<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:GHSHE:2025:1506</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2025-09-15T10:26:34</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2025-06-02</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Gerechtshof_'s-Hertogenbosch" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Gerechtshof 's-Hertogenbosch</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2025-05-21</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">200.335.034_02</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#wraking">Wraking</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">'s-Hertogenbosch</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#civielRecht_burgerlijkProcesrecht">Civiel recht; Burgerlijk procesrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHSHE:2025:1506">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHSHE:2025:1506</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2025-09-15T10:24:25</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2025-09-15</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:GHSHE:2025:1506 Gerechtshof 's-Hertogenbosch , 21-05-2025 / 200.335.034_02</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:GHSHE:2025:1506:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Wrakingsverzoek afgewezen nu het verzoek pas is ingediend tweeëneenhalve maand nadat de grond voor de wraking bij verzoeker bekend is geworden.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:GHSHE:2025:1506:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <uitspraak.info>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH</emphasis>
      </para>
      <para>Wrakingskamer </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>registratienummer wraking: 	200.335.034/02<?linebreak?>datum beslissing: 		21 mei 2025 </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">Beslissing van de meervoudige kamer voor de behandeling van wrakings- en verschoningsverzoeken van 21 mei 2025 </emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>op het verzoek tot wraking als bedoeld in artikel 36 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (hierna: Rv) in de hoofdzaak met zaaknummer 200.335.034/01 (hierna: de hoofdzaak) van: </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">
          [appellant]
        </emphasis>,</para>
      <para>wonende te [woonplaats] ,</para>
      <para>appellant in principaal hoger beroep,</para>
      <para>geïntimeerde in het incidenteel hoger beroep van [geïntimeerde sub 1] ,</para>
      <para>geïntimeerde in het incidenteel hoger beroep van verzoeker, </para>
      <para>hierna te noemen: [appellant] , </para>
      <para>advocaat: mr. W.H.P. de Jongh te Roosendaal,</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>tegen:</para>
    </parablock>
    <para />
  </uitspraak.info>
  <section>
    <title>
      <nr>1</nr> [geïntimeerde sub 1] ,<?linebreak?>wonende te [woonplaats] ,</title>
    <parablock>
      <para>geïntimeerde sub 1 in principaal hoger beroep,</para>
      <para>geïntimeerde in het incidenteel hoger beroep van verzoeker,</para>
      <para>appellant in incidenteel hoger beroep, </para>
      <para>hierna te noemen: [geïntimeerde sub 1] , </para>
      <para>advocaat: mr. R.A.A. Maat te Goes,</para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>2</nr> [geïntimeerde sub 2 / verzoeker] ,<?linebreak?>wonende te [woonplaats] ,</title>
    <parablock>
      <para>geïntimeerde sub 2 in principaal hoger beroep,</para>
      <para>appellant in incidenteel hoger beroep,</para>
      <para>hierna te noemen: verzoeker,</para>
      <para>advocaat: mr. J.W. Damstra te Apeldoorn,</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>strekkende tot wraking van mrs. S.M.J. Korthuis-Becks, J.J.M. van Lanen en C.M.J. Peters , raadsheren in het gerechtshof ’s-Hertogenbosch, team Handelsrecht (hierna gezamenlijk aan te duiden als: de raadsheren). </para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section role="procesverloop">
    <title>
      <nr>1</nr>Het procesverloop</title>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>1.1.</nr>
