<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:GHSHE:2025:1366</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2025-08-15T10:31:15</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2025-05-15</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Gerechtshof_'s-Hertogenbosch" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Gerechtshof 's-Hertogenbosch</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2025-05-15</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">200.348.606_01</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#hogerBeroep">Hoger beroep</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">'s-Hertogenbosch</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#civielRecht_personenEnFamilierecht">Civiel recht; Personen- en familierecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHSHE:2025:1366">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHSHE:2025:1366</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2025-08-15T10:29:54</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2025-08-15</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:GHSHE:2025:1366 Gerechtshof 's-Hertogenbosch , 15-05-2025 / 200.348.606_01</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:GHSHE:2025:1366:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Bekrachtiging beslissing rechtbank over afwijzing verzoek tot gezamenlijk gezag en ontzegging omgang vanwege zwaarwegende belangen van het kind.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:GHSHE:2025:1366:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <uitspraak.info>
    <bridgehead role="bold">GERECHTSHOF 's-HERTOGENBOSCH</bridgehead>
    <para />
    <parablock>
      <para>Team familie- en jeugdrecht</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Uitspraak: 15 mei 2025</para>
      <para>Zaaknummer: 200.348.606/01</para>
      <para>Zaaknummer eerste aanleg: C/02/423030 / FA RK 24-2521</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>in de zaak in hoger beroep van:</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold underline">
          [de vader] ,</emphasis>
      </para>
      <para>wonende te [woonplaats] ,</para>
      <para>verzoeker in hoger beroep,</para>
      <para>hierna te noemen: de vader</para>
      <para>advocaat: mr. P.E. Epping,</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>tegen</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold underline">
          [de moeder] ,</emphasis>
      </para>
      <para>wonende te [woonplaats] ,</para>
      <para>verweerster in hoger beroep,</para>
      <para>hierna te noemen: de moeder<emphasis role="italic">,</emphasis></para>
      <para>advocaat: mr. C.F.A. Cadot.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>In zijn hoedanigheid als omschreven in artikel 810 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering is in de procedure gekend:</para>
      <para>
        <emphasis role="bold">de Raad voor de Kinderbescherming,</emphasis>
      </para>
      <para>hierna te noemen: de raad.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="underline">In het kort</emphasis>
      </para>
      <para>De vader verzoekt omgang met en gezamenlijk gezag over de 8-jarige [minderjarige] .  </para>
    </parablock>
    <para />
  </uitspraak.info>
  <section>
    <title>
      <nr>1</nr>Het geding in eerste aanleg</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het hof verwijst voor het verloop van het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de rechtbank Zeeland-West-Brabant (Breda) van 10 september 2024, uitgesproken onder voormeld zaaknummer.</para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>2</nr>Het geding in hoger beroep</title>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>2.1.</nr>
      <para>Bij beroepschrift met producties, ingekomen ter griffie op 27 november 2024, heeft de vader verzocht voormelde beschikking te vernietigen en, opnieuw rechtdoende, te bepalen dat:</para>
      <orderedlist numeration="arabic">
        <listitem>
          <para>de vader alsnog met het gezag over [minderjarige] wordt belast en de ouders derhalve gezamenlijk gezag over [minderjarige] zullen uitoefenen;</para>
        </listitem>
        <listitem>
