<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:GHSHE:2025:1049</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2025-07-15T11:27:45</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2025-04-15</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Gerechtshof_'s-Hertogenbosch" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Gerechtshof 's-Hertogenbosch</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2025-04-15</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">200.324.004_01</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#hogerBeroep">Hoger beroep</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">'s-Hertogenbosch</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#civielRecht_arbeidsrecht">Civiel recht; Arbeidsrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:relation rdfs:label="Formele relatie" ecli:resourceIdentifier="ECLI:NL:GHSHE:2024:3223" psi:type="http://psi.rechtspraak.nl/Herstel" psi:aanleg="http://psi.rechtspraak.nl/eerdereAanleg">Herstelarrest: ECLI:NL:GHSHE:2024:3223</dcterms:relation>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHSHE:2025:1049">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHSHE:2025:1049</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2025-07-15T11:20:35</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2025-07-15</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:GHSHE:2025:1049 Gerechtshof 's-Hertogenbosch , 15-04-2025 / 200.324.004_01</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:GHSHE:2025:1049:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Consumentenrecht. Gevorderde boete bij koop van een woning toewijsbaar.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:GHSHE:2025:1049:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <uitspraak.info>
    <bridgehead role="bold">GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH  </bridgehead>
    <para>Team Handelsrecht</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>zaaknummer 200.324.004/01</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">arrest van 15 april 2025</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>in de zaak van </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">
          [appellant]
        </emphasis>,</para>
      <para>thans wonende te [woonplaats] ,</para>
      <para>appellant,</para>
      <para>in eerste aanleg gedaagde in conventie, eiser in reconventie,</para>
      <para>hierna aan te duiden als: [appellant] ,</para>
      <para>advocaat: mr. P.J.M. Boomaars,</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>tegen </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid</para>
      <para>
        <emphasis role="bold">
          [XX] Development B.V.</emphasis>,</para>
      <para>gevestigd te [vestigingsplaats] , </para>
      <para>geïntimeerde,</para>
      <para>in eerste aanleg eiseres in conventie, verweerster in reconventie,</para>
      <para>hierna aan te duiden als: [XX] ,</para>
      <para>advocaat: mr. R. Bisschop,</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>als vervolg op het door het hof gewezen tussenarrest van 15 oktober 2024, waarbij partijen in de gelegenheid zijn gesteld zich uit te laten over de bevoegdheid van de Nederlandse rechter, aangezien [appellant] ten tijde van het sluiten van de overeenkomst en het uitbrengen van de inleidende dagvaarding in eerste aanleg in België woonde.</para>
    </parablock>
    <bridgehead role="bold">1.	2.	3.	4.	5.	6.	7.	</bridgehead>
    <bridgehead role="bold">8.	Het verdere verloop van de procedure</bridgehead>
    <para />
    <parablock>
      <para>8.1.	Het verdere verloop van de procedure blijkt uit:</para>
    </parablock>
    <itemizedlist mark="-">
      <listitem>
        <para>de aktes van 10 december 2024 van beide partijen,</para>
      </listitem>
      <listitem>
        <para>de antwoordaktes van 21 januari 2024 van beide partijen.</para>
      </listitem>
    </itemizedlist>
    <para />
    <parablock>
      <para>8.2.	Vervolgens hebben partijen de stukken voor het wijzen van arrest aan het hof overgelegd en heeft het hof arrest bepaald.</para>
    </parablock>
    <para />
    <bridgehead role="bold">9 De verdere beoordeling van de bevoegdheid van de Nederlandse rechter</bridgehead>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>9.1.</nr>
