<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:GHSHE:2024:3872</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2025-06-03T14:50:05</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2024-12-05</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Gerechtshof_'s-Hertogenbosch" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Gerechtshof 's-Hertogenbosch</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2024-12-05</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">200.346.422_01</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#hogerBeroep">Hoger beroep</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">'s-Hertogenbosch</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#civielRecht_personenEnFamilierecht">Civiel recht; Personen- en familierecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHSHE:2024:3872">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHSHE:2024:3872</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2025-06-03T14:49:29</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2025-06-03</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:GHSHE:2024:3872 Gerechtshof 's-Hertogenbosch , 05-12-2024 / 200.346.422_01</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:GHSHE:2024:3872:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Rechtmatigheidstoets. Bekrachtiging van de opeenvolgende machtigingen tot uithuisplaatsing van de kinderen.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:GHSHE:2024:3872:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <uitspraak.info>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">GERECHTSHOF 's-HERTOGENBOSCH </emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Team familie- en jeugdrecht</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Uitspraak: 5 december 2024</para>
      <para>Zaaknummer: 200.346.422/01</para>
      <para>Zaaknummers eerste aanleg: C/03/332185 / JE RK 24-1033 en C/03/333476 / JE RK 24-1319 </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>in de zaak in hoger beroep van:</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">
          [de moeder]
        </emphasis>, 				</para>
      <para>wonende te [woonplaats] ,</para>
      <para>verzoekster in hoger beroep,</para>
      <para>hierna te noemen: de moeder,</para>
      <para>advocaat: mr. C.C.J. van Pol,</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>tegen</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">Raad voor de Kinderbescherming,</emphasis>
      </para>
      <para>regio [regio] , locatie [locatie] ,</para>
      <para>verweerder in hoger beroep,</para>
      <para>hierna te noemen: de raad,</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>en</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">William Schrikker Stichting Jeugdbescherming en Jeugdreclassering,</emphasis>
      </para>
      <para>statutair gevestigd te [vestigingsplaats] ,</para>
      <para>verweerster in hoger beroep.</para>
      <para>hierna te noemen: de GI (gecertificeerde instelling).</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Deze zaak gaat over: </para>
      <para>
        <emphasis role="bold">
          [minderjarige 1]
        </emphasis>, geboren op [geboortedatum] 2017 te [geboorteplaats] , hierna te noemen: [minderjarige 1] ;							</para>
      <para>
        <emphasis role="bold">
          [minderjarige 2]
        </emphasis>, geboren op [geboortedatum] 2022 te [geboorteplaats] , hierna te noemen: [minderjarige 2] .</para>
      <para>Hierna gezamenlijk aan te duiden als: de kinderen. <?linebreak?></para>
      <para>Als belanghebbende wordt aangemerkt:</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">
          [de (stief)vader] ,	  			</emphasis>
      </para>
      <para>blijkens het BRP wonende te [woonplaats] ,</para>
      <para>hierna te noemen: de (stief)vader.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="underline italic">In het kort:</emphasis>