          <para>het subsidiaire verzoek in eerste aanleg zoals beschreven in randnummer 32 alsnog wordt toegewezen, althans een zodanige omgangregeling vast te stellen als het hof juist acht;</para>
        </listitem>
        <listitem>
          <para>het verzoek van de moeder tot ontzegging van de omgang gedurende een periode van twaalf maanden alsnog wordt afgewezen.</para>
        </listitem>
      </orderedlist>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.2.</nr>
      <para>Bij verweerschrift, ingekomen ter griffie op 29 januari 2025, heeft de moeder verzocht, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, de vader in zijn appel niet-ontvankelijk te verklaren, althans het appel aan hem als zijnde ongegrond en of onbewezen te ontzeggen c.q. af te wijzen en voormelde beschikking te bekrachtigen. </para>
      <para />
      <paragroup>
        <nr>2.3.1.</nr>
        <para>De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 11 april 2025. Bij die gelegenheid zijn gehoord: </para>
        <para>- de vader, bijgestaan door mr. T.P. Monteiro Mendonça;</para>
        <para>- de moeder, bijgestaan door mr. C.F.A. Cadot;</para>
        <para>- de raad, vertegenwoordigd door [vertegenwoordiger van de raad] . </para>
        <para />
      </paragroup>
      <paragroup>
        <nr>2.3.2.</nr>
        <para>Het hof heeft [minderjarige] in de gelegenheid gesteld haar mening kenbaar te maken. Zij heeft hiervan gebruik gemaakt en ze is voorafgaand aan de mondelinge behandeling buiten aanwezigheid van partijen en de raad gehoord in het bijzijn van de griffier. Tijdens de mondelinge behandeling heeft de voorzitter de inhoud van dit gesprek zakelijk weergegeven, waarna alle aanwezigen de gelegenheid hebben gekregen daarop te reageren.</para>
        <para />
      </paragroup>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.4.</nr>
      <para>Het hof heeft voorts kennisgenomen van de inhoud van:</para>
      <para>- het V-formulier van 26 maart 2025 met bijlagen van de advocaat van de moeder;</para>
      <para>- het V-formulier van 28 maart 2025 met bijlagen van de advocaat van de vader.</para>
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section role="overwegingen">
    <title>
      <nr>3</nr>De beoordeling</title>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>3.1.</nr>
      <parablock>
        <para>Partijen hebben een affectieve relatie met elkaar gehad. Uit deze relatie is geboren:</para>
        <para>- [minderjarige] (hierna; <emphasis role="bold underline">[minderjarige]</emphasis>), op [geboortedatum] 2016 te [geboorteplaats] .</para>
        <para>De vader heeft [minderjarige] erkend. De moeder oefent van rechtswege het gezag over [minderjarige] uit. [minderjarige] verblijft bij de moeder.</para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.2.</nr>
      <para>Partijen zijn met elkaar verwikkeld geweest in meerdere juridische procedures en dit heeft geleid tot meerdere beschikkingen van de rechtbank, gegeven op 16 mei 2019, 9 januari 2020,15 mei 2020, 26 oktober 2021, 19 augustus 2022, 16 mei 2023, 21 september 2023 en 5 juli 2024. Deze beschikkingen gaan voornamelijk over de omgangsregeling tussen de vader en [minderjarige] . </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.3.</nr>
      <parablock>
        <para>Bij beschikking van 16 mei 2023 is, overeenkomstig hetgeen partijen met elkaar</para>
        <para>waren overeengekomen, een eerdere omgangsregeling gewijzigd en bepaald dat de vader en [minderjarige] gerechtigd zijn tot omgang met elkaar, kort gezegd, één weekend per veertien dagen en in de vakanties. Voor de volledige inhoud van deze regeling verwijst het hof naar de inhoud van deze beschikking. </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.4.</nr>
      <parablock>
        <para>Bij vonnis in kort geding van 21 september 2023 is vastgesteld dat partijen voorlopig</para>
        <para>zijn overeengekomen dat:</para>
      </parablock>
      <itemizedlist mark="-">
        <listitem>
          <para>het eerste contactmoment tussen [minderjarige] en de vader plaatsvindt op 13 september 2023 bij de zwemles, inhoudende dat de vader komt kijken bij de zwemles en daarna nog een ijsje zal eten met [minderjarige] , in aanwezigheid van de moeder;</para>
        </listitem>
        <listitem>
          <para>
