<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:GHSHE:2025:1447</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2025-07-16T10:05:38</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2025-05-22</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Gerechtshof_'s-Hertogenbosch" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Gerechtshof 's-Hertogenbosch</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2025-04-09</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">22/1159 en 22/1160</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#hogerBeroep">Hoger beroep</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">'s-Hertogenbosch</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht_belastingrecht">Bestuursrecht; Belastingrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:references rdfs:label="Wetsverwijzing" bwb:resourceIdentifier="jci1.31:c:BWBR0007119&amp;artikel=40&amp;g=2016-10-01">Wet waardering onroerende zaken 40</dcterms:references>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
          <rdf:li>V-N Vandaag 2025/1357</rdf:li>
          <rdf:li>Sdu Nieuws Belastingzaken 2025/730</rdf:li>
          <rdf:li>V-N 2025/33.32.27</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHSHE:2025:1447">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHSHE:2025:1447</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2025-07-02T15:30:21</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2025-07-02</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:GHSHE:2025:1447 Gerechtshof 's-Hertogenbosch , 09-04-2025 / 22/1159 en 22/1160</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:GHSHE:2025:1447:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Wet WOZ. Dubbel hoger beroep. Het hof acht het hoger beroep ontvankelijk. Het hof leidt (impliciet) uit het arrest HR 31-01-2025, ECLI:NL:HR:2025:155, af dat de algemeen geformuleerde machtiging toereikend is voor het voeren van de hogerberoepsprocedure. Dat tussen belanghebbende en de gemachtigde een overeenkomst op basis van no-cure-no-pay is gesloten, maakt niet dat geen sprake is van procesbelang. De rechtbank heeft gelet op het arrest HR 25-01-2025, ECLI:NL:HR:2025:106, terecht een vergoeding van proceskosten wegens schending van artikel 40, lid 2, Wet WOZ met een wegingsfactor 1 toegekend. Wel heeft belanghebbende gelet op HR 27-05-2022, ECLI:NL:HR:2022:752, recht op een hogere proceskostenvergoeding. Hoger beroep belanghebbende gegrond. Hoger beroep heffingsambtenaar ongegrond.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:GHSHE:2025:1447:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <uitspraak.info>
    <bridgehead role="bold">GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH</bridgehead>
    <para>Team belastingrecht</para>
    <para>Enkelvoudige Belastingkamer</para>
    <para>Nummers: 22/1159 en 22/1160</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">Uitspraak op het hoger beroep van</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">
          [belanghebbende] ,</emphasis>
      </para>
      <para>wonend in [woonplaats] ,</para>
      <para>hierna: belanghebbende, </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">en op het hoger beroep van </emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">de heffingsambtenaar van de gemeente Veldhoven,</emphasis>
      </para>
      <para>hierna: de heffingsambtenaar,</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>tegen de uitspraak van de rechtbank Oost-Brabant (hierna: de rechtbank) van 20 april 2022, nummer SHE 21/98, in het geding tussen belanghebbende en de heffingsambtenaar.</para>
    </parablock>
    <para />
  </uitspraak.info>
  <section role="procesverloop">
    <title>
      <nr>1</nr>Ontstaan en loop van het geding</title>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>1.1.</nr>
      <para>De heffingsambtenaar heeft in het kader van de Wet waardering onroerende zaken (hierna: Wet WOZ) een beschikking gegeven (hierna: WOZ-beschikking) en daarbij de waarde van de woning aan [adres] in [woonplaats] (hierna: de onroerende zaak) vastgesteld. Tevens is de aanslag onroerendezaakbelastingen voor het jaar 2020 bekendgemaakt.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>1.2.</nr>
      <para>Belanghebbende heeft bezwaar gemaakt. De heffingsambtenaar heeft uitspraak op bezwaar gedaan en het bezwaar ongegrond verklaard.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>1.3.</nr>
      <para>Belanghebbende heeft tegen deze uitspraak beroep ingesteld bij de rechtbank. De rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard en de heffingsambtenaar veroordeeld tot vergoeding van de door belanghebbende gemaakte proceskosten en het door belanghebbende betaalde griffierecht.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>1.4.</nr>