      </para>
      <para>
        <emphasis role="italic">Deze zaak gaat over de uithuisplaatsing van de kinderen. </emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
  </uitspraak.info>
  <section>
    <title>
      <nr>1</nr>Het geding in eerste aanleg</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het hof verwijst voor het verloop van het geding in eerste aanleg naar de beschikkingen van de kinderrechter van de rechtbank Limburg, zittingsplaats Roermond, van 3 juli 2024 (C/03/332185 / JE RK 24-1033), 1 augustus 2024 en 20 augustus 2024 (C/03/333476 / JE RK 24-1319), uitgesproken onder voormelde zaaknummers.</para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>2</nr>Het geding in hoger beroep</title>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>2.1.</nr>
      <para>Bij beroepschrift met producties, ingekomen ter griffie op 30 september 2024, heeft de moeder verzocht voormelde beschikkingen te vernietigen en opnieuw rechtdoende de raad en de GI niet-ontvankelijk te verklaren in hun verzoeken, althans de verzoeken af te wijzen als zijnde ongegrond en onbewezen. Subsidiair verzoekt de moeder om de duur van de machtiging tot uithuisplaatsing te beperken voor de duur van maximaal zes maanden na 3 juli 2024.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.2.</nr>
      <para>Bij verweerschrift met producties, ingekomen ter griffie op 22 oktober 2024, heeft de GI verzocht de moeder niet-ontvankelijk te verklaren in hoger beroep, dan wel haar hoger beroep af te wijzen en de bestreden beschikking te bekrachtigen.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.3.</nr>
      <para>Bij verweerschrift met producties, ingekomen ter griffie op 24 oktober 2024, heeft de raad verzocht de bestreden beschikking van 3 juli 2024 in stand te laten en te concluderen tot afwijzing van het hoger beroep van de moeder.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.4.</nr>
      <para>De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 29 oktober 2024. Bij die gelegenheid zijn gehoord: </para>
      <para>- de advocaat van de moeder;</para>
      <para>- [vertegenwoordiger van de raad 1] en [vertegenwoordiger van de raad 2] , namens de raad;</para>
      <para>- [vertegenwoordiger van de GI 1] en [vertegenwoordiger van de GI 2] , namens de GI;</para>
      <para>- de (stief)vader.</para>
      <para />
      <paragroup>
        <nr>2.4.1.</nr>
        <para>De moeder is, met bericht van verhindering, niet op de mondelinge behandeling verschenen.</para>
        <para />
      </paragroup>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.5.</nr>
      <para>Het hof heeft voorts kennisgenomen van de inhoud van:</para>
      <itemizedlist mark="-">
        <listitem>
          <para>het proces-verbaal van de mondelinge behandeling in eerste aanleg van 3 juli 2024;</para>
        </listitem>
        <listitem>
          <para>het V6-formulier met productie van de advocaat van de moeder van 15 oktober 2024;</para>
        </listitem>
        <listitem>
          <para>het V6-formulier met productie van de advocaat van de moeder van 17 oktober 2024.</para>
        </listitem>
      </itemizedlist>
      <para />
      <paragroup>
        <nr>2.5.1.</nr>
        <para>Na de mondelinge behandeling heeft het hof op 7 november 2024 van de raad een oplegnotitie met een aangepast rapport ontvangen naar aanleiding van een deels gegrond verklaarde klacht van de (stief)vader. Het hof heeft partijen in de gelegenheid gesteld hierop te reageren. De moeder heeft hier op 18 november 2024 op gereageerd. De (stief)vader heeft hier op 20 november 2024 op gereageerd.</para>
        <para />
      </paragroup>
    </paragroup>
  </section>
  <section role="overwegingen">
    <title>
      <nr>3</nr>De beoordeling</title>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>3.1.</nr>
      <parablock>