      <para>In haar akte stelt [XX] dat zij geen commerciële of beroepsactiviteiten ontplooit in België en dergelijke activiteiten ook niet richt op België. [appellant] betwist dat niet voldoende gemotiveerd. Dat hij in België verbleef op het moment dat hij kennis nam van de verkoop van woningen, is daarvoor niet voldoende. [appellant] legt immers niet uit op welke wijze hij kennis heeft genomen van de verkoop van de woningen en voert dus ook niet aan dat die kennisname het gevolg is geweest van een op België gerichte activiteit van [XX] .</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>9.2.</nr>
      <para>Daarmee staat (in deze procedure) vast dat [XX] geen commerciële of beroepsactiviteiten ontplooit in België en dergelijke activiteiten ook niet richt op België. Er is dus geen sprake van een consumentenovereenkomst in de zin van artikel 17 van de Verordening (EU) nr. 1215/2012 van het Europees Parlement en de Raad van 12 december 2012 betreffende de rechterlijke bevoegdheid, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken (herschikking) (hierna: de Verordening). Zoals het hof in het tussenarrest al overwoog, is in dat geval het forumkeuzebeding geldig. De Nederlandse rechter is dus bevoegd om kennis te nemen van het geschil in conventie en in reconventie.</para>
      <para />
    </paragroup>
  </uitspraak.info>
  <section>
    <title>
      <nr>10</nr>De feiten</title>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>10.1.</nr>
      <para>Door de rechtbank zijn in het bestreden eindvonnis de feiten vastgesteld. Daartegen is geen grief gericht, zodat in hoger beroep tussen partijen die feiten vast staan.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>10.2.</nr>
      <para>
        [XX] is een dochteronderneming en projectvennootschap van de besloten vennootschap [YY] Development B.V. (“ [YY] ”). [YY] houdt zich bezig met het ontwikkelen van zowel residentieel als commercieel vastgoed.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>10.3.</nr>
      <para>Tussen [XX] als verkoper en [appellant] als koper is op 5 november 2021 een koopovereenkomst tot stand gekomen ter zake een nog te realiseren appartement op de vierde en vijfde etage gelegen aan [adres A] , inclusief twee buitenruimten, een berging en een parkeerplaats in de bijbehorende parkeergarage (“het verkochte”). De overeengekomen koopsom bedraagt € 379.393,26 vrij op naam.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>10.4.</nr>
      <parablock>
        <para>De koopovereenkomst bevat, voor zover van belang voor de beoordeling, de volgende bepalingen:</para>
        <para>“<emphasis role="italic">4 Belastingen en kosten</emphasis></para>
      </parablock>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.1.</nr>
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">De wettelijk verschuldigde overdrachtsbelasting maakt deel uit van de Koopsom en zal door Verkoper namens en voor rekening van Koper, door tussenkomst van de Notaris, aan de Belastingdienst worden voldaan.</emphasis>
        </para>
        <para>[…]</para>
        <para>
          <emphasis role="italic">19 Ingebrekestelling, verzuim en boete</emphasis>
        </para>
      </parablock>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>19.1</nr>
      <para>
        <emphasis role="italic">Bij niet of niet tijdige nakoming van deze Koopovereenkomst anders dan door niet toerekenbare tekortkoming (overmacht) is de nalatige aansprakelijk voor alle daaruit voor de wederpartijen ontstane schade met kosten en rente, ongeacht het feit of de nalatige in verzuim is in de zin van het volgende lid.</emphasis>
      </para>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>19.2</nr>
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">Indien één van de Partijen, na bij deurwaardersexploot in gebreke te zijn gesteld, gedurende acht kalenderdagen tekortschiet in de nakoming van één of meer van haar verplichtingen is deze Partij in verzuim en heeft de wederpartij de al dan niet subsidiaire keus tussen:</emphasis>
        </para>
        <para>a. <emphasis role="italic">uitvoering van de Koopovereenkomst te verlangen, in welk geval de Partij die in verzuim is na afloop van voormelde termijn van acht kalenderdagen voor elke sedertdien ingegane dag tot aan de dag van nakoming een onmiddellijk opeisbare boete verschuldigd is van drie pro mille van de Koopsom; of</emphasis></para>
        <para>b. <emphasis role="italic">de Koopovereenkomst door een schriftelijke verklaring voor ontbonden te verklaren en betaling van een onmiddellijk opeisbare boete te vorderen van tien procent van de Koopsom.</emphasis></para>