      <para>Belanghebbende en de heffingsambtenaar hebben tegen de uitspraak van de rechtbank hoger beroep ingesteld bij het hof. Beide partijen hebben een verweerschrift ingediend.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>1.5.</nr>
      <para>Partijen hebben vóór de zitting nadere stukken ingediend. Deze stukken zijn doorgestuurd naar de andere partij.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>1.6.</nr>
      <para>De zitting heeft plaatsgevonden op 8 december 2023 in ’s-Hertogenbosch. Daar zijn verschenen [gemachtigde], als gemachtigde van belanghebbende, en, namens de heffingsambtenaar, [heffingsambtenaar] . De gemachtigde van belanghebbende heeft, zonder bezwaar van de andere partij, een kopie overgelegd van e-mailcorrespondentie tussen belanghebbende en de gemachtigde in januari 2021. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>1.7.</nr>
      <para>Het hof heeft aan het einde van de zitting het onderzoek gesloten.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>1.8.</nr>
      <para>Na sluiting van het onderzoek is bij het hof een bericht van (de gemachtigde van) belanghebbende binnengekomen. Het hof heeft in de inhoud van dit bericht geen aanleiding gezien het onderzoek te heropenen.</para>
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>2</nr>Feiten</title>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>2.1.</nr>
      <para>De waarde van de onroerende zaak is door de heffingsambtenaar per de waardepeildatum 1 januari 2019 vastgesteld op € 283.000. Hiertegen heeft belanghebbende bezwaar gemaakt. Bij brief van 26 maart 2020 is belanghebbendes gemachtigde er door de heffingsambtenaar op gewezen dat hij de op de zaak betrekking hebbende stukken voorafgaand aan de hoorzitting kan inzien. Van deze mogelijkheid is geen gebruik gemaakt. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.2.</nr>
      <para>In zijn nadere aanvulling van het bezwaarschrift, gedateerd 24 april 2020, heeft belanghebbende de heffingsambtenaar tevergeefs gevraagd de gebruikte grondstaffel en de taxatiekaart met daarop vermeld de KOUDV- en liggingsfactoren van de onroerende zaak en van de vergelijkingsobjecten tijdig voor het plaatsvinden van de hoorzitting te verstrekken.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.3.</nr>
      <para>Bij uitspraak op bezwaar heeft de heffingsambtenaar de waarde van de onroerende zaak en de aanslag gehandhaafd. Het tegen de uitspraak op bezwaar ingediende beroep is door de rechtbank ongegrond verklaard.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.4.</nr>
      <para>Alhoewel de rechtbank de vastgestelde WOZ-waarde in stand heeft gelaten, is wel een proceskostenveroordeling uitgesproken omdat de heffingsambtenaar niet heeft voldaan aan de in artikel 40, lid 2, Wet WOZ opgenomen verplichting om een afschrift van de gegevens die ten grondslag liggen aan de vastgestelde waarde te verstrekken. De rechtbank heeft de proceskosten voor de beroepsfase vastgesteld op € 1.082 (1 punt voor het indienen van een beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde per punt van € 541 en een wegingsfactor 1). Ook heeft de rechtbank bepaald dat de heffingsambtenaar het door belanghebbende betaalde griffierecht van € 48 dient te vergoeden.</para>
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>3</nr>Geschil en conclusies van partijen</title>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>3.1.</nr>
      <para>Het geschil betreft het antwoord op de volgende vragen:</para>
      <para />
      <para>1. Dient het hoger beroep van belanghebbende niet-ontvankelijk te worden verklaard?</para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="underline">Hoger beroep van de heffingsambtenaar</emphasis>:</para>
      </parablock>
      <para>2. Heeft de rechtbank terecht een proceskostenveroordeling uitgesproken?</para>
      <para>3. Bij positieve beantwoording van vraag 2: heeft de rechtbank bij de bepaling van de proceskostenvergoeding een te hoge wegingsfactor gehanteerd?</para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="underline">Hoger beroep van belanghebbende</emphasis>:</para>
      </parablock>
      <para>4. Bij positieve beantwoording van vraag 2: heeft de rechtbank bij de bepaling van de proceskostenvergoeding een te lage waarde per punt gehanteerd?</para>
      <para />
      <parablock>
        <para>De WOZ-beschikking is niet (meer) in geschil.</para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.2.</nr>
      <para>Belanghebbende en de heffingsambtenaar concluderen beide tot vernietiging van de uitspraak van de rechtbank, maar alleen voor de beslissing over de proceskostenvergoeding.</para>
