenbosch verwezen ter verdere behandeling en beslissing. </para>
      <para />
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>2</nr>Het geding in hoger beroep na verwijzing</title>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>2.1.</nr>
      <para>Het hof heeft kennisgenomen van de inhoud van:</para>
      <para>- het procesdossier in eerste aanleg, in hoger beroep en in cassatie;</para>
      <para>- de brief met bijlagen van de advocaat van de moeder d.d. 1 november 2024;</para>
      <para>- V8-formulier van de advocaat van de moeder d.d. 10 januari 2025;</para>
      <para>- de brief met bijlage van de advocaat van de vader d.d. 19 februari 2025;</para>
      <para>- V8-formulier van de advocaat van de moeder van 24 april 2025;</para>
      <para>- V8-formulier van de advocaat van de moeder van 28 april 2025, met bijlage;</para>
      <para>- de op de mondelinge behandeling overgelegde spreekaantekeningen van de advocaat van de moeder.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.2.</nr>
      <para>De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 8 mei 2025. Bij die gelegenheid zijn gehoord: </para>
      <para>- de moeder, bijgestaan door mr. Loonstein;</para>
      <para>- de vader, bijgestaan door mr. Meeuwsen;</para>
      <para>- de raad, vertegenwoordigd door [vertegenwoordiger van de raad] . </para>
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section role="overwegingen">
    <title>
      <nr>3</nr>De beoordeling</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">De feiten</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>3.1.</nr>
      <para>Partijen zijn de ouders van :</para>
      <itemizedlist mark="-">
        <listitem>
          <para>
            [minderjarige 1] , geboren op [geboortedatum] 2018 te [geboorteplaats] , hierna te noemen: [minderjarige 1] ;</para>
        </listitem>
        <listitem>
          <para>
            [minderjarige 2] , geboren op [geboortedatum] 2021 te [geboorteplaats] , hierna te noemen: [minderjarige 2] .</para>
        </listitem>
      </itemizedlist>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.2.</nr>
      <parablock>
        <para>De vader heeft de kinderen erkend. </para>
        <para>Partijen oefenen gezamenlijk het ouderlijk gezag over de kinderen uit.</para>
        <para>De kinderen wonen bij de moeder<emphasis role="italic">.</emphasis></para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">De procedure in eerste aanleg </emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.3.</nr>
      <para>De moeder heeft de rechtbank Midden-Nederland – voor zover thans nog van belang – verzocht:</para>
      <para>a. 	te bepalen dat de zorgregeling wordt vastgesteld; primair door de regeling uit het</para>
      <parablock>
        <para>aangehechte ouderschapsplan te bekrachtigen en subsidiair om te bepalen dat de</para>
        <para>kinderen bij de vader zullen zijn volgens het schema opgenomen onder punt 14 van</para>
        <para>het verzoek;</para>
      </parablock>
      <para>b. 	te bepalen dat vakanties van langer dan één week en de feestdagen bij helfte worden</para>
      <parablock>
        <para>verdeeld, waarbij in de even jaren de vader het recht van eerste keus heeft en in de</para>
        <para>oneven jaren de moeder het recht van eerste keus heeft.</para>
      </parablock>
      <para />
      <paragroup>
        <nr>3.3.1.</nr>
        <parablock>
          <para>In het aangehechte ouderschapsplan is een regeling opgenomen waarbij de vader de kinderen in de oneven weken op zaterdag om circa 09.00 uur bij de moeder ophaalt en de moeder [minderjarige 2] om circa 16.00 uur bij de vader ophaalt, en [minderjarige 1] bij de vader blijft tot maandagochtend, als de vader [minderjarige 1] naar school brengt – in vakanties haalt de moeder [minderjarige 1] op maandag om circa 9.00 uur op bij de vader. </para>
          <para>Ook is in het ouderschapsplan een verdeling van de schoolvakanties en feestdagen opgenomen:</para>
          <para>In het ouderschapsplan zijn verder afspraken opgenomen over de planning van de vakanties en feestdagen en (overige) bijzondere dagen, alsmede een jaarlijkse vakantie naar [land] waar de ouders van de moeder wonen.</para>
        </parablock>
        <para />