            [minderjarige] vanaf 17 september 2023 iedere zondag bij de vader verblijft van 10.00 uur tot 18.00 uur (met avondeten), waarbij de vader [minderjarige] bij de moeder ophaalt en de moeder [minderjarige] weer bij de vader ophaalt.</para>
        </listitem>
      </itemizedlist>
      <parablock>
        <para>Daarbij is overwogen dat deze voorlopige omgangsregeling is bedoeld als een tijdelijke,</para>
        <para>voorlopige regeling, die na drie maanden zal worden geëvalueerd. De omgangsregeling,</para>
        <para>zoals vastgesteld in de beschikking van 16 mei 2023, blijft het uitgangspunt.  </para>
        <para>Uit de stukken is gebleken dat het laatste contact tussen de vader en [minderjarige] heeft plaatsgevonden in september 2023.</para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="underline">Bij de rechtbank </emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <paragroup>
        <nr>3.5.1.</nr>
        <para>De vader heeft de rechtbank (bij verzoekschrift van 28 mei 2024) verzocht om hervatting van de omgangsregeling tussen hem en [minderjarige] en verzocht dat hij met de moeder samen het gezag over [minderjarige] krijgt.</para>
        <para />
      </paragroup>
      <paragroup>
        <nr>3.5.2.</nr>
        <para>De moeder heeft hiertegen een zelfstandig verzoek ingediend inhoudende dat de vader het recht op omgang met [minderjarige] voor de duur van één jaar wordt ontzegd. </para>
        <para />
      </paragroup>
      <paragroup>
        <nr>3.5.3.</nr>
        <para>Bij de bestreden - uitvoerbaar bij voorraad verklaarde - beschikking heeft de rechtbank:</para>
        <itemizedlist mark="-">
          <listitem>
            <para>het verzoek van de vader tot nadere vaststelling van een omgangsregeling met [minderjarige] afgewezen;</para>
          </listitem>
          <listitem>
            <para>met wijziging van de bij de beschikking van 16 mei 2023 vastgestelde omgangsregeling, het recht van de vader tot het hebben van omgang met [minderjarige] met ingang van de beschikkingsdatum voor de duur van één jaar ontzegd;</para>
          </listitem>
          <listitem>
            <para>de kosten van het geding gecompenseerd;</para>
          </listitem>
          <listitem>
            <para>het meer of anders verzochte afgewezen.</para>
          </listitem>
        </itemizedlist>
        <para />
        <parablock>
          <para>
            <emphasis role="underline">Bij het hof </emphasis>
          </para>
        </parablock>
      </paragroup>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.6.</nr>
      <para>De vader kan zich met deze beslissing niet verenigen en hij is hiervan in hoger beroep gekomen. In zijn beroepschrift, zoals aangevuld tijdens de mondelinge behandeling, voert hij  – samengevat – het volgende aan.</para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="underline">Grief 1: Geen sprake van een onaanvaardbaar risico dat de minderjarige klem of verloren komt te zitten tussen ouders en dat niet te verwachten is dat hierin binnen korte tijd genoeg</emphasis>
        </para>
        <para>
          <emphasis role="underline">verbetering komt c.q. geen sprake van een andere reden in het belang van het kind noodzakelijk om tot afwijzing gezamenlijk gezag te komen</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>De problematische communicatie tussen de ouders is geen reden om geen gezamenlijk gezag toe te kennen. Partijen zijn in staat om met elkaar te communiceren als er hulpverlening is. Binnen afzienbare termijn moet er verbetering in de communicatie kunnen komen indien de nodige hulpverlening wordt ingezet. Bovendien bestaan de communicatieproblemen ook bij het eenhoofdig gezag van de moeder, waardoor het eigenlijke probleem niet anders wordt of wordt opgelost. De vader staat open voor hulpverlening om de communicatie met de moeder te leren verbeteren. Sinds partijen uit elkaar zijn gegaan heeft de vader hard aan zichzelf gewerkt en allerlei cursussen gevolgd. De moeder heeft tot op heden weinig informatie over [minderjarige] gegeven en geeft slechts oppervlakkige antwoorden op de vragen van de vader. Reeds vanaf het moment [minderjarige] haar behandeling is gestart vraagt de vader de moeder om informatie. Hij heeft het gevoel dat de moeder [minderjarige] al dan niet onbewust geen, althans onvoldoende, toestemming geeft om contact te willen/hebben met hem. De