<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:GHSHE:2024:4125</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2026-01-08T10:05:45</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2024-12-19</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Gerechtshof_'s-Hertogenbosch" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Gerechtshof 's-Hertogenbosch</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2024-12-19</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">200.345.656_01 en 200.345.656_02</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#hogerBeroep">Hoger beroep</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">'s-Hertogenbosch</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#civielRecht">Civiel recht</dcterms:subject>
      <dcterms:references rdfs:label="Wetsverwijzing" bwb:resourceIdentifier="jci1.31:c:BWBR0003045&amp;artikel=298&amp;g=2021-07-01">Burgerlijk Wetboek Boek 2 298</dcterms:references>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
          <rdf:li>RO 2025/63</rdf:li>
          <rdf:li>JONDR 2025/879</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHSHE:2024:4125">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHSHE:2024:4125</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2025-06-03T11:12:53</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2025-06-03</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:GHSHE:2024:4125 Gerechtshof 's-Hertogenbosch , 19-12-2024 / 200.345.656_01 en 200.345.656_02</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:GHSHE:2024:4125:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Voor een geslaagd beroep op artikel 2:298 BW mag niet worden volstaan met het aanvoeren van de enkele mogelijkheid van schending van een minderheidspositie of van een tegenstrijdig belang, zonder dat dit beroep wordt geconcretiseerd / afwijzing verzoek tot ontslag bestuurder / ook afwijzing verzoek tot schorsing bestuurder</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:GHSHE:2024:4125:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <uitspraak.info>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Team Handelsrecht</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Uitspraak	: 19 december 2024</para>
      <para>Zaaknummers	: 200.345.656/01 en 200.345.656/02</para>
      <para>Zaaknummer eerste aanleg	: C/03/327047 / HA RK 24-29</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>in de zaak in hoger beroep van:</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">
          [appellant]
        </emphasis>,</para>
      <para>wonende te [woonplaats] , </para>
      <para>appellant,</para>
      <para>hierna aan te duiden als [appellant] ,</para>
      <para>advocaat: mr. J.H.M. Daniëls te Sittard,</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>tegen</para>
    </parablock>
    <para />
  </uitspraak.info>
  <section>
    <title>
      <nr>1</nr>Stichting [stichting] ,</title>
    <parablock>
      <para>gevestigd te [vestigingsplaats] , </para>
      <para>
        <emphasis role="bold">2. [bestuurder c.q. voorzitter]</emphasis>, </para>
      <para>wonende te [woonplaats] ,</para>
      <para>verweerders,</para>
      <para>hierna aan te duiden als [verweerders] ,</para>
      <para>
        [stichting] is in persoon (bij twee van haar bestuurders, waaronder de voorzitter) verschenen,</para>
      <para>advocaten van [bestuurder c.q. voorzitter] : mrs. M.W. Steenpoorte en I. Lankester te ’s-Hertogenbosch.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>1</nr>Het geding in eerste aanleg</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het hof verwijst naar de beschikking van de rechtbank Limburg, zittingsplaats Maastricht, van 2 juli 2024.</para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>2</nr>Het geding in hoger beroep</title>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>2.1.</nr>
      <para>Het verloop van de procedure blijkt uit:</para>
      <itemizedlist mark="-">
        <listitem>
          <para>het beroepschrift van [appellant] met producties, ingekomen ter griffie op 4 september 2024;</para>
        </listitem>
        <listitem>
          <para>het verweerschrift in hoger beroep van [bestuurder c.q. voorzitter] , ingekomen ter griffie op 13 november 2024;</para>
        </listitem>
        <listitem>
          <para>de productie 24 van [appellant] , ingekomen ter griffie op 15 november 2024;</para>
        </listitem>
      </itemizedlist>
      <para>- de op 27 november 2024 gehouden mondelinge behandeling, waarbij zijn gehoord: </para>
      <para>- [appellant] , bijgestaan door mr. Daniëls;	</para>
      <para>- [bestuurder c.q. voorzitter] , bijgestaan door mrs. Steenpoorte en Lankester;</para>
      <para>- [stichting] , vertegenwoordigd door haar bestuurders [bestuurder c.q. voorzitter] en [bestuurder 1] ;</para>
