<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:GHSHE:2025:1398</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2026-01-09T14:41:33</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2025-05-21</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Gerechtshof_'s-Hertogenbosch" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Gerechtshof 's-Hertogenbosch</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2025-05-20</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">200.346.021_01</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#hogerBeroep">Hoger beroep</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">'s-Hertogenbosch</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#civielRecht">Civiel recht</dcterms:subject>
      <dcterms:relation rdfs:label="Formele relatie" ecli:resourceIdentifier="ECLI:NL:GHSHE:2025:2383" psi:type="http://psi.rechtspraak.nl/Herstel" psi:aanleg="http://psi.rechtspraak.nl/latereAanleg">Oorspronkelijk arrest: ECLI:NL:GHSHE:2025:2383</dcterms:relation>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHSHE:2025:1398">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHSHE:2025:1398</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2025-08-04T11:45:51</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2025-08-04</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:GHSHE:2025:1398 Gerechtshof 's-Hertogenbosch , 20-05-2025 / 200.346.021_01</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:GHSHE:2025:1398:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Eiswijziging in de memorie van grieven is tegen de in hoger beroep niet verschenen geïntimeerde volgens de artikelen 130 lid 3 jo. 353 lid 1 Rv uitgesloten, tenzij die (tijdig) bij exploot kenbaar is gemaakt.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:GHSHE:2025:1398:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <uitspraak.info>
    <bridgehead role="bold">GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH  </bridgehead>
    <para />
    <parablock>
      <para>Team Handelsrecht</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>zaaknummer 200.346.021/01</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">arrest van 20 mei 2025</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>in de zaak van </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">
          [X B.V.]
        </emphasis>,</para>
      <para>gevestigd te ‘ [vestigingsplaats] ,</para>
      <para>appellante,</para>
      <para>hierna: [appellante] ,</para>
      <para>advocaat: mr. B. Martens te Amsterdam,</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>tegen</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">
          [Z B.V.]
        </emphasis>,</para>
      <para>gevestigd te [vestigingsplaats] ,</para>
      <para>geïntimeerde,</para>
      <para>hierna: [geintimeerde] , </para>
      <para>niet verschenen,</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>op het bij dagvaardingsexploot van 23 juli 2024 ingeleide hoger beroep van het vonnis van de rechtbank Oost-Brabant, zittingsplaats ’s-Hertogenbosch, van 24 april 2024 tussen [appellante] als eiseres en [geintimeerde] als gedaagde.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </uitspraak.info>
  <section>
    <title>
      <nr>1</nr>Het geding in eerste aanleg (zaak C/01/389374 / HA ZA 23-57) </title>
    <para />
    <parablock>
      <para>Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar het hiervoor genoemde vonnis.</para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>2</nr>Het geding in hoger beroep</title>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>2.1</nr>
      <para>Het verloop van de procedure in hoger beroep blijkt uit:</para>
      <para>- de dagvaarding in hoger beroep van [appellante] ;</para>
      <para>- de rolaantekening dat tegen [geintimeerde] verstek is verleend;</para>
      <para>- de door [appellante] genomen memorie van grieven, tevens houdende eisvermeerdering, met producties 10, 11 en 12 en de conclusie van eis.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.2</nr>
      <para>Nadat arrest is gevraagd, heeft het hof een datum voor arrest bepaald. Het hof doet recht op de stukken van het hoger beroep en van de eerste aanleg. </para>
      <para />
      <para />
      <para />
      <para />
      <para />
      <para />
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section role="overwegingen">
    <title>
      <nr>3</nr>De beoordeling</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="underline">Het geding in eerste aanleg bij de rechtbank </emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>3.1</nr>
      <para>In dit met de dagvaarding van 21 december 2022 ingeleide geding heeft [appellante] in eerste aanleg gevorderd, samengevat, dat de rechtbank uitvoerbaar bij voorraad [geintimeerde] zal veroordelen tot:</para>
      <orderedlist numeration="arabic">
        <listitem>
          <para>betaling van € 45.000,--, te vermeerderen met wettelijke handelsrente vanaf 31 december 2019;</para>
        </listitem>
        <listitem>
          <para>betaling van € 1.225,-- aan buitengerechtelijke kosten;</para>
        </listitem>
      </orderedlist>
      <para> met veroordeling van [geintimeerde] in de proceskosten, te vermeerderen met wettelijke rente.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.2</nr>
      <para>De mondelinge behandeling bij de rechtbank heeft op 5 maart 2024 plaatsgevonden. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.3</nr>
      <para>Bij het beroepen vonnis van 24 april 2024 heeft de rechtbank, samengevat, de vorderingen van [appellante] afgewezen en [appellante] uitvoerbaar bij voorraad veroordeeld in de proceskosten, te vermeerderen met wettelijke rente vanaf 14 dagen na aanschrijving.</para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="underline">Het geding in hoger beroep bij dit hof</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.4</nr>
      <para>In dit met de dagvaarding van 23 juli 2024 ingeleide hoger beroep formuleert [appellante] drie grieven en concludeert [appellante] , kort samengevat, dat het hof uitvoerbaar bij voorraad het beroepen vonnis zal vernietigen en opnieuw rechtdoende [geintimeerde] zal veroordelen tot:</para>
      <orderedlist numeration="upperalpha">
        <listitem>
          <para>betaling van € 45.000,--, te vermeerderen met wettelijke handelsrente vanaf 31 december 2019;</para>
        </listitem>
        <listitem>
          <para>betaling van € 1.225,-- aan buitengerechtelijke kosten;</para>
        </listitem>
        <listitem>
          <para>betaling van de integrale proceskosten in eerste aanleg en hoger beroep, berekend op € 27.066,96 tot 1 december 2024, te vermeerderen met (kennelijk bedoelde wettelijke) rente vanaf de achtste dag;</para>
        </listitem>
      </orderedlist>
      <para>(hierna: vorderingen A, B en C).</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.5</nr>
      <para>
        [appellante] wijzigt in de memorie van grieven de (grondslag van de) eis in hoger beroep, met name door haar bewering dat (bestuurder [persoon A] van) [geintimeerde] op de mondelinge behandeling in eerste aanleg evident leugenachtig heeft verklaard en met haar gewijzigde vordering C tot betaling van integrale proceskosten. Dat is tegen de in hoger beroep niet verschenen [geintimeerde] volgens de artikelen 130 lid 3 jo. 353 lid 1 Rv uitgesloten, tenzij de wijzigingen (tijdig) bij exploot aan [geintimeerde] kenbaar zijn gemaakt. Omdat niet duidelijk is dat [appellante] dat (al) heeft gedaan, zal het hof [appellante] (alsnog) de gelegenheid bieden om zo’n exploot te overleggen. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.6</nr>
      <para>Het hof concludeert dat [appellante] nu eerst de gelegenheid dient te worden geboden voor inbreng van een exploot waarbij de memorie van grieven, tevens houdende eisvermeerdering, met producties 10, 11 en 12 aan [geintimeerde] zijn betekend. Het hof houdt elke verdere beslissing aan en beslist nu als volgt.</para>
      <para />
      <para />
      <para />
      <para />
      <para />
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>4</nr>De uitspraak</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het hof:</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>verwijst de zaak naar de rol van 1 juli 2025 voor akte aan de zijde van [appellante] voor het in rov. 3.6 vermelde doel;</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>houdt elke verdere beslissing aan.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Dit arrest is gewezen door mrs. M.G.W.M. Stienissen, J.B. Smits en J. den Hoed en is in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op 20 mei 2025.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>griffier					rolraadsheer</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
  </section>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>