      <para>In de hoofdzaak heeft op 4 februari 2025 een mondelinge behandeling door een meervoudige kamer voor de behandeling van burgerlijke zaken van dit hof plaatsgevonden, waarin de raadsheren zitting hadden. Bij deze mondelinge behandeling waren verder aanwezig verzoeker en diens advocaat, mr. J.W. Damstra, en [appellant] en [geïntimeerde sub 1] en hun beider advocaten, mr. W.H.P. de Jongh respectievelijk mr. R.A.A. Maat. Als uitspraakdatum is na afloop van de mondelinge behandeling vastgesteld 22 april 2025. Van deze mondelinge behandeling is een proces-verbaal opgemaakt. </para>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>1.2.</nr>
      <para>Op 17 april 2025 heeft mr. J.W. Damstra namens verzoeker een verzoek tot wraking van de raadsheren met bijlagen ingediend, dat diezelfde dag ter griffie van dit hof is ontvangen. In dat verzoek zijn de gronden voor de verzochte wraking opgenomen. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>1.3.</nr>
      <para>Bij e-mailbericht d.d. 23 april 2025 heeft mr. R.A.A. Maat namens [geïntimeerde sub 1] een schriftelijke reactie op het wrakingsverzoek aan de wrakingskamer toegezonden.<?linebreak?></para>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>1.4.</nr>
      <parablock>
        <para>De raadsheren hebben allen schriftelijk verklaard niet in de wraking te berusten. Zij </para>
        <para>hebben een dag voor de wrakingszitting een gezamenlijke schriftelijke reactie op het verzoek aan de wrakingskamer toegezonden. Deze reactie is die dag aan verzoeker doorgezonden.<?linebreak?></para>
      </parablock>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>1.5.</nr>
      <parablock>
        <para>De wrakingskamer heeft het wrakingsverzoek ter zitting van 7 mei 2025 behandeld. </para>
        <para>Bij die gelegenheid heeft verzoeker het wrakingsverzoek nader toegelicht aan de hand van spreekaantekeningen. De wrakingskamer heeft mrs. Korthuis-Becks en Van Lanen, ter terechtzitting aanwezig, in de gelegenheid gesteld het woord te voeren. Mr. Peters is met bericht van afwezigheid niet ter zitting van de wrakingskamer verschenen. Anders dan verzoeker ter zitting van de wrakingskamer heeft gesteld, heeft mr. Peters daarmee niet berust in het wrakingsverzoek, gelet op de schriftelijke verklaring van niet berusten die zij voorafgaand aan de zitting van de wrakingskamer heeft ingediend. </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>1.6.</nr>
      <para>Bij aanvang van de wrakingszitting heeft verzoeker ten aanzien van drie ‘ordepunten’ verzoeken gedaan en de wrakingskamer verzocht om hierover een besluit te nemen alvorens tot een inhoudelijke behandeling van het wrakingsverzoek wordt overgegaan. Het gaat om de volgende drie ‘ordepunten’ en verzoeken van verzoeker: </para>
      <para />
      <para>1. Verzoeker stelt dat hij de schriftelijke reactie van de raadsheren op het wrakingsverzoek <?linebreak?> 	op de dag voor de wrakingszitting, laat in de middag/avond, heeft ontvangen en  <?linebreak?> 	daardoor ernstig in zijn processuele belangen is geschaad. Verzoeker heeft de <?linebreak?> 	wrakingskamer verzocht om de schriftelijke reactie van de raadsheren op het <?linebreak?> 	wrakingsverzoek om die reden buiten beschouwing te laten, dan wel de wrakingszitting <?linebreak?> 	aan te houden en een nieuwe zittingsdatum te bepalen.</para>
      <para>2. Op het voorblad van zijn wrakingsverzoek heeft verzoeker aangegeven dat dit verzoek <?linebreak?> 	niet voor [appellant] en [geïntimeerde sub 1] bestemd is omdat deze twee procespartijen in de hoofdzaak geen <?linebreak?> 	procespartij zijn in de wrakingszaak. Verzoeker heeft geconstateerd dat zijn <?linebreak?> 	wrakingsverzoek toch aan [appellant] en [geïntimeerde sub 1] is toegestuurd. Verzoeker wil van de  <?linebreak?> 	wrakingskamer weten waarom hij het besluit daartoe niet heeft ontvangen.  </para>
      <para>3. Verzoeker verzoekt de schriftelijke reactie op het wrakingsverzoek van de advocaat van  <?linebreak?> 	[geïntimeerde sub 1] , mr. R.A.A. Maat, buiten beschouwing te laten omdat die reactie naar de mening <?linebreak?> 	van verzoeker niets toevoegt. Immers, indien [geïntimeerde sub 1] , net als verzoeker, van mening zou <?linebreak?> 	zijn dat de raadsheren de schijn van partijdigheid hebben gewekt, had [geïntimeerde sub 1] ook een <?linebreak?> 	wrakingsverzoek ingediend, zo stelt verzoeker, en dat is niet gebeurd. Hun reacties zijn <?linebreak?> 	dus voorspelbaar, te weten “<emphasis role="italic">niets aan de hand</emphasis>” of iets van gelijke strekking.<?linebreak?></para>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>1.7.</nr>
      <parablock>