        <para>De moeder is belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige 1] en [minderjarige 2] .</para>
        <para>
          [minderjarige 1] en [minderjarige 2] wonen bij de moeder en de (stief)vader. De heer [betrokkene] is de biologische vader van [minderjarige 1] . De (stief)vader is de biologische vader van [minderjarige 2] . De (stief)vader heeft de Belgische nationaliteit.</para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>De moeder heeft een oudere zoon genaamd [minderjarige 3] , geboren op [geboortedatum] 2011. De heer [betrokkene] is de biologische vader van [minderjarige 3] . Voorheen waren de ouders gezamenlijk belast met het gezag over [minderjarige 3] . De moeder oefent sinds 19 juli 2023 eenhoofdig het gezag over [minderjarige 3] uit. [minderjarige 3] verblijft sinds 18 juni 2024 bij [instantie 1] en sinds 3 juli 2024 verblijft hij aldaar op basis van een machtiging tot uithuisplaatsing. </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.2.</nr>
      <para>De kinderen staan sinds 3 juli 2024 onder toezicht van de GI. De ondertoezichtstelling is verleend voor de duur van één jaar, te weten tot 3 juli 2025.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.3.</nr>
      <para>Bij de bestreden - uitvoerbaar bij voorraad verklaarde - beschikking van 3 juli 2024 heeft de rechtbank een machtiging verleend aan de GI om de kinderen met ingang van 3 juli 2024 tot uiterlijk 3 juli 2025 uit huis te plaatsen in een voorziening voor pleegzorg.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.4.</nr>
      <para>Bij de bestreden - uitvoerbaar bij voorraad verklaarde - beschikking van 1 augustus 2024 heeft de kinderrechter een spoedmachtiging verleend aan de GI om de kinderen met ingang van 1 augustus 2024 tot uiterlijk 22 augustus 2024 uit huis te plaatsen in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.5.</nr>
      <para>Bij de bestreden - uitvoerbaar bij voorraad verklaarde - beschikking van 20 augustus 2024 heeft de kinderrechter een machtiging verleend aan de GI om de kinderen tot 29 augustus 2024 uit huis te plaatsen in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder en aansluitend voor de duur van de ondertoezichtstelling in een pleeggezin en/of gezinshuis, te weten tot 3 augustus 2025. Tijdens de mondelinge behandeling in hoger beroep is besproken dat de ondertoezichtstelling loopt tot 3 juli 2025 en dat het hof begrijpt dat de kinderrechter heeft bedoeld de machtiging tot uithuisplaatsing aldus te verlenen tot 3 juli 2025. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.6.</nr>
      <para>De moeder kan zich met de beslissingen onder 3.3, 3.4 en 3.5 niet verenigen en zij is hiervan in hoger beroep gekomen.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.7.</nr>
      <parablock>
        <para>De moeder voert in het beroepschrift, zoals aangevuld tijdens de mondelinge behandeling, – samengevat – het volgende aan. De machtigingen tot uithuisplaatsing van de kinderen zijn onterecht verleend. Sinds [minderjarige 3] uit huis is geplaatst, is de situatie thuis sterk verbeterd. De situatie ten tijde van het raadsonderzoek verschilde enorm ten opzichte van de situatie ten tijde van het wijzen van de bestreden beschikkingen. [minderjarige 3] is ná het raadsonderzoek en vóór de beschikking van 3 juli 2024 uit huis geplaatst, de moeder werkte niet meer buitenshuis en kon zich fulltime richten op de opvoeding en verzorging van de kinderen en het huishouden. De GI en de raad hebben onvoldoende onderscheid gemaakt tussen de vorige relatie van de moeder met de vader van [minderjarige 3] en [minderjarige 1] en de huidige relatie die zij heeft met de biologische vader van [minderjarige 2] . De moeder en de (stief)vader staan open voor hulpverlening in het vrijwillig kader en erkennen dat zij [minderjarige 3] in de thuissituatie niet de zorg kunnen bieden die hij nodig heeft. Deze positieve ontwikkelingen in de huidige situatie zijn door de raad echter onbelicht gebleven. Met behulp van de ingezette hulpverlening zijn er verbeteringen gekomen voorafgaand aan de uithuisplaatsing. De rapportages van [instantie 2] tonen aan dat de moeder grote stappen heeft gezet. De kinderopvang van [minderjarige 2] en de BSO van [minderjarige 1] rapporteerden ook positieve ontwikkelingen. De moeder en de (stief)vader waren dus op de goede weg en hebben niet de kans gekregen om de positieve ontwikkelingen voort te zetten. De uithuisplaatsing van de kinderen was prematuur en kan niet in hun belang worden geacht.</para>
