<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:GHSHE:2025:1263</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2026-01-13T10:55:23</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2025-05-06</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Gerechtshof_'s-Hertogenbosch" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Gerechtshof 's-Hertogenbosch</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2025-05-02</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">20-002329-22 (OWV)</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#hogerBeroep">Hoger beroep</psi:procedure>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#opTegenspraak">Op tegenspraak</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">'s-Hertogenbosch</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#strafrecht">Strafrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:relation rdfs:label="Formele relatie" ecli:resourceIdentifier="ECLI:NL:RBOBR:2022:4115" psi:type="http://psi.rechtspraak.nl/hogerBeroep" psi:aanleg="http://psi.rechtspraak.nl/eerdereAanleg" psi:gevolg="http://psi.rechtspraak.nl/gevolg#(Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan">Eerste aanleg: ECLI:NL:RBOBR:2022:4115, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan</dcterms:relation>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHSHE:2025:1263">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHSHE:2025:1263</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2026-01-13T10:53:27</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2026-01-13</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:GHSHE:2025:1263 Gerechtshof 's-Hertogenbosch , 02-05-2025 / 20-002329-22 (OWV)</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:GHSHE:2025:1263:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel ex artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:GHSHE:2025:1263:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <parablock>
    <para>Parketnummer	: 20-002329-22 </para>
    <para>Uitspraak	: 2 mei 2025 </para>
  </parablock>
  <parablock>
    <para>TEGENSPRAAK</para>
  </parablock>
  <parablock>
    <para>
      <emphasis role="bold">Arrest van de economische kamer van het Gerechtshof ‘s-Hertogenbosch</emphasis>
    </para>
  </parablock>
  <parablock>
    <para>gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de economische kamer van de Rechtbank Oost-Brabant, zittingsplaats ‘s-Hertogenbosch, van 3 oktober 2022 op de vordering tot oplegging van de maatregel tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel ex artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht, in de zaak met parketnummer 82-282232-20 tegen: </para>
  </parablock>
  <parablock>
    <para>
      <emphasis role="bold">
        [verdachte]
      </emphasis>,</para>
    <para>geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1997, </para>
    <para>wonende te [adres 1] ,</para>
    <para>hierna: betrokkene.</para>
  </parablock>
  <parablock>
    <para>
      <emphasis role="underline">Hoger beroep</emphasis>
    </para>
  </parablock>
  <parablock>
    <para>Bij het vonnis waarvan beroep is het geschatte wederrechtelijk verkregen voordeel vastgesteld op een bedrag van € 63.240,58 en aan de betrokkene een betalingsverplichting opgelegd voor datzelfde bedrag. Daarnaast is de duur van de gijzeling – die met toepassing van artikel 6:6:25 van het Wetboek van Strafvordering ten hoogste kan worden gevorderd – vastgesteld op 1080 dagen.</para>
  </parablock>
  <parablock>
    <para>Namens de betrokkene is tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld.</para>
  </parablock>
  <parablock>
    <para>
      <emphasis role="underline">Onderzoek van de zaak</emphasis>
    </para>
  </parablock>
  <parablock>
    <para>Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep en het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.</para>
  </parablock>
  <parablock>
    <para>Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de betrokkene naar voren is gebracht.</para>
  </parablock>
  <parablock>
    <para>De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het vonnis waarvan beroep zal bevestigen.</para>
  </parablock>
  <parablock>
    <para>De raadsman van de betrokkene heeft het hof primair verzocht de vordering tot oplegging van de maatregel tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel af te wijzen, omdat het door de betrokkene wederrechtelijk verkregen voordeel als gevolg van de inbeslagneming en vernietiging van het bij de betrokkene aangetroffen vuurwerk reeds is ontnomen. Subsidiair heeft de raadsman het hof verzocht het geschatte wederrechtelijk verkregen voordeel op een lager bedrag vast te stellen dan de rechtbank heeft gedaan.</para>