      </paragroup>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.4.</nr>
      <para>De vader heeft verzocht voormelde verzoeken van de moeder af te wijzen en bij zelfstandig (tegen)verzoek verzocht de volgende zorgregeling vast te stellen:</para>
      <para>- week 1: de vader haalt [minderjarige 1] op vrijdag uit zijn werk op bij de moeder. [minderjarige 1] blijft</para>
      <parablock>
        <para>bij de vader tot maandag, waarop de vader haar naar school brengt. Op</para>
        <para>zaterdagochtend om 09.00 uur haalt de vader [minderjarige 2] op bij de moeder. Zij blijft</para>
        <para>vervolgens tot zondag 16.00 uur bij de vader, waarna de moeder haar weer ophaalt</para>
        <para>bij de vader;</para>
      </parablock>
      <para>- week 2: de vader haalt [minderjarige 1] en [minderjarige 2] na het werk op bij de moeder. De kinderen</para>
      <parablock>
        <para>verblijven vervolgens tot zaterdag 16.00 uur bij de vader, waarna de moeder de</para>
        <para>kinderen weer ophaalt bij de vader;</para>
      </parablock>
      <para>- week 3: conform week 1;</para>
      <para>- week 4: op donderdag haalt de vader [minderjarige 2] om 09.00 uur bij de moeder. Om 14:15</para>
      <parablock>
        <para>uur haalt de vader [minderjarige 1] uit school en brengt hij [minderjarige 2] terug naar de moeder.</para>
        <para>
          [minderjarige 1] blijft bij tot vrijdagochtend bij de vader, waarna hij haar naar school brengt.</para>
        <para>De kinderen zijn vervolgens het weekend bij de moeder.</para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.5.</nr>
      <para>Tijdens de mondelinge behandeling in eerste aanleg zijn de ouders het eens geworden over de volgende regeling, voor zover thans nog van belang: </para>
      <para>- [minderjarige 1] en [minderjarige 2] verblijven bij de vader: de ene week (week 1) van vrijdag na het avondeten tot zondag na het avondeten en de andere week (week 2) van vrijdag 14.00 uur tot zaterdag 10.00 uur; </para>
      <para>- vakanties van langer dan één week en de feestdagen bij helfte verdeeld, waarbij in de even jaren de vader het recht van eerste keus heeft en in de oneven jaren de moeder het recht van eerste keus heeft. </para>
      <parablock>
        <para>Daarnaast hebben de ouders tijdens die mondelinge behandeling in eerste aanleg uitgesproken dat zij naar de invulling van de zorgregeling zullen blijven kijken nu deze regeling niet geldt als een definitieve zorgregeling.</para>
        <para>De rechtbank heeft in de beschikking van 14 december 2022 conform de tussen partijen bereikte overeenstemming beslist. </para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">De procedure in hoger beroep </emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.6.</nr>
      <para>De moeder heeft – voor zover thans nog van belang – het hof Arnhem-Leeuwarden verzocht de bestreden beschikking te vernietigen en de verzoeken van de moeder aangaande de omgang alsnog toe te wijzen, zoals verzocht in het beroepschrift.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.7.</nr>
      <para>Bij beschikking van 19 september 2023 heeft het hof Arnhem-Leeuwaren, locatie Arnhem, de moeder niet-ontvankelijk verklaard in haar verzoeken in hoger beroep en de moeder veroordeeld tot betaling van de in de beschikking gespecificeerde proceskosten van de vader in hoger beroep.</para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">De procedure in cassatie </emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.8.</nr>
      <para>Bij beschikking van 28 juni 2024 heeft de Hoge Raad de beschikking van het hof Arnhem-Leeuwarden, locatie Arnhem, van 19 september 2023 vernietigd en het geding naar het hof ’s-Hertogenbosch verwezen ter verdere behandeling en beslissing.  </para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">Procedure in kort geding </emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.9.</nr>
      <para>Op enig moment na de procedure in cassatie is de moeder – zo staat tussen partijen vast – bij vonnis in kort geding, waarover het hof niet beschikt, veroordeeld tot nakoming van de zorgregeling in de beschikking van 14 december 2022 op straffe van verbeurte van dwangsommen. </para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">De procedure in hoger beroep na verwijzing </emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.10.</nr>