vader is bang dat [minderjarige] zodanig gehecht raakt aan de moeder dat zij later niet meer op haar eigen benen kan staan. Het gevoel van onveiligheid bij [minderjarige] maakt bovendien niet dat er onvoldoende ruimte is om te verwachten dat gezagsbeslissingen op een constructieve wijze kunnen worden genomen. De gezagsbeslissingen dienen immers tussen de ouders genomen te worden. Het gevoel van onveiligheid bij [minderjarige] verandert niet als de vader met het gezag wordt belast, nu dit gevoel verwikkeld is met de contactmomenten. De vader wordt als niet-gezaghebbende ouder buitenspel gezet en heeft geen mogelijkheden om ook maar iets te bereiken. Hij heeft het gevoel inmiddels op een zijspoor te zitten wanneer het aankomt op enige betrokkenheid in het leven van [minderjarige] . Er moet uitgegaan worden van het wettelijk uitgangspunt van gezamenlijk ouderlijk gezag en er is geen sprake is van een van de uitzonderingsgronden.</para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="underline">Grief II: Ten onrechte afwijzing (herstel) omgangsregeling alsmede ten onrechte schorsing van de omgangsregeling</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>Er is onvoldoende onderzocht of een weigeringsgrond ex art. 1:377a BW ondervangen kan worden door begeleide omgang. [minderjarige] krijgt nu ruim een jaar (trauma)behandeling. Juist nu [minderjarige] behandeling krijgt, moet er worden gekeken hoe op een voor [minderjarige] passende wijze weer ruimte voor de vader in haar leven gemaakt kan worden. [minderjarige] zou juist nu de handvatten van de behandelaar kunnen krijgen om ruimte te kunnen maken voor een relatie met de vader. Ontzegging van de omgang is een te zware beslissing, zeker nu de vader er alles aan wil doen om op een voor [minderjarige] passende wijze de omgang weer op te bouwen. De vader wordt van het kastje naar de muur gestuurd. Er is geen instantie die tussen de partijen in wil zitten. [instantie] heeft aangegeven geen regie te kunnen voeren. In het laatste jaar dat er geen omgang is geweest heeft de vader geen omgang afgedwongen, ondanks dat hij [minderjarige] graag zou willen zien. De vader heeft — op momenten dat hulpverlening was betrokken — altijd een goede relatie met [minderjarige] gehad. De vader heeft slechts één keer zijn stem verheven toen [minderjarige] niet naar bed wilde gaan. Er is nooit sprake geweest van het gooien van kussens. Na het vermeende incident heeft er nog omgang tussen de vader en [minderjarige] plaatsgevonden. Toen waren er geen indicaties dat [minderjarige] bang zou zijn voor de vader. [minderjarige] is bang voor de gehele situatie die tussen de vader en de moeder speelt, niet voor de vader zelf. De vader is bang dat er in [minderjarige] ’s oor gefluisterd wordt wat zij moet zeggen. Hij staat open voor begeleide omgang waarbij de regie zal liggen bij een GI. </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.7.</nr>
      <para>De moeder voert in haar verweerschrift, zoals aangevuld op de mondelinge behandeling, samengevat, het volgende aan.</para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="underline">In reactie op grief I:</emphasis>
        </para>
        <para>Partijen zijn niet in staat om met elkaar te communiceren wanneer er hulpverlening is. Er is geen sprake van constructieve oudercommunicatie, dat is er eigenlijk ook nooit geweest. Een hulpverleningstraject gericht op oudercommunicatie zal voormelde situatie niet doen wijzigen, althans niet op zodanig wijze dat daarmee op constructieve wijze gezamenlijk gezag vormgegeven kan worden. De moeder heeft momenteel niet de ruimte om een communicatietraject met de vader aan te gaan. Indien de moeder nu of in de voorliggende toekomst genoodzaakt is een (beladen) communicatietraject aan te gaan met de vader zal dit, gezien de intensiteit daarvan, spanningen met zich meebrengen die zichtbaar zullen worden voor [minderjarige] , met als gevolg een belemmering in haar ontwikkeling. Het zal alleen maar zwaarder wegen indien voor [minderjarige] inzichtelijk wordt dat deze spanningen verbonden zijn aan de vader. De vader stelt dat de communicatieproblemen ook blijven bestaan indien er sprake is van eenhoofdig gezag. Los van de vraag of dit juist is, geldt dat voor de moeder en [minderjarige] een beheersbare situatie is ontstaan binnen de huidige situatie van eenhoofdig