  </parablock>
  <parablock>
    <para>
      <emphasis role="underline">Vonnis waarvan beroep</emphasis>
    </para>
  </parablock>
  <parablock>
    <para>Het hof zal het bestreden vonnis vernietigen en opnieuw rechtdoen, omdat het zich daarmee niet kan verenigen.</para>
  </parablock>
  <parablock>
    <para>
      <emphasis role="underline">Bewijsmiddelen</emphasis>
    </para>
  </parablock>
  <parablock>
    <para>Het hof baseert zijn oordeel dat de betrokkene wederrechtelijk voordeel heeft verkregen op de hierna te vermelden wettige bewijsmiddelen – waarnaar telkens in de voetnoten wordt verwezen – en ontleent aan de inhoud van die bewijsmiddelen tevens de schatting van de omvang van bedoeld voordeel.<footnote-ref linkend="_d32d55b9-ad4b-441f-941c-6eac2c9f8ff4" /></para>
  </parablock>
  <parablock>
    <para>
      <emphasis role="underline">Grondslag van het wederrechtelijk verkregen voordeel</emphasis>
    </para>
  </parablock>
  <parablock>
    <para>De betrokkene is bij vonnis van de economische kamer van de Rechtbank Oost-Brabant, zittingsplaats ‘s- Hertogenbosch, van 3 oktober 2022 onder parketnummer 82-282232-20, veroordeeld ter zake van het meermalen opzettelijk overtreden van een voorschrift gesteld</para>
    <para>krachtens artikel 9.2.2.1 van de Wet milieubeheer (artikel 1.2.2, eerste lid, van het</para>
    <para>Vuurwerkbesluit). Na het instellen van hoger beroep in deze zaak heeft het hof bij arrest van heden onder parketnummer 20-002328-22 de betrokkene eveneens veroordeeld ter zake van dezelfde feiten.</para>
  </parablock>
  <parablock>
    <para>Het hof ontleent aan de inhoud van de hiervoor genoemde bewijsmiddelen het oordeel dat de betrokkene een voordeel als bedoeld in artikel 36e, derde lid, van het Wetboek van Strafrecht heeft verkregen.</para>
  </parablock>
  <parablock>
    <para>Het hof stelt vast dat aan de voorwaarden voor toepasselijkheid van voormeld artikellid is voldaan, aangezien de betrokkene is veroordeeld wegens een misdrijf dat naar de wettelijke omschrijving wordt bedreigd met een geldboete van de vijfde categorie en aannemelijk is dat dat misdrijf of andere strafbare feiten op enigerlei wijze ertoe hebben geleid dat de betrokkene wederrechtelijk voordeel heeft verkregen.</para>
  </parablock>
  <parablock>
    <para>
      <emphasis role="underline">Vaststelling van het wederrechtelijk verkregen voordeel</emphasis>
    </para>
  </parablock>
  <parablock>
    <para>De rechtbank heeft het geschatte wederrechtelijk verkregen voordeel vastgesteld op een bedrag van € 63.240,58. </para>
  </parablock>
  <parablock>
    <para>De advocaat-generaal heeft het hof verzocht het vonnis van de rechtbank te bevestigen. </para>
  </parablock>
  <parablock>
    <para>De raadsman van de betrokkene heeft het hof primair verzocht de vordering tot oplegging van de maatregel tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel af te wijzen. Daartoe heeft de raadsman aangevoerd dat het door de betrokkene wederrechtelijk verkregen voordeel, als gevolg van de inbeslagneming en vernietiging van het onder de betrokkene aangetroffen vuurwerk, hem reeds is ontnomen. De betrokkene heeft namelijk al het voordeel dat hij uit eerdere handel in illegaal vuurwerk heeft verkregen, geïnvesteerd in de aankoop van nieuw vuurwerk, dat uiteindelijk door de politie in beslag is genomen en vernietigd. </para>
    <para>Subsidiair heeft de raadsman het hof verzocht het geschatte wederrechtelijk verkregen voordeel op een lager bedrag vast te stellen dan de rechtbank heeft gedaan. Daartoe heeft de raadsman aangevoerd dat het vuurwerk dat in Delft is aangetroffen en inbeslaggenomen, niet van de betrokkene was, en dat het overige inbeslaggenomen vuurwerk een waarde had van tussen de € 27.000,00 en € 32.000,00, terwijl in het rapport berekening wederrechtelijk verkregen voordeel is uitgegaan van een waarde van € 83.696,25. Daar komt bij dat de betrokkene heeft verklaard dat (een deel van) de contante stortingen die op zijn bankrekening en op de bankrekening van zijn ex-vriendin [betrokkene 1] zijn gedaan, een legale herkomst hebben, namelijk die van een lening van [betrokkene 2] aan de betrokkene van € 8.500,00, een verjaardagsgift aan [betrokkene 1] ter hoogte € 1.400,00 en financiële bijdragen van de opa en oma van de betrokkene en de vader van [betrokkene 1] .</para>
  </parablock>
  <parablock>
    <para>Het hof overweegt als volgt.</para>
  </parablock>
