<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:GHSHE:2025:1354</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2025-08-12T10:43:35</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2025-05-15</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Gerechtshof_'s-Hertogenbosch" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Gerechtshof 's-Hertogenbosch</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2025-05-15</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">200.329.655_01 en 200.347.558_01</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#hogerBeroep">Hoger beroep</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">'s-Hertogenbosch</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#civielRecht_personenEnFamilierecht">Civiel recht; Personen- en familierecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHSHE:2025:1354">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHSHE:2025:1354</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2025-08-12T10:40:17</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2025-08-12</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:GHSHE:2025:1354 Gerechtshof 's-Hertogenbosch , 15-05-2025 / 200.329.655_01 en 200.347.558_01</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:GHSHE:2025:1354:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Bekrachtiging beslissing hoofdverblijf. Onvoldoende inzicht gekregen in behandeling moeder verslaving en persoonlijke problematiek en het gaat goed met de minderjarige bij de vader. Voorwaarden aan zorgregeling gewijzigd ten aanzien van urinecontrole/speekseltest.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:GHSHE:2025:1354:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <uitspraak.info>
    <bridgehead role="bold">GERECHTSHOF 's-HERTOGENBOSCH</bridgehead>
    <para />
    <parablock>
      <para>Team familie- en jeugdrecht</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Uitspraak: 15 mei 2025</para>
      <para>Zaaknummers: 200.329.655/01 en 200.347.558/01 </para>
      <para>Zaaknummer eerste aanleg: C/02/404693 / FA RK 22-5830</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>in de zaken in hoger beroep van:</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">
          [de moeder]
        </emphasis>,</para>
      <para>wonende in [woonplaats] ,</para>
      <para>verzoekster in hoger beroep,</para>
      <para>hierna te noemen: de moeder,</para>
      <para>advocaat: mr. B.H. van der Zwan, </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>tegen</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">
          [de vader]
        </emphasis>,</para>
      <para>wonende in [woonplaats] ,</para>
      <para>verweerder in hoger beroep, </para>
      <para>hierna te noemen: de vader,</para>
      <para>advocaat: mr. D.W.M. de Haan.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Betreffende: [minderjarige] , geboren op [geboortedatum] 2018 in [geboorteplaats] .</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>In zijn hoedanigheid als omschreven in artikel 810 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering is in de procedure gekend:</para>
      <para>de Raad voor de Kinderbescherming,</para>
      <para>regio Zuidwest Nederland, locatie [locatie] ,</para>
      <para>hierna te noemen: de raad.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>In het kort: deze zaak gaat over de hoofdverblijfplaats van [minderjarige] , de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken, de vervangende toestemming voor inschrijving van [minderjarige] op het adres bij de vader en de inschrijving van [minderjarige] op de basisschool.</para>
    </parablock>
    <para />
  </uitspraak.info>
  <section>
    <title>
      <nr>1</nr>Het geding in eerste aanleg</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het hof verwijst voor het verloop van het geding in eerste aanleg naar de beschikkingen van de rechtbank Zeeland-West-Brabant, locatie Breda, van 16 mei 2023 en 31 juli 2024, uitgesproken onder voormeld zaaknummer.</para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>2</nr>Het geding in hoger beroep</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">De zaak met zaaknummer 200.329.655/01</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>2.1.</nr>
