<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:GHSHE:2025:1552</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2026-07-18T00:01:33</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2025-06-05</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Gerechtshof_'s-Hertogenbosch" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Gerechtshof 's-Hertogenbosch</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2025-06-05</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">200.343.429_01</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#hogerBeroep">Hoger beroep</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">'s-Hertogenbosch</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#civielRecht_personenEnFamilierecht">Civiel recht; Personen- en familierecht</dcterms:subject>
      <dcterms:relation rdfs:label="Formele relatie" ecli:resourceIdentifier="ECLI:NL:RBOBR:2024:1815" psi:type="http://psi.rechtspraak.nl/hogerBeroep" psi:aanleg="http://psi.rechtspraak.nl/eerdereAanleg">Eerste aanleg: ECLI:NL:RBOBR:2024:1815</dcterms:relation>
      <dcterms:relation rdfs:label="Formele relatie" ecli:resourceIdentifier="ECLI:NL:HR:2026:1301" psi:type="http://psi.rechtspraak.nl/cassatie" psi:aanleg="http://psi.rechtspraak.nl/latereAanleg">Cassatie: ECLI:NL:HR:2026:1301</dcterms:relation>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
          <rdf:li>Sdu Nieuws Personen- en familierecht 2025/512</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHSHE:2025:1552">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHSHE:2025:1552</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2025-09-09T09:52:08</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2025-09-09</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:GHSHE:2025:1552 Gerechtshof 's-Hertogenbosch , 05-06-2025 / 200.343.429_01</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:GHSHE:2025:1552:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>wijziging kinderalimentatie</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:GHSHE:2025:1552:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <uitspraak.info>
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Team familie- en jeugdrecht</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>zaaknummer	: 200.343.429/01</para>
      <para>zaaknummer rechtbank	: C/01/395838 / FA RK 23-3318</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">beschikking van de meervoudige kamer van 5 juni 2025</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>inzake</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">
          [de man] ,						</emphasis>
      </para>
      <para>wonende te [woonplaats] ,</para>
      <para>verzoeker in hoger beroep,</para>
      <para>hierna te noemen: de man,</para>
      <para>advocaat mr. A.R. van Wieren te 's-Hertogenbosch,</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>tegen</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">
          [de vrouw] ,		</emphasis>
      </para>
      <para>wonende te [woonplaats] ,</para>
      <para>verweerster in hoger beroep,</para>
      <para>hierna te noemen: de vrouw,</para>
      <para>advocaat mr. R.T.P. Tielemans te Eindhoven.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Deze zaak gaat over de wijziging van de kinderalimentatie ten behoeve van de minderjarigen:</para>
    </parablock>
    <para>- [minderjarige 1] , geboren op [geboortedatum] 2011 (hierna: [minderjarige 1] ),	</para>
    <para>- [minderjarige 2] , geboren op [geboortedatum] 2014 (hierna: [minderjarige 2] ), 	</para>
    <para>(hierna ook: de kinderen).</para>
    <para />
    <para />
  </uitspraak.info>
  <section>
    <title>
      <nr>1</nr>Het verloop van het geding in eerste aanleg</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het hof verwijst voor het verloop van het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de rechtbank Oost-Brabant van 12 april 2024, uitgesproken onder voormeld zaaknummer.</para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>2</nr>Het geding in hoger beroep</title>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>2.1.</nr>
      <para>De man is op 10 juli 2024 in hoger beroep gekomen van de beschikking van 12 april 2024.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.2.</nr>
      <para>De vrouw heeft op 14 oktober 2024 een verweerschrift ingediend.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.3.</nr>
      <para>Bij het hof zijn voorts de volgende stukken ingekomen:</para>
      <para>- het V6-formulier van 2 september 2024 van de zijde van de man, met bijlage; </para>
      <para>- het V6-formulier van 4 april 2025 van de zijde van de man, met bijlagen (HB5 – HB14);</para>
      <para>- het V6-formulier van 4 april 2025 van de zijde van de vrouw, met bijlagen (4-12). </para>
      <para />
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.4.</nr>
      <para>De mondelinge behandeling heeft op 16 april 2025 plaatsgevonden. Partijen zijn in persoon verschenen, bijgestaan door hun advocaten. De advocaat van de man heeft tijdens de mondelinge behandeling pleitnotities overgelegd.</para>
