<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:GHSHE:2025:1054</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2025-07-15T15:24:15</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2025-04-15</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Gerechtshof_'s-Hertogenbosch" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Gerechtshof 's-Hertogenbosch</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2025-04-15</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">200.349.261_01</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#hogerBeroep">Hoger beroep</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">'s-Hertogenbosch</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#civielRecht_burgerlijkProcesrecht">Civiel recht; Burgerlijk procesrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:references rdfs:label="Wetsverwijzing" bwb:resourceIdentifier="jci1.31:c:BWBR0001827&amp;artikel=337&amp;g=2005-10-15">Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (geldt in geval van digitaal procederen) 337</dcterms:references>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHSHE:2025:1054">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHSHE:2025:1054</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2025-07-15T15:18:33</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2025-07-15</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:GHSHE:2025:1054 Gerechtshof 's-Hertogenbosch , 15-04-2025 / 200.349.261_01</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:GHSHE:2025:1054:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>niet-ontvankelijk, geen hoger beroep van een tussenvonnis want geen toestemming verkregen of 337 lid 1 Rv van toepassing</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:GHSHE:2025:1054:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <uitspraak.info>
    <bridgehead role="bold">GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH</bridgehead>
    <para>Team Handelsrecht</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>zaaknummer 200.349.261/01</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">arrest van 15 april 2025</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>in de zaak van </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">
          [XX] Insurance Group</emphasis>, (rechtsopvolger van [bedrijf A] )</para>
      <para>statutair gevestigd te [vestigingsplaats] , </para>
      <para>appellante, </para>
      <para>hierna te noemen [appellante] ,</para>
      <para>advocaat: mr. M.P. Lewandowski te Schiphol-Rijk, gemeente Haarlemmermeer,</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>tegen</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">
          [YY] ,</emphasis>
      </para>
      <para>statutair gevestigd en kantoorhoudende te [vestigingsplaats] ,</para>
      <para>geïntimeerde, </para>
      <para>hierna te noemen [YY] ,</para>
      <para>advocaat: mr. I.M.C.A. Reinders Folmer te Amsterdam.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>als vervolg op de door de rolraadsheer gewezen rolbeslissing van 31 december 2024 in het hoger beroep van het door de rechtbank Limburg, zittingsplaats Roermond, onder zaaknummer C/03/333573 / HA ZA 24-352 gewezen vonnis van 16 oktober 2024.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </uitspraak.info>
  <section>
    <title>
      <nr>1</nr>Het verloop van de procedure</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het verloop van de procedure blijkt uit:</para>
    </parablock>
    <itemizedlist mark="-">
      <listitem>
        <para>de appeldagvaarding van 16 november 2024;</para>
      </listitem>
      <listitem>
        <para>het herstelexploot van 9 december 2024;</para>
      </listitem>
      <listitem>
        <para>de rolbeslissing van 31 december 2024;</para>
      </listitem>
      <listitem>
        <para>de akte uitlaten ontvankelijkheid hoger beroep van de zijde van [XX] ;</para>
      </listitem>
      <listitem>
        <para>de antwoordakte na rolbeslissing van de zijde van [YY] .</para>
      </listitem>
    </itemizedlist>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het hof heeft daarna een datum voor arrest bepaald.</para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section role="overwegingen">
    <title>
      <nr>2</nr>De beoordeling</title>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>2.1.</nr>
      <parablock>
        <para>Bij genoemde rolbeslissing heeft de rolraadsheer overwogen dat het vonnis waarvan beroep een tussenvonnis is, omdat daaruit niet blijkt dat de rechtbank door een uitdrukkelijk dictum omtrent enig deel van het gevorderde reeds een einde aan het geding heeft gemaakt.</para>
        <para>Alhoewel de rechtbank het verzoek in eerste aanleg wel heeft gekwalificeerd als een provisionele eis, heeft de rolraadsheer overwogen dat het in feite gaat om een verzoek tot schorsing van de uitvoerbaarheid bij voorraad. De rolraadsheer heeft verwezen naar rechtsoverweging 3.2. van het arrest van de Hoge Raad van 23 april 2021 (ECLI:NL:HR:2021:644). In dat arrest heeft de Hoge Raad, onder meer, overwogen dat: <emphasis role="italic">“(…) Hoewel de op de vorderingen als bedoeld in de art. 234, 235 en 351 Rv te geven beslissingen naar hun aard ten hoogste gelden voor de duur van het geding en aldus zijn aan te merken als van voorlopige aard, zijn deze geen voorlopige voorziening (of weigering om die te geven) als bedoeld in de art. 223 en 401a lid 1 Rv. Zij betreffen immers slechts een modaliteit van de uitgesproken veroordeling. Van die beslissingen staat derhalve geen tussentijds cassatieberoep open op de voet van art. 401a lid 1 Rv.”</emphasis> Partijen mochten desgewenst bij aktes hierop reageren.</para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.2.</nr>