      <para>De moeder is op 14 juli 2023 in hoger beroep gekomen tegen voormelde beschikking van 16 mei 2023. Zij heeft hiertoe een beroepschrift, van 14 juli 2023, met bijlagen, ingediend en verzocht de bestreden beschikking waarvan (partieel) beroep voor wat betreft de hoofdverblijfplaats, de inschrijving bij de vader en de inschrijving op de school in [woonplaats vader] te vernietigen. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.2.</nr>
      <para>De vader heeft op 8 september 2023 een verweerschrift ingediend en verzocht, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, het door de moeder ingestelde hoger beroep af te wijzen als zijnde ongegrond en onbewezen en de bestreden beschikking te bekrachtigen voor zover het de toewijzing van de verzoeken van de vader betreft, met veroordeling van de moeder in de proceskosten.</para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">De zaak met zaaknummer 200.347.558/01</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.3.</nr>
      <para>De moeder is op 30 oktober 2024 in hoger beroep gekomen tegen de hiervoor genoemde beschikking van 31 juli 2024. De moeder heeft hiertoe een beroepschrift, van 30 oktober 2024, met bijlagen, ingediend en verzocht de eindbeschikking te vernietigen in die zin dat het hof bepaalt dat het aanvullend verzoek tot wijziging van de hoofdverblijfplaats van de minderjarige op grond van gewijzigde omstandigheden aangepast dient te worden, zodanig dat de minderjarige haar hoofdverblijfplaats aanhoudt bij de moeder, dat de verplichte urinecontroles met ingang van 1 november 2024 komen te vervallen en, voor het geval het hof de hoofdverblijfplaats niet wijzigt, te bepalen dat de moeder conform het advies van de raad de minderjarige drie weekenden per maand bij zich zal houden in het kader waarvan de moeder [minderjarige] bij de vader ophaalt en de vader vervolgens aan het einde van het omgangsweekend haar bij de moeder komt ophalen.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.4.</nr>
      <para>De vader heeft op 17 januari 2025 een verweerschrift met bijlagen ingediend en verzocht, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, het door de moeder ingestelde hoger beroep niet ontvankelijk te verklaren, althans af te wijzen als zijnde ongegrond en onbewezen en de beschikking van 31 juli 2024 te bekrachtigen voor zover het de toewijzing van de verzoeken van de vader betreft, met veroordeling van de moeder in de proceskosten.</para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">In beide zaken</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.5.</nr>
      <para>Het hof heeft, met instemming van partijen, in beide zaken kennis genomen van:</para>
      <para>- het procesdossier uit eerste aanleg behorend bij de bestreden beschikking van 16 mei 2023, ingekomen bij het hof op 28 juli 2023;</para>
      <para>- het V6-formulier van 7 september 2023, met bijlage, van de advocaat van de moeder, ingekomen bij het hof op diezelfde datum;</para>
      <para>- het V8-formulier van 13 februari 2024, met bijlagen, van de advocaat van de vader, ingekomen bij het hof op diezelfde datum;</para>
      <para>- het V8-formulier van 13 februari 2024, met bijlagen, van de advocaat van de moeder, ingekomen bij het hof op diezelfde datum;</para>
      <para>- het V6-formulier van 13 maart 2025, met bijlagen, van de advocaat van de moeder, ingekomen bij het hof op diezelfde datum;</para>
      <para>- het V6-fomulier van 18 maart 2025, met bijlagen, van de advocaat van de moeder, ingekomen bij het hof op diezelfde datum;</para>
      <para>- het V6-formulier van 25 maart 2025, met bijlagen, van de advocaat van de moeder, ingekomen bij het hof op diezelfde datum.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.6.</nr>
      <para>Gelet op de onderlinge samenhang heeft het hof aanleiding gezien om beide zaken tegelijkertijd te behandelen op de hierna te noemen mondelinge behandeling bij het hof. Het hof doet in beide zaken in deze beschikking uitspraak.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.7.</nr>
      <para>De mondelinge behandeling in beide zaken heeft plaatsgevonden op 26 maart 2025. Bij die gelegenheid zijn gehoord: </para>
      <para>- de moeder, bijgestaan door haar advocaat;</para>