      </parablock>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>19.3</nr>
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">Betaalde of verschuldigde boete strekt in mindering op eventueel verschuldigde schadevergoeding met rente en kosten.</emphasis>
        </para>
        <para>[…]</para>
        <para>
          <emphasis role="italic">26 Groninger akte</emphasis>
        </para>
      </parablock>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>26.1</nr>
      <para>
        <emphasis role="italic">Koper en verkoper zijn overeen gekomen dat de koopsom uiterlijk 15 januari 2022 wordt voldaan.</emphasis>
      </para>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>26.2</nr>
      <para>
        <emphasis role="italic">In verband met hetgeen in artikel 26.1 is vermeld, zijn Partijen overeengekomen het Verkochte middels een zogenaamde Groninger akte wordt geleverd aan Koper, die uiterlijk op 31 december 2021 ten kantore van de Notaris wordt gepasseerd.</emphasis>
      </para>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>26.3</nr>
      <para>
        <emphasis role="italic">In de Groninger akte wordt bepaald dat de levering van het Verkochte plaatsvindt onder de ontbindende voorwaarde dat de Koopsom uiterlijk op 15 januari 2022 door Koper is voldaan.</emphasis>
      </para>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>26.4</nr>
      <para>
        <emphasis role="italic">In afwijking van artikel 19.2 van de Koopovereenkomst, verbeurt Koper een onmiddellijk opeisbare gefixeerde boete van EUR 69.000,- aan Verkoper, indien de Koopsom niet uiterlijk op 15 januari 2022 door Koper is voldaan door creditering van de kwaliteitsrekening van de Notaris en daarmee de ontbindende voorwaarde voor betaling van de Koopsom wordt vervuld. </emphasis>[…]”</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>10.5.</nr>
      <para>Op 28 december 2021 is de zogenaamde Groninger akte (een notariële akte van levering van een onroerende zaak onder de ontbindende voorwaarde van niet betaling van de overeenkomen koopsom op een latere datum) gepasseerd bij de notaris.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>10.6.</nr>
      <para>In de periode voorafgaand aan de uiterlijke betaaldatum van 15 januari 2022 heeft [XX] van de notaris vernomen dat [appellant] de koopsom ondanks herhaald verzoek nog niet had gestort. [XX] heeft contact opgenomen met [appellant] , waaruit duidelijk werd dat [appellant] niet tijdig kon betalen. [XX] heeft [appellant] tot 28 januari 2022 de tijd gegeven de koopsom te voldoen, onder de voorwaarde dat [appellant] uiterlijk op 15 januari 2022 een bevestiging van de bank zou overleggen waaruit zou blijken dat de financiering op die datum rond zou kunnen zijn. Deze bevestiging en de betaling zijn uitgebleven.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>10.7.</nr>
      <para>Op 2 februari 2022 heeft [XX] [appellant] per e-mail bericht dat de koopovereenkomst zou worden ontbonden en de contractuele boete zou worden opgeëist indien [appellant] niet uiterlijk voor zondag 6 februari 2022 schriftelijk zou aantonen dat de koopsom uiterlijk 16 februari 2022 voldaan zou worden.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>10.8.</nr>
      <para>In reactie op deze e-mail laat [appellant] op 6 februari 2022 weten dat hij nog steeds voornemens is de koopsom voor 16 februari 2022 te gaan voldoen, maar dat hij nog steeds geen besluit van de Rabobank had gekregen over de aangevraagde hypotheek. [appellant] geeft aan ook alternatieven voor de financiering te onderzoeken.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>10.9.</nr>
      <para>
        [XX] heeft [appellant] per deurwaardersexploot van 7 februari 2022 in gebreke gesteld. [appellant] wordt gesommeerd de koopsom uiterlijk binnen acht dagen na betekening van het exploot te voldoen, bij gebreke waarvan de koopovereenkomst zou worden ontbonden en de contractuele boete zou worden opgeëist.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>10.10.</nr>
      <para>
        [appellant] heeft uitstel gevraagd tot woensdag 23 februari 2022 12:00 uur, en voorgesteld met elkaar om tafel te gaan om een oplossing te bespreken. Er heeft telefonisch overleg plaatsgevonden tussen partijen op 23 februari 2022. Op 24 februari 2022 heeft de advocaat van [appellant] contact opgenomen met [XX] . De contacten hebben niet geleid tot een minnelijke regeling.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>10.11.</nr>