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section role="overwegingen">
    <title>
      <nr>4</nr>Gronden</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">Ten aanzien van het geschil</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Vraag 1: ontvankelijkheid hoger beroep</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>4.1.</nr>
      <para>De ontvankelijkheid van een hoger beroep is van openbare orde. Dit betekent dat het hof, alvorens te kunnen toekomen aan een inhoudelijke beoordeling van de hoger beroepen van belanghebbende en de heffingsambtenaar, dient te beoordelen of die hoger beroepen ontvankelijk zijn. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.2.</nr>
      <para>De heffingsambtenaar stelt dat het hoger beroep van belanghebbende, ingesteld namens belanghebbende door [kantoor] B.V. (hierna: [kantoor] ), om twee redenen niet-ontvankelijk moet worden verklaard, te weten wegens (i) het ontbreken van een geldige machtiging die het instellen van dit hoger beroep dekt en (ii) het ontbreken van procesbelang.</para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">(i) geldige machtiging</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.3.</nr>
      <para>De heffingsambtenaar heeft primair betoogd dat het hoger beroep van belanghebbende niet-ontvankelijk moet worden verklaard, omdat in de machtiging van belanghebbende aan [kantoor] is opgenomen dat [kantoor] belanghebbende mag vertegenwoordigen <emphasis role="italic">‘in alle zaken betreffende de aanslag lokale belastingen en de daarop vermelde WOZ-beschikking(-en)’</emphasis>. Het hoger beroep ziet echter alleen op de door de rechtbank genomen nevenbeslissingen. Omdat belanghebbende het in hoger beroep eens is met de WOZ-beschikking, dekt de machtiging volgens de heffingsambtenaar niet het instellen van het hoger beroep.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.4.</nr>
      <para>Het betoog van de heffingsambtenaar faalt. Het hof leidt dit (impliciet) af uit het arrest van de Hoge Raad van 31 januari 2025<footnote-ref linkend="_db51e1bf-4f05-45a5-9aa4-62cbadc5532b" /> en de daaraan voorafgaande conclusie van Advocaat-Generaal P.J. Wattel (hierna: A-G Wattel) van 13 december 2024<footnote-ref linkend="_d737b2a6-2a99-4863-b00b-3ac5fe874b3a" />. In zijn conclusie heeft A-G Wattel de vraag aan de orde gesteld of de aan de gemachtigde in die (BPM-)zaak afgegeven volmacht wel toereikend was voor het voeren van de cassatieprocedure, omdat het cassatieberoep alleen het – reeds volledig vergoede – hogerberoepgriffierecht betrof én de inspecteur de gemachtigde een aanbod had gedaan om de proceskosten te vergoeden op voorwaarde dat het cassatieberoep zou worden ingetrokken. De overgelegde volmacht machtigde desbetreffende gemachtigde slechts om de volmachtgever te vertegenwoordigen in <emphasis role="italic">“fiscale aangelegenheid (…) inzake (…) betalingen op aangiften, verzoeken om teruggaaf van BPM of naheffingsaanslagen inzake belasting van personenauto’s en motorrijwielen.”</emphasis> A-G Wattel geeft de Hoge Raad primair in overweging de gemachtigde in de gelegenheid te stellen om het machtigingsverzuim te herstellen en bij gebreke daarvan het cassatieberoep niet-ontvankelijk te verklaren. Indien de Hoge Raad de machtiging wél toereikend acht of alsnog een toereikende machtiging wordt overgelegd, geeft A-G Wattel de Hoge Raad in overweging het cassatieberoep niet-ontvankelijk te verklaren wegens gebrek aan procesbelang. De Hoge Raad heeft het cassatieberoep niet-ontvankelijk verklaard wegens gebrek aan procesbelang. Uit het arrest blijkt niet dat de gemachtigde in de gelegenheid is gesteld om het door A-G Wattel geconstateerde machtigingsverzuim te herstellen en evenmin dat alsnog een (‘toereikende’) machtiging is overgelegd. Het hof leidt hier impliciet uit af dat de Hoge Raad van oordeel is dat geen sprake is van een machtigingsverzuim en dat de Hoge Raad de reeds overgelegde machtiging toereikend acht voor het (instellen van) cassatieberoep. Gelet hierop komt het hof tot de conclusie dat de, meest recente, zich in het dossier bevindende machtiging, getekend op 28 februari 2022, toereikend is voor het (instellen van) hoger beroep. Aangezien de meest recente volmacht in het dossier is afgegeven vóór het instellen van hoger beroep op 1 juni 2022 en bovendien niet ouder is dan 6 maanden voorafgaand aan het instellen daarvan, acht het hof deze volmacht geldig. Het hof gaat er in dit individuele geval aan voorbij dat in de machtiging niet expliciet wordt vermeld op welke procedure deze betrekking heeft, omdat het hof geen aanleiding heeft gezien om te twijfelen of de machtiging ziet op de onderhavige procedure.</para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">(ii) ontbreken procesbelang</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.5.</nr>