gezag. De moeder informeert de vader geregeld. De raad heeft daarnaast ook de route uitgezet waarbij de vader met tussenkomst van [instantie] meer informatie kan verkrijgen. De vader heeft voldoende ingangen om nadere informatie te verkrijgen c.q. een indirecte betrokkenheid in het leven van [minderjarige] . Indien de vader meer informatie zou willen verkrijgen, kunnen de hulpverleners dit faciliteren. Er moet dan wel een verzoek vanuit de vader komen. Dit is sinds de beschikking van de rechtbank niet gebeurd. De moeder begrijpt niet dat er voor de vader veel onduidelijkheden zijn. In de beschikking is immers duidelijk opgeschreven dat er tijdens de opschorting rust dient te zijn en dat de moeder de vader dient te informeren. Tot op heden is [minderjarige] nog zeer afwijzend naar de vader. Zij bevindt zich op dit moment in de fase dat ze zich wil ontdoen van alles wat haar ook maar herinnert aan de vader. Bij [minderjarige] is nog geen ruimte om te communiceren over het onderwerp ‘vader’. De noodzaak van de opschorting is dan ook gebleken. Rust is noodzakelijk zonder enige confrontatie met de vader. [minderjarige] kan zich zodoende richten op haar eigen ontwikkeling. De moeder had de hoop dat [minderjarige] ook echt een jaar rust zou krijgen en zou kunnen gaan groeien en bloeien. Door middel van het hoger beroep heeft de vader dit abrupt voor [minderjarige] en de moeder doorbroken. Momenteel is er geen ruimte voor het uitoefenen van gezamenlijk gezag. [minderjarige] zou klem en verloren raken. Gezamenlijk gezag is bovendien contrair aan de behoefte van [minderjarige] . Aan haar zijde zal slechts meer afwijzing richting de vader ontstaan en ze zal het gevoel krijgen niet gehoord te worden.</para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="underline">In reactie op grief II:</emphasis>
        </para>
        <para>De beslissing van de rechtbank sluit aan bij het advies van de raad, bij het voortgangsrapport van de psycholoog en bij de wens van [minderjarige] om geen contact te willen met de vader. [minderjarige] heeft rust en ruimte nodig om haar therapie te kunnen doorlopen, waardoor er wellicht daarna weer ruimte en mogelijkheden voor contactherstel met de vader kunnen ontstaan. De rechtbank heeft geoordeeld dat is voldaan aan één van de weigeringsgronden als opgenomen in artikel 1:377a BW en heeft dit zorgvuldig gemotiveerd. De moeder onderschrijft de beslissing van de rechtbank. De vader miskent dat gedurende het behandelingstraject juist inzichtelijk is geworden dat [minderjarige] als gevolg van zijn handelswijze een trauma heeft opgelopen en zich verzet tegen enige vorm van contact met hem. Het behandeltraject is daardoor gericht op verwerking en het beheersbaar maken van bestaande klachten. Indien in juli 2024 dan wel voorliggend tijdens het behandeltraject ingezet zou zijn of worden op contactherstel dan zou [minderjarige] daartoe ernstig geforceerd moeten worden, hetgeen haar alleen maar verder zal schaden. Tevens zou dat het vertrouwen van [minderjarige] in zowel haar psycholoog als haar moeder ernstig schaden, omdat zij onderdeel zouden moeten worden van het proces van forcering. Het spreekt voor zich dat dit zeer in strijd is met de belangen van [minderjarige] . De vader stelt dat onvoldoende is onderzocht of een weigeringsgrond ex artikel 1:377a BW ondervangen kan worden door begeleide omgang. Door alle betrokken instanties is een eenduidig advies uitgedragen, namelijk: rust en geen contact met de vader. Dit laat zich niet ondervangen door begeleide omgang omdat dit de rust direct zou doorbreken. Vervolgens verwijst de vader naar de subsidiair in eerste aanleg verzochte opbouwende regeling inhoudende hervatting van omgang, onbegeleid, met een opbouwschema ingevolge welke [minderjarige] binnen een tijdsbestek van tien weken weer een weekend bij de vader zal gaan verblijven. De vader lijkt met zijn grief aan te dringen op een ernstige forcering van [minderjarige] in haar contacten met hem. Ongeacht de wensen en mogelijkheden van [minderjarige] dient zij klaarblijkelijk omgang te hebben met de vader. De visie van de vader in deze is zeer strijdig met de belangen van [minderjarige] . Het drijft [minderjarige] bovendien verder van de vader af, in plaats van nieuwsgierigheid naar de vader op te wekken. </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.8.</nr>