      <parablock>
        <para>In haar beroepschrift in de procedure in hoger beroep vóór cassatie heeft de moeder, samengevat, het volgende aangevoerd. </para>
        <para>De relatie tussen partijen was toxisch, waarbij de vader de moeder veelal kleineerde en intimideerde. Hij heeft zich altijd weinig bekommerd om de verzorging en opvoeding van de kinderen. De vader is (gok- en drugs)verslaafd, hetgeen tot onveilige situaties voor de kinderen leidt. De vader komt veelvuldig te laat in het kader van contactregeling en hij komt de afspraken niet na. Regelmatig gooit hij het schema om, neemt hij de kinderen mee naar zijn werk of brengt hij ze naar zijn ouders omdat hij moet werken. Het is de vader zelf die voor de kinderen moet zorgen en niet een derde. De praktijk wijst dan ook uit dat de contactregeling uit de beschikking van 14 december 2022 niet werkt.</para>
        <para>De vader werkt de vakanties van de moeder met de kinderen naar het buitenland ( [land] ) tegen, door onredelijke voorwaarden te stellen aan het geven van zijn toestemming. </para>
        <para>Zijn rijgedrag met kinderen in de auto is onverantwoord. De moeder heeft filmpjes in het geding gebracht die de vader tijdens het rijden heeft gemaakt, terwijl hij hard rijdt en waarop te zien is dat de dochter van partijen niet in een autozitje zit en geen gordel om heeft. In het verleden heeft de vader zijn rijbewijs verloren in verband met te hard rijden. </para>
        <para>De kinderen hebben last van de houding en de gedragingen van de vader. De vader is ook negatief over de moeder in het bijzijn van de kinderen.</para>
        <para>De ouders hebben bij het maken van de afspraken uitgesproken dat zij naar de invulling van de zorgregeling zullen blijven kijken, nu deze regeling niet zou gelden als een definitieve zorgregeling. De moeder meent dat zij voldoende aantoont dat de zorgregeling voor wijziging vatbaar is. </para>
      </parablock>
      <para />
      <paragroup>
        <nr>3.10.1.</nr>
        <parablock>
          <para>In de procedure in hoger beroep na cassatie heeft de moeder, samengevat en in aanvulling op het voorgaande, het volgende aangevoerd. </para>
          <para>Inmiddels is de moeder van mening dat de omgang tussen de vader en de kinderen nog verder zou moeten worden ingeperkt, in die zin dat de kinderen niet langer bij de vader overnachten. In die zin wil de moeder haar verzoek wijzigen.</para>
          <para>De moeder heeft nog altijd zorgen over de verslavingen van de vader en de manier waarop hij invulling geeft aan de zorgregeling en aan zijn opvoedtaken. De vader woont, na weer een relatiebreuk, in bij zijn oom en tante. Er is nu dus een andere situatie dan ten tijde van de procedure in kort geding, waarin de moeder tot nakoming is veroordeeld, aangezien hij toen weliswaar ook geen eigen woning had, maar bij zijn toenmalige partner verbleef. Nu slapen de kinderen en de vader bij zijn oom en tante in de woonkamer; de kinderen op een luchtbed en de vader op de bank. De moeder maakt zich zorgen om die situatie, ook omdat de kinderen daar aan ruzies tussen de vader en zijn oom en tante worden blootgesteld. De vader zegt dat hij een eigen woning heeft, maar daar heeft de moeder geen bewijs van gezien. De vader werkt zeven dagen per week en heeft feitelijk geen tijd om de kinderen op te vangen.</para>
          <para>De moeder heeft de vader alternatieven geboden om de kinderen toch te kunnen zien in de periode waarin zij niet bij de vader kunnen overnachten. Op de suggesties, bijvoorbeeld om bij het afzwemmen van [minderjarige 1] aanwezig te zijn, is de vader echter niet ingegaan. </para>
          <para>Voor het hof een definitieve beslissing neemt zou de raad onderzoek moeten doen naar welke regeling in het belang van de kinderen zou zijn. Wellicht ziet het hof ruimte om een tijdelijke zorgregeling vast te stellen om de periode van het raadsonderzoek te overbruggen. </para>
        </parablock>
        <para />
      </paragroup>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.11.</nr>
      <parablock>
        <para>In zijn verweerschrift in de procedure in hoger beroep vóór cassatie heeft de vader, samengevat, het volgende aangevoerd.</para>