      <para>De heffingsambtenaar stelt subsidiair dat het hoger beroep niet-ontvankelijk moet worden verklaard omdat belanghebbende geen belang bij de hogerberoepsprocedure heeft. Hij meent dat het in dit geval gaat om een no-cure-no-pay rechtsbijstandverlener die alleen voor zijn eigen belang procedeert omdat alleen hem de proceskostenvergoeding ten goede komt. Belanghebbende heeft in de visie van de heffingsambtenaar geen economisch belang bij deze procedure.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.6.</nr>
      <para>Het is vaste rechtspraak dat een hoger beroep niet-ontvankelijk dient te worden verklaard als de indiener daarvan bij de aanwending van het rechtsmiddel geen (proces)belang heeft. Dat is het geval als het aanwenden van het rechtsmiddel, ongeacht de gronden waarop het steunt, die indiener niet in een betere positie kan brengen met betrekking tot het bestreden besluit én eventuele bijkomende (rechterlijke) nevenbeslissingen zoals die met betrekking tot de proceskosten, het griffierecht<footnote-ref linkend="_6b1ee4d4-f83a-472a-9252-5eb1be28ef5c" /> en de immateriëleschadevergoeding. De enkele omstandigheid dat een belanghebbende met diens gemachtigde een overeenkomst op basis van no-cure-no-pay heeft gesloten op grond waarvan de kosten die belanghebbende aan de gemachtigde moet betalen worden gesteld op het bedrag dat een rechterlijke instantie toekent als (proces)kostenvergoeding, brengt niet mee dat belanghebbende geen belang kan hebben bij het rechtsmiddel.<footnote-ref linkend="_46aec14f-0ebb-47e9-b3aa-64e9b5377e6a" /> Dat de WOZ-beschikking in hoger beroep niet (meer) in geschil is, doet daar naar het oordeel van het hof niet aan af. Het hof ziet hiervoor bevestiging in het recente arrest van de Hoge Raad van 28 februari 2025<footnote-ref linkend="_9870dfd4-cab0-4d57-a2cf-584b68fb57e1" />.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.7.</nr>
      <para>De stelling van de heffingsambtenaar dat hij zich niet goed kan voorstellen dat belanghebbende weet heeft van deze procedure dan wel dat hij opdracht heeft gegeven in hoger beroep te gaan wordt verworpen. Het hof heeft namelijk geen enkele aanleiding om van deze veronderstelling uit te gaan, temeer de volmacht die op 28 februari 2022 door belanghebbende is ondertekend ook ziet op de hogerberoepsprocedure. Het hof zal dan ook niet, zoals de heffingsambtenaar heeft gesuggereerd, belanghebbende op grond van artikel 8:59 Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) oproepen om inlichtingen te verschaffen inzake de inhoud van de machtiging en zijn procesbelang. </para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">Vraag 2: proceskostenvergoeding</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.8.</nr>
      <para>De rechtbank heeft geoordeeld dat de heffingsambtenaar de door belanghebbende in de bezwaarfase gevraagde stukken (de KOUDV- en liggingsfactoren) ten onrechte niet heeft toegezonden en dat daaraan niet afdoet dat belanghebbende de mogelijkheid is geboden om op het gemeentekantoor inzage in alle stukken te krijgen. Aangezien belanghebbende in beroep kennis heeft kunnen nemen van betreffende stukken heeft de rechtbank het gebrek met toepassing van artikel 6:22 Awb gepasseerd, maar is in dat verband wel een vergoeding van het door belanghebbende betaalde griffierecht en de proceskosten toegekend.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.9.</nr>
      <para>De heffingsambtenaar stelt dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat op grond van artikel 40, lid 2, Wet WOZ er in dit geval een toezendplicht geldt. Dit betoog faalt. Onder verwijzing naar de arresten die de Hoge Raad op 18 augustus 2023<footnote-ref linkend="_628a55fb-0a14-4db8-b998-7eae65f528e4" /> heeft gewezen is het hof van oordeel dat belanghebbende een voldoende specifiek verzoek heeft gedaan tot het verstrekken van bepaalde gegevens. Die gegevens zijn de KOUDV- en liggingsfactoren van de onroerende zaak en de referentiepanden en hebben ten grondslag gelegen aan de vastgestelde waarde van de onroerende zaak zodat de heffingsambtenaar op grond van artikel 40, lid 2, Wet WOZ gehouden was te voldoen aan het verzoek van belanghebbende om hem een afschrift van die gegevens te verstrekken. Aan de verplichting tot het verstrekken van deze gegevens doet niet af dat het op de zaak betrekking hebbende stukken zijn, die daarom tevens voorafgaand aan het horen in een bezwaarprocedure op grond van artikel 7:4, lid 2, Awb ter inzage moeten worden gelegd.<footnote-ref linkend="_6757a590-065c-4820-9563-1064d836021f" /> De door de heffingsambtenaar genoemde ‘lijn’ in de rechtspraak van diverse gerechtshoven is met de voornoemde arresten van de Hoge Raad van 18 augustus 2023 achterhaald.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.10.</nr>