  <parablock>
    <para>De betrokkene is bij arrest van dit hof van 2 mei 2025 veroordeeld ten zake van het meermalen overtreden van een voorschrift gesteld krachtens artikel 9.2.2.1 van de Wet milieubeheer (artikel 1.2.2 eerste lid van het Vuurwerkbesluit). Betrokkene heeft toegegeven dat hij gedurende een – de tenlastegelegde en bewezenverklaarde feiten omvattende – periode (onder andere online) heeft gehandeld in vuurwerk. Op grond van het dossier en het verhandelde ter terechtzitting in hoger beroep acht het hof  aannemelijk dat de betrokkene in de periode van 1 januari 2020 tot en met 22 juni 2021 wederrechtelijk voordeel heeft verkregen uit de handel in illegaal vuurwerk, zoals in voormeld arrest bewezen is verklaard alsook uit andere feiten waarvoor naar het oordeel van het hof voldoende aanwijzingen bestaan dat deze door de betrokkene zijn begaan.</para>
  </parablock>
  <parablock>
    <para>Omdat in het strafrechtelijk onderzoek geen zicht is verkregen op alle individuele transacties met betrekking tot strafrechtelijke activiteiten en de daarmee samenhangende opbrengsten, is het voordeel door de politie geschat aan de hand van een zogenaamde eenvoudige kasopstelling. Door middel van deze methode van berekening van het wederrechtelijk verkregen voordeel wordt nagegaan of en, zo ja, in hoeverre de betrokkene meer contante uitgaven heeft gedaan dan via legale bron kunnen worden verantwoord. In deze methode worden de totale contante uitgaven afgezet tegen de beschikbare legale contante gelden. Indien de totale contante uitgaven groter zijn dan de beschikbare legale contante gelden (met andere woorden: het uiteindelijke verschil negatief is), is er sprake van onbekende</para>
    <para>contante inkomsten. Een negatieve kas is immers niet mogelijk; men kan niet meer uitgeven dan men fysiek aan kasgeld beschikbaar heeft, tenzij sprake is van een andere, onbekende contante inkomstenbron. In het geval van een negatief verschil tussen de contante uitgaven en de beschikbare legale contante gelden is – zonder aanvullende verklaring daaromtrent van de zijde van de betrokkene – aannemelijk dat die contante uitgaven (tot een totaal van het negatieve kassaldo) zijn gedaan door contante inkomsten die uit enig misdrijf zijn verkregen, zodat in elk geval tot dat bedrag sprake is van wederrechtelijk verkregen voordeel.</para>
  </parablock>
  <parablock>
    <para>De politie heeft in de onderhavige zaak onderzoek gedaan naar de contante uitgaven die de betrokkene en zijn ex-vriendin [betrokkene 1] gedurende de onderzoeksperiode van 1 januari 2020 tot en met 22 juni 2021 – uit het dossier volgt dat de betrokkene en [betrokkene 1] in die periode een gezamenlijke huishouding hebben gevoerd en een economische eenheid hebben gevormd<footnote-ref linkend="_8fec9126-1fc5-472e-9ef4-5878ff26c275" /> –  méér hebben gedaan dan hun traceerbare, legale contante inkomsten in diezelfde periode.</para>
  </parablock>
  <parablock>
    <para>Uit de door de politie opgestelde eenvoudige kasopstelling blijkt dat de betrokkene en [betrokkene 1] in de onderzoeksperiode meer contante uitgaven hebben gedaan dan zij – in diezelfde periode – aan traceerbare legale contante inkomsten beschikbaar hebben gehad. </para>
  </parablock>
  <parablock>
    <para>In de eenvoudige kasopstelling, zoals opgesteld door de politie, zijn de volgende posten opgenomen:<footnote-ref linkend="_5beb6997-60e1-4273-b3db-940aedf36fe1" /></para>
  </parablock>
  <parablock>
    <para>Beginsaldo								€ 0	</para>
    <para>+ Legale contante inkomsten (inclusief bankopnamen)		 	€ 660,00</para>
    <para>
      <emphasis role="underline">-/- Eindsaldo kas				 	     	</emphasis>	€ 0</para>
    <para>
      <emphasis role="bold">Totaal beschikbaar voor het doen van contante uitgaven		€ 660,00</emphasis>
    </para>
  </parablock>
  <parablock>
    <para>Contante uitgaven (inclusief bankstortingen)				€ 63,900,58</para>
    <para>
      <emphasis role="underline">+ Overige contante uitgaven					</emphasis>	€ 0</para>
    <para>
      <emphasis role="bold">Totale contante uitgaven						€ 63,900,58</emphasis>
    </para>
  </parablock>
  <parablock>
    <para>Totaal beschikbaar voor het doen van contante uitgaven			€ 660,00</para>
    <para>
      <emphasis role="underline">-/- Totale contante uitgaven					</emphasis>	€ 63,900,58</para>
    <para>
      <emphasis role="bold">Onverklaarbare uitgaven						</emphasis>
      <emphasis role="bold underline">€ 63.240,58</emphasis>
    </para>
  </parablock>
  <parablock>