      <para>
        [XX] stelt in haar akte dat de incidentele vordering in eerste aanleg een voorlopige voorziening betrof voor de duur van het geschil in eerste instantie. De rechtbank heeft die vordering in het vonnis ook expliciet gekwalificeerd als een provisionele vordering ex artikel 223 Rv. Deze incidentele vordering van [XX] is afgewezen en zij is in de proceskosten veroordeeld. Omdat de rechtbank ook in de hoofdzaak een beslissing neemt, is sprake van een gemengd vonnis. [XX] heeft dit hoger beroep uitsluitend ingesteld tegen de afwijzing van de verzochte voorlopige voorziening. Anders dan in bovengenoemd arrest gaat het volgens [XX] om een andere rechtsvraag. In deze zaak ziet het incident op een schorsing van de tenuitvoerlegging van een verstekvonnis waartegen verzet is ingesteld. Ook spelen internationale betekeningsperikelen en de invloed daarvan op de positie van buitenlandse gedaagde een rol. [XX] verzoekt het hof gelet op het vorenstaande haar appel ontvankelijk te verklaren. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.3.</nr>
      <para>
        [YY] voert daartegen aan dat tegen de beslissing van de rechtbank geen tussentijds hoger beroep openstaat. Volgens [YY] is het bestreden (deel van het) vonnis van de rechtbank een zuiver tussenvonnis en betreft het geen voorlopige voorziening in de zin van artikel 223 Rv. Als het incident ziet op de voortgang of instructie van de zaak dan is er volgens [YY] geen sprake van een voorlopige voorziening. Voorts is niet voldaan aan het vereiste dat de voorlopige voorziening samenhangt met de hoofdvordering. Het gaat namelijk om een beslissing in incident (in de verzetprocedure) tot schorsing van de tenuitvoerlegging van het verstekvonnis. Die vordering staat los van de hoofdvordering. [YY] verzoekt het hof [XX] dan ook niet-ontvankelijk te verklaren in het hoger beroep, uitvoerbaar bij voorraad, met veroordeling van [XX] in de kosten van het hoger beroep. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.4.</nr>
      <para>Het hof overweegt als volgt. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.5.</nr>
      <parablock>
        <para>Er is sprake van een eerder verstekvonnis dat uitvoerbaar bij voorraad is verklaard. De daarop aanhangig gemaakte verzetprocedure schorst de tenuitvoerlegging van dat vonnis niet. Dat is wel wat [XX] met haar incidentele vordering in eerste aanleg beoogde. De rechtbank heeft in het bestreden vonnis in rechtsoverweging 4.2. onder meer overwogen dat, nu artikel 351 Rv niet geldt in een verzetprocedure, in de wet een uitdrukkelijke bepaling ontbreekt op grond waarvan de rechtbank bevoegd zou zijn de schorsende werking van het verzet te herstellen. Daarom heeft de rechtbank de vordering van [XX] als een ordemaatregel gekwalificeerd. De rechtbank heeft overwogen dat de incidentele vordering wordt beoordeeld als ware het een executiegeschil. </para>
        <para>Die uitleg laat naar het oordeel van het hof onverlet dat de vordering in feite is beoordeeld aan de hand van de maatstaf van artikel 234 Rv. Er is namelijk geen sprake van een voorlopige voorziening als bedoeld in artikel 223 Rv. Het betreft een beslissing die behoort tot de categorie ‘voortgang of instructie van de zaak’. Het hof overweegt dat onder die categorie ook wordt verstaan een vordering die strekt tot schorsing van de tenuitvoerlegging van een vonnis als hier aan de orde. Een dergelijke vordering betreft immers slechts een modaliteit van de uitgesproken veroordeling. De rechtbank heeft hiermee niets definitiefs beslist over de hoofdvordering, ook niet ten dele. </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.6.</nr>
      <para>Uitgangspunt in deze zaak is dan ook dat het hier gaat om een ingesteld hoger beroep tegen een tussenvonnis nu niet in het dictum een einde is gemaakt aan enig deel van het in de hoofdzaak gevorderde. Dat betekent dat nu het hoger beroep zich richt tegen een zuiver tussenvonnis en niet is gebleken dat de rechtbank in het vonnis of bij afzonderlijke beslissing anders heeft bepaald en het niet gaat om een geval waarin artikel 337 lid 1 Rv van toepassing is, hoger beroep thans niet ontvankelijk is. Dat leidt ertoe dat [XX] in haar hoger beroep niet-ontvankelijk zal worden verklaard. Het hof zal [XX] , nu zij in het ongelijk wordt gesteld, veroordelen in de proceskosten zoals hierna bepaald. </para>
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>3</nr>De uitspraak</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het hof:</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>verklaart [XX] niet-ontvankelijk in het door haar ingestelde hoger beroep;</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>veroordeelt [XX] in de kosten van deze procedure, aan de zijde van [YY] tot aan deze uitspraak begroot op € 798,00 aan griffierecht en op € 607,00 aan salaris advocaat (½ punt liquidatietarief II);</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>verklaart dit arrest voor zover het de hierin vermelde proceskostenveroordeling betreft uitvoerbaar bij voorraad.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Dit arrest is gewezen door mrs. S.M.A.M. Venhuizen, E.H. Schulten en J.M.H. Schoenmakers en in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op 15 april 2025.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>	griffier					rolraadsheer</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </section>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>