      <para>- de vader, bijgestaan door zijn advocaat;</para>
      <para>- de raad, vertegenwoordigd door [vertegenwoordiger van de raad] .</para>
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section role="overwegingen">
    <title>
      <nr>3</nr>De beoordeling in beide zaken</title>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>3.1.</nr>
      <parablock>
        <para>Uit de inmiddels verbroken relatie tussen de moeder en de vader is geboren:</para>
        <para>- [minderjarige] , op [geboortedatum] 2018 in [geboorteplaats] . </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.2.</nr>
      <para>De vader heeft [minderjarige] erkend. De moeder en de vader oefenen samen het ouderlijk gezag uit over [minderjarige] . </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.3.</nr>
      <para>Bij beschikking van de rechtbank Overijssel, locatie Almelo, van 3 november 2021 is bepaald dat de inhoud van het daaraan gehechte en het door beide ouders ondertekende ouderschapsplan van 26 augustus 2021 in die beschikking is opgenomen en zijn de ouders veroordeeld tot de nakoming daarvan. In het ouderschapsplan zijn, voor zover van belang, de volgende afspraken opgenomen:</para>
      <para>- [minderjarige] staat ingeschreven op het adres van de moeder; </para>
      <para>- [minderjarige] zal om de week een weekend bij de vader doorbrengen. De zorgregeling kan alleen in onderling overleg en met wederzijds goedvinden worden gewijzigd; </para>
      <para>- de schoolkeuze zal in overleg met [minderjarige] door de ouders gezamenlijk worden genomen.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.4.</nr>
      <para>Partijen zijn op 3 mei 2022 nadere afspraken met elkaar overeengekomen, inhoudende (voor zover hier van belang):</para>
      <para>- partijen hebben met elkaar afgesproken dat de moeder de dinsdagen in de ochtenden wekelijks de UC-test (een uitgebreide test) laat afnemen voor de duur van minimaal een half jaar, waarna een en ander geëvalueerd wordt of zoveel als de behandeling stopt. De moeder stuurt de testuitslag na ontvangst terstond aan de vader; </para>
      <para>- wanneer een test positief is op cocaïne, GHB of op een andere harddrug hebben partijen met elkaar afgesproken dat de hoofdverblijfplaats wijzigt van [minderjarige] , inhoudende dat zij dan bij de vader gaat wonen en zij aldaar ( [woonplaats vader] ) naar school gaat en de moeder volledige medewerking daaraan zal verlenen, zo nodig door ondertekening van formulieren.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.5.</nr>
      <para>Partijen zijn daarna een addendum ouderschapsplan met elkaar overeengekomen, dat respectievelijk op 9 juni 2022 en 10 juni 2022 door de moeder en door de vader is ondertekend. In het addendum ouderschapsplan zijn, voor zover hier van belang, de volgende afspraken opgenomen:</para>
      <para>- partijen hebben met elkaar afgesproken dat de moeder vanaf 3 mei 2022 iedere week op de dinsdagen in de ochtend de UC-test (drugstest) - een uitgebreide test - laat afnemen voor de duur van minimaal een half jaar, waarna een en ander geëvalueerd wordt. Indien de psychologische behandeling van de moeder eerder stopt, zal er eerder een evaluatie plaatsvinden. Alsdan dienen partijen met elkaar nadere afstemming te hebben over de wijze van de afneming van de wekelijkse testen. Zolang er nog geen andere afspraak in onderling overleg is gemaakt, geldt de afspraak van minimaal 1 keer per week;</para>
      <para>- partijen spreken met elkaar af dat wanneer de moeder geen test heeft laten afnemen/geen testuitslag kan overleggen, dit gelijk staat aan een positieve test; </para>
      <para>- bij een positieve test - of aldus geen test - wijzigt de hoofdverblijfplaats van [minderjarige] , inhoudende dat zij dan bij de vader gaat wonen en aldaar in [woonplaats vader] naar school zal gaan en de moeder aldaar haar volledige medewerking aan zal verlenen, zo nodig door ondertekening van formulieren; </para>
      <para>- [minderjarige] verblijft voorts wekelijks van dinsdag na school tot woensdag einde middag in [plaats] , totdat partijen hierover andere afspraken hebben gemaakt.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.6.</nr>
      <para>Bij de bestreden beschikking van 16 mei 2023 heeft de rechtbank, voor zover in deze procedure van belang:</para>