        <para>De spoedmachtiging tot uithuisplaatsing van de kinderen in een accommodatie voor een jeugdhulpaanbieder kan al helemaal niet in hun belang worden geacht. Het verzoek tot spoeduithuisplaatsing kwam voort uit een vraag van de moeder en de (stief)vader om de kinderen in het weekend mee te nemen naar een automeeting in België. De GI schetst dan ook in haar verzoek ten onrechte het beeld dat de moeder en de (stief)vader de kinderen naar België zouden ontvoeren. Vervolgens zijn de kinderen bij [instantie 1] geplaatst. Alle betrokkenen waren het eens over het feit dat [instantie 1] geen passende plek was voor de kinderen. Hoewel [instantie 1] geen passende plek was, was het positief dat de kinderen nog wel naar hun oude school gingen en de moeder hen regelmatig zag. De contactmomenten zouden zelfs uitgebreid worden. Nog voor de contactmomenten werden uitgebreid, zijn de kinderen in een gezinshuis in [plaats] geplaatst. Het gevolg hiervan is dat de kinderen sindsdien naar een andere school en opvang gaan. Waar de moeder de kinderen eerst drie keer per week zag, zijn de contactmomenten nu fors beperkt. De kinderen hebben na hun verblijf bij [instantie 1] ook geen contact meer gehad met [minderjarige 3] . De (spoed)plaatsing bij [instantie 1] noch de overplaatsing naar [plaats] kan in het belang van de kinderen worden geacht.</para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.8.</nr>
      <parablock>
        <para>De GI voert in het verweerschrift, zoals aangevuld tijdens de mondelinge behandeling,  – samengevat – het volgende aan. Er is bij de moeder en de (stief)vader geen sprake van goed genoeg ouderschap op basis waarvan de kinderen thuis op kunnen groeien. Volgens de moeder en de (stief)vader zijn de zorgen over de opvoedsituatie door [minderjarige 3] en zijn gedrag ontstaan. Zij erkennen hun eigen aandeel in de zorgelijke opvoedsituatie niet. Hoewel de moeder en de (stief)vader kleine positieve stappen zetten onder directe begeleiding van hulpverlening, zijn de ontwikkelingsbedreigingen niet weggenomen. Gelet op de kindeigen problematiek van de kinderen hebben zij meer zorg nodig dan de moeder en de (stief)vader kunnen bieden. Het lukt hun niet om te anticiperen op wat de kinderen nodig hebben of om bepaald gedrag voor te zijn. Affectie en emotionele beschikbaarheid komen niet vanuit de moeder en de (stief)vader zelf, maar vanuit aansturing van hulpverlening. Er is binnen het gezin geen ruimte voor de emoties van de kinderen. Zo mogen de kinderen van de ouders niet over [minderjarige 3] praten en mogen ze hem niet zien.</para>
        <para>Het is juist dat de verslagen van [instantie 2] (uitsluitend) positieve dingen bevatten. Dit is echter gelegen in het feit dat [instantie 2] ervoor heeft gekozen om enkel in te steken op wat goed gaat. Uit de vele hulpverlening in het verleden is gebleken dat het uitspreken van zorgen veel weerstand oplevert wat tot gevolg had dat de moeder en de (stief)vader de hulpverlening uiteindelijk stopten. Er wordt met de moeder en de (stief)vader nu dus alleen besproken wat ze kunnen/willen horen. Door deze positieve benadering blijft er zicht op de kinderen. [instantie 2] en school hebben hun zorgen alleen rechtstreeks met de GI gedeeld. </para>