      <para>De raad adviseert het hof als volgt.</para>
      <para />
      <parablock>
        <para>Het beeld dat [minderjarige] van haar vader heeft is erg schadelijk voor haar. Bij beide ouders</para>
        <para>ligt de verantwoordelijkheid om dit beeld te veranderen. Er is een trauma gediagnostiseerd dat zich niet makkelijk laat kaderen in het plan van aanpak. In de behandeling dient aandacht te zijn voor de sterke afhankelijkheid van [minderjarige] van de moeder. Deze afhankelijkheid speelt mogelijk een rol. [minderjarige] ’s draagkracht is momenteel te laag om stappen te zetten richting de vader. Op dit moment is er geen basis waarbij de ouders constructief kunnen werken aan het nemen van beslissingen. Het is belangrijk dat beide ouders pedagogische hulp krijgen. Als begeleide omgang in de toekomst wordt hervat dienen er stappen gezet te zijn. Op termijn kan een opvoedondersteuner onderdeel worden van de behandeling. Hier kan met [minderjarige] gewerkt worden aan de angsten die kunnen ontstaan wanneer er weer contact met de vader zou komen en hij bijvoorbeeld een kaartje zou sturen. De vader kan bij het opstellen van zo’n kaartje ondersteund worden. [instantie] is hier de juiste plek voor. Nu dient er rust te zijn, zodat er gewerkt kan worden aan de trauma’s van [minderjarige] en aan een gezonde verhouding tussen [minderjarige] en de moeder, zodat de draagkracht van [minderjarige] verstevigd kan worden. Rust betekent echter niet dat er alleen maar dient te worden afgewacht. Het doel is dat er straks, onder begeleiding, gewerkt kan worden aan een vorm van contactherstel of in ieder geval aan het verbeteren van het beeld van de vader. Indien het traject dat [minderjarige] doorloopt verder is gevorderd, is het zinvol dat de vader meegenomen wordt in het proces. </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.9.</nr>
      <para>Het hof overweegt het volgende.</para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="underline">Omgang</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
      <paragroup>
        <nr>3.9.1.</nr>
        <para>Ingevolge artikel 1:377a BW heeft een kind recht op omgang met zijn ouders en heeft de niet met het gezag belaste ouder het recht op en de verplichting tot omgang met zijn kind. Ingevolge lid 2 stelt de rechter op verzoek van de ouders of één van hen, al dan niet voor bepaalde tijd, een regeling inzake de uitoefening van het omgangsrecht vast dan wel ontzegt, al dan niet voor bepaalde tijd, het recht op omgang.</para>
        <para />
        <parablock>
          <para>Volgens het bepaalde in lid 3 ontzegt de rechter het recht op omgang slechts indien:</para>
        </parablock>
        <orderedlist numeration="loweralpha">
          <listitem>
            <para>omgang ernstig nadeel zou opleveren voor de geestelijke of lichamelijke ontwikkeling van het kind, of</para>
          </listitem>
          <listitem>
            <para>de ouder of degene die in een nauwe persoonlijke betrekking staat tot het kind kennelijk ongeschikt of kennelijk niet in staat moet worden geacht tot omgang, of</para>
          </listitem>
          <listitem>
            <para>het kind dat twaalf jaren of ouder is, bij zijn verhoor van ernstige bezwaren tegen omgang met zijn ouder of met degene met wie hij in een nauwe persoonlijke betrekking staat heeft doen blijken, of</para>
          </listitem>
          <listitem>
            <para>omgang anderszins in strijd is met zwaarwegende belangen van het kind.</para>
          </listitem>
        </orderedlist>
        <para />
      </paragroup>
      <paragroup>
        <nr>3.9.2.</nr>
        <para>Uit de overgelegde stukken en hetgeen tijdens de mondelinge behandeling naar voren is gebracht, is het volgende gebleken.</para>
        <para />
      </paragroup>
      <paragroup>
        <nr>3.9.3</nr>
        <para>Zoals eerder opgemerkt, hebben de vader en [minderjarige] elkaar voor het laatst gezien in september 2023. De visies van partijen over wat er kort daarvoor tussen de vader en [minderjarige] zou hebben plaatsgevonden, staan lijnrecht tegenover elkaar. De moeder stelt dat de vader zich jegens [minderjarige] agressief en op een onveilige wijze heeft geuit waardoor [minderjarige] getraumatiseerd is geraakt. De vader zou boos zijn geworden en kussens richting [minderjarige] hebben gegooid. De vader ontkent dat er ooit sprake is geweest van het gooien met kussens. Volgens de vader heeft hij slechts één keer zijn stem verheven toen [minderjarige] niet naar bed wilde gaan. Er zou verder niets zijn voorgevallen tussen [minderjarige] en de vader. </para>