    <para>Het hof volgt, net als de rechtbank, in de kern de berekeningswijze zoals deze door de politie is neergelegd in het rapport berekening wederrechtelijk verkregen voordeel<footnote-ref linkend="_2c25c124-0c7c-495a-8f1e-2895552c3db8" /> inclusief bijlagen.</para>
  </parablock>
  <parablock>
    <para>Ten aanzien van de hiervoor genoemde posten overweegt het hof als volgt.</para>
  </parablock>
  <parablock>
    <para>
      <emphasis role="bold italic">Contant geld beschikbaar voor het doen van uitgaven</emphasis>
    </para>
  </parablock>
  <parablock>
    <para>Uit het onderzoek is gebleken dat de betrokkene en [betrokkene 1] in de jaren 2019 en 2020 nauwelijks geld van hun bankrekeningen contant hebben opgenomen.<footnote-ref linkend="_6cc32ca6-0e6b-4770-8a63-50d0a91638f1" /> In de eenvoudige kasopstelling is daarom uitgegaan van een beginsaldo aan contant geld (op 1 januari 2020) van € 0,00 (nihil).</para>
  </parablock>
  <parablock>
    <para>Tijdens de doorzoeking in de (huur)woning van de betrokkene en [betrokkene 1] aan [adres 2] op 22 juni 2021 (het einde van de onderzoeksperiode) zijn geen contante gelden aangetroffen. Omdat de laatste contante opname op 7 mei 2021 en dus ruim een maand voor de datum van de doorzoeking plaatsvond, is in de eenvoudige kasopstelling uitgegaan van een eindsaldo aan contant geld van € 0,00 (nihil).</para>
  </parablock>
  <parablock>
    <para>In de onderzochte periode van 1 januari 2020 tot met 22 juni 2021 hebben de betrokkene en [betrokkene 1] in totaal <emphasis role="bold">€ 660,00</emphasis> van hun bankrekeningen opgenomen (€ 170,00 van de bankrekening van de betrokkene en € 490,00 van de bankrekening van [betrokkene 1] ) en dus aan legale contante gelden ontvangen.</para>
  </parablock>
  <parablock>
    <para>Ter terechtzitting in eerste aanleg alsook in hoger beroep heeft de verdediging aangevoerd dat de betrokkene en [betrokkene 1] gedurende de onderzochte periode ook andere legale inkomsten hadden, een en ander zoals hiervoor is beschreven. </para>
    <para>Anders dan de rechtbank, is het hof van oordeel dat de betrokkene, met het overleggen van een schriftelijk stuk d.d. 12 december 2020 behelzende de verklaring van [betrokkene 2] – welke verklaring zonder nader onderzoek niet zonder meer terzijde kan worden geschoven -  voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat hij een lening heeft afgesloten met dhr. [betrokkene 2] , in het kader waarvan aan hem op 12 december 2020 een bedrag van <emphasis role="bold">€ 8.500,00</emphasis> aan contant geld is uitgekeerd.<footnote-ref linkend="_8a92e907-9cff-4417-b9ad-1497d0586e15" /> Ter terechtzitting in hoger beroep heeft de betrokkene verklaard dat hij van dit geldbedrag een paar duizend euro heeft geïnvesteerd in zijn vuurwerkhandel; het overige geld heeft de betrokkene op zijn bankrekening en/of die van zijn ex-vriendin [betrokkene 1] gestort en daarvan zijn levensmiddelen en huur betaald. Bij de vaststelling van het wederrechtelijk verkregen voordeel gaat het hof er vanuit dat de betrokkene een paar duizend euro heeft geïnvesteerd in zijn handel en dit dus contant ter beschikking heeft gehad en daartoe heeft uitgegeven, en het van het geleende bedrag resterende gedeelte in contanten  heeft gestort op een of meer ter beschikking staande bankrekeningen. </para>
  </parablock>
  <parablock>
    <para>Ten aanzien van de overige verklaringen van de betrokkene, dat hij financieel werd ondersteund door zijn opa en oma en door de vader van zijn ex-vriendin [betrokkene 1] , is het hof van oordeel dat een en ander door de betrokkene onvoldoende aannemelijk is gemaakt. Door de betrokkene en [betrokkene 1] zijn geen verifieerbare gegevens overgelegd op basis waarvan kan worden vastgesteld dat zij dergelijke contante bedragen hebben ontvangen. </para>
  </parablock>
  <parablock>
    <para>Het hof acht aannemelijk dat de betrokkene en [betrokkene 1] in de onderzochte periode van 1 januari 2020 tot met 22 juni 2021 in totaal een bedrag van <emphasis role="bold">€ 9.160,00</emphasis> aan contant geld ter beschikking hebben gehad voor het doen van uitgaven.</para>
  </parablock>
  <parablock>
    <para>
      <emphasis role="bold italic">Contante uitgaven inclusief bankstortingen</emphasis>
    </para>
  </parablock>
  <parablock>
    <para>Tijdens het onderzoek zijn de mutaties van de bankrekeningen op naam van de betrokkene</para>
