<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:GHSHE:2025:1184</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2025-09-16T14:55:35</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2025-04-23</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Gerechtshof_'s-Hertogenbosch" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Gerechtshof 's-Hertogenbosch</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2025-04-16</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">20-001677-24</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#hogerBeroep">Hoger beroep</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">'s-Hertogenbosch</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#strafrecht">Strafrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHSHE:2025:1184">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHSHE:2025:1184</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2025-07-30T09:00:50</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2025-07-30</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:GHSHE:2025:1184 Gerechtshof 's-Hertogenbosch , 16-04-2025 / 20-001677-24</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:GHSHE:2025:1184:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Diefstal, gevolgd van geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:GHSHE:2025:1184:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <para>Parketnummer	: 20-001677-24 </para>
  <para>Uitspraak	: 16 april 2025</para>
  <parablock>
    <para>TEGENSPRAAK</para>
  </parablock>
  <section>
    <title>Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof</title>
    <bridgehead role="bold">'s-Hertogenbosch</bridgehead>
    <para />
    <parablock>
      <para>gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Limburg, zittingsplaats Maastricht, van 12 juni 2024, in de strafzaak met parketnummer 03-169639-24 tegen: </para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>
      [verdachte] ,</title>
    <parablock>
      <para>geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1985,</para>
      <para>thans uit anderen hoofde verblijvende in P.I. Sittard te Sittard.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="underline">Hoger beroep</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bij vonnis waarvan beroep heeft de politierechter de verdachte vrijgesproken van hetgeen onder feit 2 is tenlastegelegd. De politierechter heeft het onder feit 1 en onder feit 3 tenlastegelegde bewezenverklaarde, dat gekwalificeerd als</para>
    </parablock>
    <itemizedlist mark="-">
      <listitem>
        <para>‘diefstal, gevolgd van geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren’ (feit 1) en </para>
      </listitem>
      <listitem>
        <para>‘diefstal’ (feit 3),</para>
      </listitem>
    </itemizedlist>
    <para>de verdachte deswege strafbaar verklaard en hem veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 4 maanden met aftrek overeenkomstig artikel 27 van het Wetboek van Strafrecht. </para>
    <para />
    <parablock>
      <para>De politierechter heeft de vordering van de benadeelde partij [benadeelde 1] , die betrekking heeft op feit 1, geheel toegewezen tot een bedrag van € 657,17 bestaande uit € 107,17 aan materiële schade en € 550,00 aan immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 15 februari 2024 tot aan de dag der algehele voldoening en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel ex artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht. </para>
      <para>De vordering van de benadeelde partij [benadeelde 2] , die betrekking heeft op feit 3, is toegewezen tot een bedrag van € 3.762,44 aan materiële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 9 april 2024 tot aan de dag der algehele voldoening en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel ex artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht. De benadeelde partij is voor het overige niet-ontvankelijk verklaard in de vordering. </para>
      <para>Tenslotte heeft de politierechter een beslissing genomen omtrent de proceskosten.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Namens de verdachte is tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="underline">Onderzoek van de zaak</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep en in eerste aanleg.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof de verdachte niet-ontvankelijk zal verklaren in het namens hem ingestelde hoger beroep voor zover dit ziet op feit 2. Daarnaast heeft de advocaat-generaal gevorderd dat het hof het vonnis waarvan beroep – voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen – zal bevestigen, met uitzondering van de opgelegde straf, en dat het hof, in zoverre opnieuw rechtdoende, de verdachte zal veroordelen tot een gevangenisstraf voor de duur van 7 maanden met aftrek van voorarrest.</para>