        <para>Na een korte schorsing heeft de wrakingskamer ten aanzien van deze drie verzoeken van verzoeker de volgende beslissingen aan verzoeker en de overige aanwezigen meegedeeld:</para>
        <para>
          <?linebreak?>Ad 1. 	De schriftelijke reactie van de raadsheren op het wrakingsverzoek wordt niet buiten <?linebreak?> 		beschouwing gelaten noch wordt de wrakingzitting aangehouden. Weliswaar heeft de <?linebreak?>  		wrakingskamer de schriftelijke reactie van de raadsheren op het wrakingsverzoek, net  <?linebreak?> 		als verzoeker, op de dag voor de wrakingszitting ontvangen, maar gelet op de aard en  <?linebreak?> 		inhoud van dat stuk en het aanvangstijdstip van de wrakingszitting op 7 mei 2025 om <?linebreak?> 		14.00 uur, resteerde na ontvangst daarvan naar het oordeel van de wrakingskamer voor <?linebreak?> 		zowel de wrakingskamer als verzoeker nog voldoende tijd om daarvan kennis te <?linebreak?> 		nemen.<?linebreak?>Ad 2. 	Aan de toezending van het wrakingsverzoek aan [appellant] en [geïntimeerde sub 1] ligt geen besluit van de  <?linebreak?> 		wrakingskamer ten grondslag, zodat verzoeker daarover ook niet geïnformeerd kon of <?linebreak?> 		diende te worden. In artikel 6 van het Werkproces wrakingen van het gerechtshof <?linebreak?>  		’s-Hertogenbosch (hoofdstuk ‘Wraking in minder spoedeisende gevallen (ter zitting of  <?linebreak?> 		schriftelijk)’) (hierna: het Werkproces) staat: <emphasis role="italic">“Bij een schriftelijk ingediend </emphasis><?linebreak?><emphasis role="italic"> 		wrakingsverzoek: de wrakingscoördinator stuurt een ontvangstbevestiging naar de </emphasis><?linebreak?><emphasis role="italic"> 		indiener en informeert de andere partij(en) over het ingediende verzoek (met een kopie </emphasis><?linebreak?><emphasis role="italic"> 		van het schriftelijk verzoek als bijlage).” </emphasis>Dat is in dit geval gebeurd.</para>
        <para>Ad 3. 	In artikel 15 van het Werkproces staat (voor zover hier relevant): <emphasis role="italic">“De </emphasis><?linebreak?><emphasis role="italic"> 		wrakingscoördinator informeert de andere partij (…) over de datum en tijdstip zitting </emphasis><?linebreak?><emphasis role="italic"> 		en nodigt deze uit voor de zitting.” </emphasis>Dat is in dit geval gebeurd. De schriftelijke reactie <?linebreak?> 		op het wrakingsverzoek van mr. R.A.A. Maat, de advocaat van [geïntimeerde sub 1] , wordt, nu (de <?linebreak?> 		advocaat van) [geïntimeerde sub 1] tot het geven daarvan niet is uitgenodigd, door de wrakingskamer <?linebreak?> 		buiten beschouwing gelaten.</para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>1.8.</nr>
      <para>Na de mondelinge behandeling heeft de voorzitter van de wrakingskamer het onderzoek gesloten en heeft meegedeeld dat de wrakingskamer op 21 mei 2025 uitspraak zal doen. </para>
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>2</nr>Het standpunt van verzoeker</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>Verzoeker heeft in zijn wrakingsverzoek, zoals toegelicht ter zitting van de wrakingskamer, in de kern aangevoerd dat de raadsheren het beginsel van hoor en wederhoor hebben geschonden. Tijdens de mondelinge behandeling in de hoofdzaak zouden de raadsheren  verzoeker onvoldoende gelegenheid hebben gegeven tot het reageren op hetgeen door [geïntimeerde sub 1] en zijn advocaat naar voren werd gebracht. De raadsheren waren volgens verzoeker enkel kritisch naar hem toe met vragen terwijl zij ten opzichte van [geïntimeerde sub 1] en zijn advocaat een veel soepelere houding zouden hebben aangenomen. Verzoeker werd naar zijn zeggen <?linebreak?>bij het beantwoorden van de vragen van de raadsheren voortdurend door hen onderbroken en in zijn antwoorden afgebroken. Verder werd - zo stelt verzoeker - tijdens de mondelinge behandeling in de hoofdzaak door de raadsheren de inhoud van de zaak ondergeschikt gemaakt aan de tijd. Met dit handelen hebben de raadsheren in de ogen van verzoeker de schijn van partijdigheid gewekt.<?linebreak?></para>
    </parablock>