    <para>en zijn ex-vriendin [betrokkene 1] over de periode vanaf 1 januari 2019 tot en met 22 juli 2021 opgevraagd. Daarbij zijn geen mutaties aangetroffen die te relateren zijn aan de in- of verkoop van vuurwerk. Evenmin zijn mutaties aangetroffen waaruit opgemaakt kan worden dat de betrokkene en/of [betrokkene 1] betaald heeft/hebben voor het huren van een opslaglocatie voor vuurwerk en/of het huren van een (vracht)auto voor het vervoeren van vuurwerk.<footnote-ref linkend="_510a46ee-c9d7-4f60-8d49-1f7dd2266169" /></para>
    <para>Gelet hierop is het aannemelijk dat de betrokkene het vuurwerk dat onder hem aangetroffen en in beslag is genomen, met contant geld heeft aangeschaft. Bovendien is het algemeen bekend dat de (illegale) vuurwerkhandel een contante handel is. </para>
  </parablock>
  <parablock>
    <para>Uit het onderzoek naar de bankrekeningen is gebleken van diverse contante uitgaven en bankstortingen over de periode van 1 januari 2020 tot en met 22 juni 2021.</para>
  </parablock>
  <parablock>
    <para>In het rapport berekening wederrechtelijk verkregen voordeel zijn de contante uitgaven onderverdeeld in drie groepen:</para>
  </parablock>
  <para>a. a) Bankstortingen	 					€ 17.449,16</para>
  <para>b) Aankoop van vuurwerk					€ 46.451,42</para>
  <para>c) Overige kosten in relatie tot de handel in vuurwerk 		€ 0,00</para>
  <parablock>
    <para>
      <emphasis role="bold">Totaal:								€ 63.900,58</emphasis>
    </para>
  </parablock>
  <parablock>
    <para>Het hof overweegt ten aanzien van deze berekende uitgaven als volgt.</para>
  </parablock>
  <parablock>
    <para>
      <emphasis role="italic">a) Bankstortingen</emphasis>
    </para>
  </parablock>
  <parablock>
    <para>In de periode tussen 1 januari 2020 en 22 juni 2021 is voor een totaalbedrag van € 17.449,16 aan contant geld gestort op de bankrekening van de betrokkene (€ 3.300,00) en op de bankrekening van [betrokkene 1] (€ 14.149,16).<footnote-ref linkend="_1616c19a-9d54-4d7b-a7b9-49488f2d3491" /></para>
  </parablock>
  <parablock>
    <para>Het hof acht aannemelijk dat van deze contante stortingen een gedeelte afkomstig was van de lening die de betrokkene met dhr. [betrokkene 2] heeft afgesloten, zoals door de betrokkene ter terechtzitting in hoger beroep is verklaard.  </para>
  </parablock>
  <parablock>
    <para>
      <emphasis role="italic">b) Aankoop van vuurwerk</emphasis>
    </para>
  </parablock>
  <parablock>
    <para>Uit het dossier volgt dat op diverse momenten in 2020 op verschillende plaatsen in Nederland professioneel vuurwerk, bestemd voor particulier gebruik, in beslag is genomen. Ter terechtzitting in hoger beroep heeft de betrokkene verklaard dat het vuurwerk dat in Wijk en Aalburg en in Lunteren is aangetroffen en inbeslaggenomen, van hem was en dat hij dit vuurwerk heeft aangeschaft met contante opbrengsten uit eerdere verkopen van illegaal vuurwerk.</para>
  </parablock>
  <parablock>
    <para>De verdediging heeft aangevoerd dat, omdat het bij de betrokkene in Wijk en Aalburg en in Lunteren aangetroffen vuurwerk in beslag is genomen en is vernietigd, het door de betrokkene wederrechtelijk verkregen voordeel reeds is ontnomen. De betrokkene had namelijk al de winst die hij met de verkoop van illegaal vuurwerk had verkregen, geïnvesteerd in de partijen vuurwerk die door de politie in beslag zijn genomen en zijn vernietigd, aldus de verdediging.</para>
  </parablock>
  <parablock>
    <para>Het hof stelt vast dat de verdediging met haar verweer de reikwijdte en strekking van artikel 36e, derde lid, van het Wetboek van Strafrecht miskent en een onjuiste wetsuitleg hanteert. Daarbij verwijst het hof naar vaste rechtspraak van de Hoge Raad. In zijn arrest van 8 juli 1998, ECLI:NL:HR:1998:ZD1199, is hierover het volgende overwogen:</para>
    <para>“5.2 Ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel betreft het voordeel dat door de aan de ontneming ten grondslag gelegde delicten is verworven. Daarbij doet in beginsel niet terzake welke bestemming dit voordeel heeft verkregen. Dan kan eventueel ter ontneming van dit voordeel verhaal worden gezocht op de aangeschafte voorwerpen en de opbrengst daarvan bij de ontneming worden verrekend. Indien dit voordeel is benut voor de aankoop van verdovende middelen, waarvan het ongecontroleerde bezit in strijd met de wet is, zullen die middelen, indien deze zijn in beslag genomen, in de regel voorwerp vormen van een strafrechtelijke procedure waarin de onttrekking aan het verkeer van die middelen wordt uitgesproken of zal anderszins ten ongunste van de beslagene aan dit beslag een einde komen. De veroordeelde die ervoor heeft gekozen het door hem wederrechtelijk verkregen voordeel te besteden voor de aankoop van dergelijke middelen, neemt daarmee het risico van (beslag en) onttrekking aan het verkeer daarvan. Het in het concrete geval daadwerkelijk door de veroordeelde behaalde voordeel wordt door het zich realiseren van dit risico niet verminderd.”</para>