      <para>De rechtbank heeft de schending van artikel 40, lid 2, Wet WOZ gepasseerd met toepassing van artikel 6:22 Awb en het beroep van belanghebbende ongegrond verklaard. Niet in geschil is dat de rechtbank de schending terecht met toepassing van artikel 6:22 Awb heeft gepasseerd. Indien de schending van artikel 40, lid 2, Wet WOZ met toepassing van artikel 6:22 Awb wordt gepasseerd en het bestreden besluit in stand blijft, bestaat in beginsel recht op vergoeding van griffierecht en op toekenning van een proceskostenvergoeding. Alleen bij aanwezigheid van bijzondere omstandigheden kan de rechter afzien van het toekennen van een vergoeding van griffierecht en een proceskostenvergoeding. De rechter moet in zo’n geval motiveren waarom hij daarvan afziet. <footnote-ref linkend="_7d557a1a-9ab3-46b2-a21c-b503c5b2824f" /></para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.11.</nr>
      <para>Het hof is gelet op het voorgaande van oordeel dat de rechtbank terecht een vergoeding voor het door belanghebbende betaalde griffierecht en de proceskosten heeft toegekend. Van bijzondere omstandigheden die aanleiding geven voor het afzien daarvan is het hof niets gebleken. De rechtbank hoefde zich van haar beslissing om een proceskostenvergoeding toe te kennen niet te laten weerhouden door de omstandigheid dat de desbetreffende stukken ook ter inzage hebben gelegen in de bezwaarfase en evenmin dat belanghebbende zijn verzoek, nadat hij geen gebruik had gemaakt van het inzagerecht, niet heeft herhaald.<footnote-ref linkend="_bb84bb5b-3241-4c4c-89cf-7447b72bbf6f" /> Het betoog van de heffingsambtenaar faalt ook in zoverre.</para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">Vraag 3: wegingsfactor </emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.12.</nr>
      <para>De heffingsambtenaar heeft voorts gesteld dat de door de rechtbank gehanteerde wegingsfactor 1 geen recht doet aan de werkbelasting die de procedure voor gemachtigde heeft meegebracht en stelt dat deze op 0,5 dient te worden bepaald. Belanghebbende stelt, onder verwijzing naar de zogenaamde “richtsnoeren-uitspraak”<footnote-ref linkend="_c9fccdaa-e760-43e8-8288-6ddb69a4e68e" /> van het hof, daar tegenover dat bij een onvolledige gegevensverstrekking een gemiddelde wegingsfactor 1 dient te worden gehanteerd.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.13.</nr>
      <para>Het hof stelt voorop dat ten aanzien van de toekenning van een proceskostenvergoeding de beoordelende instantie zelfstandig, op grond van een eigen waardering, dient te beoordelen in welke gewichtscategorie een zaak valt. Indien, zoals in dit geval, in hoger beroep wordt geklaagd over een door de rechtbank toegekende proceskostenvergoeding, toetst het hof ten volle de proceskostenvergoeding van de vorige procesfase. Deze toets ziet ook op het gewicht van de zaak.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.14.</nr>
      <para>Op grond van artikel 8:75 Awb en het Besluit proceskosten bestuursrecht (hierna: Bpb) wordt de proceskostenvergoeding vastgesteld aan de hand van een puntensysteem per proceshandeling en een vermenigvuldigingsfactor voor de zwaarte van de zaak. Voor de zwaarte van de zaak kent het Bpb de volgende wegingsfactoren: zeer licht, licht, gemiddeld, zwaar en zeer zwaar. In de Bijlage bij het Bpb zijn onder C1 de wegingsfactoren opgenomen. Deze variëren van 0,25 voor een zeer lichte zaak, 0,5 voor een lichte zaak, 1 voor een gemiddelde zaak, 1,5 voor een zware zaak, tot 2 voor een zeer zware zaak.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.15.</nr>
      <para>De wegingsfactor genoemd in onderdeel C1 van de Bijlage bij het Bpb kan worden bepaald aan de hand van de bewerkelijkheid en de gecompliceerdheid van de zaak en de daarmee verband houdende werkbelasting van de rechtsbijstandverlener en tevens door het – al dan niet in geld uit te drukken – belang dat met het aanwenden van het rechtsmiddel is gemoeid.<footnote-ref linkend="_01ccf1c7-a6ee-4127-8b96-24c5c42763ed" />In hoeverre een bezwaar of (hoger) beroep gegrond wordt verklaard is in zoverre niet relevant.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.16.</nr>