      <para>- voor recht verklaard dat [minderjarige] met ingang van 22 november 2022 haar hoofdverblijf heeft bij de vader; </para>
      <para>- aan de vader, ter vervanging van de ontbrekende toestemming van de moeder, toestemming verleend om [minderjarige] in te schrijven op diens adres;</para>
      <para>- aan de vader, ter vervanging van de ontbrekende toestemming van de moeder, toestemming verleend om [minderjarige] in te schrijven op de basisschool ' [basisschool] ' in [woonplaats vader] ; </para>
      <para>- in het kader van de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken een voorlopige zorgregeling vastgesteld, inhoudende dat de moeder en [minderjarige] recht hebben op contact met elkaar wekelijks op zaterdag van 10.00 uur tot 14.00 uur in de woning van de vader, waarbij de vader aanwezig zal zijn in een andere kamer en waarbij het de moeder is toegestaan om met [minderjarige] naar buiten te gaan en om met haar activiteiten te ondernemen. Na twee maanden staat het partijen vrij om in onderling overleg de zorgregeling uit te breiden;</para>
      <para>- de raad verzocht om een onderzoek te verrichten naar de vaststelling van de hoofdverblijfplaats van [minderjarige] en de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.7.</nr>
      <parablock>
        <para>Bij vonnis in kort geding van 16 mei 2024 heeft de voorzieningenrechter bepaald, in het kader van de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken tussen partijen, dat de moeder en [minderjarige] voorlopig gerechtigd zijn tot het hebben van contact met elkaar:</para>
        <para>in mei 2024:</para>
      </parablock>
      <itemizedlist mark="-">
        <listitem>
          <para>van vrijdag 10 mei 2014 om 14.30 uur tot zondag 12 mei 2024 om 18.00 uur, waarbij de moeder [minderjarige] bij de vader ophaalt en zij haar bij de vader terugbrengt; </para>
        </listitem>
        <listitem>
          <para>op zaterdag 25 mei 2024 van 10.30 uur tot 20.00 uur, waarbij de moeder [minderjarige] bij de vader ophaalt en zij haar bij de vader terugbrengt;</para>
        </listitem>
      </itemizedlist>
      <para>in juni 2024:</para>
      <para>- gedurende twee weekenden van vrijdag na school tot zondag 18.00 uur, (door partijen in onderling overleg vast te stellen, maar niet zijnde het weekend waarin Vaderdag valt), waarbij de moeder [minderjarige] bij de vader ophaalt en zij haar naar de vader terugbrengt;</para>
      <para>waarbij als voorwaarden voor deze zorgregeling gelden:</para>
      <itemizedlist mark="-">
        <listitem>
          <para>dat alle urinetestuitslagen vanaf september 2023 tot heden binnen een week na 7 mei 2024 door de advocaat van de moeder naar de advocaat van de vader worden gestuurd;</para>
        </listitem>
        <listitem>
          <para>dat vervolgens eenmaal per week de drie urinetestuitslagen van de voorafgaande week door de advocaat van de moeder naar de advocaat van de vader worden gestuurd:</para>
        </listitem>
        <listitem>
          <para>dat een verklaring van [GGZ-instelling] over de wijze waarop de urinetesten worden afgenomen door de advocaat van de moeder naar de advocaat van de vader wordt gestuurd.</para>
        </listitem>
      </itemizedlist>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.8.</nr>
      <para>De rechtbank heeft in de bestreden beschikking van 31 juli 2024, voor zover in deze procedure van belang:</para>
      <para>- de moeder niet-ontvankelijk verklaard in haar aanvullende verzoek over het hoofdverblijf;</para>
      <para>- bepaald dat de moeder en [minderjarige] in het kader van de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken recht hebben op contact met elkaar:</para>
      <parablock>
        <para>- eenmaal per twee weken van vrijdag na school tot zondag 18.00 uur, waarbij partijen met elkaar verdere afspraken maken over het halen en brengen; </para>
        <para>- gedurende zeven weken van de twaalf weken schoolvakantie per jaar, waarover de vader en de moeder met elkaar verdere afspraken maken;</para>
        <para>waarbij als voorwaarde voor deze zorgregeling geldt dat eenmaal per week de drie urinetestuitslagen van de voorafgaande week door de advocaat van de moeder naar de advocaat van de vader worden gestuurd. </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.10.</nr>