        <para>De moeder speelt welles-nietes spelletjes, maakt de vader zwart en gedraagt zich “flauw, kinderlijk en schadelijk voor de kinderen”. De moeder overdrijft en blaast de dingen op. Er zijn wel communicatieproblemen, maar dat speelt tussen de ouders. De moeder spant derden voor haar karretje om kwalijke dingen over de vader te verklaren. </para>
        <para>Contact met de vader is in het belang van de kinderen. Ze zijn altijd blij om de vader te zien.</para>
        <para>Soms is de vader te laat wegens verkeersdrukte, maar hij laat de moeder altijd iets weten. De vader heeft zich één keer vergist in de tijd maar ook de moeder is een keer een rapportgesprek van [minderjarige 1] vergeten.</para>
        <para>Tijdens de mondelinge behandeling van het 223 Rv-verzoek bij het gerechtshof Arnhem-Leeuwaren, dat is afgewezen, heeft de moeder zelf verklaard dat de regeling goed verliep. </para>
      </parablock>
      <para />
      <paragroup>
        <nr>3.11.1.</nr>
        <parablock>
          <para>In de procedure in hoger beroep na cassatie heeft de vader, samengevat en in aanvulling op het voorgaande, het volgende aangevoerd. </para>
          <para>De vader heeft een eigen woonruimte en hij verblijft daar ook al regelmatig. De woning is nog niet helemaal af maar de kinderen kunnen daar al slapen; hun slaapkamer is af. De zorgen die de moeder had, bijvoorbeeld over het rijgedrag van de vader, zijn niet meer actueel. De vader is goed in staat om voor de kinderen te zorgen; er zijn genoeg mensen in zijn omgeving die dat kunnen bevestigen. </para>
          <para>Inmiddels is de moeder in een kort geding procedure veroordeeld tot nakoming van de zorgregeling die in de beschikking van 14 december 2022 is opgenomen, op straffe van verbeurte van dwangsommen. De moeder heeft al een behoorlijk bedrag verbeurd, doordat zij deze regeling sinds begin 2025 weigert na te komen. De vader wordt ‘kapot geprocedeerd’ en komt, anders dan de moeder, niet in aanmerking voor een toevoeging. </para>
          <para>De suggestie dat de vader verslavingsproblematiek zou hebben is ongefundeerd en het is bijna klachtwaardig dat de advocaat van de moeder zonder enig bewijs beweert dat hij daarvoor hulp zou moeten zoeken. </para>
          <para>De vader heeft wel schulden, maar die zijn ontstaan doordat zijn vader zijn financiën niet goed heeft beheerd. Hij lost op de schulden af door veel te werken. Als de kinderen weer bij de vader mogen zijn, stopt hij echter direct met het werken in de weekenden.</para>
          <para>Het traineren van een vaste omgangsregeling dient te stoppen. De moeder moet duidelijk worden gemaakt dat zij de regeling dient na te komen. Zij grijpt alles aan om de vader buiten spel te zetten.</para>
        </parablock>
        <para />
      </paragroup>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.12.</nr>
      <parablock>
        <para>De raad heeft tijdens de mondelinge behandeling van het hof geadviseerd een raadsonderzoek te gelasten aangezien er zoveel onduidelijk is en de verklaringen van de ouders haaks op elkaar staan. </para>
        <para>Voor de kinderen is het belangrijk dat de zaken voor hen voorspelbaar zijn. Een raadsonderzoek kan duidelijkheid verschaffen over wat er tussen de ouders speelt en wat in het belang van de kinderen is.</para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.13.</nr>
      <para>Het hof oordeelt als volgt.</para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">Omvang rechtsstrijd na verwijzing</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
      <paragroup>
        <nr>3.13.1.</nr>
        <para>Artikel 424 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) schrijft voor dat de rechter naar wie het geding is verwezen de behandeling daarvan voortzet en beslist met inachtneming van de uitspraak van de Hoge Raad.</para>
        <para />
      </paragroup>
      <paragroup>
        <nr>3.13.2.</nr>
        <para>Omdat de Hoge Raad de beschikking van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 19 september 2023 heeft vernietigd, dienen in beginsel alle aangevoerde grieven opnieuw te worden behandeld, met inachtneming van de beschikking van de Hoge Raad. Daarbij is dit hof echter gebonden aan onderdelen van de beschikking van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden die als niet of tevergeefs in cassatie bestreden in stand zijn gebleven.</para>