      <para>De belastingkamers van de gerechtshoven hanteren ter vaststelling van de vergoeding van de kosten van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand in de bezwaarfase en de (hoger) beroepsfase de in de “richtsnoeren-uitspraak” gehanteerde uitgangspunten. Naar het oordeel van het hof valt de onderhavige zaak niet te scharen onder de gevallen zoals genoemd onder 1.2 en 1.3 van de meest recente “richtsnoeren-uitspraak”.<footnote-ref linkend="_c7abd7e1-eb18-4cab-846b-56ee0e534411" /> Dit hoeft aan toepassing van een lagere wegingsfactor echter niet in de weg te staan, aangezien ook in andere zaken dan daar zijn vermeld, een lagere factor kan worden gehanteerd als het gewicht van de zaak daartoe aanleiding geeft. Het hof zal beoordelen of dat voor deze zaak heeft te gelden.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.17.</nr>
      <para>In deze zaak speelden in eerste aanleg verschillende geschilpunten, waaronder de schending van de toezendplicht zoals bedoeld in artikel 40, lid 2, Wet WOZ. De rechtbank heeft belanghebbende alleen ten aanzien van schending van de toezendplicht in het gelijk gesteld. Het hof ziet in de geschilpunten die bij de rechtbank voorlagen en de inhoudelijke behandeling daarvan, geen aanleiding om uit te gaan van een lager dan gemiddeld gewicht, en daarmee van een lagere wegingsfactor dan 1. Dit neemt niet weg dat gelet op het bepaalde in artikel 2, lid 2, Bpb, de proceskostenvergoeding kan worden gematigd. Dat kan als een belanghebbende uitsluitend in het gelijk wordt gesteld op een punt van ondergeschikt belang.<footnote-ref linkend="_c1e9e2de-cbe6-4fba-9309-a5044fb4bf19" />Het hof ziet in de omstandigheid dat het beroep in eerste aanleg alleen voor wat betreft de schending van artikel 40, lid 2, Wet WOZ is geslaagd, geen aanleiding om de proceskostenvergoeding op grond van artikel 2, lid 2, Bpb te matigen. Het hof neemt hierbij in aanmerking dat het geschilpunt omtrent de toezendplicht van artikel 40, lid 2, Wet WOZ niet van ondergeschikt belang was en er tevens een inhoudelijk debat is gevoerd over de WOZ-waarde. Een matiging van de proceskosten zou dan – gelet op de specifieke omstandigheden van deze zaak – te veel afbreuk doen aan de daarmee verband houdende werkbelasting van de rechtsbijstandverlener en het belang van de zaak. Dit betekent dat ook dit betoog van de heffingsambtenaar faalt en dat diens hoger beroep ongegrond moet worden verklaard.</para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">Vraag 4: waarde per punt</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.18.</nr>
      <para>Belanghebbende heeft zich op het standpunt gesteld dat de rechtbank ten onrechte de waarde per punt zoals vermeld in punt 1 van onderdeel B1 van het Bpb behorende bijlage heeft toegepast. Volgens belanghebbende dient gelet op het arrest van de Hoge Raad van 27 mei 2022<footnote-ref linkend="_cc6a03c3-5a67-4b65-ba8f-1f46e47a922c" /> te worden uitgegaan van de in punt 2 van onderdeel B1 vermelde (hogere) waarde per punt.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.19.</nr>
      <para>Het hof stelt vast dat de rechtbank de heffingsambtenaar heeft veroordeeld in de proceskosten van belanghebbende tot een bedrag van € 1.082. Deze kosten voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand zijn door de rechtbank op grond van het Bpb als volgt berekend en vastgesteld: 1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 541 en een wegingsfactor 1.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.20.</nr>
      <para>Bij de veroordeling van de heffingsambtenaar in de proceskosten had de rechtbank dienen uit te gaan van het hogere tarief per punt voor beroep omdat de bijzondere regel van punt 1 van onderdeel B1 van de bijlage bij het Bpb in strijd is met het discriminatieverbod en daarom buiten toepassing moet blijven. Dit betekent dat de uitspraak van de rechtbank voor zover het de beslissing over de proceskostenvergoeding betreft niet in stand kan blijven. Het hoger beroep van belanghebbende moet gegrond worden verklaard.</para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="bold">Tussenconclusie</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.21.</nr>
      <para>De slotsom is dat het hoger beroep van belanghebbende (22/1159) gegrond en het hoger beroep van de heffingsambtenaar (22/1160) ongegrond is.</para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="bold">Ten aanzien van het verzoek om (immateriële) schadevergoeding</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.22.</nr>
      <para>Het hof is van oordeel dat geen aanleiding bestaat voor het toekennen van vergoeding van immateriële schade voor de overschrijding van de redelijke termijn in hoger beroep, omdat het geschil inzake de belastingheffing (de hoofdzaak) door de uitspraak van de rechtbank reeds ten einde was gekomen.<footnote-ref linkend="_ef704dc3-619d-4753-92d0-765db65d0338" /> Dit betekent dat het tijdsverloop na 20 april 2022 buiten beschouwing moet blijven.</para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="bold">Ten aanzien van het griffierecht</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.23.</nr>