      <para>De moeder kan zich met de beschikkingen van 16 mei 2023 en van 31 juli 2024 aldus niet verenigen en is in hoger beroep gekomen.</para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">Hoofdverblijf en inschrijving op adres vader en de basisschool</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.11.</nr>
      <para>De moeder voert, samengevat, het volgende aan. Het hoofdverblijf van [minderjarige] dient bij de moeder te zijn. De moeder heeft in het verleden de voorwaarden uit het ouderschapsplan niet geschonden, waardoor het hoofdverblijf van [minderjarige] bij de moeder is gebleven. De moeder hoefde aldus ook geen medewerking te geven aan de inschrijving van [minderjarige] op het adres van de vader en aan de inschrijving op de school in [woonplaats vader] . Het is niet in het belang van [minderjarige] om het hoofdverblijf aan te houden bij de vader. De moeder is in de gelegenheid en in staat om de zorg voor [minderjarige] op zich te nemen. De moeder heeft haar leven op orde. De moeder wil werken aan herstel van het vertrouwen van de vader in de moeder.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.12.</nr>
      <para>De vader voert, samengevat, het volgende aan. De voorwaarden van de tussen partijen gemaakte afspraken zijn geschonden waardoor het hoofdverblijf van [minderjarige] naar de vader is gewijzigd. Het is niet in het belang van [minderjarige] om haar hoofdverblijfplaats weer te wijzigen. [minderjarige] ontwikkelt zich goed bij de vader en het gaat goed op school. Voor de vader is niet te verifiëren of de behandeling van de verslavingsproblematiek van de moeder inmiddels is afgerond en of de doelen zijn behaald. Het vertrouwen van de vader in de moeder is geschaad.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.13.</nr>
      <para>De raad heeft tijdens de mondelinge behandeling bij het hof geadviseerd om het hoofdverblijf van [minderjarige] bij de vader te laten. Los van het feit dat de hoofdverblijfplaats van [minderjarige] al geruime tijd bij de vader is ziet de raad bij de vader meer stabiliteit dan bij de moeder.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.14.</nr>
      <para>Het hof overweegt als volgt.</para>
      <para />
      <paragroup>
        <nr>3.14.1.</nr>
        <para>Ingevolge artikel 1:253a lid 1 van het Burgerlijk Wetboek (BW) kunnen geschillen omtrent de gezamenlijke uitoefening van het ouderlijk gezag aan de rechter worden voorgelegd. Daartoe behoort ook, gelet op artikel 1:253a lid 2, aanhef en sub b BW, het geschil bij welke ouder het kind zijn hoofdverblijfplaats heeft. De rechter neemt een zodanige beslissing als hem in het belang van het kind wenselijk voorkomt. </para>
        <para />
      </paragroup>
      <paragroup>
        <nr>3.14.2.</nr>
        <parablock>
          <para>
            [minderjarige] heeft sinds 22 november 2022 haar hoofdverblijfplaats bij de vader. Tussen de ouders is niet in geschil dat het goed gaat met [minderjarige] bij de vader en dat zij het goed doet op school. Het hof acht het niet in het belang van [minderjarige] dat ze weer van opvoedingsomgeving zou moeten wisselen. Het hof heeft bij de beoordeling betrokken dat de raad in het raadsrapport van 18 januari 2024 de rechtbank heeft geadviseerd de hoofdverblijfplaats van [minderjarige] bij de vader te bepalen (overigens nadat de rechtbank in de beschikking van 16 mei 2023 reeds voor recht had verklaard dat [minderjarige] haar hoofdverblijfplaats bij de vader heeft). De raad heeft tijdens de mondelinge behandeling bij het hof dit standpunt gehandhaafd en in dat verband, onder meer, aangegeven dat de vader [minderjarige] op dit moment meer stabiliteit kan bieden dan de moeder.</para>