      <para>- de ter zitting overgelegde spreekaantekeningen van [appellant] (voorgedragen door mr. </para>
      <para>Daniëls), van [bestuurder c.q. voorzitter] (voorgedragen door mr. Lankester) en van [stichting] (voorgedragen door bestuurder tevens voorzitter [bestuurder c.q. voorzitter] ).</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.2.</nr>
      <para>Het hof heeft daarna een datum voor beschikking bepaald. Het hof doet recht op bovenvermelde stukken.</para>
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section role="overwegingen">
    <title>
      <nr>3</nr>De beoordeling</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="underline">Feiten</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>3.1.</nr>
      <para>In dit hoger beroep wordt uitgegaan van de volgende feiten.</para>
      <para />
      <para>a. [bestuurder 1] , [appellant] en [bestuurder c.q. voorzitter] zijn de drie kinderen van [betrokkene 1] en [betrokkene 2] . Zij hebben de Belgische nationaliteit en wonen in België .   </para>
      <para />
      <para>
        [betrokkene 1] en [betrokkene 2] hebben bij notariële akte van 30 augustus 2007 naar Nederlands recht [stichting] opgericht, waarvan zij gezamenlijk bevoegd bestuurders waren. [stichting] is </para>
      <para>– op een klein aantal aandelen na die in onverdeeldheid zijn tussen de kinderen – enig aandeelhouder van de naamloze vennootschappen naar Belgisch recht [naamloze vennootschap 1] en [naamloze vennootschap 2] (en [naamloze vennootschap 3] , die in 2015 is opgegaan in [naamloze vennootschap 2] ). </para>
      <para />
      <para>Het doel van [stichting] is het ten titel van beheer in eigendom verwerven en administreren van aandelen in [naamloze vennootschap 1] en [naamloze vennootschap 2] , het uitoefenen van het stemrecht op de door [stichting] gehouden aandelen en het uitkeren van dividend. </para>
      <para />
      <para>
        [naamloze vennootschap 1] exploiteerde een modezaak en is, na het beëindigen van die bedrijfsactiviteiten, eigenaar van onroerend goed. [naamloze vennootschap 2] houdt zich bezig met de ontwikkeling van residentiële bouwprojecten. </para>
      <para />
      <para>
        [bestuurder c.q. voorzitter] en [bestuurder 1] zijn sinds 20 mei 2003 (mede)bestuurders van [naamloze vennootschap 1] en sinds 31 mei 2006 (mede)bestuurders van [naamloze vennootschap 2] . Zij waren daartoe gedelegeerd door hun moeder [betrokkene 2] . De derde bestuurder van [naamloze vennootschap 1] en [naamloze vennootschap 2] was vader [betrokkene 1] . </para>
      <para />
      <para>Op 6 augustus 2021 is moeder [betrokkene 2] overleden. Zij heeft niet bij testament over haar nalatenschap beschikt.   </para>
      <para />
      <para>Op 17 november 2022 is vader [betrokkene 1] overleden. Voor zijn overlijden heeft hij (in het bijzijn van een notaris) een testament opgesteld, waarin als laatste zin staat geschreven ‘Het is mijn uitdrukkelijke wens dat mijn zoon [appellant] niets meer erft.’  </para>
      <para />
      <para>In de statuten van [stichting] is over de opvolging na het overlijden (‘defungeren’) van vader en moeder bepaald dat [stichting] wordt bestuurd door [bestuurder 1] , [appellant] en [bestuurder c.q. voorzitter] . Zij zijn alle drie, ieder voor een gelijk deel, de certificaathouders van [stichting] . </para>
      <para />
      <para>i. Artikel 10 (lid 2) van de statuten van [stichting] bepaalt dat na het defungeren van vader en moeder, het bestuur uit zijn midden een voorzitter benoemt. </para>
      <para />
      <para>Bij brief van 10 november 2023 hebben [bestuurder 1] en [bestuurder c.q. voorzitter] hun broer [appellant] uitgenodigd voor de geplande bestuursvergadering van 28 november 2023, onder meer om vanwege het overlijden (‘defungeren’) van [betrokkene 1] en [betrokkene 2] , de drie kinderen ( [bestuurder 1] , [appellant] en [bestuurder c.q. voorzitter] ) hun positie als bestuurders te laten aanvaarden en aansluitend uit hun midden een voorzitter te benoemen.    </para>
      <para />
      <para>Bij brief van 21 november 2023 heeft [appellant] aan [bestuurder 1] en [bestuurder c.q. voorzitter] vragen gesteld over onder meer de drie te benoemen bestuurders en vermeld dat overwogen moet worden om een extern persoon als bestuurder aan te stellen of om [stichting] te ontbinden (met het verzoek dit als extra agendapunt voor de bestuursvergadering op te nemen).       </para>
      <para />
      <para>Op 28 november 2023 is in gezamenlijk overleg besloten om de bestuursvergadering aan te houden en twee weken later (op 12 december 2023) voort te zetten. In de handgeschreven notulen van de vergadering van 28 november 2023, die door [bestuurder 1] , [appellant] en [bestuurder c.q. voorzitter] zijn ondertekend, is verder bepaald dat geen nieuwe oproep zou worden verstuurd en dat iedereen aanwezig zou zijn.   </para>