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>3</nr>Het standpunt van de raadsheren </title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De raadsheren hebben zich in hun schriftelijke reactie op het wrakingsverzoek op het standpunt gesteld dat dit verzoek te laat is ingediend. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Ten aanzien van de stelling van verzoeker dat het beginsel van hoor en wederhoor zou zijn geschonden, hebben de raadsheren in hun schriftelijke reactie, samengevat, aangegeven dat er twee uur en ruim drie kwartier is uitgetrokken voor de mondelinge behandeling in de hoofdzaak en dat deze tijd, met uitzondering van een ingelaste schorsing van ongeveer acht minuten, is besteed aan het bespreken van de hoofdzaak. In het roljournaal zijn partijen geattendeerd op een pleittijd van tien minuten. Deze tijd is hen gegeven. Er is niet van de mogelijkheid gebruik gemaakt om meer spreektijd te vragen. Verder is in het procesreglement bepaald dat een mondelinge behandeling ongeveer twee uur duurt. Er is ook niet van de mogelijkheid gebruik gemaakt om het hof te vragen meer tijd te reserveren voor de mondelinge behandeling. Alle partijen is gelegenheid geboden om het woord te voeren en op elkaar te reageren. Voor zover verzoeker is begrensd om het woord te voeren, was dit noodzakelijk voor een goed verloop van de mondelinge behandeling en kan hieruit geen schijn van partijdigheid worden afgeleid. </para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section role="overwegingen">
    <title>
      <nr>4</nr>De beoordeling</title>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>4.1.</nr>
      <parablock>
        <para>Ter zitting van de wrakingskamer heeft verzoeker verzocht om een afschrift van de </para>
        <para>e-mailberichten die zijn verzonden tussen de wrakingskamer en de raadsheren met betrekking tot de verklaringen van niet berusten en de schriftelijke reactie van de raadsheren op het wrakingsverzoek. Verzoeker wil daarmee inzicht krijgen in de tijdlijn van deze  contacten tussen de wrakingskamer en de raadsheren. </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.2.</nr>
      <para>De wrakingskamer overweegt dat de verzochte e-mailberichten niet zijn verstuurd en ontvangen door de wrakingskamer maar door de wrakingscoördinator in het kader van de uitvoering van het hiervoor genoemde Werkproces. Deze e-mailberichten maken geen onderdeel uit van het dossier in deze wrakingszaak. De wrakingskamer beschikt daar dan ook niet over. Dat betekent dat de wrakingskamer niet aan het verzoek van verzoeker kan voldoen.   <?linebreak?></para>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.3.</nr>
      <para>Op grond van artikel 37, eerste lid, Rv moet een verzoek tot wraking worden gedaan zodra de feiten en omstandigheden waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden aan verzoeker bekend zijn geworden. </para>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.4.</nr>
      <parablock>
        <para>De wrakingskamer constateert dat het wrakingsverzoek - naar de kern genomen - is gebaseerd op de stelling van verzoeker dat hij tijdens de mondelinge behandeling in de hoofdzaak op 4 februari 2025, van de raadsheren onvoldoende ruimte heeft gekregen om het woord te voeren en zijn standpunt naar voren te brengen, en dat [geïntimeerde sub 1] en zijn advocaat die ruimte wel hebben gekregen. </para>
        <para>De grond voor de wraking was derhalve reeds op 4 februari 2025 bij verzoeker bekend. Het wrakingsverzoek is echter pas op 17 april 2025 ingediend, derhalve tweeëneenhalve maand later. Feiten en omstandigheden die het late verzoek rechtvaardigen zijn niet door verzoeker gesteld en zijn ook niet gebleken. </para>
        <para>Naar het oordeel van de wrakingskamer is derhalve niet aan de eis van artikel 37, eerste lid, Rv voldaan en is het verzoek tot wraking te laat ingediend. Alleen al om die reden dient het wrakingsverzoek te worden afgewezen. </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.5.</nr>
      <para>Ten overvloede overweegt de wrakingskamer het volgende. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.6.</nr>
      <para>Op grond van artikel 36 Rv kan elk van de rechters die een zaak behandelen door een partij worden gewraakt op grond van feiten en omstandigheden waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.7.</nr>
      <para>Bij de beoordeling van een beroep op het ontbreken van onpartijdigheid van de rechter in de zin van artikel 6, eerste lid, van het EVRM en artikel 14, eerste lid, van het IVBPR dient uitgangspunt te zijn dat een rechter uit hoofde van zijn aanstelling moet worden vermoed onpartijdig te zijn, tenzij zich een uitzonderlijke omstandigheid voordoet die een zwaarwegende aanwijzing oplevert voor het oordeel dat een rechter jegens een rechtzoekende een vooringenomenheid koestert, althans dat de bij deze dienaangaande bestaande vrees objectief gerechtvaardigd is.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.8.</nr>