          <para>Van belang daarbij is dat uit voornoemd raadsrapport blijkt dat [minderjarige] veel onrust heeft meegemaakt in 2022 bij de wisseling van opvoedingsomgeving. Hoewel de raad er op wijst dat de moeder aan de slag is gegaan met haar persoonlijke en verslavingsproblematiek, heeft de moeder in onderhavige procedure geen althans onvoldoende inzage en informatie verstrekt in en over de resultaten van dat behandeltraject van de moeder. Zij stelt het behandeltraject succesvol te hebben afgerond en dat de (mogelijkheden van) nazorg van dit traject is besproken, maar voldoende nadere onderbouwing daarvan ontbreekt. Daarbij komt dat de moeder tijdens de mondelinge behandeling bij het hof heeft verklaard dat er in 2022 sprake was van middelengebruik door de moeder. Uit een brief van [GGZ-instelling] d.d. 28 januari 2025 blijkt :”…. willen wij u informeren dat wij helaas niet in staat zijn om u in zorg te nemen, aangezien er geen behandeldoelen zijn die binnen het kader van de Specialistische Gezondheidszorg (SGGZ) vallen. Dit betekent dat de zorg die u nodig heeft, buiten ons behandelaanbod ligt.”. Niet duidelijk is geworden, daarnaar gevraagd, welke zorg de moeder volgens [GGZ-instelling] nodig heeft, die buiten hun behandelaanbod ligt. </para>
          <para>Uit een recente mail van de huisarts aan de moeder van 27 februari 2025 is wel gebleken dat de door de moeder verzochte urinecontroles niet meer via de huisarts kunnen verlopen. Die urinecontroles kunnen alleen nog via een GGZ-instelling als [GGZ-instelling] afgenomen worden, maar alleen in combinatie met een behandeling, die de moeder niet wil, aldus de huisarts. De moeder heeft, daarnaar gevraagd tijdens de mondelinge behandeling, verklaard dat deze behandeling zou zien op een nader traject aansluitend op de door haar al doorlopen behandeling in verband met haar verslavingsproblematiek; die aanvullende behandeling achtte de moeder evenwel niet nodig. Bij gebreke van voldoende informatie over deze behandeling is het hof er niet althans niet voldoende van overtuigd dat de moeder haar problematiek daadwerkelijk voldoende (langdurig) heeft aangepakt.</para>
          <para>Gelet op het voorgaande komt het het hof in het belang van [minderjarige] wenselijk voor om de feitelijke situatie, waarin het hoofdverblijf van [minderjarige] bij de vader is sinds november 2022, te handhaven. Dit leidt ertoe dat het hof de bestreden beschikking van 16 mei 2023 zal bekrachtigen ten aanzien van de verklaring voor recht waarin de hoofdverblijfplaats van [minderjarige] bij de vader is bepaald. </para>
        </parablock>
        <para />
      </paragroup>
      <paragroup>
        <nr>3.14.3.</nr>
        <para>Gelet hierop acht het hof het voorts in het belang van [minderjarige] om de beslissing van de rechtbank om vervangende toestemming te verlenen [minderjarige] in te schrijven op het adres van de vader en op de basisschool in [woonplaats vader] te bekrachtigen. </para>
        <para />
        <parablock>
          <para>
            <emphasis role="italic">Verdeling van de zorg- en opvoedingstaken</emphasis>
          </para>
        </parablock>
        <para />
      </paragroup>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.15.</nr>
      <para>De moeder voert, samengevat, het volgende aan. Indien de hoofdverblijfplaats van [minderjarige] niet bij de moeder wordt vastgesteld wil de moeder graag dat [minderjarige] vaker bij de moeder kan zijn. De moeder heeft alle hulpverlening positief afgerond, maar de vader blijft wantrouwend tegenover de moeder. De moeder staat open voor hulpverlening om de samenwerking met de vader te verbeteren. De moeder heeft een aantal weken geen contact met [minderjarige] gehad de afgelopen periode, omdat zij geen urinecontrole kon laten uitvoeren. [GGZ-instelling] en de huisarts kunnen haar dit niet meer bieden. De moeder wil daarom niet langer dat de urinecontroles verbonden worden aan een contactmoment met [minderjarige] . Het lukt partijen niet om in onderling overleg afspraken te maken over het halen en brengen.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.16.</nr>
      <para>De vader voert, samengevat, het volgende aan. De vader staat achter de huidige verdeling van de zorg- en opvoedingstaken. De vader heeft vragen over het nazorgtraject van de moeder, aangezien dit voor hem niet inzichtelijk is geworden. De vader wil een waarborg dat de moeder geen middelen heeft gebruikt als [minderjarige] naar de moeder gaat. De vader vindt het teveel als [minderjarige] drie weekenden in de maand bij de moeder is.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.17.</nr>