      <para />
      <para>Bij brief van 6 december 2023 heeft [appellant] aan [bestuurder c.q. voorzitter] en [bestuurder 1] gevraagd de bestuursvergadering (nog een keer) uit te stellen.</para>
      <para />
      <para>Op 12 december 2023 heeft een bestuursvergadering plaatsgevonden, waarbij [appellant] niet is verschenen. [bestuurder 1] en [bestuurder c.q. voorzitter] waren wel aanwezig. In deze vergadering hebben [bestuurder 1] en [bestuurder c.q. voorzitter] ieder voor zich het bestuursmandaat aanvaard en is [bestuurder c.q. voorzitter] tot voorzitter van [stichting] benoemd. Verder zijn de jaarrekeningen 2022 van [naamloze vennootschap 1] en [naamloze vennootschap 2] goedgekeurd, is décharge verleend aan de bestuurders van [naamloze vennootschap 1] en [naamloze vennootschap 2] ( [bestuurder 1] en [bestuurder c.q. voorzitter] ), en is [bestuurder 2] benoemd als derde bestuurder van [naamloze vennootschap 1] en [naamloze vennootschap 2] . Ook is (via een aan de notulen gehechte nota) ingegaan op de door [appellant] gestelde vragen in de brief van 21 november 2023.   </para>
      <para />
      <para>Op 18 januari 2024 heeft [appellant] zowel [bestuurder c.q. voorzitter] als [bestuurder 1] (ieder voor zich) (bestuurders)aansprakelijk gesteld naar Nederlands recht. Ook in België is [appellant] gerechtelijke procedures gestart tegen [naamloze vennootschap 1] , [naamloze vennootschap 2] , [bestuurder c.q. voorzitter] en [bestuurder 1] , om de genomen besluiten in die vennootschappen te vernietigen c.q. nietig te laten verklaren. Deze procedures zijn door [appellant] aangehouden in afwachting van de onderhavige procedure.    </para>
      <para />
      <para>Op 18 november 2024 heeft [appellant] [stichting] gedagvaard en een procedure aanhangig gemaakt bij de rechtbank Limburg, locatie Maastricht, en vernietiging gevorderd van de door [stichting] genomen besluiten tijdens de bestuursvergadering van 12 december 2023, met veroordeling van [stichting] in de proceskosten. </para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="underline">Procedure in eerste aanleg</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.2.</nr>
      <para>
        [appellant] heeft de rechtbank <emphasis role="underline">in de hoofdzaak</emphasis> verzocht om [bestuurder c.q. voorzitter] als voorzitter van [stichting] te ontslaan. Daarnaast heeft [appellant] verzocht om [bestuurder c.q. voorzitter] , bij wege van <emphasis role="underline">voorlopige voorziening</emphasis>, als voorzitter van [stichting] te schorsen. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.3.</nr>
      <para>Blijkens het proces-verbaal van de mondelinge behandeling van  21 mei 2024 bij de rechtbank, heeft de rechtbank mondeling uitspraak gedaan op het verzoek tot het treffen van de <emphasis role="underline">voorlopige voorziening</emphasis> en dit verzoek tot schorsing (als voorzitter) afgewezen. Tevens heeft de rechtbank [appellant] veroordeeld in de proceskosten.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.4.</nr>
      <para>Bij beschikking waarvan beroep heeft de rechtbank [appellant] niet-ontvankelijk verklaard in zijn verzoek <emphasis role="underline">in de hoofdzaak</emphasis> (ontslag als voorzitter) en hem veroordeeld in de proceskosten. </para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="underline">Verzoeken in hoger beroep</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.5.</nr>
      <para>In hoger beroep heeft [appellant] twee grieven aangevoerd. In de hoofdzaak <emphasis role="underline">(zaaknummer 200.345.656/01)</emphasis> verzoekt [appellant] het hof [bestuurder c.q. voorzitter] als bestuurder en voorzitter van [stichting] te ontslaan. Daarnaast verzoekt [appellant] om [bestuurder c.q. voorzitter] , bij wege van voorlopige voorziening <emphasis role="underline">(zaaknummer 200.345.656/02)</emphasis> als bestuurder en voorzitter van [stichting] te schorsen, totdat in hoogste instantie op de hoofdzaak is beslist. Een en ander voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad. Kosten rechtens.</para>
      <para />
      <paragroup>
        <nr>3.6.1.</nr>
        <para>
          [bestuurder c.q. voorzitter] heeft de grieven bestreden en het hof verzocht de bestreden beschikking te bekrachtigen en daarmee de verzoeken van [appellant] in hoger beroep af te wijzen, althans hem niet-ontvankelijk te verklaren, althans de verzoeken van [appellant] onder verbetering of aanvulling van gronden af te wijzen. Een en ander voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad en in alle gevallen met veroordeling van [appellant] in de proceskosten (inclusief salaris advocaten, nakosten en wettelijke rente).</para>
        <para />
      </paragroup>
      <paragroup>
        <nr>3.6.2.</nr>
        <para>