  </parablock>
  <parablock>
    <para>Voormeld verweer van de verdediging wordt dan ook verworpen.</para>
  </parablock>
  <parablock>
    <para>Ten aanzien van het vuurwerk dat in Delft is aangetroffen en inbeslaggenomen, heeft de betrokkene verklaard dat dit niet van hem, maar van andere personen was. Net als de rechtbank acht het hof die verklaring van de betrokkene niet geloofwaardig. Op grond van de inhoud van het dossier is het hof van oordeel dat voldoende aannemelijk is geworden dat ook het vuurwerk dat in Delft is aangetroffen, door de betrokkene is aangeschaft. Daarbij acht het hof met name van belang dat medebetrokkene [medeverdachte 1] tijdens de pseudokoop – dus nog voordat hij wist dat hij met de politie te maken had – tegen de pseudokoper heeft gezegd dat er nog veel meer vuurwerk was, maar dat de pseudokoper dat verder met ' [verdachte] ' (i.e. de betrokkene) moest regelen; dat hij en medebetrokkene [medeverdachte 2] het vuurwerk enkel voor ' [verdachte] ' vervoerden: “ [verdachte] regelt alles.”<footnote-ref linkend="_5f1ec0b4-a284-4ac1-b974-f4718622e4fa" /> Daarbij heeft het hof in aanmerking genomen dat de verkoop van het vuurwerk in kwestie volledig door de betrokkene tot stand is gekomen en geregisseerd.<footnote-ref linkend="_f90625c7-3869-4f42-8f84-ea8930d65c35" /> Het hof is daarom van oordeel dat ook de in Delft aangetroffen partij vuurwerk betrokken dient te worden bij de vaststelling van het wederrechtelijk verkregen voordeel.</para>
  </parablock>
  <parablock>
    <para>Zoals hiervoor reeds is overwogen, is aannemelijk dat de betrokkene al het (onder hem) inbeslaggenomen vuurwerk met contant geld heeft aangeschaft.</para>
  </parablock>
  <parablock>
    <para>Om de aanschafwaarde van het inbeslaggenomen vuurwerk naar schatting te berekenen, heeft de politie eerst de verkoopwaarde ervan bepaald. Daarbij is gebruik gemaakt van de processen-verbaal van het Centraal Onderzoeksteam Vuurwerk (COV) en de op (de berichtenapplicatie) Telegram aangetroffen prijslijsten van de betrokkene en van medebetrokkenen [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] onder de accountnaam ‘ [accountnaam] ’.<footnote-ref linkend="_2d6798ee-c264-4545-9a62-c06b977efee2" /> Ook is nader onderzoek verricht aan het internet en aan Telegram. </para>
  </parablock>
  <parablock>
    <para>In totaal zijn 28.201 stuks vuurwerk inbeslaggenomen met een berekende waarde van € 83.696,25.<footnote-ref linkend="_995da417-f7dd-49da-ad0c-c84ab5d7d027" /> De berekende waarde is de waarde waarvoor de betrokkene (‘ [verdachte] ’) en medebetrokkenen [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] (‘ [accountnaam] ’) hun vuurwerk te koop hebben aangeboden. Deze waarde zal hoger zijn dan het bedrag waarvoor zij het vuurwerk hebben aangeschaft.</para>
    <para>Dat het vuurwerk dat in Wijk en Aalburg en in Lunteren in beslag is genomen een waarde zou hebben tussen de € 27.000,00 en € 32.000,00, zoals door de verdediging is aangevoerd, is niet nader onderbouwd en derhalve niet aannemelijk geworden.</para>
  </parablock>
  <parablock>
    <para>Voor het bepalen van de aanschafwaarde van het inbeslaggenomen vuurwerk heeft de politie gebruik gemaakt van de notitie ‘Afpakken in vuurwerkzaken’<footnote-ref linkend="_616b169c-8cc1-4904-a014-4b4b611b55d5" /> van het Functioneel Parket, uitgekomen in het najaar van 2016, waarin vermeld is dat in 2016 over de verkopen van illegaal vuurwerk een gemiddelde winstmarge van 55% als aannemelijk wordt beschouwd. Ook is gebruik gemaakt van een vonnis van 1 mei 2019, waarin een gemiddelde winstmarge is toegepast van 34%.<footnote-ref linkend="_c0560e3e-d279-4dda-8fcf-89b5ac3d7b4b" /> Omdat de gemiddelde winstmarge over de verkopen van illegaal vuurwerk in de loop van de jaren is gedaald, zo stelt de politie, is bij de berekening in het voordeel van de betrokkene uitgegaan van een percentage van 44.5%</para>
    <para>((55% + 34%) / 2).<footnote-ref linkend="_2d6bd905-4b0d-47a9-afdc-74ae6124a539" /> Het percentage inkoopkosten ten opzichte van de winst is derhalve 55,5%.</para>
  </parablock>
  <parablock>