        <para>Ten tijde van de spoedmachtiging verbleven de kinderen aanvankelijk nog thuis vanwege een gebrek aan een passend pleeggezin. Toen de (stief)vader dreigde de kinderen mee te nemen naar België, heeft de GI verzocht om een spoedmachtiging. De kinderen werden vervolgens geplaatst bij [instantie 1] . De GI zocht ondertussen naar een passende plek. Vanwege een tekort aan ruimte of een passende plek in de regio en de beëindiging van de gemeentelijke financiering, werden de kinderen in een gezinshuis in [plaats] geplaatst. Deze plaatsing was de enige optie om een crisisplaatsing te voorkomen. De kinderen zijn aangemeld bij [instantie 3] en [instantie 4] en staan op de wachtlijst voor een pleeggezin. Zij hebben de ene week anderhalf uur fysiek contact met de moeder en de (stief)vader en de andere week een beeldbelmoment van maximaal 30 minuten. Tijdens de bezoekmomenten ziet de GI weinig emotionele beschikbaarheid van de moeder en de (stief)vader en ook weinig aansluiting bij de kinderen. [minderjarige 1] doet het goed op haar nieuwe school, maar er zijn zorgen over de wijze waarop zij contact zoekt met andere kinderen. [minderjarige 1] is niet gewend aan dagstructuur en huisregels vanuit normen en waarden. Voor [minderjarige 2] is een nieuwe VVE-indicatie aangevraagd omdat zij nu in een andere regio woont. De GI heeft nog steeds het doel om de kinderen terug te plaatsen. Het is van belang dat eerst meer zicht komt op de thuissituatie en de opvoedvaardigheden van de moeder enerzijds en de (stief)vader anderzijds.</para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.9.</nr>
      <parablock>
        <para>De raad voert in het verweerschrift, zoals aangevuld tijdens de mondelinge behandeling, – samengevat – het volgende aan. De raad betwist dat hij er volledig aan voorbij is gegaan dat de situatie bij de moeder drastisch is gewijzigd sinds de uithuisplaatsing van [minderjarige 3] . Er is sprake van forse gezinsproblematiek waarbij de moeder en de (stief)vader tekortschieten en dit niet erkennen. Er zijn zorgen over basisverzorging, beschikbaarheid en opvoedershandelen van de moeder en de (stief)vader in bredere zin. [minderjarige 3] kan niet worden aangewezen als de oorzaak van alle problemen binnen het gezin. Ook toen [minderjarige 3] bij [instantie 1] ‘logeerde’, zag [instantie 2] nog steeds zorgen. De scholen/BSO van de kinderen hebben in die periode diverse e-mails verstuurd waaruit blijkt dat de moeder en de (stief)vader zich niet aan de veiligheidsafspraken houden. Uit een rapportage van [instantie 5] blijkt dat er vanuit [minderjarige 1] nog steeds signalen werden benoemd van ruzie thuis en mishandeling. Uit hetzelfde rapport blijkt dat er nog steeds verantwoordelijkheden bij de kinderen worden neergelegd die niet leeftijdsadequaat zijn. De zorgen die aanwezig waren toen de moeder in een relatie was met de heer [betrokkene] zijn nog steeds aanwezig. De zorgen zien op de opvoedvaardigheden van de moeder. De huidige relatie met (stief)vader heeft hier geen invloed op. </para>
        <para>Het lukt de moeder en met name de (stiefvader) die telkens een bepalende rol had, niet om afspraken te maken en hulpverlening te accepteren. Op grond van de informatie die de raad gedurende het onderzoek heeft gekregen, heeft de raad moeten concluderen dat de moeder en de (stief)vader weinig leerbaar zijn. Zij hebben veel herhaling, externe ondersteuning en sturing nodig. Ondanks de positieve stappen die de moeder op het gebied van verzorging en hygiëne van de kinderen heeft gezet, is dit in de ogen van de raad een minimale bodemeis en basisbehoefte die voor kinderen geregeld moet zijn. Het feit dat het hieraan ontbrak en dat de moeder en de (stief)vader bij zulke basale zaken sturing nodig hebben, geeft de ernst van de situatie en de ontwikkelingsbedreiging weer. De raad betreurt dat het ondanks de verleende machtiging niet is gelukt om de kinderen eerder uit huis te plaatsen.</para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.10.</nr>