      <para>
        [XX] heeft op 23 maart 2022 na daartoe bij beschikking van 16 maart 2022 verkregen verlof van de voorzieningenrechter conservatoir beslag doen leggen onder de Rabobank, ING en ABN AMRO. Ook is op 28 maart 2022 conservatoir beslag gelegd op de aandelen die [appellant] houdt in de besloten vennootschap [ZZ] Holding B.V., de onroerende zaak van [appellant] in [plaats A] (België) en drie motorrijtuigen op naam van [appellant] (een BMW 118i, een Audi A3 en een Maserati Ghibli). In het beslagrekest heeft [XX] haar vordering gebaseerd op nakoming van de koopovereenkomst en begroot op € 524.880,23.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>10.12.</nr>
      <para>
        [XX] heeft de koopovereenkomst met [appellant] op 5 april 2022 ontbonden. De ontbindingsverklaring is bij deurwaardersexploot aan [appellant] betekend.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>10.13.</nr>
      <para>Bij e-mail van 7 april 2022 heeft de advocaat van [XX] de advocaat van [appellant] bericht dat bereidheid bestond de gelegde beslagen op te heffen, mits [appellant] voldoende zekerheid zou stellen voor de vordering van [XX] , of aan zou tonen welke van de beslagen objecten voldoende verhaal biedt.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>10.14.</nr>
      <para>
        [XX] heeft het verkochte bij akte van levering van 22 april 2022 geleverd aan een andere koper. Uit de akte van levering blijkt dat de koopovereenkomst tussen [XX] en de nieuwe koper op 17 maart 2022 tot stand is gekomen, en dat daarin een koopsom van € 378.970,26 inclusief omzetbelasting overeen is gekomen.</para>
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>11</nr>Het geschil in eerste aanleg en hoger beroep</title>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>11.1.</nr>
      <parablock>
        <para>
          [XX] heeft, na vermindering van eis, in eerste aanleg (in conventie) samengevat gevorderd om (uitvoerbaar bij voorraad) [appellant] te veroordelen:</para>
        <para>I. tot vergoeding van de door [XX] tot de dag van dagvaarding geleden schade ad € 79.502,06 en de contractuele boete van € 69.000,00, die in mindering wordt gebracht op de verschuldigde schadevergoeding, te vermeerderen met de wettelijke handelsrente vanaf 15 januari 2022 tot de dag van volledige betaling;</para>
        <para>II. tot vergoeding van de door [XX] vanaf de dag van dagvaarding tot aan voldoening van de gehele vordering geleden schade, te voldoen binnen 14 dagen na dagtekening van het vonnis, vermeerderd met de wettelijke handelsrente indien tijdige voldoening uitblijft;</para>
        <para>III. in de beslagkosten, te voldoen binnen 14 dagen nadat de totale kosten bekend zijn, vermeerderd met de wettelijke rente indien tijdige voldoening uitblijft;</para>
        <para>IV. in de kosten van de procedure, inclusief nakosten en rente.</para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>11.2.</nr>
      <para>
        [appellant] heeft samengevat, in eerste aanleg (in reconventie) gevorderd [XX] (uitvoerbaar bij voorraad) te veroordelen tot opheffing van de gelegde beslagen onder verbeurte van een dwangsom van € 5.000,00 per dag(deel) en tot betaling van de kosten van de procedure.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>11.3.</nr>
      <para>De rechtbank heeft in conventie [appellant] veroordeeld tot betaling van (alleen) de contractuele boete van € 69.000,00 en de verweren van [appellant] daartegen verworpen. In reconventie zijn de vorderingen van [appellant] afgewezen.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>11.4.</nr>
      <para>In hoger beroep komt [appellant] met vijf grieven op tegen de redenering van de rechtbank.</para>
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section role="overwegingen">
    <title>
      <nr>12</nr>De verdere beoordeling in hoger beroep</title>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>12.1.</nr>
      <para>Grieven 1 en 4 zien op het geschil in conventie, grieven 2, 3 en 5 op het gelegde beslag en de vorderingen in reconventie.</para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">Grief 1</emphasis>
        </para>
      </parablock>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>12.2.</nr>
      <para>