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>3</nr>De feiten</title>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>3.1.</nr>
      <para>Het hof gaat uit van de door de rechtbank vastgestelde feiten voor zover daartegen in hoger beroep niet is opgekomen. Onder meer staat het volgende vast.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.2.</nr>
      <para>Partijen hebben tot 2020 een affectieve relatie met elkaar gehad. Zij zijn de ouders van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] .</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.3.</nr>
      <para>De man en de vrouw zijn gezamenlijk belast met het ouderlijk gezag over de kinderen. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.4.</nr>
      <para>De kinderen hebben het hoofdverblijf bij de vrouw.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.5.</nr>
      <para>Bij het vonnis in kort geding van 28 augustus 2020 heeft de voorzieningenrechter de door partijen gemaakte afspraken vastgelegd en – voor zover van belang – de man veroordeeld om als bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de kinderen aan de vrouw te betalen een bedrag van € 244,50 per kind per maand, bij vooruitbetaling te voldoen en ingaande per september 2020. Deze alimentatie bedraagt met ingang van 1 januari 2025 ingevolge de wettelijke indexering € 300,- per kind per maand.</para>
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>4</nr>De omvang van het geschil</title>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>4.1.</nr>
      <para>Bij de bestreden beschikking is, voor zover thans van belang, de bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] (hierna ook: kinderalimentatie) met ingang van 8 augustus 2023 bepaald op € 379,50 per kind per maand.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.2.</nr>
      <parablock>
        <para>De grieven van de man zien op de ontvankelijkheid van de vrouw, de behoefte van de kinderen, de draagkracht van de man, de draagkracht van de vrouw en de ingangsdatum. </para>
        <para>De man verzoekt in zijn beroepschrift de bestreden beschikking te vernietigen voor zover deze ziet op de kinderalimentatie, en opnieuw rechtdoende:</para>
      </parablock>
      <para>1. te bepalen dat de vrouw niet ontvankelijk is in haar verzoek tot vaststelling van een bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de kinderen, althans dit </para>
      <parablock>
        <para>verzoek af te wijzen, althans met ingang van de datum van de bestreden beschikking de bijdrage vast te stellen op € 265,34 per kind per maand, althans op een zodanig </para>
        <para>bedrag als het hof in goede justitie juist acht;  </para>
      </parablock>
      <para>2. te bepalen dat hetgeen de man ten titel van de bijdrage in de kosten van opvoeding en verzorging onverschuldigd heeft voldaan, door de vrouw dient te worden </para>
      <para>gerestitueerd binnen 14 dagen na het wijzen van deze beschikking en bij gebreke waarvan de man gerechtigd is dit bedrag te verrekenen met eventuele toekomstige termijnen (voor zover aan de orde), althans een zodanige terugbetalingsverplichting en met ingang van een zodanige datum als het hof in goede justitie juist acht. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.3.</nr>
      <para>Tijdens de mondelinge behandeling in hoger beroep heeft de man zijn verzoeken gewijzigd, in die zin dat hij verzoekt de bestreden beschikking te vernietigen voor zover deze ziet op de kinderalimentatie, en opnieuw rechtdoende:</para>
      <itemizedlist mark="-">
        <listitem>
          <para>te bepalen dat de man met ingang van 8 augustus 2023 aan de vrouw zal bijdragen in de kosten van verzorging en opvoeding van de kinderen met een bedrag van € 37,-- per kind per maand, met ingang van 1 januari 2024 met een bedrag van € 37,-- per kind per maand en met ingang van 1 januari 2025 met een bedrag van € 96,-- per kind per maand, althans € 112,-- per kind per maand, althans de bijdrage niet op een hoger bedrag vast te stellen als destijds bij het vonnis in kort geding is vastgesteld; </para>
        </listitem>
        <listitem>
          <para>te bepalen dat hetgeen de man ten titel van de bijdrage in de kosten van opvoeding en verzorging teveel heeft voldaan, door de vrouw dient te worden terugbetaald. </para>
        </listitem>
      </itemizedlist>
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>
      <nr>5</nr>De motivering van de beslissing</title>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>5.1.</nr>
      <para>
        <emphasis role="italic">Bezwaar tegen indiening stukken </emphasis>
      </para>
      <para />
      <paragroup>
        <nr>5.1.1.</nr>
        <para>De advocaat van de vrouw heeft tijdens de mondelinge behandeling bezwaar gemaakt tegen overlegging door de advocaat van de man van de brief van 4 april 2025 met bijlagen omdat de stukken laat zijn ingediend en de bijlagen omvangrijk en niet eenvoudig te doorgronden zijn, waardoor de vrouw onvoldoende tijd heeft gehad om op deze stukken te reageren. </para>
        <para />
      </paragroup>
      <paragroup>
        <nr>5.1.2.</nr>