        <para />
      </paragroup>
      <paragroup>
        <nr>3.13.3.</nr>
        <para>De vader en de moeder hebben in eerste aanleg hun oorspronkelijke verzoeken ten aanzien van de contactregeling tijdens de zitting niet gehandhaafd, maar afspraken gemaakt over de omgang, op grond waarvan de kinderen drie van de vier weekenden bij de vader verblijven, en verzocht die afspraken in de beschikking op te nemen, hetgeen de rechtbank heeft gedaan. </para>
        <para />
      </paragroup>
      <paragroup>
        <nr>3.13.4.</nr>
        <parablock>
          <para>De moeder heeft in hoger beroep verzocht alsnog de eerder verzochte (beperktere) regeling vast te stellen, zoals zij aanvankelijk in eerste aanleg had verzocht, die neerkomt op een regeling waarbij de kinderen een weekend per veertien dagen (oneven week) bij de vader verblijven van vrijdag 17.00 uur tot zondag 18.00 uur. Vader heeft geen incidenteel appel ingesteld. </para>
          <para>De moeder is in haar verzoek in hoger beroep door het hof Arnhem-Leeuwarden niet-ontvankelijk verklaard. Het hof is daarmee in het geheel niet aan de inhoudelijke beoordeling van het verzoek van de moeder in hoger beroep toegekomen. </para>
        </parablock>
        <para />
      </paragroup>
      <paragroup>
        <nr>3.13.5.</nr>
        <parablock>
          <para>De beschikking van het hof Arnhem-Leeuwarden is ten aanzien van die beslissing, over de ontvankelijkheid van de moeder in haar verzoek in hoger beroep over de omgang, in cassatie vernietigd, evenals de beslissing ten aanzien van de proceskosten.  </para>
          <para>Deze beslispunten liggen derhalve (in zijn geheel) thans aan dit hof voor. </para>
        </parablock>
        <para />
      </paragroup>
      <paragroup>
        <nr>3.13.6.</nr>
        <parablock>
          <para>Voor de volledigheid stelt het hof vast dat in cassatie niet is opgekomen tegen het oordeel van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden om de moeder niet-ontvankelijk te verklaren in haar verzoeken in hoger beroep met betrekking tot het gezag en de kinderalimentatie, zodat deze verzoeken na verwijzing door de Hoge Raad niet meer aan de orde zijn.</para>
          <para>Overigens heeft de moeder op de mondelinge behandeling bevestigd dat het hof alleen dient te beslissen op haar verzoek over de omgang.</para>
        </parablock>
        <para />
        <parablock>
          <para>
            <emphasis role="italic">Wijziging verzoek tijdens de mondelinge behandeling afgewezen: tardief en niet schriftelijk</emphasis>
          </para>
        </parablock>
        <para />
      </paragroup>
      <paragroup>
        <nr>3.13.7.</nr>
        <parablock>
          <para>De gebondenheid van de verwijzingsrechter aan in stand gebleven beslissingen van de vorige feitenrechter is uit de aard van de zaak minder in procedures waarin de rechter moet oordelen aan de hand van de actuele situatie.</para>
          <para>In het verlengde daarvan is in dit soort zaken in de verwijzingsprocedure ook meer ruimte voor het aanvoeren van nieuwe grieven of weren. Daarbij worden de grenzen vooral bepaald door de goede procesorde en het de wederpartij genoegzaam in de gelegenheid stellen haar verweer aan te vullen of standpunten te herzien naar aanleiding van een eventuele verandering of vermeerdering van eis of verzoek.</para>
        </parablock>
        <para />
        <parablock>
          <para>Naar het oordeel van het hof is het door de moeder tijdens de mondelinge behandeling gedane mondeling gewijzigde verzoek in dit concrete geval, gelet op de gegeven omstandigheden, tardief en in strijd met de goede procesorde. Daartoe overweegt het hof als volgt.</para>
        </parablock>
        <para />
      </paragroup>
      <paragroup>
        <nr>3.13.8.</nr>
        <parablock>
          <para>Na het aanbrengen van de zaak bij het hof op 1 november 2024, heeft de advocaat van de moeder op 10 januari 2025 nog (summier) aangegeven op welk geschilpunt het hof naar zijn mening nog diende te beslissen, maar vervolgens is het tot aan de mondelinge behandeling, vijf maanden later, stil gebleven aan de zijde van de moeder. Vervolgens geeft de moeder eerst tijdens de mondelinge behandeling mondeling aan haar verzoek te willen wijzigen, waarbij zij zich beroept op de actuele stand van zaken. </para>