          [stichting] heeft ter zitting, via haar bestuur ( [bestuurder c.q. voorzitter] en [bestuurder 1] ), mondeling verweer gevoerd en mede gedeeld zich volledig aan te sluiten bij het namens [bestuurder c.q. voorzitter] gevoerde verweer en dat verweer tevens als haar verweer te beschouwen.   </para>
        <para />
      </paragroup>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.7.</nr>
      <para>Ter zitting heeft [appellant] verklaard ermee akkoord te zijn dat tegelijk met de hoofdzaak (in deze beschikking) op de voorlopige voorziening wordt beslist.</para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="underline">Het ontslag (200.314.428/01)</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.8.</nr>
      <parablock>
        <para>De twee grieven van [appellant] , die zich voor gezamenlijke behandeling lenen, zijn gericht tegen het oordeel van de rechtbank dat artikel 2:298 BW (waarop het verzoek van [appellant] is gebaseerd) niet de aangewezen route is voor ontslag van [bestuurder c.q. voorzitter] enkel in zijn hoedanigheid van voorzitter en niet (ook) als bestuurder, zoals in eerste aanleg door [appellant] expliciet is verzocht. Net als de rechtbank is het hof van oordeel dat voor het aantasten van het besluit tot benoeming van [bestuurder c.q. voorzitter] tot voorzitter een andere procedure is voorgeschreven, namelijk een dagvaardingsprocedure bij de rechtbank tot vernietiging van het bestreden besluit. Voor ontslag in een bepaalde hoedanigheid biedt de wet verder geen grondslag.</para>
        <para>De rechtbank heeft [appellant] dus terecht niet-ontvankelijk verklaard in zijn verzoek in eerste aanleg.   </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.9.</nr>
      <para>Nu [appellant] in hoger beroep zijn verzoek heeft vermeerderd tot ontslag van [bestuurder c.q. voorzitter] als voorzitter én bestuurder, is hij wel ontvankelijk in zijn hoger beroep voor zover gericht op ontslag van [bestuurder c.q. voorzitter] als bestuurder en wordt zijn verzoek (hierna) inhoudelijk behandeld.  </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.10.</nr>
      <para>Het verzoek tot ontslag van [bestuurder c.q. voorzitter] als bestuurder (en daarmee ook als voorzitter) is gegrond op artikel 2:298 lid 1 BW, dat als volgt luidt: </para>
      <para />
      <parablock>
        <para>‘Een bestuurder kan op verzoek van een belanghebbende of van het openbaar ministerie door de rechtbank worden ontslagen wegens verwaarlozing van zijn taak, wegens andere gewichtige redenen, wegens ingrijpende wijziging van omstandigheden op grond waarvan het voortduren van zijn bestuurderschap in redelijkheid niet kan worden geduld of wegens het niet of niet behoorlijk voldoen aan een door de voorzieningenrechter van de rechtbank ingevolge artikel 297 gegeven bevel.’</para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.11.</nr>
      <para>Nu in deze zaak de laatste ontslagreden (niet voldoen aan het bevel van de voorzieningenrechter) niet aan de orde is, kan [bestuurder c.q. voorzitter] als bestuurder (slechts) worden ontslagen wegens:</para>
      <para>- verwaarlozing van zijn taak;</para>
      <para>- andere gewichtige redenen;</para>
      <para>- ingrijpende wijziging van omstandigheden op grond waarvan het voortduren van zijn bestuurderschap in redelijkheid niet kan worden geduld.</para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="underline">Verwaarlozing van zijn taak </emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.12.</nr>
      <para>In het kader van taakverwaarlozing, althans zo begrijpt het hof, heeft [appellant] aangevoerd dat sprake is van tegenstrijdige belangen, omdat [bestuurder c.q. voorzitter] en [bestuurder 1] met de besluiten van 12 december 2023 de alleenheerschappij binnen [naamloze vennootschap 1] en [naamloze vennootschap 2] hebben verworven (een ‘couppoging’) en daarmee ook de alleenheerschappij over de afwikkeling van de nalatenschap van de ouders. Volgens [appellant] is hij behalve in [stichting] ook in [naamloze vennootschap 1] en in [naamloze vennootschap 2] uitgeschakeld, omdat [bestuurder c.q. voorzitter] als voorzitter in de ava’s van deze vennootschappen namens alle door [stichting] gehouden aandelen mag stemmen. [bestuurder c.q. voorzitter] en [bestuurder 1] kunnen dus doen en laten wat ze (juridisch) willen. Door tegen hem samen te spannen trachten zij hem buiten (de afwikkeling van) de nalatenschap te houden. [appellant] is van mening dat [bestuurder c.q. voorzitter] en [bestuurder 1] daarmee ook onrechtmatig jegens hem handelen in de zin van artikel 2:8 BW (naar redelijkheid en billijkheid jegens elkaar gedragen), omdat zijn belangen bewust worden genegeerd en dat is in strijd met de zorgplicht jegens de minderheidscertificaathouders. </para>
      <para />
      <paragroup>
        <nr>3.12.1.</nr>
        <parablock>