        <para>Het hof stelt vast dat de door de man op 4 april 2025 ingediende stukken weliswaar in een laat stadium van de procedure zijn ingediend, maar dat deze stukken niet buiten de termijn van tien dagen zijn ingediend, zodat is voldaan aan artikel 1.4.5. van het procesreglement. Het hof gaat voorbij aan het bezwaar van de vrouw dat de stukken te omvangrijk zijn, omdat zij heeft nagelaten voldoende te concretiseren waarom het toelaten van deze stukken in strijd met de goede procesorde is. Daarbij heeft de man onweersproken verklaard dat de door hem overgelegde jaarstukken over 2024 niet eerder beschikbaar waren. Gelet op het voorgaande zal het hof het bezwaar van de vrouw afwijzen. </para>
        <para />
      </paragroup>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>5.2.</nr>
      <para>
        <emphasis role="italic">Ontvankelijkheid </emphasis>
      </para>
      <para />
      <paragroup>
        <nr>5.2.1.</nr>
        <para>Ingevolge artikel 1:401 lid 1 van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) kan een rechterlijke uitspraak of een overeenkomst betreffende levensonderhoud bij latere rechterlijke uitspraak worden gewijzigd of ingetrokken, wanneer zij nadien door wijziging van omstandigheden ophoudt aan de wettelijke maatstaven te voldoen.</para>
        <para />
      </paragroup>
      <paragroup>
        <nr>5.2.2.</nr>
        <para>Omdat de  man zijn grief ten aanzien van de ontvankelijkheid niet meer handhaaft, behoeft  dit onderwerp geen nadere bespreking meer.</para>
        <para />
      </paragroup>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>5.3.</nr>
      <para>
        <emphasis role="italic">Ingangsdatum </emphasis>
      </para>
      <para />
      <paragroup>
        <nr>5.3.1.</nr>
        <para>De door de rechtbank vastgestelde ingangsdatum is niet langer in geschil zodat het hof deze datum als uitgangspunt neemt, te weten 8 augustus 2023. </para>
        <para />
      </paragroup>
      <paragroup>
        <nr>5.3.2.</nr>
        <para>Het hof stelt vast dat het verzoek van de zijde van de man tot verlaging van de kinderalimentatie pas voor het eerst is gedaan tijdens de mondelinge behandeling. Voor zover de advocaat van de man zich op het standpunt stelt dat de verzoeken van de man in hoger beroep zijn gewijzigd bij haar brief van 4 april 2025, gaat het hof hieraan voorbij, omdat in die brief geen petitum is geformuleerd terwijl de advocaat van de man tijdens de mondelinge behandeling het verzoek tot wijziging van de kinderalimentatie opnieuw heeft aangevuld en correctie(s) heeft aangebracht op de eerder door haar overgelegde berekening(en). Gelet op het voorgaande zal het hof de door de man verzochte verlaging van de kinderalimentatie niet eerder laten ingaan dan met ingang van de datum van deze te wijzen beschikking </para>
        <para />
        <para />
        <para />
      </paragroup>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>5.4.</nr>
      <para>
        <emphasis role="italic">Behoefte kinderen </emphasis>
      </para>
      <para />
      <paragroup>
        <nr>5.4.1.</nr>
        <para>Vaststaat dat partijen in 2020 uit elkaar zijn gegaan. De rechtbank is voor de beoordeling van de behoefte van de kinderen uitgegaan van het inkomen van partijen over 2019, zijnde het laatste volle jaar dat partijen samen hebben gewoond en heeft de tarieven van 2020 gehanteerd. Hiertegen zijn geen grieven gericht, zodat het hof eveneens hiervan uitgaat.</para>
        <para />
      </paragroup>
      <paragroup>
        <nr>5.4.2.</nr>
        <para>De rechtbank is in de bestreden beschikking uitgegaan van een netto besteedbaar gezinsinkomen van meer dan € 6.000,-- per maand op basis van een inkomen van de vrouw van € 1.575,-- per jaar en een fictief inkomen van de man van € 10.000,-- per maand uit hoofde van zijn DGA-salaris en dividenduitkeringen. De rechtbank heeft hierbij overwogen dat de man het door de vrouw gestelde inkomen aan zijn zijde onvoldoende gemotiveerd heeft betwist. De man stelt zich in hoger beroep op het standpunt, dat de rechtbank aan de zijde van de man is uitgegaan van een te hoog inkomen en daarom van een te hoog netto besteedbaar gezinsinkomen, waardoor de behoefte van de kinderen te hoog is vastgesteld.  De vrouw voert hiertegen verweer en is van mening dat de rechtbank terecht is uitgegaan van een netto besteedbaar gezinsinkomen van € 6.000,-- per maand.   </para>
        <para />
      </paragroup>
      <paragroup>
        <nr>5.4.3.</nr>
        <para>Het hof gaat bij de bepaling van de behoefte van de kinderen uit van het netto besteedbaar gezinsinkomen ten tijde van de samenleving, inclusief het kindgebonden budget indien hierop ten tijde van de samenleving aanspraak werd gemaakt en stelt op basis daarvan de behoefte ingevolge de NIBUD-tabellen vast. </para>
        <para />
      </paragroup>
      <paragroup>
        <nr>5.4.4.</nr>
        <parablock>
          <para>Tussen partijen is niet in geschil dat de vrouw in 2019 een inkomen van € 1.575,-- genereerde met haar webshop en dat het netto besteedbaar inkomen (NBI) van de vrouw </para>