      <para>Met betrekking tot de vorderingen van de benadeelde partijen heeft de advocaat-generaal zich op het standpunt gesteld dat het hof overeenkomstig de politierechter dient te beslissen. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De verdediging heeft vrijspraak bepleit van hetgeen aan de verdachte onder feit 1 is tenlastegelegd. Subsidiair is verzocht om de door de politierechter opgelegde straf aan de verdachte op te leggen. </para>
      <para>De verdediging heeft zich met betrekking tot de vordering van de benadeelde partij [benadeelde 1] op het standpunt gesteld dat deze niet kan worden toegewezen (het hof begrijpt: in verband met de bepleite vrijspraak van feit 1). De verdediging heeft zich, subsidiair, ten aanzien van de immateriële schade gerefereerd aan het oordeel van het hof en zich ten aanzien van de materiële schade op het standpunt gesteld dat de vordering voor zover deze ziet op de post ‘verlies van arbeidsvermogen’, dient te worden afgewezen. </para>
      <para>Ten aanzien van de vordering van de benadeelde partij [benadeelde 2] heeft de verdediging zich op het standpunt gesteld dat de vordering voor zover deze ziet op de posten ‘Apple Iphone laders’ en ‘Kentekenbewijs’, niet kan worden toegewezen. </para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="underline">Ontvankelijkheid van het hoger beroep</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De verdachte is door de politierechter in de rechtbank Limburg vrijgesproken van hetgeen aan hem onder feit 2 is tenlastegelegd. Het hoger beroep is door de verdachte onbeperkt ingesteld en is derhalve mede gericht tegen de in eerste aanleg gegeven beslissing tot vrijspraak. Gelet op hetgeen is bepaald in artikel 404, vijfde lid, van het Wetboek van Strafvordering staat voor de verdachte tegen deze beslissing geen hoger beroep open. Het hof zal de verdachte mitsdien niet-ontvankelijk verklaren in het ingestelde hoger beroep, voor zover dat is gericht tegen de in het vonnis waarvan beroep gegeven vrijspraak. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Al hetgeen hierna wordt overwogen en beslist heeft uitsluitend betrekking op dat gedeelte van het beroepen vonnis dat aan het oordeel van het hof is onderworpen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="underline">Vonnis waarvan beroep</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het hof verenigt zich met het vonnis waarvan beroep – voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen – met aanvulling van de bewijsoverwegingen met betrekking tot feit 1 en met aanvulling van de toepasselijke wetsartikelen. </para>
      <para>In het geval tegen dit verkorte arrest beroep in cassatie wordt ingesteld, worden de door het hof gebruikte bewijsmiddelen die redengevend zijn voor de bewezenverklaring opgenomen in een aanvulling op het arrest. Deze aanvulling wordt dan aan dit arrest gehecht.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="underline">Aanvulling van de bewijsoverwegingen (feit 1)</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het hof is van oordeel dat de bewijsmotivering van de politierechter voor zover deze betrekking heeft op feit 1, mede gelet op hetgeen in hoger beroep aan de orde is gekomen, dient te worden aangevuld met de navolgende overwegingen.  </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De verdediging heeft bepleit dat de verdachte zal worden vrijgesproken van hetgeen aan de verdachte onder feit 1 is tenlastegelegd. Daartoe is, kort gezegd, aangevoerd dat de herkenning door aangeefster [benadeelde 1] niet kan worden gebezigd voor het bewijs, nu uit het dossier niet blijkt welke foto(’s) aan aangeefster [benadeelde 1] is/zijn getoond, waarmee ook niet duidelijk is op basis van welke foto(’s) zij de verdachte heeft herkend. Daarbij komt dat bij de tweede herkenning (als getuige ter terechtzitting in eerste aanleg) sprake is geweest van een ‘confirmation bias’, omdat de verdachte al een foto had gezien van de verdachte. Ook was er mogelijk sprake van een psychologisch effect, nu zij op basis van de uitlatingen van de politierechter in de veronderstelling heeft kunnen verkeren dat de verdachte van het tenlastegelegde feit zou worden vrijgesproken als zij niet zou verklaren dat zij hem ter terechtzitting herkende. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het hof overweegt als volgt.