      <para>Het wrakingsverzoek is in de kern gebaseerd op de stelling dat de raadsheren tijdens de mondelinge behandeling in de hoofdzaak op 4 februari 2025 het beginsel van hoor en wederhoor hebben geschonden.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.9.</nr>
      <para>Voor de wrakingskamer is het proces-verbaal van de mondelinge behandeling in de hoofdzaak op 4 februari 2025 de primaire kenbron van hetgeen aldaar is voorgevallen en verklaard. Dit proces-verbaal is vastgesteld en ondertekend door de voorzitter van de behandelend kamer en door de griffier die tegenwoordig was tijdens de mondelinge behandeling. Het proces-verbaal telt elf pagina’s. Niet aannemelijk is geworden dat dit – uitgebreide – proces-verbaal niet een voldoende – zakelijke – weergave behelst van hetgeen ter zitting is voorgevallen en verklaard. De omstandigheid dat niet alles wat verzoeker heeft gezegd letterlijk in het proces-verbaal is weergegeven en dat, naar hij stelt, in het proces-verbaal is weggelaten op welke punten hij is onderbroken, is onvoldoende voor een ander oordeel. De wrakingskamer gaat bij de beoordeling van het verzoek tot wraking daarom uit van dit proces-verbaal. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.10.</nr>
      <para>Uit dit proces-verbaal, het schriftelijke wrakingsverzoek voor zover dat ziet op de gang van zaken tijdens de mondelinge behandeling in de hoofdzaak op 4 februari 2025 en de schriftelijke reactie van de raadsheren op dat punt, blijkt dat verzoeker de gelegenheid is geboden om het woord te voeren en dat hij daarvan ook (ruimschoots) gebruik heeft gemaakt. Zo heeft hij een slotwoord voorgelezen. Ook heeft hij op verschillende momenten gereageerd op wat door anderen naar voren is gebracht, mede aan de hand van vragen van de behandelend kamer. Tijdens de mondelinge behandeling in de hoofdzaak werd verzoeker bijgestaan door een advocaat die blijkens het proces-verbaal (ook) uitvoerig aan het woord is geweest. Hij heeft daarbij onder meer een pleitnotitie voorgedragen. Bovendien heeft de advocaat van verzoeker aan het einde van de mondelinge behandeling, in staat gesteld om nog vijf minuten iets te zeggen, verklaard: ‘ik heb alles gezegd’. De wrakingskamer is van oordeel dat verzoeker gezien deze gang van zaken tijdens de mondelinge behandeling voldoende gelegenheid is gegeven om zijn standpunt naar voren te (laten) brengen en, al dan niet bij monde van zijn advocaat, op de standpunten van [appellant] en [geïntimeerde sub 1] te reageren. Van schending van het beginsel van hoor en wederhoor is gelet op het voorgaande geen sprake.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.11.</nr>
      <para>Naar het oordeel van de wrakingskamer is op grond van het voorgaande niet aannemelijk geworden dat sprake is geweest van een uitzonderlijke omstandigheid die een zwaarwegende aanwijzing oplevert voor het oordeel dat de raadsheren jegens verzoeker een vooringenomenheid koesteren, noch dat de bij verzoeker bestaande vrees daarvoor objectief gerechtvaardigd is. </para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">Conclusie </emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.12.</nr>
      <para>De conclusie van het voorgaande is dat het verzoek tot wraking zal worden afgewezen.</para>
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>
      <nr>5</nr>De beslissing</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het hof (de wrakingskamer):</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>wijst af het verzoek tot wraking;</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>bepaalt dat het proces in de hoofdzaak wordt voortgezet in de stand waarin het zich bevond ten tijde van het wrakingsverzoek;</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>beveelt de onverwijlde mededeling van deze beslissing aan verzoeker, [appellant] en [geïntimeerde sub 1] en de raadsheren mrs. S.M.J. Korthuis-Becks, J.J.M. van Lanen en C.M.J. Peters .</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Deze beslissing is gegeven door mr. J.P. de Haan (voorzitter), mr. J.M. van der Vegt en </para>
      <para>mr. A.C. Bosch, in tegenwoordigheid van mr. C.J.G. Streutjes als griffier en in het openbaar uitgesproken op 21 mei 2025. </para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </section>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>