          <para>€ 125,-- per maand bedroeg, zodat het hof hier eveneens vanuit gaat. </para>
        </parablock>
        <para />
      </paragroup>
      <paragroup>
        <nr>5.4.5.</nr>
        <parablock>
          <para>Partijen zijn het erover eens dat de man in 2019 een inkomen had uit loondienst bij [bedrijf] van € 18.925,-- maar zij verschillen van mening over de inkomsten van de man uit zijn onderneming(en). Het hof zal naast het inkomen uit loondienst uitgaan van een winst uit onderneming van € 69.956,-- zoals blijkt uit de door de man in hoger beroep overgelegde Aangifte Inkomstenbelasting 2019 (productie HB2 bij beroepschrift). Het hof zal in lijn met de richtlijnen uit het Rapport Alimentatienormen de fiscale bijtelling van de auto aftrekken van de winst uit onderneming, zoals door de man bij zijn brief van 4 april 2025 is verzocht. Het hof gaat voorbij aan de stelling van de vrouw dat de man een minder duur model had kunnen uitkiezen, omdat partijen in 2019 nog samenwoonden en zij destijds samen de keuze hadden kunnen maken om een minder dure auto uit te kiezen met een lagere bijtelling. De bijtelling bedroeg blijkens de aangifte Inkomstenbelasting 2019 € 14.391,-- zodat het hof uitgaat van een winst uit onderneming aan de zijde van de man van € 55.565,--. Vaststaat dat partijen in 2019 geen aanspraak maakten op kindgebonden budget, zodat het hof hier geen rekening mee zal houden.  </para>
          <para>Rekening houdende met de algemene heffingskorting en de arbeidskorting, berekent het hof het NBI van de man in 2019 op € 4.069,-- per maand.  </para>
        </parablock>
        <para />
      </paragroup>
      <paragroup>
        <nr>5.4.6.</nr>
        <para>Op grond van het voorgaande berekent het hof het netto besteedbaar gezinsinkomen van partijen ten tijde van de samenwoning in 2019 op <emphasis role="bold">€ 4.194,- per maand</emphasis>. Op basis van de tabel eigen aandeel kosten van kinderen voor twee kinderen 2020 en uitgaande van 6 kinderbijslagpunten berekent het hof de behoefte van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] op in totaal € 924,-- per maand in 2020. Na de wettelijke indexering bedraagt de behoefte van beide kinderen tezamen in 2023 (afgerond) € 1.003,-- per maand, in 2024 € 1.065,-- per maand en in 2025 € 1.134,-- per maand. </para>
      </paragroup>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>5.5.</nr>
      <para>
        <emphasis role="italic">Draagkracht vrouw </emphasis>
      </para>
      <para />
      <paragroup>
        <nr>5.5.1.</nr>
        <parablock>
          <para>De rechtbank is in de bestreden beschikking uitgegaan van een redelijk te verwerven inkomen door de vrouw van € 1.995,-- bruto per maand, gelijk aan het minimumloon in 2023. De man voert in hoger beroep aan dat het minimumloon de ondergrens betreft van de verdiencapaciteit van de vrouw. De man gaat in de berekeningen bij zijn brief van </para>
          <para>4 april 2025 uit van een verdiencapaciteit van de vrouw op basis van het minimumloon van € 1.995,-- bruto per maand (exclusief vakantietoeslag) in 2023 en vanaf 1 januari 2024 van een verdiencapaciteit van de vrouw van € 2.300,-- bruto per maand (exclusief vakantietoeslag) op basis van het dan geldende minimumloon. Vanaf 1 januari 2025 gaat de man in zijn berekening uit van een verdiencapaciteit van de vrouw van € 2.773,-- bruto per maand (exclusief vakantietoeslag) op basis van een gemiddeld salaris van een tandartsassistente, de functie waarin de vrouw tijdens de relatie van partijen werkzaam is geweest. Verder voert de man aan dat de vrouw zwarte inkomsten heeft omdat zij meerdere poetsadressen heeft en dat zij ook al dan niet betaald werk verricht in de gehandicaptenzorg. </para>
          <para>De vrouw stelt dat zij nog steeds een Participatiewet-uitkering ontvangt en dat ze is vrijgesteld van een sollicitatieplicht, omdat ze fysiek en mentaal niet in staat is om te werken. Tijdens de mondelinge behandeling heeft ze betwist dat ze extra zwarte inkomsten geniet. Verder laat ze weten dat ze op advies van het UWV in totaal vier keer in de ochtend vrijwilligerswerk heeft gedaan in de gehandicaptenzorg, maar dat dit haar veel energie heeft gekost. De vrouw is van mening dat met haar feitelijke inkomen moet worden gerekend.</para>
        </parablock>
        <para />
      </paragroup>
      <paragroup>
        <nr>5.5.2.</nr>
        <parablock>
          <para>Het hof ziet geen reden om vanaf 1 januari 2025 uit te gaan van een hogere verdiencapaciteit van de vrouw dan op het niveau van het minimumloon, zoals door de man is verzocht. Het hof stelt vast dat de vrouw nog steeds een Participatiewet-uitkering ontvangt en dat het minimumloon waar de rechtbank vanuit is gegaan reeds hoger is dan het inkomen dat de vrouw feitelijk ontvangt. Het hof zal de vrouw geen hogere verdiencapaciteit toedichten, zodat de grief van de man die ziet op de draagkracht van de vrouw faalt. </para>
          <para>Voor zover de vrouw met haar betoog aanvoert dat haar draagkracht lager is dan de draagkracht op basis van het minimumloon zal het hof hieraan voorbijgaan, omdat de vrouw geen incidenteel hoger beroep heeft ingesteld. </para>