        <para />
      </paragroup>
      <paragroup>
        <nr>3.9.4.</nr>
        <para>Ongeacht wat er nu precies tussen de vader en [minderjarige] is voorgevallen, ziet het hof zich geconfronteerd met een kwetsbaar meisje dat kampt met PTSS-klachten, waaronder nachtmerries, bedplassen en andere angst- en paniekklachten, die voortkomen uit een grote angst voor de vader. [minderjarige] doet soms uitspraken over zichzelf die gezien kunnen worden als een zich ontwikkelend negatief zelfbeeld. Diagnostisch is er sprake van posttraumatische stressstoornis met ouder-kind relatieproblemen. Dit volgt uit het evaluatierapport van klinisch psycholoog [klinisch psycholoog] van 12 maart 2025. Het onderwerp ‘vader’ is voor [minderjarige] zwaarbeladen. Zelfs wanneer dit onderwerp indirect wordt aangestipt zorgt dit voor (hevig) emotionele reacties bij [minderjarige] . [minderjarige] zit momenteel nog midden in haar hulpverleningstraject. Het is nog niet voorzienbaar wanneer dit traject zal eindigen. </para>
        <para />
      </paragroup>
      <paragroup>
        <nr>3.9.5.</nr>
        <para>Evenals de raad is het hof van oordeel dat het onder deze omstandigheden tegen het belang van [minderjarige] ingaat om op dit moment contact met de vader te forceren. [minderjarige] is hier momenteel te kwetsbaar voor. Het zal haar nu te veel schaden en een te grote druk op haar leggen. </para>
        <para />
      </paragroup>
      <paragroup>
        <nr>3.9.6.</nr>
        <para>Op grond van het vorengaande acht het hof omgang met de vader op dit moment in strijd met zwaarwegende belangen van [minderjarige] . Er wordt voldaan aan de in artikel 1:377a lid 3 sub d BW genoemde grond om de vader het recht op omgang te ontzeggen.</para>
        <para />
        <parablock>
          <para>
            <emphasis role="underline">Gezag </emphasis>
          </para>
        </parablock>
        <para />
      </paragroup>
      <paragroup>
        <nr>3.9.7.</nr>
        <parablock>
          <para>Ingevolge artikel 1:253c lid 1 van het Burgerlijk Wetboek (BW) kan de tot het gezag bevoegde ouder van het kind, die nimmer het gezag gezamenlijk met de moeder uit wie het kind is geboren heeft uitgeoefend, de rechter verzoeken de ouders met het gezamenlijk gezag over het kind te belasten.<?linebreak?></para>
          <para>Indien de andere ouder niet met het verzoek instemt, wordt het verzoek ingevolge artikel 1:253c lid 2 BW slechts afgewezen indien:</para>
        </parablock>
        <orderedlist numeration="loweralpha">
          <listitem>
            <para>er een onaanvaardbaar risico is dat het kind klem of verloren zou raken tussen de ouders en niet te verwachten is dat hierin binnen afzienbare tijd voldoende verbetering zou komen, of</para>
          </listitem>
          <listitem>
            <para>afwijzing anderszins in het belang van het kind noodzakelijk is.</para>
          </listitem>
        </orderedlist>
        <para />
      </paragroup>
      <paragroup>
        <nr>3.9.8.</nr>
        <para>Het hof is op grond van de stukken en het besprokene ter mondelinge behandeling van oordeel dat er tussen partijen momenteel geen enkele basis is om uitvoering te kunnen geven aan het gezamenlijk gezag. Gezamenlijk gezag vergt gezamenlijk overleg. De verstandhouding tussen partijen is momenteel te veel verhard en verstoord om dit te kunnen bewerkstelligen. Met de raad ziet het hof dat er vanwege de verstoorde verstandhouding niet constructief gewerkt kan worden aan het nemen van beslissingen en keuzes in het belang van [minderjarige] . Indien de vader op dit moment mede met het gezag over [minderjarige] belast zou worden, ontstaat er bij de moeder dermate veel spanning en stress dat dit naar verwachting zijn weerslag zal hebben op [minderjarige] . Het hof vreest dat de ontwikkeling van [minderjarige] hierdoor in het gedrang gaat komen. Dat is niet in haar belang, zeker niet nu zij nog midden in haar behandeltraject zit. Om dit te voorkomen en de rust voor de moeder en [minderjarige] te behouden, acht het hof het in het belang van [minderjarige] noodzakelijk dat de moeder op dit moment alleen het gezag over haar uitoefent. </para>