      <para>De (stief)vader voert tijdens de mondelinge behandeling - samengevat - het volgende aan. Voorafgaand aan de uithuisplaatsing werkten de moeder en hij aan de doelen die waren vastgesteld. Alles waar zij zich toen aan moesten houden en wat toen aan hen is geleerd, wordt nu verkeerd gevonden. De (stief)vader kan niet werken aan de doelen zoals deze nu zijn opgesteld. Zij kunnen alleen werken aan de doelen als de kinderen thuis zijn. De (stief)vader moet thuis op de bank gaan oefenen hoe hij bijvoorbeeld de kinderen moet straffen. Dat kan niet als de kinderen 80 km van huis zijn en er zulke beperkte contactmomenten zijn. Hij heeft zijn best gedaan om [minderjarige 3] thuis te kunnen houden, maar voor [minderjarige 3] was het eigenlijk al te laat. Op dit moment is er geen contact tussen hem en [minderjarige 3] . De (stief)vader zoekt nu ook geen contact met [minderjarige 3] . Als [minderjarige 3] weer op de goede rit is, kan er weer contact zijn. De kinderen hebben ook geen contact met [minderjarige 3] . Hij heeft soms een slechte invloed op hen. Sinds [minderjarige 3] niet meer thuis woont, gaat het beter in het gezin. Vanuit de hulpverlening heeft de (stief)vader wisselende signalen gekregen: [instantie 5] ( [instantie 2] ) zegt aan de moeder en de (stief)vader dat zij het goed doen en aan de GI laten ze weten dat we het niet goed doen. </para>
      <para />
      <para />
      <para />
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.11.</nr>
      <para>Het hof overweegt het volgende. </para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">Vooraf</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
      <paragroup>
        <nr>3.11.1.</nr>
        <para>Het hoger beroep is niet gericht tegen de ondertoezichtstelling van de kinderen tot 3 juli 2025.</para>
        <para />
        <parablock>
          <para>
            <emphasis role="italic">Rechtmatigheidstoets</emphasis>
          </para>
        </parablock>
        <para />
      </paragroup>
      <paragroup>
        <nr>3.11.2.</nr>
        <parablock>
          <para>Bij de bestreden beschikking van 3 juli 2024 heeft de rechtbank een machtiging tot uithuisplaatsing van de kinderen in een voorziening voor pleegzorg verleend van 3 juli 2024 tot 3 juli 2025. Deze machtiging is niet ten uitvoer gelegd. </para>
          <para>Bij de bestreden beschikking van 1 augustus 2024 heeft de rechtbank een spoedmachtiging tot uithuisplaatsing van de kinderen in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder verleend van 1 augustus 2024 tot 22 augustus 2024. Bij de bestreden beschikking van 20 augustus 2024 is een spoedmachtiging tot uithuisplaatsing van de kinderen in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder verleend van 22 augustus 2024 tot 29 augustus 2024. De termijn waarop deze twee machtigingen betrekking heeft (van 1 augustus 2024 tot 29 augustus 2024) is verstreken.</para>
          <para>Gelet op het door artikel 8 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens gewaarborgde recht op eerbiediging van het gezinsleven, heeft de moeder evenwel een rechtens relevant belang om in hoger beroep te laten beoordelen of de machtigingen terecht zijn gegeven. De moeder behoort niet haar procesbelang te worden ontzegd op de enkele grond dat de periode waarvoor de maatregel gold, inmiddels is verstreken of de machtiging niet ten uitvoer is gelegd en daardoor ten tijde van de uitspraak in hoger beroep is vervallen.</para>
          <para>Bij deze beoordeling van de rechtmatigheid van de verleende machtigingen tot uithuisplaatsing dient het hof uit te gaan van de situatie ten tijde van de beslissing(en) van de kinderrechter en van de gegevens waarover de kinderrechter beschikte, met inachtneming van het in hoger beroep gevoerde debat (zie HR 18 maart 2022, ECLI:NL:HR:2022:395).</para>
        </parablock>
        <para />
        <parablock>
          <para>