      <para>De heffingsambtenaar dient aan belanghebbende het bij het hof betaalde griffierecht van € 136 te vergoeden, omdat de uitspraak van de rechtbank (deels) wordt vernietigd. Daarnaast dient voor het door de heffingsambtenaar ingestelde hoger beroep een griffierecht te worden geheven van € 579<footnote-ref linkend="_fc0bdfab-7a8b-473b-924d-dcac50cf3fb1" />, omdat de uitspraak van de rechtbank uitsluitend wordt vernietigd op grond van het door belanghebbende ingestelde hoger beroep.<footnote-ref linkend="_2e706a7c-4af8-42e1-b286-70bb04224d9c" /></para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="bold">Ten aanzien van de proceskosten</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.24.</nr>
      <para>Het hof veroordeelt de heffingsambtenaar tot vergoeding van de kosten die belanghebbende redelijkerwijs heeft moeten maken in verband met de behandeling van het hoger beroep bij het hof omdat het door belanghebbende ingestelde hoger beroep gegrond en het door de heffingsambtenaar ingestelde hoger beroep ongegrond is. Gelet op hetgeen in onder 4.20 is overwogen zal het hof de proceskostenveroordeling voor de beroepsfase opnieuw vaststellen.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.25.</nr>
      <para>Het hof stelt de tegemoetkoming voor de beroepsfase op 2 (punten) x € 907 (waarde per punt) x 1 (factor gewicht van de zaak) is € 1.814.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.26.</nr>
      <para>Het hof stelt de tegemoetkoming voor de hoger beroepsfase op 3 (punten)<footnote-ref linkend="_6a1c432a-4461-4576-a35f-7e68946b8278" /> x € 907 (waarde per punt) x 0,5<footnote-ref linkend="_d55ec982-feee-4cb4-aac3-c40858a46bc8" /> (factor gewicht van de zaak) is € 1.360,50.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.27.</nr>
      <para>Gesteld noch gebleken is dat belanghebbende overige voor vergoeding in aanmerking komende kosten als bedoeld in artikel 1 Bpb heeft gemaakt.</para>
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>5</nr>Beslissing</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het hof:</para>
    </parablock>
    <itemizedlist mark="-">
      <listitem>
        <para>verklaart het hoger beroep in de zaak 22/1159 gegrond;</para>
      </listitem>
      <listitem>
        <para>verklaart het hoger beroep in de zaak 22/1160 ongegrond;</para>
      </listitem>
      <listitem>
        <para>vernietigt de uitspraak van de rechtbank, maar alleen voor de beslissing over de proceskostenvergoeding;</para>
      </listitem>
      <listitem>
        <para>bevestigt de uitspraak van de rechtbank voor het overige;</para>
      </listitem>
      <listitem>
        <para>bepaalt dat de heffingsambtenaar aan belanghebbende het betaalde griffierecht voor de behandeling van het hoger beroep bij het hof van € 136 vergoedt;</para>
      </listitem>
      <listitem>
        <para>bepaalt dat van de heffingsambtenaar een griffierecht wordt geheven van € 579;</para>
      </listitem>
      <listitem>
        <para>veroordeelt de heffingsambtenaar in de kosten van het geding bij de rechtbank en het hof van, in totaal, € 3.174,50, onder verrekening van het reeds uitbetaalde bedrag.</para>
      </listitem>
    </itemizedlist>
    <para />
    <parablock>
      <para>De uitspraak is gedaan door A.J. Kromhout, raadsheer, in tegenwoordigheid van A.S. van Middelkoop, als griffier. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 9 april 2025 en een afschrift van de uitspraak is op die datum in Mijn Rechtspraak geplaatst. Aan de partij die niet digitaal procedeert, is een afschrift op die datum aangetekend per post verzonden.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De griffier,	De raadsheer,</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>A.S. van Middelkoop	A.J. Kromhout</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">Het aanwenden van een rechtsmiddel</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij <emphasis role="bold">de Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad www.hogeraad.nl</emphasis>. </para>
      <para>Bepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie instellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aan <emphasis role="bold">de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), postbus 20303, 2500 EH Den Haag. </emphasis>Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (zie <emphasis role="bold">www.hogeraad.nl</emphasis>). </para>
      <para>Bij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen:</para>
    </parablock>
    <orderedlist numeration="arabic">