        <para />
        <parablock>
          <para>
            <emphasis role="underline">Conclusie</emphasis>
          </para>
        </parablock>
        <para />
      </paragroup>
      <paragroup>
        <nr>3.9.9.</nr>
        <para>Op grond van het vorenstaande zal het hof de beschikking, waarvan beroep, bekrachtigen en de verzoeken van de vader afwijzen. Het hof beseft dat dit een teleurstellende uitkomst is voor de vader, maar hoopt dat de vader in de beslissingen van het hof kan berusten en een stap terug kan doen. [minderjarige] geeft heel duidelijk aan dat dat is waar zij momenteel behoefte aan heeft. Dat dit voor nu in het belang van [minderjarige] is, wordt ook door de raad onderschreven. Het hof wenst hierbij te benadrukken dat dit niet betekent dat de vader nooit meer een actieve rol in het leven van zijn dochter kan vervullen. [minderjarige] bestaat ook voor de helft uit haar vader. Voor het creëren én het behouden van een gezonde identiteitsontwikkeling is het volgens de huidige algemeen geldende wetenschappelijke inzichten helpend als kinderen niet één van hun ouders volledig afwijzen. Het is schadelijk voor [minderjarige] wanneer zij opgroeit met een negatief vaderbeeld. De komende tijd zal de vader echter, omdat [minderjarige] het momenteel niet aankan, een rol moeten innemen van ouder op afstand. Het is raadzaam, zoals de raad op de mondelinge behandeling heeft geadviseerd, dat beide ouders naast hun individuele hulpverlening tevens ieder pedagogische hulp inschakelen. Het hof acht het wenselijk dat, indien er (begeleide) omgang met de vader komt, hier reeds stappen in zijn gezet.</para>
        <para />
      </paragroup>
      <paragroup>
        <nr>3.9.10.</nr>
        <para>Gelet op de familierechtelijke aard van de procedure ziet het hof geen aanleiding om af te wijken van de gebruikelijke regel die inhoudt dat de proceskosten in familiezaken worden gecompenseerd.</para>
        <para />
        <parablock>
          <para>
            <emphasis role="underline">Brief aan [minderjarige] </emphasis>
          </para>
        </parablock>
        <para />
      </paragroup>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.10.</nr>
      <para>Zoals met [minderjarige] , de ouders en de raad besproken, zal het hof [minderjarige] persoonlijk een brief sturen. Deze brief luidt als volgt:</para>
      <para />
      <parablock>
        <para>	“<emphasis role="italic">beste [minderjarige] ,</emphasis></para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">Je bent op 11 april 2025 komen praten bij het hof over de rechtszaak tussen jouw ouders, omdat jouw vader jou graag weer wil zien en hij met jouw moeder samen beslissingen over jou wil nemen. De rechters van het hof hebben hier eerst met jou over gesproken en later ook met jouw ouders. Jij hebt een duidelijke mening dat je papa niet meer wilt zien, omdat je bang voor hem bent. Wij hebben besloten dat je je vader de komende tijd niet hoeft te zien en dat hij geen beslissingen over jou kan nemen. Alleen mama neemt beslissingen over jou. Dit is dezelfde beslissing die de andere rechter ook al had genomen op 10 september 2024. De rechters van het hof vinden dit voor nu belangrijk voor jou, ook omdat je nog zo druk bent met de gesprekken bij [klinisch psycholoog] . Hartelijke groet, de rechters van het hof en de griffier”</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>
      <nr>4</nr>De beslissing</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het hof:</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>bekrachtigt de bestreden beschikking;  </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>compenseert de proceskosten in hoger beroep, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt;</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>wijst af het meer of anders verzochte.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Deze beschikking is gegeven door mrs. S.P.A. Wensink-Vergunst, A.M. Bossink en M. Jonker en is op 15 mei 2025 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van mr. L. Beskers, griffier.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
  </section>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>