<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:GHSHE:2024:4306</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2025-07-22T17:00:49</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2025-05-27</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Gerechtshof_'s-Hertogenbosch" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Gerechtshof 's-Hertogenbosch</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2024-04-18</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">20-000489-23</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#hogerBeroep">Hoger beroep</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">'s-Hertogenbosch</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#strafrecht">Strafrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHSHE:2024:4306">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHSHE:2024:4306</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2025-07-22T17:00:10</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2025-07-22</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:GHSHE:2024:4306 Gerechtshof 's-Hertogenbosch , 18-04-2024 / 20-000489-23</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:GHSHE:2024:4306:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Gepubliceerd in verband met ingesteld cassatieberoep</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:GHSHE:2024:4306:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <para>Parketnummer	: 20-000489-23OWV </para>
  <para>Uitspraak	: 18 april 2024</para>
  <parablock>
    <para>TEGENSPRAAK</para>
  </parablock>
  <section>
    <title>Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof</title>
    <bridgehead role="bold">'s-Hertogenbosch</bridgehead>
    <para />
    <parablock>
      <para>gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Zeeland-West-Brabant, zittingsplaats Breda, van 9 februari 2023 op de vordering ex artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht, in de zaak met parketnummer 02-049387-20 tegen: </para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>
      [betrokkene] ,</title>
    <parablock>
      <para>geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1971, </para>
      <para>wonende te [adres] .</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="underline">Hoger beroep</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank heeft het geschatte wederrechtelijk verkregen voordeel vastgesteld op </para>
      <para>€ 560.861,13 en heeft aan betrokkene een betalingsverplichting opgelegd van € 280.430,56.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Daarnaast heeft de rechtbank de duur van de gijzeling – die met toepassing van artikel 6:6:25 van het Wetboek van Strafvordering ten hoogste kan worden gevorderd – vastgesteld op 1080 dagen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Door de betrokkene is tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="underline">Onderzoek van de zaak</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep alsmede het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de betrokkene naar voren is gebracht.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het vonnis van de rechtbank zal vernietigen en de vordering integraal zal toewijzen</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat de ontnemingsvordering moet worden afgewezen en heeft verder verweren gevoerd betreffende de hoogte van het vastgestelde voordeel en de opgelegde betalingsverplichting.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="underline">Vonnis waarvan beroep</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het vonnis zal worden vernietigd omdat het hof zich daarmee niet kan verenigen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="underline">Afwijzen van de ontnemingsvordering</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">De veroordeling</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De betrokkene is bij vonnis van de rechtbank van 9 februari 2023 onder parketnummer 02-049387-20 veroordeeld tot – kort gezegd – het medeplegen van het aanwezig hebben van hasjiesj en hennep op 25 september 2019 (feit 1) en eenvoudig witwassen van een geldbedrag van € 560.861,13 (feit 2). Aan de betrokkene is ter zake geen straf of maatregel opgelegd.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Wettelijke grondslag</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De betrokkene heeft verklaard dat het gehele op 25 september 2019 bij hem aangetroffen bedrag van € 560.861,13 de bruto omzet is van de verkoop van softdrugs in zijn coffeeshop genaamd ‘ [bedrijf] ’ in Tilburg . Ook het Openbaar Ministerie en de Rechtbank in de hoofdzaak gaan ervan uit dat het hierbij “louter gaat om geld dat is verdiend met de verkoop van softdrugs in de coffeeshop”. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Standpunt verdediging</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De verdediging heeft zich – kort gezegd - op het standpunt gesteld dat gelet op de omstandigheid dat de verkoop van softdrugs vanuit een gedoogde coffeeshop heeft plaatsgevonden waarbij de gedoogvoorwaarden niet zijn overschreden, artikel 36 e lid 2 Sr (andere feiten waaromtrent voldoende aanwijzingen bestaan dat deze door betrokkene zijn begaan) geen valide grondslag voor ontneming kan vormen en dat op grond daarvan de ontnemingsvordering dient te worden afgewezen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het hof overweegt dienaangaande als volgt.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>In het zogenaamde Black Widow-arrest (ECLI:NL:HR:2003:AF:1965) heeft de Hoge Raad onder meer het navolgende overwogen </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>(r.o. 3.4.1):</para>
      <para>
        <emphasis role="italic">In de overwegingen van het Hof ligt besloten dat het tot uitgangspunt heeft genomen dat. ingeval de betrokkene in verband met het desbetreffende gedoogbeleid erop mocht vertrouwen dat tegen hem niet strafrechtelijk zou worden opgetreden bij verkoop vanuit een coffeeshop van hoeveelheden softdrugs per transactie niet groter dan 30 gram, het uit zodanige kleinhandel verkregen voordeel moet worden geacht niet wederrechtelijk verkregen te zijn als bedoeld in artikel 36 e Sr. Dat oordeel geeft op zichzelf geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting.”</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>en </para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>(r.o. 3.4.2): </para>
      <para>
        <emphasis role="italic">“Zodanig uitgangspunt brengt mee dat in het geval de betrokkene de grenzen van dit gedoogbeleid overschrijdt – bijvoorbeeld doordat hij tevens (in de coffeeshop en/of elders) andere strafbare gedragingen op het gebied van drugs verricht, die niet aan de desbetreffende gedoogvoorwaarden voldoen – hij in beginsel niet erop mag vertrouwen dat niet strafrechtelijk zal worden opgetreden. In een zodanig geval moet in beginsel al het uit die handel in softdrugs verkregen voordeel geacht worden wederrechtelijk te zijn in vorenbedoelde zin.”</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>In het licht van deze vooropstelling stelt het hof met de rechtbank in de onderliggende strafzaak vast dat de coffeeshop van betrokkene werd gedoogd en dat niet is gebleken dat betrokkene de gedoogvoorwaarden voor  de verkoop van softdrugs (de zogeheten (BI)AHOJG-voorwaarden) heeft overtreden. Weliswaar heeft de rechtbank in de onderliggende strafzaak vastgesteld dat door betrokkene <emphasis role="italic">extern</emphasis> (buiten de coffeeshop) een grotere dan de volgens de gedoogvoorwaarden toegestane handelsvoorraad (meer dan 500 gram) werd aangehouden, maar heeft daarbij tevens geoordeeld dat dit vanuit een bonafide bedrijfsvoering (strafvonnis, pg. 6) gerechtvaardigd c.q. noodzakelijk was. Reden voor de rechtbank om in de strafzaak aan verdachte verder geen straf of maatregel op te leggen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het hof leidt uit voormelde vaststellingen af dat in het onderhavige geval zowel de verkoop van softdrugs (bezien vanuit de voordeur) is gegaan zoals wordt gedoogd/verlangd, als dat de extern aangehouden handelsvoorraad (achterdeur) voldoet aan de eisen van een bonafide bedrijfsvoering en niet groter was dan noodzakelijk om die gedoogde verkoop te realiseren. Dan kan naar het oordeel van het hof in redelijkheid niet worden geoordeeld dat het voordeel dat betrokkene uit die gedoogde verkoop van softdrugs vanuit de coffeeshop heeft verkregen, wederrechtelijk is verkregen als bedoeld in artikel 36 e Sr. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Gelet hierop wijst het hof de ontnemingsvordering af overeenkomstig het standpunt van de verdediging en onder verwerping van het andersluidende standpunt van het openbaar ministerie.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>BESLISSING</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het hof:</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Wijst af de vordering strekkende tot oplegging van de verplichting tot betaling aan de staat van het geschatte wederrechtelijk verkregen voordeel.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Aldus gewezen door:</para>
      <para>mr. J.T.F.M. van Krieken, voorzitter,</para>
      <para>mr. C.M. Hilverda en mr. C.A. van Roosmalen, raadsheren,</para>
      <para>in tegenwoordigheid van mr. J.H.W. van der Meijs, griffier,</para>
      <para>en op 18 april 2024 ter openbare terechtzitting uitgesproken.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </section>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>