            <emphasis role="italic">Wettelijk kader</emphasis>
          </para>
        </parablock>
        <para />
      </paragroup>
      <paragroup>
        <nr>3.11.3.</nr>
        <para>Ingevolge artikel 1:265b eerste en tweede lid, van het Burgerlijk Wetboek (BW) kan de kinderrechter de raad op diens verzoek machtigen de minderjarige gedurende dag en nacht uit huis te plaatsen indien dit noodzakelijk is in het belang van de verzorging en opvoeding van de minderjarige of tot onderzoek van diens geestelijke of lichamelijke gesteldheid.</para>
        <para />
      </paragroup>
      <paragroup>
        <nr>3.11.4.</nr>
        <para>Op grond van artikel 1:265c lid 3 BW vervalt deze machtiging wanneer deze na verloop van drie maanden niet ten uitvoer is gelegd.</para>
        <para />
      </paragroup>
      <paragroup>
        <nr>3.11.5.</nr>
        <para>Op basis van artikel 800 lid 3 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) kan de beschikking tot machtiging van de gecertificeerde instelling om een minderjarige uit huis te plaatsen alleen dan aanstonds worden gegeven, indien de behandeling niet kan worden afgewacht zonder onmiddellijk en ernstig gevaar voor de minderjarige. Deze beschikking verliest haar kracht na verloop van twee weken, tenzij de belanghebbenden binnen deze termijn in de gelegenheid zijn gesteld hun mening kenbaar te maken.</para>
        <para />
      </paragroup>
      <paragroup>
        <nr>3.11.6.</nr>
        <parablock>
          <para>Vast staat dat in deze zaak voldaan is aan de procedurele eis dat de belanghebbenden binnen twee weken na verlening van de spoedmachtiging in de gelegenheid zijn gesteld hun mening kenbaar te maken.</para>
          <para>
            <emphasis role="italic">Het oordeel van het hof</emphasis>
          </para>
        </parablock>
        <para />
      </paragroup>
      <paragroup>
        <nr>3.11.7.</nr>
        <para>Evenals de kinderrechter, en op dezelfde gronden als de kinderrechter, die het hof na eigen onderzoek en waardering overneemt en tot de zijne maakt, is het hof van oordeel dat de opeenvolgende machtigingen tot uithuisplaatsing van de kinderen op de goede gronden zijn verleend. Het hof voegt daar het volgende aan toe.</para>
        <para />
      </paragroup>
      <paragroup>
        <nr>3.11.8.</nr>
        <parablock>
          <para>Al lange tijd zijn er zorgen over de veiligheid van de kinderen en de opvoedkundige vaardigheden van de moeder en de (stief)vader. Het lukt hun niet om de kinderen te voorzien van de meest basale zorg. De moeder en de (stief)vader zijn niet emotioneel beschikbaar en het lukt bijvoorbeeld niet om de kinderen te troosten en zo nodig passend te straffen en belonen. Zij tonen geen inzicht in het effect van hun handelen op de kinderen en slagen er niet in om de belangen van de kinderen voorop te stellen. Dit blijkt onder andere uit het feit dat de kinderen geen contact met [minderjarige 3] mogen hebben. De moeder en de (stief)vader gaan hiermee volledig voorbij aan het belang dat [minderjarige 3] en de kinderen hebben bij contact.</para>
          <para>Daarnaast ontbreekt het, ondanks de betrokken hulpverlening, nog altijd aan voldoende zicht op de thuissituatie bij de moeder en de (stief)vader. Hoewel de inhoud van de rapportages van [instantie 2] redelijk positief zijn, is het voldoende aannemelijk geworden dat de rapportages op deze wijze zijn opgesteld om de voortzetting van de hulpverlening te waarborgen in het belang van de kinderen. Op deze manier blijft er enig zicht op de situatie bestaan. De moeder en de (stief)vader hebben in het verleden namelijk weerstand getoond wanneer er zorgen kenbaar werden gemaakt door een hulpverleningsinstantie waarbij de moeder en de (stief)vader uiteindelijk hebben gekozen om het traject te beëindigen.</para>