          <para>Zoals door [bestuurder c.q. voorzitter] en [stichting] is betoogd, constateert het hof dat ieder besluit van 12 december 2023 conform de Statuten van [stichting] (artikel 10 lid 5) met volstrekte  meerderheid, namelijk de voorstem van twee van de drie bestuurders, is genomen. De minderheid (zijnde [appellant] , die ter zitting van dit hof heeft verklaard inmiddels het mandaat van het bestuurderschap te hebben aanvaard, waar het hof voorshands dan ook van uitgaat) heeft zich aldus voor wat betreft deze besluiten in beginsel te voegen naar de meerderheid (zijnde [bestuurder c.q. voorzitter] en [bestuurder 1] ). Uit de statuten van [stichting] blijkt niet dat de oprichters (vader en moeder) het voor deze besluiten van 12 december 2023 anders hebben bedoeld. Het is juist in het belang van [stichting] om na het overlijden van vader overeenkomstig de statuten bestuurd te worden en tevens een voorzitter te hebben. Het doel van [stichting] is immers het verwerven en administreren van de aandelen in [naamloze vennootschap 1] en [naamloze vennootschap 2] , het uitoefenen van het stemrecht op deze aandelen en het uitkeren van dividend. Ingevolge artikel 2 lid 3 van de statuten dient het bestuur het stemrecht op de aandelen in de vennootschap(pen) op zodanige wijze uit te oefenen, dat de bloei van de vennootschap(pen) wordt bevorderd en dat tevens de belangen van de certificaathouders op behoorlijke wijze behartigd worden. Alle besluiten die tijdens de bestuursvergadering van 12 december 2023 zijn genomen (voorzitterschap/goedkeuren jaarrekeningen/verlenen van décharge/benoemen van derde bestuurder) zijn ieder voor zich besluiten waarmee uitvoering wordt gegeven aan de statuten van [stichting] , die voorkomen dat [stichting] bestuurloos wordt en die ervoor zorgen dat [naamloze vennootschap 1] en [naamloze vennootschap 2] aan hun wettelijke verplichtingen kunnen voldoen. Dat de besluiten overigens gericht zouden zijn tegen de belangen van [appellant] als bestuurder van [stichting] of als één der certificaathouders is concreet gesteld noch gebleken. Door [appellant] wordt slechts in abstracto aangevoerd dat besluiten waar hij zich als minderheid naar moet voegen klaarblijkelijk per definitie niet zouden deugen. Daarvoor ziet het hof geen grond.</para>
          <para>Daarnaast kan [stichting] besluiten nemen die volgens de statuten wél met eenparigheid van stemmen dienen te geschieden (bijvoorbeeld het vervreemden of bezwaren van de aandelen in de vennootschappen), maar dat geldt niet voor de besluiten van 12 december 2023. </para>
          <para>
            [appellant] heeft zelf ook erkend dat de besluiten van 12 december 2023 binnen de statutaire grenzen van [stichting] vallen, maar hij vindt dat hij bewust op elk niveau is uitgeschakeld. Zoals ook door [bestuurder c.q. voorzitter] en [stichting] is betoogd, is het hof van oordeel dat [stichting] niet te vereenzelvigen is met de vennootschappen [naamloze vennootschap 1] en [naamloze vennootschap 2] , omdat dit andere entiteiten zijn met een eigen vertegenwoordigingsbevoegd bestuur en eigen statuten, en voorts onderworpen aan het Belgische recht. De strategie en het beleid van [naamloze vennootschap 1] en [naamloze vennootschap 2] worden bepaald door het eigen bestuur (waarvan [appellant] nooit deel heeft uitgemaakt). [stichting] is slechts (groot)aandeelhouder van die vennootschappen. Binnen het bestuur van [stichting] (waarvan [appellant] nu dus wel deel uitmaakt) wordt dus geen beleid voor de vennootschappen gevormd. [appellant] had en heeft wel de mogelijkheid om de besluitvorming van [stichting] (bijvoorbeeld) met betrekking tot de vennootschappen aan te tasten – en daar blijkbaar al stappen toe gezet – , maar daarvoor is een verzoek tot ontslag van [bestuurder c.q. voorzitter] als bestuurder tevens voorzitter van [stichting] niet de voorgeschreven procedure.</para>
          <para>Dat volgens [appellant] de gehele nalatenschap van vader en moeder [achternaam] zich in [naamloze vennootschap 2] en [naamloze vennootschap 1] bevindt, maakt niet dat daarom [bestuurder c.q. voorzitter] zijn taak als bestuurder van [stichting] verwaarloost en om die reden moet worden ontslagen. </para>
          <para>Naar het oordeel van het hof is dus geen sprake van de door [appellant] aangevoerde tegenstrijdige belangen, alleenheerschappij, schending van artikel 2:8 BW of strijd met de zorgplicht jegens minderheidsaandeelhouders.</para>
        </parablock>
        <para />
      </paragroup>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.13.</nr>
      <para>