          <para>De vader maakt daartegen uitdrukkelijk bezwaar en stelt zich op het standpunt dat hij niet, althans niet voldoende in de gelegenheid is geweest hierop verweer te voeren. </para>
          <para>Het hof acht voldoende aannemelijk dat de vader door de handelwijze van de moeder in zijn procesbelangen wordt geschaad. Het in een laat stadium (schriftelijk) wijzigingen van het primaire verzoek, is onder bijzondere omstandigheden weliswaar mogelijk, maar in dit concrete geval in strijd met de goede procesorde, en bovendien niet schriftelijk gedaan. Niet valt in te zien dat de moeder niet reeds (ruim) voor de mondelinge behandeling haar gewijzigde verzoek schriftelijk had kunnen opwerpen, onderbouwd met actuele feiten en gegevens. De wijziging van haar verzoek in hoger beroep zoals de moeder die tijdens de mondelinge behandeling heeft gedaan impliceren bovendien een rigoureuze inperking van contacten tussen de vader en de kinderen. </para>
          <para>Dat betekent dat het bezwaar van de vader gegrond is, de mondelinge wijziging van het verzoek, in die zin dat de moeder het hof thans primair verzoekt een regeling vast te stellen waarbij de kinderen niet bij de vader overnachten, wordt afgewezen en dat wordt uitgegaan van de grieven en het petitum zoals geformuleerd in het beroepschrift, ingediend bij het gerechtshof Arnhem-Leeuwaren op 6 maart 2023.</para>
          <para>Hetgeen betekent dat het hof, zoals het verzoek nu voorligt, dient te beslissen op het verzoek van de moeder een regeling vast te stellen waarbij de kinderen een weekend per veertien dagen (oneven week) bij de vader verblijven van vrijdag 17.00 uur tot zondag 18.00 uur.</para>
        </parablock>
        <para />
        <parablock>
          <para>
            <emphasis role="italic">Inhoudelijke beoordeling</emphasis>
          </para>
        </parablock>
        <para />
      </paragroup>
      <paragroup>
        <nr>3.13.9.</nr>
        <parablock>
          <para>Ingevolge artikel 1:253a lid 1 van het Burgerlijk Wetboek (BW) kunnen geschillen omtrent de gezamenlijke uitoefening van het ouderlijk gezag aan de rechter worden voorgelegd.</para>
          <para>In het geval van een geschil omtrent de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken kan de rechter, gelet op artikel 1:253a lid 2, aanhef en sub a, BW, een regeling vaststellen.</para>
          <para>De rechter neemt een zodanige beslissing als hem in het belang van het kind wenselijk voorkomt. </para>
        </parablock>
        <para />
      </paragroup>
      <paragroup>
        <nr>3.13.10.</nr>
        <para>Tussen partijen is in geschil op welke wijze de verdeling van zorg- en opvoedingstaken met betrekking tot de kinderen dient te worden vastgesteld. </para>
        <para />
      </paragroup>
      <paragroup>
        <nr>3.13.11.</nr>
        <parablock>
          <para>Tijdens de mondelinge behandeling is het het hof duidelijk geworden dat partijen de in de beschikking van 14 december 2022 opgenomen regeling gedurende twee jaar zijn nagekomen, namelijk tot eind 2024/begin 2025. Het contact tussen de vader en de kinderen is toen eenzijdig gestopt door de moeder. In een kort geding procedure is de moeder veroordeeld tot nakoming van de regeling, op straffe van verbeurte van dwangsommen. De moeder kwam de regeling vervolgens weer na, maar is daarmee weer gestopt per 21 maart 2025. De moeder acht overnachtingen van de kinderen bij de vader niet verantwoord, met name omdat de vader geen (voor de kinderen) geschikte en veilige plek heeft waar zij kunnen verblijven. </para>
          <para>Deze informatie is het hof pas tijdens de mondelinge behandeling bekend geworden. Partijen hebben geen afschrift van de beslissing in kort geding overgelegd. Het hof heeft daarvan dus ook geen kennis kunnen nemen, waardoor het hof ook niet weet welke gronden en weren in die procedure zijn aangevoerd, of de raad bij die zitting aanwezig was en of de moeder in die procedure om een raadsonderzoek heeft verzocht. Het hof weet niet of de zorgen die de moeder in de onderhavige procedure naar voren heeft gebracht, ook in die procedure in kort geding zijn afgewogen. In ieder geval heeft de moeder kennelijk niet zelf een kort geding procedure gestart tot schorsing van de omgangsregeling van 14 december 2022. </para>