        [appellant] richt grief I tegen een onderdeel van de begroting van de belastingschade door de rechtbank. De gevorderde schadevergoeding is echter niet toegewezen: [appellant] is – alleen – veroordeeld tot betaling van de contractuele boete van € 69.000,00. Deze grief kan daarom niet tot een andere beslissing of tot vernietiging van het vonnis leiden.</para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">Grief 4: geen oneerlijk beding, geen matiging</emphasis>
        </para>
      </parablock>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>12.3.</nr>
      <para>De rechtbank heeft [appellant] veroordeeld tot betaling van de contractuele boete en het beroep op matiging daarvan afgewezen. [appellant] voert in zijn grief aan dat het een oneerlijk, en dus vernietigbaar, beding is, dat [XX] niet of nauwelijks schade heeft geleden en dat de boete gematigd moet worden tot nihil.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>12.4.</nr>
      <para>Het hof overweegt als volgt. De richtlijn 93/13/EEG van de Raad van 5 april 1993 betreffende oneerlijke bedingen in consumentenovereenkomsten (hierna: de richtlijn), kent geen uitzondering voor overeenkomsten die gesloten zijn met een handelaar die zijn activiteiten niet richt op de lidstaat waar de consument woont. Ook is de definitie van consumentenovereenkomst in de richtlijn niet beperkt tot koop van roerende zaken (zoals in artikel 7:5 lid 1 sub a BW). Dat betekent dat de overeenkomst tussen [XX] (verkoper) en [appellant] (consument) bestreken wordt door de richtlijn en dat het hof daarom moet toetsen of er sprake is van een oneerlijk beding in de zin van artikel 3.1 van de richtlijn.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>12.5.</nr>
      <para>Het gaat hier om een boetebeding en het hof gaat er veronderstellenderwijs vanuit dat daarover niet is onderhandeld tussen partijen. Op grond van artikel 3 lid 3 van de richtlijn kan een beding dat de bedoeling heeft de consument die zijn verbintenissen niet nakomt, een onevenredig hoge schadevergoeding op te leggen een oneerlijk beding zijn. Het hof komt tot het oordeel dat het boetebeding in dit geval niet het evenwicht tussen de uit de overeenkomst voortvloeiende rechten en verplichtingen van de partijen ten nadele van de consument, in strijd met de goede trouw, aanzienlijk verstoort.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>12.6.</nr>
      <para>Immers, het boetebeding is duidelijk geformuleerd en ook is voor de consument duidelijk op welke gedraging het boetebeding ziet (als niet op uiterlijk 15 januari 2022 zou zijn betaald). Cumulatie met de andere contractuele boetes of schadevergoeding is uitgesloten op grond van artikelen 19.2 en 19.3 van de koopovereenkomst. Partijen hebben – om fiscale redenen – gekozen voor levering vooraf, met betaling als ontbindende voorwaarde. [XX] stelt – onvoldoende weersproken – dat na ontbinding op de overeenkomst een nieuwe koper niet langer de overdrachtsbelasting van 8% over de koopsom verschuldigd is, maar de btw van 21% over de koopsom verschuldigd zou zijn. Terecht voert [appellant] aan dat [XX] die belasting niet verschuldigd wordt. Maar daar staat tegenover dat de omstandigheid dat de koper een hogere belasting verschuldigd wordt, wel een drukkend effect heeft op de netto opbrengst voor [XX] , omdat de te betalen koopsom voor consumenten inclusief de belasting is. Dat bij een prijs die bijna gelijk gebleven is de (netto) opbrengst voor [XX] € 38.091,50 lager is geworden, is door [appellant] onvoldoende gemotiveerd weersproken. Als [XX] een (veel) hogere verkoopprijs zou hebben kunnen realiseren, zou dit schadebedrag lager zijn uitgevallen, maar [appellant] stelt te weinig feiten en omstandigheden om aan te kunnen nemen dat [XX] een hogere prijs had kunnen bedingen.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>12.7.</nr>
      <para>
        [appellant] stelt dat de schade van [XX] lager is dan zij aanvoert, omdat [XX] de overdrachtsbelasting van € 28.103,20 die zij (voor [appellant] ) heeft betaald, kan terugvragen bij de Belastingdienst. [XX] betwist dat zij de belasting kan terugvragen, aangezien zij niet de belastingplichtige is. [appellant] heeft met een enkele betwisting van de hoogte van de schade, op dit punt niet aan zijn stelplicht voldaan. Bovendien veroorzaakt de ontbinding van de koopovereenkomst en van de levering voorzienbaar extra juridische kosten en extra verkoopkosten voor [XX] . Gelet daarop acht het hof een contractuele boete van € 69.000,00 niet onevenredig en geen verstoring van het evenwicht tussen de uit de overeenkomst voortvloeiende rechten en verplichtingen van partijen.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>12.8.</nr>