          <para>De moeder heeft in haar beroepschrift en tijdens de mondelinge behandeling voornamelijk argumenten naar voren gebracht die suggereren dat met het vertrek van [minderjarige 3] uit het gezin alle zorgen zijn weggenomen. Zo heeft de moeder de zorgen over de kinderen erkend, maar geeft zij aan dat het haar boven het hoofd is gegroeid omdat zij de (te) zware zorg voor [minderjarige 3] droeg. Uit de stukken is echter gebleken dat de problemen binnen het gezin breder waren dan alleen [minderjarige 3] . De kinderen gingen vijf dagen per week naar school met aansluitend de kinderopvang waardoor de moeder en de (stief)vader een minimaal aandeel hadden in hun verzorging en opvoeding. Ondanks het feit dat de moeder en de (stief)vader maar een klein deel van de verantwoordelijkheid voor de verzorging en de opvoeding van de kinderen hadden, lukte het hun niet om de woning hygiënisch te houden en de kinderen basale verzorging te bieden. Er kan dus niet worden gesteld dat de zorgen allemaal aan [minderjarige 3] toe te rekenen zijn. De moeder en de (stief)vader bagatelliseren de bestaande zorgen. Daar komt bij dat de moeder recent is bevallen van een baby, waarvoor zij nu ook zorg moet dragen. </para>
          <para>Tijdens de mondelinge behandeling is gebleken dat een terugplaatsing van de kinderen nog steeds het doel is. Het hof is het met de GI eens dat alvorens tot een terugplaatsing kan worden overgegaan, het van belang is dat er meer zicht komt op de thuissituatie en de opvoedvaardigheden van de moeder en de (stief)vader.</para>
        </parablock>
        <para />
        <parablock>
          <para>Gelet op het voorgaande was de machtiging tot uithuisplaatsing op 3 juli 2024 noodzakelijk in het belang van de kinderen en dat was ten tijde van de beslissingen op 1 en 20 augustus 2024 eveneens het geval. Voor wat betreft de spoedmachtiging die op 1 augustus 2024 (voor de periode van 1 augustus 2024 tot 22 augustus 2024) en op 20 augustus 2024 (voor de periode van 22 augustus 2024 tot 29 augustus 20024) is verleend, acht het hof de vrees van de GI dat de moeder en de (stief)vader met de kinderen naar België zouden vertrekken gerechtvaardigd. De (stief)vader heeft eerder dergelijke uitspraken gedaan en zowel de moeder als de (stief)vader) hebben een zekere binding met België. De moeder heeft eerder in België gewoond en de (stief)vader heeft de Belgische nationaliteit, is daar geboren is en heeft daar gewoond. In dat licht bezien was het verlenen van de spoedmachtiging tot uithuisplaatsing gerechtvaardigd.</para>
        </parablock>
        <para />
      </paragroup>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.12.</nr>
      <para>Het voorgaande leidt ertoe dat de bestreden beschikkingen, voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen, dienen te worden bekrachtigd en de grieven van de moeder falen.</para>
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>
      <nr>4</nr>De beslissing</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het hof:</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>bekrachtigt de beschikking van de rechtbank Limburg, zittingsplaats Roermond, van 3 juli 2024, voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen;</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>bekrachtigt de beschikking van de rechtbank Limburg, zittingsplaats Roermond, van 1 augustus 2024;</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>bekrachtigt de beschikking van de rechtbank Limburg, zittingsplaats Roermond, van 20 augustus 2024;</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>wijst af het meer of anders verzochte. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Deze beschikking is gegeven door mrs. G.M. Goes, J.C.E. Ackermans-Wijn en M.E.M. Beijersbergen en is op 5 december 2024 uitgesproken in het openbaar door </para>
      <para>mr. E.M.D.M. van der Linden in tegenwoordigheid van de griffier.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
  </section>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>