        [appellant] heeft in dit kader (taakverwaarlozing) óók een beroep gedaan op artikel 2:291 lid 3 BW, op grond waarvan bestuurders zich moeten richten naar het belang van de stichting en de met haar verbonden onderneming of organisatie, in verbinding met lid 6 van artikel 2:291 BW, waarin – onder meer – staat dat een bestuurder niet deelneemt aan de beraadslaging en besluitvorming indien hij daarbij een direct of indirect persoonlijk belang heeft dat tegenstrijdig is met het belang als bedoeld in lid 3. Volgens [appellant] is van zo’n tegenstrijdig persoonlijk belang sprake. Het enige doel van de besluiten van 12 december 2023 was volgens [appellant] het veiligstellen van de persoonlijke belangen van [bestuurder c.q. voorzitter] en [bestuurder 1] , die twee handen op één buik zijn.    </para>
      <para />
      <paragroup>
        <nr>3.13.1.</nr>
        <parablock>
          <para>Op de eerste plaats is het hof van oordeel dat ‘het zijn van twee handen op één buik’  onvoldoende onderbouwing is van de stelling dat sprake is van een tegenstrijdig persoonlijk belang van [bestuurder c.q. voorzitter] . Niet ieder persoonlijk belang is een tegenstrijdig belang. Of sprake is van een tegenstrijdig belang moet worden beoordeeld aan de hand van het criterium zoals neergelegd in het Bruil-arrest (HR 29 juni 2007, ECLI:NL:HR:HR:2007:BA0033). Er dient sprake te zijn van zodanige onverenigbare belangen dat in redelijkheid kan worden betwijfeld of de bestuurder zich bij zijn handelen uitsluitend heeft laten leiden door het belang van de rechtspersoon en de daaraan verbonden onderneming of organisatie. Of dit het geval is, moet volgens de Hoge Raad worden beoordeeld aan de hand van alle relevante omstandigheden van het concrete geval, op grond van daartoe naar voren gebrachte, voldoende geadstrueerde, omstandigheden die zodanig van invloed kunnen zijn geweest op de besluitvorming van de betrokken bestuurder dat hij zich niet in staat had mogen achten het belang van de vennootschap(pen) en de daaraan verbonden onderneming met de vereiste integriteit en objectiviteit te behartigen en zich van de desbetreffende rechtshandeling had moeten onthouden. Toegepast op de onderhavige ontslagzaak en mede in aanmerking genomen de ingrijpende gevolgen die aan een geslaagd beroep op artikel 2:298 BW zijn verbonden (zoals een bestuurdersverbod voor 5 jaren, lid 3 van 2:298 BW), mag hiertoe niet worden volstaan met het aanvoeren van de enkele mogelijkheid in abstracto van een tegenstrijdig belang, zonder dat dit beroep wordt geconcretiseerd. Hetgeen [appellant] heeft aangevoerd zijn slechts hypothetische stellingen, die ook nog eens niet zijn onderbouwd (zie hiervoor). <?linebreak?>Ter zitting heeft [appellant] nader toegelicht dat het er in de kern om gaat dat [bestuurder c.q. voorzitter] als voorzitter het recht heeft om namens alle aandelen in de ava’s van de vennootschappen te stemmen. Volgens hem handelt [bestuurder c.q. voorzitter] dan onrechtmatig tegen de minderheidscertificaathouder ( [appellant] ). Op de vraag van het hof of dat per definitie onrechtmatig is of enkel in de situatie dat de minderheid daadwerkelijk in zijn of haar belang wordt bedreigd, heeft [appellant] geantwoord dat elke beslissing onrechtmatig KAN zijn. Maar dat is dus onvoldoende voor een geslaagd beroep op artikel 2:291 BW. Niet elke <emphasis role="italic">potentiële</emphasis> tegenstrijdigheid levert strijd met het (hiervoor weergegeven) belang van [stichting] op.  </para>
          <para>Voorts volgt uit lid 6 van art. 2:291 BW dat áls sprake is van een (in)direct persoonlijk tegenstrijdig belang, het bestuursbesluit kan worden genomen door een Raad van Commissarissen. Als die er niet is (zoals hier het geval is), dan kan het bestuur het besluit tóch nemen met de daarvoor geldende statutaire meerderheid én worden de overwegingen die aan het besluit ten grondslag liggen schriftelijk vastgelegd. De statuten van [stichting] bepalen hier niet anders. </para>
          <para>Van een tegenstrijdig persoonlijk belang van [bestuurder c.q. voorzitter] in de zin zoals door [appellant] aangevoerd, is naar het oordeel van het hof dus ook geen sprake.</para>
        </parablock>
        <para />
      </paragroup>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.14.</nr>
      <para>Het voorgaande levert de tussenconclusie op dat voor ‘verwaarlozing van zijn taak’ onvoldoende is gesteld en dat een dergelijke verwaarlozing dus ook niet aannemelijk is.</para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="underline">Andere gewichtige redenen</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.15.</nr>
      <para>In dit kader heeft [appellant] aangevoerd dat de gedragingen van [bestuurder c.q. voorzitter] en [bestuurder 1] maken dat het vertrouwen in [bestuurder c.q. voorzitter] bij [appellant] geheel ontbreekt en dat het persoonlijk belang van [bestuurder c.q. voorzitter] meer dan voldoende reden is voor zijn ontslag als bestuurder en voorzitter. </para>
      <para />
      <paragroup>
        <nr>3.15.1.</nr>