      <para>Op geen enkele wijze blijkt dat [XX] [appellant] gedwongen heeft af te zien van een financieringsvoorbehoud of akkoord te gaan met het boetebeding. De enkele opmerking “<emphasis role="italic">Als consument was [appellant] niet opgewassen tegen de dictaten van zo'n grote partij als [XX] .</emphasis>” is niet onderbouwd. Met name stelt [appellant] niet welke druk [XX] op hem zou hebben uitgeoefend en waarom [appellant] daartegen geen weerstand zou hebben kunnen bieden. Het boetebeding is in de gegeven omstandigheden niet onredelijk bezwarend en niet vernietigbaar.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>12.9.</nr>
      <para>
        [appellant] doet een beroep op matiging van de overeengekomen boete. In de gegeven omstandigheden ziet het hof ook onvoldoende grond om de boete te matigen. Het hof verwijst daarvoor ook naar wat hiervoor overwogen is over de oneerlijkheid van het beding. In de overeenkomst is een duidelijk moment voor betaling van de koopsom opgenomen. Het komt – in de gegeven omstandigheden – voor rekening en risico van [appellant] dat hij op dat moment niet kon nakomen. Het beslag is pas later gelegd en speelt dus geen causale rol. Het hof ziet ook onvoldoende omstandigheden om aan te nemen dat [appellant] daadwerkelijk zou kunnen nakomen én dat van [XX] gevergd zou moeten worden dat zij [appellant] daartoe alsnog de gelegenheid zou moeten geven, nadat [XX] al had meegewerkt aan uitstel tot 16 februari 2022.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>12.10.</nr>
      <para>Grief 4 slaagt niet. Het hof zal op dit punt het bestreden vonnis bekrachtigen.</para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">Beslaglegging (grieven 2,3 en 5)</emphasis>
        </para>
      </parablock>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>12.11.</nr>
      <para>
        [appellant] verwijt [XX] dat zij de rechtbank onjuist heeft voorgelicht in haar beslagrekest. Volgens [appellant] was [XX] op dat moment (16 maart 2022) al (bijna) tot overeenstemming gekomen met de uiteindelijke koper en daarom ten onrechte beslag heeft gelegd voor nakoming en de vordering ten onrechte begroot heeft op € 524.880,23. Hij is daarom ook niet aansprakelijk voor de kosten van het beslag, aldus steeds [appellant] . Ook vordert [appellant] opheffing van de gelegde beslagen.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>12.12.</nr>
      <para>Het hof stelt vast dat [appellant] in zijn akte heeft erkend dat de gelegde beslagen inmiddels zijn opgeheven: bij toewijzing van zijn vordering heeft hij op dit punt dus geen belang meer.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>12.13.</nr>
      <para>Het hof overweegt dat [appellant] gehouden was de overeenkomst na te komen óf het boetebedrag te betalen. Voor beide vorderingen was [XX] gerechtigd conservatoir beslag te leggen ten laste van [appellant] . Als [XX] aan haar verzoek tot beslaglegging de betaling van de contractuele boete ten grondslag zou hebben gelegd, zou ook dat verzoek zijn toegewezen en zou op dezelfde wijze ten laste van [appellant] conservatoir beslag zijn gelegd. [appellant] stelt niets dat het anders zou maken. [appellant] legt niet uit welk nadeel hij heeft ondervonden van het feit dat niet voor een vordering van € 69.000,00 (plus rente en kosten), maar voor een vordering van € 524.880,23 beslag is gelegd. Met name stelt hij niet dat de gelegde beslagen doel hebben getroffen voor een hoger bedrag dan € 69.000,00. Dat betekent dat causaal verband tussen het nadeel van [appellant] en het gestelde onrechtmatig handelen ontbreekt. Onder deze omstandigheden is [appellant] aansprakelijk voor de kosten van de beslagen. Het hof hoeft gelet daarop niet (verder) te onderzoeken of [XX] gehouden was in haar verzoekschrift een lagere vordering op [appellant] te vermelden. De grieven kunnen niet tot een andere beslissing leiden.</para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">Geen bewijslevering</emphasis>
        </para>
      </parablock>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>12.14.</nr>