      <para>De raad heeft het hof het volgende geadviseerd. Als er sprake is van een verslaving is het beschadigde vertrouwen moeilijk terug te winnen. Urinecontroles zijn daarbij een controlemiddel, maar herstellen het vertrouwen niet. De urinecontroles die de moeder moet uitvoeren kunnen niet oneindig door blijven lopen en dienen beëindigd te worden. Het is in het belang van [minderjarige] dat de ouders proberen het eerder gestaakte hulpverleningstraject weer op te pakken om te proberen nader tot elkaar te komen; daarin moet de oplossing liggen. De raad handhaaft het advies de contactregeling tussen [minderjarige] en de moeder gedurende drie weekenden per maand te laten plaatsvinden. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.18.</nr>
      <para>Het hof overweegt als volgt.</para>
      <para />
      <paragroup>
        <nr>3.18.1.</nr>
        <para>Ingevolge artikel 1:253a lid 1 BW kunnen geschillen omtrent de gezamenlijke uitoefening van het ouderlijk gezag aan de rechter worden voorgelegd. In het geval van een geschil omtrent de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken kan de rechter, gelet op artikel 1:253a lid 2, aanhef en sub a, BW, een regeling vaststellen. De rechter neemt een zodanige beslissing als hem in het belang van het kind wenselijk voorkomt. </para>
        <para />
      </paragroup>
      <paragroup>
        <nr>3.18.2.</nr>
        <parablock>
          <para>Gebleken is dat de moeder en [minderjarige] in de afgelopen periode wekenlang geen contact met elkaar hebben gehad. Dit acht het hof niet in het belang van [minderjarige] . De voorwaarde die de rechtbank in de beschikking van 31 juli 2024 heeft gekoppeld aan de zorgregeling, waarbij de moeder drie urinetestuitslagen van de voorafgaande week naar de vader dient te sturen, is echter onuitvoerbaar gebleken. Het is, gelet op het verleden, niet onbegrijpelijk en in het belang van [minderjarige] dat de vader wil weten dat de moeder niet onder invloed is van verdovende middelen als de moeder een contactmoment heeft met [minderjarige] . Voldoende aannemelijk is echter dat de moeder op dit moment niet in staat is om via de huisarts dan wel via [GGZ-instelling] urinetesten af te laten nemen. Tijdens de mondelinge behandeling bij het hof, na een schorsing voor beraad, heeft de moeder aangeboden vrij verkrijgbare urinetesten bij zichzelf af te nemen bij de vader thuis (met een open wc-deur) waarna het contactmoment tussen haar en [minderjarige] door zou kunnen gaan bij een negatieve uitslag. De vader heeft verklaard dit voldoende te vinden. De moeder kan nadien [minderjarige] uit school ophalen. Het hof gaat er vanuit dat partijen bezien welke test het meest passend is, waaronder bijvoorbeeld de mogelijkheid van een vrij verkrijgbare speekseltest. Het hof verwacht dat de ouders deze vrij verkrijgbare test om beurten aanschaffen dan wel de kosten daarvan delen. Met de raad is het hof echter van oordeel dat het testen op enig moment dient te eindigen omdat de oplossing moet liggen in het werken aan het herstel van het vertrouwen tussen de ouders. Beide ouders hebben tijdens de mondelinge behandeling bij het hof aangegeven het eerder gestaakte hulpverleningstraject bij [instantie] weer op te willen pakken teneinde te werken aan de samenwerking en het onderlinge vertrouwen. Het hof gaat er vanuit dat de ouders de stappen zullen zetten die hiervoor nodig zijn. </para>
          <para>Het hof zal, mede gelet op het hulpverleningstraject dat de ouders beogen aan te gaan en de situatie dat het opleggen van de voorwaarde urinecontroles in beginsel niet oneindig kan duren, bepalen dat het afnemen van de urinetest/speekseltest als voorwaarde aan de contactregeling wordt verbonden tot 1 januari 2026.</para>
        </parablock>
        <para />
      </paragroup>
      <paragroup>
        <nr>3.18.3.</nr>
        <parablock>
          <para>Het hof ziet geen aanleiding om de zorgregeling op dit moment te wijzigen in frequentie, in die zin dat [minderjarige] voortaan drie weekenden bij de moeder zou gaan verblijven. De ouders zullen in het belang van [minderjarige] eerst moeten werken aan het herstel van vertrouwen waarbij vooralsnog uitvoering wordt gegeven aan de urine/speekseltesten. Indien de ouders dat vertrouwen in elkaar weten te herstellen staat het hen vrij om over een uitbreiding nieuwe afspraken te maken samen met de hulpverlening vanuit [instantie] . Het hof acht het op dit moment  in het belang van [minderjarige] dat zij rust heeft en ook een evenredig deel van de weekenden bij de vader kan verblijven. </para>