    <para>Net als de rechtbank, acht het hof de wijze waarop het winstpercentage is berekend en de onderbouwing die daaraan ten grondslag ligt realistisch. Ter terechtzitting in hoger beroep heeft de betrokkene geen duidelijkheid verschaft over de opbrengsten die hij daadwerkelijk met de verkoop van illegaal vuurwerk heeft verdiend. Hij verklaarde dat hij telkens zo’n 20 tot 30% winst pakte op zijn verkopen, maar dat hier verder geen idee of plan achter zat. Deze stelling is door de verdediging evenwel geenszins onderbouwd of aannemelijk gemaakt. Het hof ziet daarin dan ook geen grond om een ander winstpercentage te hanteren dan het door de politie vastgestelde en in het rapport berekening wederrechtelijk verkregen voordeel neergelegde percentage van 44,5%.</para>
  </parablock>
  <parablock>
    <para>Op grond van de hiervoor genoemde percentages is de totale inkoopprijs van het inbeslaggenomen vuurwerk als volgt berekend: 55,5% x € 83.696,25 = € 46.451,42.</para>
  </parablock>
  <parablock>
    <para>
      <emphasis role="italic">c) Overige kosten in relatie tot de handel in vuurwerk</emphasis>
    </para>
  </parablock>
  <parablock>
    <para>Bij de berekening van het wederrechtelijk verkregen voordeel zal door het hof in het voordeel van de betrokkene geen rekening houden met andere ten laste van de  betrokkene komende kosten in relatie tot de handel in vuurwerk nu daarvan noch uit de resultaten van het opsporingsonderzoek noch uit het verhandelde ter terechtzitting is gebleken.</para>
  </parablock>
  <parablock>
    <para>De totale contante uitgaven inclusief niet verklaarbare bankstortingen komen daarmee uit op een bedrag van € 17.449,16 (bankstortingen) + € 46.451,42 = € 63.900,58.</para>
  </parablock>
  <parablock>
    <para>
      <emphasis role="bold italic">Resumé</emphasis>
    </para>
  </parablock>
  <parablock>
    <para>Gelet op het vorenstaande, zal het hof het geschatte, door de betrokkene wederrechtelijk verkregen voordeel vaststellen op een (afgerond) bedrag van <emphasis role="bold">€ 54.740,00</emphasis>.</para>
  </parablock>
  <parablock>
    <para>Beginsaldo								€ 0	</para>
    <para>+ Legale contante inkomsten (inclusief bankopnamen)		 	€ 9.160,00</para>
    <para>
      <emphasis role="underline">-/- Eindsaldo kas				 	     	</emphasis>	€ 0 </para>
    <para>
      <emphasis role="bold">Totaal beschikbaar voor het doen van contante uitgaven		€ 9.160,00</emphasis>
    </para>
  </parablock>
  <parablock>
    <para>Contante uitgaven (inclusief bankstortingen)				€ 63.900,58</para>
    <para>
      <emphasis role="underline">+ Overige contante uitgaven					</emphasis>	€ 0</para>
    <para>
      <emphasis role="bold">Totale contante uitgaven						€ 63.900,58</emphasis>
    </para>
  </parablock>
  <parablock>
    <para>Totale contante uitgaven						€ 63.900,58</para>
    <para>-/- Totaal beschikbaar voor het doen van contante uitgaven		€   9.160,00</para>
  </parablock>
  <section>
    <title>Onverklaarbare uitgaven€ 54.740,58</title>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="underline">Op te leggen betalingsverplichting</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het hof zal aan de betrokkene de verplichting opleggen tot betaling van het hiervoor genoemde bedrag aan de Staat ter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="underline">Gijzeling</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Met ingang van 1 januari 2020 heeft het elfde lid van artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht kracht van wet gekregen. Het hof zal daarom bij het opleggen van de ontnemingsmaatregel tevens de duur van de gijzeling bepalen die met toepassing van artikel 6:6:25 van het Wetboek van Strafvordering in de onderhavige zaak ten hoogste kan worden gevorderd indien volledig verhaal niet mogelijk blijkt.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het hof hanteert, overeenkomstig de binnen de zittende magistratuur ontwikkelde uitgangspunten, bij de berekening van de duur van deze gijzeling voor elke volle € 50,00 van de betalingsverplichting één dag. De maximale duur van de gijzeling bedraagt ingevolge artikel 36e, elfde lid, van het Wetboek van Strafrecht drie jaren.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Gelet op de hoogte van de op te leggen betalingsverplichting zal het hof mitsdien de duur van de gijzeling die ten hoogste kan worden gevorderd hierna bepalen op 1080 dagen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="underline">Toepasselijk wettelijk voorschrift</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De beslissing is gegrond op artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht, zoals dit ten tijde van het bewezenverklaarde rechtens gold dan wel ten tijde van het wijzen van dit arrest rechtens geldt.