        </parablock>
        <para />
      </paragroup>
      <paragroup>
        <nr>5.5.3.</nr>
        <para>Op grond van het voorgaande zal het hof voor de beoordeling van de draagkracht van de vrouw vanaf 8 augustus 2023 uitgaan van het minimumloon van € 1.995,-- bruto per maand, vanaf 1 januari 2024 van een minimumloon van € 2.300,-- bruto per maand en vanaf 1 januari 2025 van een minimumloon van € 2.437,-- bruto per maand (op basis van een 40-urige werkweek). </para>
        <para />
      </paragroup>
      <paragroup>
        <nr>5.5.4.</nr>
        <para>Het minimumloon bedroeg in 2023 € 1.995,-- bruto per maand. Vermeerderd met 8% vakantietoeslag en rekening houdende met de heffingskortingen, berekent het hof het NBI van de vrouw op basis van de tarieven 2023-2 op € 2.758,-- per maand. De draagkracht van de vrouw wordt volgens de draagkrachttabel 2023 vastgesteld aan de hand van de formule 70% [NBI - (0,3 NBI + € 1.175,-)]. Op basis van deze formule berekent het hof de draagkracht van de vrouw <emphasis role="underline">vanaf 8 augustus 2023</emphasis> op <emphasis role="bold">€ 529,-- per maand.</emphasis></para>
        <para />
      </paragroup>
      <paragroup>
        <nr>5.5.5.</nr>
        <para>Het minimumloon bedroeg in 2024 € 2.300,-- bruto per maand. Vermeerderd met 8% vakantietoeslag en rekening houdende met de heffingskortingen, berekent het hof het NBI van de vrouw op basis van de tarieven 2024-1 op € 3.221,-- per maand. De draagkracht van de vrouw wordt volgens de draagkrachttabel 2024 vastgesteld aan de hand van de formule 70% [NBI - (0,3 NBI + € 1.270,--)]. Op basis van deze formule berekent het hof de draagkracht van de vrouw <emphasis role="underline">vanaf 1 januari 2024</emphasis> op <emphasis role="bold">€ 690,-- per maand.</emphasis></para>
        <para />
      </paragroup>
      <paragroup>
        <nr>5.5.6.</nr>
        <para>Het minimumloon bedraagt in 2025 € 2.437,-- bruto per maand. Vermeerderd met 8% vakantietoeslag en rekening houdende met de heffingskortingen, berekent het hof het NBI van de vrouw op basis van de tarieven 2025-1 op € 3.357,-- per maand. De draagkracht van de vrouw wordt volgens de draagkrachttabel 2025 vastgesteld aan de hand van de formule 70% [NBI - (0,3 NBI + € 1.310,-)]. Op basis van deze formule berekent het hof de draagkracht van de vrouw <emphasis role="underline">vanaf 1 januari 2025</emphasis> op <emphasis role="bold">€ 728,-- per maand.</emphasis></para>
        <para />
      </paragroup>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>5.6.</nr>
      <para>
        <emphasis role="italic">Draagkracht man </emphasis>
      </para>
      <para />
      <paragroup>
        <nr>5.6.1.</nr>
        <para>De rechtbank heeft in eerste aanleg de vrouw gevolgd voor wat betreft het inkomen van de man en is in de bestreden beschikking uitgegaan van een geschat inkomen van de man van € 136.500 per jaar, bestaande uit een bedrag van € 46.500,-- per jaar aan salaris, vermeerderd met een dividenduitkering van € 90.000,--. Op basis van dit inkomen heeft de rechtbank het NBI van de man berekend op € 3.310,-- per maand. </para>
        <para />
      </paragroup>
      <paragroup>
        <nr>5.6.2.</nr>
        <para>De man stelt in hoger beroep dat hij nimmer een inkomen heeft gehad van € 136.500,-- per jaar en dat de rechtbank ten onrechte zijn draagkracht heeft berekend op € 3.310,-- per maand. Voorafgaand aan de mondelinge behandeling in eerste aanleg heeft de man alle relevante financiële stukken in het geding gebracht en tijdens de mondelinge behandeling heeft hij deze stukken toegelicht. Het had op de weg van de rechtbank gelegen om op het moment dat de rechtbank de stukken niet kon duiden een deskundige te benoemen die aan de hand van alle overgelegde stukken het werkelijke inkomen van de man zou becijferen, aldus de man. Daarnaast houdt de rechtbank er ten onrechte geen rekening mee dat de man de helft van de tijd de zorg voor de kinderen heeft. In de brief van 4 april 2025 geeft de man een uitgebreide toelichting op zijn inkomsten en legt hij opnieuw een aantal financiële stukken over. In zijn laatste berekeningen bij zijn brief van 4 april 2025 (HB14) gaat de man uit van een parttime DGA-salaris van € 40.070,-- in 2023 en een parttime DGA-salaris van € 46.620,-- in 2024. De man verwacht dat hij zichzelf in 2025 een volledig DGA-salaris kan toekennen en hij is bereid om met ingang van 1 januari 2025 rekening te houden met een salaris van € 65.000,-- per jaar (verminderd met aanslag Zvw) en € 5.000,-- aan inkomsten uit aanmerkelijk belang. </para>
        <para />
      </paragroup>
      <paragroup>
        <nr>5.6.3.</nr>
        <parablock>
          <para>De vrouw voert hiertegen verweer en stelt dat de rechtbank terecht de draagkracht van de man heeft bepaald op € 3.310,-- per maand. Zij voert in hoger beroep aan dat de man nog steeds onvoldoende openheid van zaken geeft over zijn inkomsten. De man heeft een nieuwe Range Rover Sport aangeschaft en ook nog een Volvo XC90 in bezit. Daarnaast gaat hij met de kinderen op dure vakanties en woont hij in een woning ter waarde van € 650.000,--. Gelet op de levensstijl van de man betwist de vrouw dat de man in 2023 en 2024 slechts een parttime DGA-salaris ontving. Ondanks de toelichting die de man geeft in zijn brief van </para>