          <para>Het hof is van oordeel dat partijen niet aan de op hen rustende verplichting hebben voldaan om de voor de beslissing van belang zijnde feiten volledig en naar waarheid aan te voeren (art 21 Rv).</para>
        </parablock>
        <para />
      </paragroup>
      <paragroup>
        <nr>3.13.12.</nr>
        <parablock>
          <para>Op basis van de stukken en de geluids- en videofragmenten in het dossier van de eerste aanleg en in hoger beroep bij het hof Arnhem-Leeuwarden, die de periode tot medio 2023 beslaat, heeft het hof echter zorgen over de situatie waarin de kinderen zich bevinden. </para>
          <para>Hoewel partijen ieder een andere beleving hebben van de situatie, is het het hof duidelijk geworden dat de communicatie tussen partijen op ouderniveau moeizaam verloopt en dat de onenigheid tussen de ouders voor onduidelijkheid en onrust voor de kinderen zorgt. Partijen staan lijnrecht tegenover elkaar in hun visie over wat in het belang van de kinderen is. De concrete incidenten zoals beschreven in het logboek van de moeder ter zake van het verloop van de contactregeling, betreffende de periode tot juli 2023, zijn door de vader niet betwist. Hieruit staat onder meer dat de vader (volgens de moeder) vaak te laat is, op het laatste moment afzegt, de kinderen niet veilig vervoert in zijn auto en geen rekening houdt met de kattenallergie van [minderjarige 1] . De blote stelling van de vader dat deze incidenten allemaal tot het verleden behoren, acht het hof onvoldoende om de zorgen over het (pedagogische) handelen van de vader weg te nemen. </para>
          <para>Het hof vindt het tegelijkertijd ook zorgelijk dat de kinderen door eenzijdig handelen van de moeder, waarvoor kennelijk geen juridische titel bestaat, geregeld gedurende lange periodes geen contact hebben (gehad) met de vader. Dit zorgt voor onrust en onduidelijkheid bij de kinderen. <?linebreak?></para>
        </parablock>
      </paragroup>
      <paragroup>
        <nr>3.13.13.</nr>
        <parablock>
          <para>Of een wijziging van de omgangsregeling, zoals door de moeder is verzocht, in het belang van de kinderen is, kan het hof op dit moment niet beoordelen, omdat het hof zich daartoe nog onvoldoende voorgelicht acht. Zo heeft het hof onvoldoende zicht op de dynamiek tussen de ouders en kan niet beoordeeld worden of er, zoals de moeder betoogt, sprake is van een scheve machtsverhouding tussen de ouders, waarbij zij in bewijsnood verkeert, bijvoorbeeld met betrekking tot het intimiderende gedrag van de vader en zijn verslavingen dan wel zoals de vader betoogt het beperken van de omgang niet in het belang de kinderen is en het juist de moeder is die ongefundeerd laster over de vader verspreid en de omgang traineert en rechterlijke beslissingen niet naleeft. </para>
          <para>Het hof is van oordeel dat er met het welzijn van kinderen geen enkel risico mag worden genomen. Er dient zicht te komen op de ouderrelatie, de ruimte bij de moeder om de kinderen in het contact te ondersteunen en de mogelijkheden en onmogelijkheden van de vader om voor de kinderen te zorgen. Ook dient duidelijk te worden wat nodig is voor continuïteit in het contact tussen de vader en de kinderen.</para>
        </parablock>
        <para />
      </paragroup>
      <paragroup>
        <nr>3.13.14.</nr>
        <para>Door de gang van zaken in de procedures in eerste aanleg, hoger beroep en cassatie, zoals hiervoor onder 3.10.3. tot en met 3.10.5. is beschreven, die zijn aangevangen met het inleidend verzoek van de moeder van september 2022, is de regeling inzake de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken tussen de ouders in nog geen enkele bodemprocedure inhoudelijk door een rechter beoordeeld en heeft er (derhalve) nog geen enkel raadsonderzoek plaatsgevonden. Het hof acht van belang dat er nu eerst onderzoek wordt gedaan door een onafhankelijke, professionele instantie, om zicht te krijgen op de hiervoor beschreven zorgen.</para>
        <para />