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>BESLISSING</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het hof:</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>stelt het bedrag waarop het door de betrokkene wederrechtelijk verkregen voordeel wordt geschat vast op een bedrag van <emphasis role="bold">€ 54.740,00 (vierenvijftigduizend zevenhonderdveertig euro)</emphasis>;</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>legt de betrokkene de verplichting op tot <emphasis role="bold">betaling aan de Staat</emphasis> ter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel van een bedrag van <emphasis role="bold">€ 54.740,00 (vierenvijftigduizend zevenhonderdveertig euro)</emphasis>;</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>bepaalt de duur van de gijzeling die ten hoogste kan worden gevorderd op 1080 dagen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Aldus gewezen door:</para>
      <para>mr. W.F. Koolen, voorzitter,</para>
      <para>mr. A.R. Hartmann en mr. T. van de Woestijne, raadsheren,</para>
      <para>in tegenwoordigheid van mr. S. Kerssies, griffier,</para>
      <para>en op 2 mei 2025 ter openbare terechtzitting uitgesproken.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Mr. T. van de Woestijne is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.</para>
    </parablock>
  </section>
  <footnote id="_d32d55b9-ad4b-441f-941c-6eac2c9f8ff4" label="1">
    <para> Tenzij anders vermeld wordt hierna verwezen naar pagina’s van het dossier van de politie-eenheid Zeeland-West-Brabant, Dienst Regionale Recherche, registratienummer PL2000-2021029921, gesloten d.d. 26 juli 2021, opgemaakt door verbalisant [verbalisant] , brigadier van politie (doorgenummerde pagina’s 1 tot en met 2717). Alle tot het bewijs gebezigde processen-verbaal zijn, voor zover niet anders vermeld, in de wettelijke vorm opgemaakt door daartoe bevoegde verbalisanten en alle verklaringen zijn, voor zover nodig, zakelijk weergegeven.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_8fec9126-1fc5-472e-9ef4-5878ff26c275" label="2">
    <para> Pagina 2101.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_5beb6997-60e1-4273-b3db-940aedf36fe1" label="3">
    <para> Pagina 2106.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_2c25c124-0c7c-495a-8f1e-2895552c3db8" label="4">
    <para> Pagina’s 2094-2112.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_6cc32ca6-0e6b-4770-8a63-50d0a91638f1" label="5">
    <para> Pagina 2103.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_8a92e907-9cff-4417-b9ad-1497d0586e15" label="6">
    <para> Zie Bijlage I van de ter terechtzitting in eerste aanleg aan de rechtbank overgelegde en in het dossier gevoegde pleitnota van de verdediging.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_510a46ee-c9d7-4f60-8d49-1f7dd2266169" label="7">
    <para> Bronnen: DOC-062, pagina’s 1306-1332, DOC-104, pagina 2709, DOC-063, pagina 1333, DOC-091, pagina’s 1616-1655, DOC-105, pagina’s 2710-2713, en de processen-verbaal nr. 75, pagina’s 2205-2214, nr. 150, pagina’s 2310-2317, nr. 166, pagina’s 2319-2320, nr. 187, pagina’s 2358-2362.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_1616c19a-9d54-4d7b-a7b9-49488f2d3491" label="8">
    <para> DOC-105, pagina’s 2710-2713.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_5f1ec0b4-a284-4ac1-b974-f4718622e4fa" label="9">
    <para> Bronnen: Het proces-verbaal nr. 2020TL.ZWB20.103, pagina’s 350-352, het proces-verbaal nr. 109, pagina’s 1012-1014 en de verklaring van de betrokkene ter terechtzitting in eerste aanleg.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_f90625c7-3869-4f42-8f84-ea8930d65c35" label="10">
    <para> Idem.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_2d6798ee-c264-4545-9a62-c06b977efee2" label="11">
    <para> Bronnen: DOC-005, pagina’s 425-446, DOC-006, pagina’s 447-544, DOC-038, pagina’s 863-923, DOC-065, pagina’s 1339-1351, DOC-070, pagina’s 1339-1440, DOC-098, pagina’s 2671-2682 en DOC-100, pagina’s 2683-2697.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_995da417-f7dd-49da-ad0c-c84ab5d7d027" label="12">
    <para> Bronnen: Het proces-verbaal nr. 177, pagina’s 2341-2348 en DOC-103, pagina 2708.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_616b169c-8cc1-4904-a014-4b4b611b55d5" label="13">
    <para> Zie DOC-106, pagina 2714- 2717.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_c0560e3e-d279-4dda-8fcf-89b5ac3d7b4b" label="14">
    <para> In de zaak met parketnummer 20-001459-17.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_2d6bd905-4b0d-47a9-afdc-74ae6124a539" label="15">
    <para> Pagina 2105.a</para>
  </footnote>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>