          <para>4 april 2025 en de veelheid aan stukken die zijn ingediend, blijft onduidelijk hoe het precies zit met de verschillende vennootschappen, inkomensstromen en bestuursfuncties. Dat de man geen duidelijkheid geeft in zijn inkomen en vermogen komt voor zijn rekening en risico.  </para>
        </parablock>
        <para />
      </paragroup>
      <paragroup>
        <nr>5.6.4.</nr>
        <parablock>
          <para>Het hof stelt voorop dat de man (wederom) in een zeer laat stadium in de procedure financiële stukken heeft overgelegd, waarbij hij deze stukken (op de mondelinge behandeling) in hoger beroep van een toelichting heeft voorzien. Naar aanleiding van de inhoud van deze financiële stukken en de daarop gegeven toelichting ziet het hof aanleiding om voor wat betreft de beoordeling van de draagkracht van de man vanaf 8 augustus 2023 met een lager inkomen rekening te houden dan waar de rechtbank vanuit is gegaan. Het hof neemt hierbij in aanmerking dat de man onweersproken heeft verklaard dat hij de hypotheek van zijn woning met moeite rond heeft kunnen krijgen en dat de vrouw haar blote stelling dat de man veel geld uitgeeft aan dure vakanties, ook na betwisting door de man tijdens de mondelinge behandeling, niet heeft onderbouwd. </para>
          <para>Het hof zal rekening houden met een minimum DGA-salaris aan de zijde van de man, zoals gebruikelijk in de functie die de man uitoefent en omdat onvoldoende duidelijk is geworden waarom hiervan zou moeten worden afgeweken. Het hof ziet geen aanleiding om met een parttime salaris rekening te houden, mede gelet op het feit dat aan de zijde van de vrouw ook rekening wordt gehouden met een fulltime (minimum)inkomen. Vanaf 1 januari 2025 zal het hof rekening houden met een DGA-salaris van € 65.000,-- en met een bedrag van € 5.000,-- aan inkomsten uit aanmerkelijk belang, zoals door de man is verzocht.   </para>
        </parablock>
        <para />
      </paragroup>
      <paragroup>
        <nr>5.6.5.</nr>
        <para>Op grond van het voorgaande zal het hof voor de beoordeling van de draagkracht van de man vanaf 8 augustus 2023 uitgaan van een gebruikelijk DGA-salaris van € 51.000,-- bruto, vanaf 1 januari 2024 van een gebruikelijk DGA-salaris van € 56.000,-- bruto en vanaf 1 januari 2025 van het door de man genoemde salaris van € 65.000,-- bruto, te vermeerderen met € 5.000,-- aan inkomsten uit aanmerkelijk belang.  </para>
        <para />
      </paragroup>
      <paragroup>
        <nr>5.6.6.</nr>
        <parablock>
          <para>Op basis van het bruto DGA-salaris van € 51.000,-- bruto en rekening houdende met de heffingskortingen, berekent het hof het NBI van de man op basis van de tarieven 2023-2 op € 2.910,-- per maand. De draagkracht van de man wordt volgens de draagkrachttabel 2023 vastgesteld aan de hand van de formule 70% [NBI - (0,3 NBI + € 1.175,-)]. Op basis van deze formule berekent het hof de draagkracht van de man <emphasis role="underline">vanaf 8 augustus 2023</emphasis> op </para>
          <para>
            <emphasis role="bold">€ 603,-- per maand.</emphasis>
          </para>
        </parablock>
        <para />
      </paragroup>
      <paragroup>
        <nr>5.6.7.</nr>
        <parablock>
          <para>Op basis van het bruto DGA-salaris van € 56.000,-- bruto en rekening houdende met de heffingskortingen, berekent het hof het NBI van de man op basis van de tarieven 2024-1 op € 3.175,-- per maand. De draagkracht van de man wordt volgens de draagkrachttabel 2024 vastgesteld aan de hand van de formule 70% [NBI - (0,3 NBI + € 1.270,-)]. Op basis van deze formule berekent het hof de draagkracht van de man <emphasis role="underline">vanaf 1 januari 2024</emphasis> op </para>
          <para>
            <emphasis role="bold">€ 667,-- per maand.</emphasis>
          </para>
        </parablock>
        <para />
      </paragroup>
      <paragroup>
        <nr>5.6.8.</nr>
        <parablock>
          <para>Op basis van het bruto DGA-salaris van € 65.000,-- bruto, te vermeerderen met </para>
          <para>€ 5.000,-- aan inkomsten uit aanmerkelijk belang en rekening houdende met de heffingskortingen, berekent het hof het NBI van de man op basis van de tarieven 2025-1 op </para>
          <para>€ 3.853,-- per maand. De draagkracht van de man wordt volgens de draagkrachttabel 2025 vastgesteld aan de hand van de formule 70% [NBI - (0,3 NBI + € 1.310,--)]. Op basis van deze formule berekent het hof de draagkracht van de man <emphasis role="underline">vanaf 1 januari 2025</emphasis> op </para>
          <para>
            <emphasis role="bold">€ 971,-- per maand.</emphasis>
          </para>
        </parablock>
        <para />
      </paragroup>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>5.7.</nr>
      <para>
        <emphasis role="italic">Draagkrachtvergelijking</emphasis>
      </para>
      <para />
      <paragroup>
        <nr>5.7.1.</nr>
        <parablock>