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het hof stelt op basis van het dossier vast dat [benadeelde 1] (p. 9 van het dossier) in haar aangifte heeft verklaard dat de filiaalmanager haar foto’s liet zien van personen die eerdere diefstallen hebben gepleegd. Deze foto’s stonden in een groepsapp van winkelondernemers in de binnenstad. Op een van die foto’s zag zij de man die zojuist de diefstal met geweld had gepleegd. Zij hoorde toen haar filiaalmanager zeggen dat dit [verdachte] betrof. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De filiaalmanager heeft verklaard (p. 14 van het dossier) dat zij al heel vaak met de verdachte van doen heeft gehad. Hij is een begrip en iedereen kent hem. Ze had hem die week al gezien bij het [filiaal] . Zij heeft verklaard dat zij aan aangeefster een foto liet zien van verdachte en haar vroeg of dit de man was die haar mishandeld had. Ze hoorde dat aangeefster zei dat dit de man was die haar mishandeld had. Vervolgens liet de aangeefster nog een foto van verdachte zien, waarop aangeefster nogmaals zei dat dit de man was die haar net mishandeld had. De volgende dag heeft de filiaalmanager naar de camerabeelden gekeken en daarop de verdachte herkend.</para>
      <para>In het proces-verbaal van bevindingen (p. 18 van het dossier) is door verbalisant [verbalisant 1] naar de beelden gekeken. De camerabeelden waren in kleur en goed van kwaliteit. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>In het proces-verbaal van bevindingen van de verbalisanten [verbalisant 2] en [verbalisant 3] (p. 21 van het dossier) is gerelateerd dat de foto van de camerabeelden d.d. 15 februari 2024 door hen is bekeken en dat zij zagen dat de schoenen van de verdachte en een gedeelte van het goudkleurige logo afgebeeld op de trui overeenkwamen met het signalement van de verdachte. Tevens zagen zij dat de huidskleur en het baardje overeenkwamen met het signalement van de verdachte. Op de trui stond de goudkleurige tekst Balenciaga. De verbalisanten relateren dat op een foto gekoppeld aan zaakregistratienummer [nummer]  van de verdachte te zien is dat op de trui van de verdachte de goudkleurige tekst Balenciaga stond.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Ter terechtzitting in eerste aanleg heeft aangeefster verklaard de daar toen aanwezige verdachte te herkennen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Op basis van bovengenoemde feiten en omstandigheden in onderlinge samenhang beschouwd is het hof van oordeel dat de herkenning door aangeefster betrouwbaar is en voor het bewijs kan worden gebezigd.</para>
      <para>Aan aangeefster zijn  meerdere foto’s getoond. Pas nadat zij op één van deze foto’s de man zag die de diefstal met geweld had gepleegd, hoorde zij de naam van de betreffende persoon op de foto van haar filiaalmanager. De aangifte is op 15 februari 2024 om 20.23 uur opgenomen door de politie en de diefstal heeft zeer kort daarvoor, omstreeks 20.00 uur, plaatsgevonden. De herkenning wordt bevestigd door de herkenning van de verdachte op de camerabeelden door de filiaalmanager. Voorts heeft de politie een vergelijking gemaakt van de foto van deze camerabeelden met de foto’s van verdachte in een andere zaak, waarbij door de verbalisanten is gerelateerd dat de foto voldoet aan het signalement van de verdachte en hij een trui met dezelfde tekst draagt. Er is niet gebleken van contra-indicaties.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het hof verwerpt het verweer in al zijn onderdelen en komt tot een bewezenverklaring van de tenlastegelegde gekwalificeerde diefstal. </para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="underline">Aanvulling van de toepasselijke wettelijke voorschriften</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het hof vult de toepasselijke wettelijke voorschriften waarop de beslissing is gegrond aan met artikel 63 van het Wetboek van Strafrecht. </para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>BESLISSING</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het hof:</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Verklaart de verdachte niet-ontvankelijk in het hoger beroep, voor zover gericht tegen de beslissing ter zake van het onder 2 tenlastegelegde.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bevestigt het vonnis waarvan beroep, voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen en met inachtneming van het hiervoor overwogene.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Aldus gewezen door:</para>
      <para>mr. W.E.C.A. Valkenburg, voorzitter,</para>
      <para>mr. J. Platschorre en mr. Y. van Setten, raadsheren,</para>
      <para>in tegenwoordigheid van mr. A.M.M.F. van de Ven, griffier,</para>
      <para>en op 16 april 2025 ter openbare terechtzitting uitgesproken.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>mr. Y. van Setten is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen. </para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>