      <para>Het hof komt aan bewijslevering niet toe. [appellant] neemt geen voldoende concreet onderbouwde stellingen in die door [XX] zijn betwist en die als zij zouden worden bewezen tot een andere beslissing in hoger beroep zouden kunnen leiden. Het bewijsaanbod van [appellant] is ook niet voldoende concreet en niet ter zake dienend.</para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">Conclusie</emphasis>
        </para>
      </parablock>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>12.15.</nr>
      <para>De grieven van [appellant] slagen niet. Het hof zal het bestreden vonnis bekrachtigen. Als de (overwegend) in het ongelijk te stellen partij zal het hof [appellant] in de kosten van het hoger beroep veroordelen.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>12.16.</nr>
      <para>De kosten voor de procedure in hoger beroep aan de zijde van [XX] worden vastgesteld op:</para>
      <informaltable>
        <tgroup cols="4">
          <colspec colname="colA" />
          <colspec colname="colB" />
          <colspec colname="colC" />
          <colspec colname="colD" />
          <tbody>
            <row>
              <entry>
                <para>- griffierecht</para>
              </entry>
              <entry>
                <para>€</para>
              </entry>
              <entry>
                <para>2.135,00</para>
              </entry>
              <entry>
                <para />
              </entry>
            </row>
            <row>
              <entry>
                <para>- salaris advocaat</para>
              </entry>
              <entry>
                <para>€</para>
              </entry>
              <entry>
                <para>2.213,00</para>
              </entry>
              <entry>
                <para>(1 punt × appeltarief IV)</para>
              </entry>
            </row>
            <row>
              <entry>
                <para>- nakosten</para>
              </entry>
              <entry>
                <para>€</para>
              </entry>
              <entry>
                <para>178,00</para>
              </entry>
              <entry>
                <para />
              </entry>
            </row>
            <row>
              <entry>
                <para>- totaal:</para>
              </entry>
              <entry>
                <para>€</para>
              </entry>
              <entry>
                <para>4.526,00</para>
              </entry>
              <entry>
                <para />
              </entry>
            </row>
          </tbody>
        </tgroup>
      </informaltable>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>12.17.</nr>
      <para>Als niet weersproken zal het hof ook de gevorderde wettelijke rente over de proceskosten toewijzen zoals hierna vermeld.</para>
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>13</nr>De uitspraak</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het hof, recht doende in hoger beroep:</para>
    </parablock>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>13.1.</nr>
      <para>bekrachtigt het tussen partijen gewezen vonnis van Rechtbank Zeeland-West-Brabant van 16 november 2022;</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>13.2.</nr>
      <para>veroordeelt [appellant] in de kosten van het hoger beroep aan de zijde van [XX] vastgesteld op € 4.526,00, te betalen binnen veertien dagen na de datum van dit arrest en, als [appellant] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het arrest daarna wordt betekend, te vermeerderen met € 92,00 en de kosten van betekening;</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>13.3.</nr>
      <para>veroordeelt [appellant] in de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 Burgerlijk Wetboek over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na het verschuldigd worden daarvan zijn voldaan;</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>13.4.</nr>
      <para>verklaart deze proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad;</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>13.5.</nr>
      <para>wijst het meer of anders gevorderde af.</para>
      <para />
      <parablock>
        <para>Dit arrest is gewezen door mrs. E. Loesberg, O.G.H. Milar en D.E. Valle Robles-Roomer en is in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op 15 april 2025.</para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>	griffier					rolraadsheer</para>
      </parablock>
      <para />
      <para />
      <para />
      <para />
    </paragroup>
  </section>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>