          <para>De gezamenlijke draagkracht van partijen bedroeg <emphasis role="underline">in 2023</emphasis> € 1.132,-- en was hoger dan de behoefte van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] van € 1.003,-- per maand. Het hof zal daarom een draagkrachtvergelijking maken. Het hof gebruikt daarvoor de volgende formule: </para>
          <para>(draagkracht / totale draagkracht) x behoefte = eigen aandeel</para>
          <para>Aandeel vrouw 529 / 1.132 x 1.003 = € 469,--</para>
          <para>Aandeel man 603 / 1.132 x 1.003 = <emphasis role="bold">€ 534,--</emphasis></para>
        </parablock>
        <para />
      </paragroup>
      <paragroup>
        <nr>5.7.2.</nr>
        <parablock>
          <para>De gezamenlijke draagkracht van partijen bedroeg <emphasis role="underline">in 2024</emphasis> € 1.357,-- en was hoger dan de (geïndexeerde) behoefte van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] van € 1.065,-- per maand. Het hof zal daarom een draagkrachtvergelijking maken. Op basis van voormelde formule berekent het hof het aandeel van partijen in de kosten van de kinderen als volgt.  </para>
          <para>Aandeel vrouw 690 / 1.357 x 1.065 = € 542,--</para>
          <para>Aandeel man 667 / 1.357 x 1.065 = <emphasis role="bold">€ 523,--</emphasis></para>
        </parablock>
        <para />
      </paragroup>
      <paragroup>
        <nr>5.7.3.</nr>
        <parablock>
          <para>De gezamenlijke draagkracht van partijen bedroeg <emphasis role="underline">in 2025</emphasis> € 1.699,-- en was hoger dan de (geïndexeerde) behoefte van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] van € 1.134,-- per maand. Het hof zal daarom een draagkrachtvergelijking maken. Op basis van voormelde formule berekent het hof het aandeel van partijen in de kosten van de kinderen als volgt.  </para>
          <para>Aandeel vrouw 728 / 1.699 x 1.134 = € 486,--</para>
          <para>Aandeel man 971 / 1.699 x 1.134 = <emphasis role="bold">€ 648,--</emphasis></para>
        </parablock>
        <para />
      </paragroup>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>5.8.</nr>
      <para>
        <emphasis role="italic">Zorgkorting  </emphasis>
      </para>
      <para />
      <paragroup>
        <nr>5.7.1.</nr>
        <para>Tussen partijen is niet in geschil dat de zorgkorting 35% bedraagt van de behoefte. Het hof berekent de zorgkorting in 2023 op € 351,-- (35% van € 1.003,--), in 2024 op € 373,-- (35% van € 1.065,--) en in 2025 op € 397,-- (35% van € 1.134,--). </para>
        <para />
      </paragroup>
      <paragroup>
        <nr>5.8.2.</nr>
        <para>Het bedrag van de zorgkorting wordt volledig in mindering gebracht op het bedrag dat de man aan de vrouw dient te betalen voor de kosten van verzorging en opvoeding van de kinderen, omdat de onderhoudsplichtigen samen voldoende draagkracht hebben om in hun behoefte te voorzien. </para>
        <para />
      </paragroup>
      <paragroup>
        <nr>5.8.3.</nr>
        <parablock>
          <para>Het hof stelt de door de man te betalen bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] met ingang van 8 augustus 2023 vast op € 183,-- per maand, met ingang van 1 januari 2024 op € 150,-- per maand en met ingang van 1 januari 2025 op </para>
          <para>€ 251,-- per maand. </para>
        </parablock>
        <para />
      </paragroup>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>5.9.</nr>
      <para>
        <emphasis role="italic">Conclusie </emphasis>
      </para>
      <para />
      <paragroup>
        <nr>5.9.1.</nr>
        <parablock>
          <para>Uit het voorgaande volgt dat het hof de door de man aan de vrouw te betalen </para>
          <para>kinderalimentatie op lagere bedragen vaststelt dan de bijdrage die partijen eerder tijdens het kort geding van 24 augustus 2020 zijn overeengekomen en in het vonnis in kort geding van </para>
          <para>28 augustus 2020 staat vermeld. Aangezien de man pas tijdens de mondelinge behandeling zijn verzoeken tot verlaging van de kinderalimentatie heeft geformuleerd, zal het hof – zoals hiervoor vermeld – een verlaging van de kinderalimentatie niet eerder laten ingaan dan per de datum van deze te wijzen beschikking, te weten 5 juni 2025. Het hof zal de door de man te betalen kinderalimentatie met ingang van 5 juni 2025 vaststellen op in totaal € 251,-- per maand, zijnde € 126,-- per kind per maand. </para>
        </parablock>
        <para />
      </paragroup>
      <paragroup>
        <nr>5.9.2.</nr>
        <parablock>
          <para>Voor wat betreft de periode vanaf 8 augustus 2023 tot 5 juni 2025 zal het hof de </para>
          <para>kinderalimentatie vaststellen op de (geïndexeerde) kinderalimentatie die partijen tijdens het kort geding zijn overeengekomen, zoals de man aanvankelijk in zijn beroepschrift had verzocht. Dit betekent dat het hof de door de man te betalen kinderalimentatie met ingang van 8 augustus 2023 tot 1 januari 2024 zal vaststellen op (afgerond) € 265,-- per kind per maand, over de periode van 1 januari 2024 tot 1 januari 2025 op € 282,-- per kind per maand en over de periode van 1 januari 2025 tot 5 juni 2025 op € 300,-- per kind per maand.     </para>