        <para>Het hof heeft hiervoor reeds overwogen dat van een tegenstrijdig (persoonlijk) belang van [bestuurder c.q. voorzitter] geen sprake is. Het enkele gebrek aan vertrouwen bij [appellant] maakt niet dat [bestuurder c.q. voorzitter] dient te worden ontslagen op grond van ‘andere gewichtige redenen’. Nu het hof aanneemt dat [appellant] zijn bestuurderschap heeft aanvaard, kan hij als bestuurder in ieder geval invloed uitoefenen binnen [stichting] .</para>
        <para />
        <parablock>
          <para>
            <emphasis role="underline">Ingrijpende wijziging van omstandigheden</emphasis>
          </para>
        </parablock>
        <para />
      </paragroup>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.16.</nr>
      <para>In dit kader heeft [appellant] aangevoerd dat het voortduren van het voorzitterschap en bestuurderschap van [bestuurder c.q. voorzitter] binnen [stichting] niet meer kan worden geduld. [appellant] noemt als niet  te dulden de belangenverstrengeling, het besluit om [bestuurder c.q. voorzitter] met 2/3e meerderheid tot voorzitter te benoemen, hem het stemrecht te geven over alle door [stichting] gehouden aandelen in de aandeelhoudersvergaderingen van [naamloze vennootschap 1] en [naamloze vennootschap 2] , het benoemen van [bestuurder 2] als derde bestuurder van [naamloze vennootschap 1] en [naamloze vennootschap 2] , en, ten slotte, het zichzelf ( [bestuurder c.q. voorzitter] ) en [bestuurder 1] décharge verlenen als bestuurders van [naamloze vennootschap 1] en [naamloze vennootschap 2] .     </para>
      <para />
      <paragroup>
        <nr>3.16.1.</nr>
        <para>Deze opsomming als ‘ingrijpende wijzigingen van omstandigheden’ zijn de op 12 december 2023 genomen besluiten. Ze betreffen een herhaling van de hiervoor weergegeven standpunten van [appellant] in het kader van (met name) de taakverwaarlozing van [bestuurder c.q. voorzitter] als bestuurder, waarover het hof reeds heeft geoordeeld dat dat niet aannemelijk is. Belangenverstrengeling is in dit kader mogelijk een nieuw standpunt, maar ook dat is niet aannemelijk omdat [bestuurder c.q. voorzitter] gewoon uitvoering geeft aan de statuten van [stichting] . [bestuurder c.q. voorzitter] is niet de enige bestuurder. Behalve de bevoegdheden die hij als voorzitter heeft, kan hij zelf (in zijn eentje) geen besluiten nemen. Uit niets blijkt dat hij misbruik maakt van zijn stemrecht in de vennootschappen, nu vooraf in het bestuur van [stichting] over de te nemen besluiten is gesproken – [appellant] was daar bewust niet bij – en daarover vervolgens is besloten. <?linebreak?>Voorts kunnen [bestuurder c.q. voorzitter] en [bestuurder 1] de aandelen in [naamloze vennootschap 1] en [naamloze vennootschap 2] niet vervreemden of bezwaren zónder algemene stemmen van de certificaathouders, zijnde [bestuurder c.q. voorzitter] en [bestuurder 1] én [appellant] (statuten art. 10 lid 11 sub a t/m c). [appellant] heeft ook in dit kader niet aangevoerd welke (concrete) handelingen/besluiten [bestuurder c.q. voorzitter] heeft verricht die maken dat (alleen) hij als bestuurder van [stichting] zou moeten worden ontslagen. </para>
        <para />
      </paragroup>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.17.</nr>
      <para>
        [appellant] heeft ter zitting (aanvullend) zijn zorgen geuit over het onroerend goed dat in de vennootschappen [naamloze vennootschap 1] en [naamloze vennootschap 2] zit van meer dan 10 miljoen euro (de nog onverdeelde nalatenschap). Bij verkoop daarvan komen de gelden binnen in die vennootschappen en het huidige bestuur ( [bestuurder c.q. voorzitter] en [bestuurder 1] en [bestuurder 2] ) kan vervolgens beslissen wat de bestemming is van die gelden, zónder [appellant] daarbij te betrekken. <?linebreak?>Het hof kan [appellant] voor een deel in dit betoog volgen, namelijk dat juist is dat [bestuurder c.q. voorzitter] en [bestuurder 1] , die beiden al sinds 20 mei 2003 en 31 mei 2006 (mede)bestuurders zijn van respectievelijk [naamloze vennootschap 1] en [naamloze vennootschap 2] , als bestuurders onroerend goed kunnen verkopen. Zij hebben echter gesteld hier terughoudend mee om te gaan; zo liggen er in [naamloze vennootschap 1] geen concrete verkoopplannen voor. Daarbij is [appellant] nooit bestuurder van die vennootschappen geweest en heeft hij niet aannemelijk gemaakt dat hij vóór het overlijden van vader bemoeienis met de vennootschappen heeft gehad. De overige vraagpunten die [appellant] heeft geuit, zoals de belastingaanslag van € 800.000,- en de regeling met de fiscus, panden die zouden zijn verkocht en verhuurd, transacties met voorraden, zijn allemaal besproken in [stichting] tijdens de vergadering van 12 december 2023 (via de nota waarin op de vragen van [appellant] d.d. 21 november 2023 is ingegaan). [appellant] heeft er toen zelf voor gekozen niet op die vergadering te verschijnen. De vragen van [appellant] hebben betrekking op (het bestuur van) de vennootschappen en kunnen mogelijk een rol spelen in de andere procedures tussen partijen (hiervoor weergegeven onder de laatste twee feiten o en p), maar niet in de onderhavige ontslagprocedure, om de redenen als hiervoor al opgenomen. </para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="underline">Conclusie</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.18.</nr>