      <listitem>
        <para>Bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.</para>
      </listitem>
      <listitem>
        <para>(Alleen bij procederen op papier) het beroepschrift moet ondertekend zijn;</para>
      </listitem>
      <listitem>
        <para>Het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:</para>
      </listitem>
    </orderedlist>
    <orderedlist numeration="loweralpha">
      <listitem>
        <para>de naam en het adres van de indiener;</para>
      </listitem>
      <listitem>
        <para>de dagtekening;</para>
      </listitem>
      <listitem>
        <para>een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;</para>
      </listitem>
      <listitem>
        <para>e gronden van het beroep in cassatie.</para>
      </listitem>
    </orderedlist>
    <parablock>
      <para>Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.</para>
      <para>In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de andere partij te veroordelen in de proceskosten.</para>
    </parablock>
  </section>
  <footnote id="_db51e1bf-4f05-45a5-9aa4-62cbadc5532b" label="1">
    <para> Hoge Raad 31 januari 2025, ECLI:NL:HR:2025:155.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_d737b2a6-2a99-4863-b00b-3ac5fe874b3a" label="2">
    <para> De conclusie van Advocaat-Generaal P.J. Wattel 13 december 2024, ECLI:NL:PHR:2024:1340.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_6b1ee4d4-f83a-472a-9252-5eb1be28ef5c" label="3">
    <para> Hoge Raad 11 april 2014, ECLI:NL:HR:2014:878, Hoge Raad 12 mei 2017, ECLI:NL:HR:2017:844 en Hoge Raad 23 februari 2024, ECLI:NL:HR:2024:265.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_46aec14f-0ebb-47e9-b3aa-64e9b5377e6a" label="4">
    <para> Hoge Raad 13 juli 2012, ECLI:NL:HR:2012:BX0904.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_9870dfd4-cab0-4d57-a2cf-584b68fb57e1" label="5">
    <para> Hoge Raad 28 februari 2025, ECLI:NL:HR:2025:337.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_628a55fb-0a14-4db8-b998-7eae65f528e4" label="6">
    <para> O.a. Hoge Raad 18 augustus 2023, ECLI:NL:HR:2023:1052.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_6757a590-065c-4820-9563-1064d836021f" label="7">
    <para> O.a. Hoge Raad 18 augustus 2023, ECLI:NL:HR:2023:1052.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_7d557a1a-9ab3-46b2-a21c-b503c5b2824f" label="8">
    <para> Hoge Raad 25 januari 2025, ECLI:NL:HR:2025:106.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_bb84bb5b-3241-4c4c-89cf-7447b72bbf6f" label="9">
    <para> Hoge Raad 25 januari 2025, ECLI:NL:HR:2025:106.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_c9fccdaa-e760-43e8-8288-6ddb69a4e68e" label="10">
    <para> Zie de bijlage bij de uitspraak van het Gerechtshof ’s-Hertogenbosch 11 november 2021, ECLI:NL:GHSHE:2021:3315 en meer recentelijk de bijlage bij de uitspraak van het Gerechtshof ’s-Hertogenbosch 7 augustus 2024, ECLI:NL:GHSHE:2024:2524.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_01ccf1c7-a6ee-4127-8b96-24c5c42763ed" label="11">
    <para> Hoge Raad 9 september 2022, ECLI:NL:HR:2022:1162.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_c7abd7e1-eb18-4cab-846b-56ee0e534411" label="12">
    <para> ECLI:NL:GHSHE:2024:2524.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_c1e9e2de-cbe6-4fba-9309-a5044fb4bf19" label="13">
    <para> Vgl. Hoge Raad 14 februari 2025, ECLI:NL:HR:2025:243 en Hoge Raad 15 november 2024, ECLI:NL:HR:2024:1659.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_cc6a03c3-5a67-4b65-ba8f-1f46e47a922c" label="14">
    <para> Hoge Raad 27 mei 2022, ECLI:NL:HR:2022:752.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_ef704dc3-619d-4753-92d0-765db65d0338" label="15">
    <para> Hoge Raad 2 september 2022, ECLI:NL:HR:2022:1128 en Hoge Raad 30 september 2022, ECLI:NL:HR:2022:1346. </para>
  </footnote>
  <footnote id="_fc0bdfab-7a8b-473b-924d-dcac50cf3fb1" label="16">
    <para> Artikel 8:109, lid 2, Awb.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_2e706a7c-4af8-42e1-b286-70bb04224d9c" label="17">
    <para> Hoge Raad 15 april 2011, ECLI:NL:HR:2011:BP6600.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_6a1c432a-4461-4576-a35f-7e68946b8278" label="18">
    <para> 1 punt voor het hoger beroepschrift, 1 punt voor het verweerschrift en 1 punt voor het verschijnen op de zitting, zie Bpb.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_d55ec982-feee-4cb4-aac3-c40858a46bc8" label="19">
    <para> Zie de bijlage bij de uitspraak van het Gerechtshof ’s-Hertogenbosch 7 augustus 2024, ECLI:NL:GHSHE:2024:2524, onderdeel 1.3, letter c.</para>
  </footnote>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>