        </parablock>
        <para />
      </paragroup>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>5.10.</nr>
      <para>
        <emphasis role="italic">Terugbetaling </emphasis>
      </para>
      <para />
      <paragroup>
        <nr>5.10.1.</nr>
        <parablock>
          <para>De man stelt zich in hoger beroep op het standpunt dat van de vrouw kan worden </para>
          <para>gevergd dat zij het teveel ontvangen bedrag aan kinderalimentatie terugbetaalt, omdat ze </para>
          <para>beschikt over vermogen. </para>
        </parablock>
        <para />
        <para />
      </paragroup>
      <paragroup>
        <nr>5.10.2.</nr>
        <parablock>
          <para>De vrouw betwist dat zij het teveel ontvangen bedrag aan kinderalimentatie kan </para>
          <para>terugbetalen en voert in dit kader aan dat ze een Participatiewet-uitkering geniet en niet meer </para>
          <para>vermogen mag hebben dan het heffingsvrij vermogen. Tijdens de mondelinge behandeling in hoger beroep heeft de vrouw toegelicht dat ze het vermogen dat ze heeft ontvangen na </para>
          <para>verkoop van haar aandeel in de eigendom van de voormalige gezamenlijke woning heeft moeten aanwenden om de advocaatkosten met terugwerkende kracht te betalen en dat ze het boven het heffingsvrij vermogen resterende bedrag aan de gemeente heeft moeten </para>
          <para>terugbetalen.     </para>
        </parablock>
        <para />
      </paragroup>
      <paragroup>
        <nr>5.10.3.</nr>
        <parablock>
          <para>Het hof is van oordeel dat van de vrouw niet kan worden gevergd dat zij hetgeen de man over de periode vanaf 8 augustus 2023 tot op heden meer heeft betaald en/of meer op hem is verhaald dan de hiervoor genoemde bijdragen moet terugbetalen. Het hof overweegt hiertoe dat kinderalimentatie naar haar aard bestemd is om te worden geconsumeerd. Daarbij staat vast dat de vrouw een Participatiewet-uitkering geniet waarvoor een heffingsvrij </para>
          <para>vermogen geldt en heeft zij onweersproken verklaard dat zij fors heeft ingeteerd op haar </para>
          <para>vermogen. Deze omstandigheden in onderlinge samenhang bezien maken dat het hof het </para>
          <para>redelijk acht dat de door de man tot op heden betaalde kinderalimentatie door de vrouw is besteed aan [minderjarige 1] en [minderjarige 2] . </para>
        </parablock>
        <para />
      </paragroup>
    </paragroup>
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>
      <nr>6</nr>De slotsom</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>in het hoger beroep</para>
    </parablock>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>6.1.</nr>
      <para>Op grond van hetgeen hiervoor is overwogen, zal het hof de bestreden beschikking, voor zover aan zijn oordeel onderworpen, vernietigen en beslissen als volgt.</para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">Het hof heeft berekeningen van de behoefte van de kinderen en de draagkracht van partijen gemaakt. Een gewaarmerkt exemplaar van deze berekeningen is aan deze beschikking gehecht en maakt daarvan deel uit. </emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>
      <nr>7</nr>De beslissing </title>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het hof:</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>vernietigt de beschikking van de rechtbank Oost-Brabant ('s-Hertogenbosch) van </para>
      <para>12 april 2024, voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen, en (in zoverre) opnieuw beschikkende:</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>bepaalt dat de man aan de vrouw als bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] zal voldoen: </para>
    </parablock>
    <itemizedlist mark="-">
      <listitem>
        <para>vanaf 8 augustus 2023 tot 1 januari 2024 een bijdrage van € 265,-- per kind per maand;</para>
      </listitem>
      <listitem>
        <para>vanaf 1 januari 2024 tot 1 januari 2025 een bijdrage van € 282,-- per kind per maand; </para>
      </listitem>
      <listitem>
        <para>vanaf 1 januari 2025 tot 5 juni 2025 een bijdrage van € 300,-- per kind per maand;</para>
      </listitem>
      <listitem>
        <para>vanaf 5 juni 2025 een bijdrage van € 126,-- per kind per maand, </para>
      </listitem>
    </itemizedlist>
    <para>de toekomstige termijnen telkens bij vooruitbetaling te voldoen; </para>
    <para />
    <parablock>
      <para>met dien verstande dat, voor zover de man over de periode vanaf  8 augustus 2023 tot heden meer heeft betaald en/of op hem is verhaald, de vrouw die bedragen niet aan de man hoeft terug te betalen;  </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad;</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>wijst af het meer of anders verzochte.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Deze beschikking is gegeven door mrs. C.N.M. Antens, A.M. Bossink en </para>
      <para>E.M.D.M. van der Linden en is op 5 juni 2025 in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van de griffier. </para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>