          <para>Wel betekent hetgeen in overweging 3.18.2 is overwogen dat de zorgregeling aldus gewijzigd moet worden, dat de moeder in de gelegenheid is bij de vader thuis de urinetest/speekseltest af te nemen. Aansluitend kan de moeder [minderjarige] op vrijdag uit school halen. </para>
          <para>Dit betekent dat de zorgregeling wordt gewijzigd, in die zin dat de moeder en [minderjarige] recht hebben op contact met elkaar eenmaal per twee weken van vrijdag na school tot zondag 18.00 uur, waarbij de moeder eerst de urine/speekseltest zal afnemen bij de vader thuis, waarna de moeder na een negatieve uitslag [minderjarige] van school kan halen. De vader haalt [minderjarige] op zondagavond 18.00 uur op bij de moeder.</para>
        </parablock>
        <para />
      </paragroup>
      <paragroup>
        <nr>3.18.4.</nr>
        <para>Het hof ziet in beide zaken, gelet op de aard van de procedure, geen omstandigheden aanwezig om de moeder te veroordelen in de proceskosten, zoals de vader heeft verzocht. </para>
        <para />
      </paragroup>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.19.</nr>
      <para>Dit alles leidt tot de volgende beslissing.</para>
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>
      <nr>4</nr>De beslissing</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het hof:</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">in de zaken met zaaknummer 200.329.655/01 en 200.347.558/01</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>bekrachtigt de beschikking van de rechtbank Zeeland-West-Brabant, zittingsplaats Breda, van 16 mei 2023, voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen:</para>
      <para>-ten aanzien van de verklaring voor recht dat [minderjarige] met ingang van 22 november 2022 haar hoofdverblijf heeft bij de vader;</para>
      <para>- ten aanzien van de beslissing van de rechtbank, ter vervanging van de ontbrekende toestemming van de moeder, toestemming te verlenen aan de vader om [minderjarige] in te schrijven op het adres van de vader;</para>
      <para>-ten aanzien van de beslissing van de rechtbank, ter vervanging van de ontbrekende toestemming van de moeder, toestemming te verlenen aan de vader om [minderjarige] in te schrijven op de basisschool ‘ [basisschool] ’ in [woonplaats vader] ;</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>en </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>vernietigt de beschikking van de rechtbank Zeeland-West-Brabant, zittingsplaats Breda, van 31 juli 2024, ten aanzien van de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken,</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>en in zoverre opnieuw rechtdoende:</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>stelt omtrent de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken tussen de vader en de moeder met betrekking tot [minderjarige] de volgende (reguliere) regeling vast: </para>
      <para>- [minderjarige] verblijft bij de moeder éénmaal per twee weken van vrijdag na school tot zondag 18.00 uur, waarbij [minderjarige] door de moeder wordt opgehaald op school en de vader [minderjarige] op zondag bij de moeder ophaalt;</para>
      <para>-waarbij tot 1 januari 2026 als voorwaarde voor deze zorgregeling geldt dat de moeder op de vrijdag bij de vader thuis een urinetest/speekseltest bij zichzelf afneemt en bij een negatieve uitslag het contactmoment doorgaat in die zin dat de moeder [minderjarige] dan op school kan ophalen, een en ander conform hetgeen is overwogen in rechtsoverwegingen 3.18.2 en 3.18.3;</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>compenseert de proceskosten in hoger beroep, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt;</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>wijst in beide zaken af het meer of anders verzochte.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Deze beschikking is gegeven door mrs. C.N.M. Antens, A.M. Bossink en E.P. de Beij en is op 15 mei 2025 uitgesproken door mr. A.J.F. Manders in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </section>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>