      </paragroup>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.12.</nr>
      <para>Het hof zal op grond van het voorgaande de raad verzoeken om een onderzoek in te stellen en te rapporteren en adviseren omtrent de hierna volgende vragen:</para>
      <para>1. Welke mogelijkheden en belemmeringen ziet de raad voor contact tussen de vader en de kinderen?</para>
      <para>2. Wat acht de raad nodig om eventuele belemmeringen voor (verder) contact weg te nemen?</para>
      <para>3. Hoe dient de omgangsregeling tussen de kinderen en de vader qua aard, duur en frequentie vorm gegeven te worden? Zijn overnachtingen van de kinderen bij vader al dan niet hun belang? Bestaat er aanleiding voor beperking danwel uitbreiding van de omgang?</para>
      <para>4. Welke andere feiten en/of omstandigheden die uit het onderzoek naar voren zijn gekomen, zijn niet in voorgaande vragen aan de orde gesteld en zijn wel van belang om in de rapportage en het advies te vermelden?</para>
      <para />
      <parablock>
        <para>De ondergrens van de rechtsstrijd wordt op dit moment bepaald door het verzoek van de moeder dat zij in de procedure in hoger beroep bij het hof Arnhem-Leeuwarden heeft gedaan.</para>
        <para>Het hof wijst er uitdrukkelijk op dat de mogelijkheid bestaat dat de vader dan wel de moeder later in de procedure, bijvoorbeeld naar aanleiding van het advies van de raad of op basis van de dan geldende actuele stand van zaken zijn of haar verzoek schriftelijk kan wijzigen zolang dat niet in strijd met de goede procesorde wordt gedaan. Dit zou dan een beperking danwel uitbreiding van de omgang kunnen betreffen.</para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.13.</nr>
      <parablock>
        <para>Namens de moeder is tijdens de mondelinge behandeling nog een suggestie of mondeling verzoek gedaan om, als het hof zou besluiten over te gaan tot het laten verrichten van een raadsonderzoek, gedurende de pro forma aanhouding van de procedure een tijdelijke andere regeling vast te stellen. </para>
        <para>De vader heeft zich hiertegen verzet. </para>
        <para>Voor zover deze ‘suggestie’ al is aan te merken als een verzoek is dit verzoek (ook) tardief en niet schriftelijk gedaan en bovendien onvoldoende geconcretiseerd. Ook hiervoor geldt dat de vader door de handelwijze van de moeder in zijn procesbelangen wordt geschaad. Overigens, acht het hof zich – zoals hiervoor vermeld – onvoldoende voorgelicht om een gedegen afgewogen beslissing te kunnen geven over de omgang. Deze suggestie of verzoek zal het hof dan ook buiten beschouwing laten. </para>
        <para>Dit betekent concreet dat de beslissing van de rechtbank van 14 december 2022 voorlopig in stand blijft.</para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.14.</nr>
      <para>Het hof zal de verdere behandeling van de zaak vier maanden aanhouden, teneinde de resultaten van het onderzoek en het advies van de raad af te wachten. Partijen zullen vervolgens door het hof in de gelegenheid worden gesteld binnen twee weken schriftelijk te reageren op het rapport en het advies van de raad.</para>
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>
      <nr>4</nr>De beslissing</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het hof:</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>wijst af de mondelinge wijzigingen van het verzoek door de vrouw;</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>verzoekt de raad een onderzoek in te stellen conform hetgeen hiervoor onder<?linebreak?>rechtsoverweging 3.11. is overwogen;</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>verzoekt de raad tijdig vóór de hierna te noemen pro forma datum rapport en advies uit te brengen aan het hof, onder gelijktijdige verstrekking van een afschrift daarvan aan de raadslieden van partijen;</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>houdt iedere verdere beslissing aan tot PRO FORMA 13 oktober 2025.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Deze beschikking is gegeven door mrs. E.M.D.M. van der Linden, E.P. de Beij en G.M. Goes en is op 12 juni 2025 uitgesproken in het openbaar door mr. C.M.J. Peters in tegenwoordigheid van de griffier.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </section>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>