      <para>De conclusie is dat de door [appellant] aangevoerde verwijten zowel afzonderlijk als in samenhang bezien geen grond (kunnen) vormen voor een ontslag van [bestuurder c.q. voorzitter] als bestuurder (en voorzitter) van [stichting] . Het hof komt niet toe aan het door [appellant] gedane bewijsaanbod.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.19.</nr>
      <para>Het hof zal <emphasis role="underline">in de hoofdzaak (200.345.656/01)</emphasis> de beschikking waarvan beroep bekrachtigen, voor zover [appellant] niet-ontvankelijk is verklaard in zijn verzoek tot ontslag van [bestuurder c.q. voorzitter] als voorzitter van [stichting] . Voorts zal het hof het in hoger beroep vermeerderde verzoek tot ontslag van [bestuurder c.q. voorzitter] als bestuurder (en voorzitter) van [stichting] afwijzen.  </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.20.</nr>
      <para>Nu de hoofdzaak zal worden afgedaan zoals hiervoor beschreven, heeft [appellant] bij zijn verzoek <emphasis role="underline">in het incident/de voorlopige voorziening (200.345.656/02)</emphasis> geen belang meer nu geen sprake is van een onwenselijke situatie die onmiddellijk moet worden beëindigd. Het hof zal dit verzoek tot schorsing eveneens afwijzen.</para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="underline">Proceskosten</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.21.</nr>
      <para>Het hof zal [appellant] als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten van dit hoger beroep (hoofdzaak en incident) veroordelen. Die kosten aan de zijde van [bestuurder c.q. voorzitter] worden vastgesteld op:</para>
      <itemizedlist mark="-">
        <listitem>
          <para>griffierechten			€     349,-</para>
        </listitem>
        <listitem>
          <para>salaris advocaat			€  2.428,- (2 punt(en) x tarief II)</para>
        </listitem>
        <listitem>
          <para>nakosten			€     178,- (plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)				----------</para>
        </listitem>
      </itemizedlist>
      <parablock>
        <para>Totaal				€  2.955,-</para>
        <para>De proceskostenveroordeling zal zoals verzocht uitvoerbaar bij voorraad worden verklaard. De verzochte wettelijke rente over de proceskosten wordt voorts toegewezen zoals vermeld in de beslissing.</para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.22.</nr>
      <para>De kosten van [stichting] worden bepaald op nihil.</para>
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>
      <nr>4</nr>De beslissing</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het hof:</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="underline">in de zaak 200.345.656/01:</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>bekrachtigt de beschikking waarvan beroep voor zover [appellant] niet-ontvankelijk is verklaard in zijn verzoek tot ontslag van [bestuurder c.q. voorzitter] als voorzitter van [stichting] ;</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>wijst af het in hoger beroep vermeerderde verzoek tot ontslag van [bestuurder c.q. voorzitter] als bestuurder (en voorzitter) van [stichting] ;</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="underline">in de zaak 200.345.656/02:</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>wijst af het verzoek in het incident/de voorlopige voorziening;</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="underline">in beide zaken:</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>veroordeelt [appellant] in de proceskosten van [bestuurder c.q. voorzitter] ad € 2.955,-, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe. Als [appellant] niet tijdig aan deze veroordeling voldoet en de beschikking daarna wordt betekend, dan moet hij € 92,- extra betalen vermeerderd met de kosten van betekening;</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>veroordeelt [appellant] in de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 Burgerlijk Wetboek over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn voldaan;</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>verklaart de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad; </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>wijst af het meer of anders verzochte.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Deze beschikking is gegeven door mrs. R.R.M. de Moor, J.B. Smits en T. van Malssen</para>
      <para>en is in het openbaar uitgesproken op 19 december 2024.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
  </section>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>