<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:GHSHE:2024:3871</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2025-06-03T15:19:35</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2024-12-05</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Gerechtshof_'s-Hertogenbosch" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Gerechtshof 's-Hertogenbosch</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2024-12-05</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">200.341.649_01</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#hogerBeroep">Hoger beroep</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">'s-Hertogenbosch</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#civielRecht_personenEnFamilierecht">Civiel recht; Personen- en familierecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHSHE:2024:3871">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHSHE:2024:3871</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2025-06-03T15:19:27</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2025-06-03</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:GHSHE:2024:3871 Gerechtshof 's-Hertogenbosch , 05-12-2024 / 200.341.649_01</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:GHSHE:2024:3871:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Toekenning huurrecht</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:GHSHE:2024:3871:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <uitspraak.info>
    <bridgehead role="bold">GERECHTSHOF ‘s-HERTOGENBOSCH</bridgehead>
    <para />
    <parablock>
      <para>Team familie- en jeugdrecht</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Uitspraak: 5 december 2024</para>
      <para>Zaaknummer: 200.341.649/01</para>
      <para>Zaaknummer eerste aanleg: C/03/309918/ FA RK 22-3693</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>in de zaak in hoger beroep van:</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">
          [de man]
        </emphasis>,</para>
      <para>wonende in [woonplaats] ,</para>
      <para>verzoeker in hoger beroep,</para>
      <para>hierna te noemen: de man,</para>
      <para>advocaat: mr. V.C.C. Luijten,</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>tegen</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">
          [de vrouw]
        </emphasis>,</para>
      <para>wonende in [woonplaats] ,</para>
      <para>verweerder in hoger beroep,</para>
      <para>hierna te noemen: de vrouw,</para>
      <para>advocaat: mr. T.A. Bruins.</para>
    </parablock>
    <para />
  </uitspraak.info>
  <section>
    <title>
      <nr>1</nr>Het geding in eerste aanleg</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het hof verwijst voor het verloop van het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de rechtbank Limburg, zittingsplaats Maastricht van 22 februari 2024, uitgesproken onder voormeld zaaknummer.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>2</nr>Het geding in hoger beroep</title>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>2.1.</nr>
      <para>Bij beroepschrift van 21 mei 2024, met producties, ingekomen bij het hof op diezelfde datum, heeft de man verzocht, bij arrest (naar het hof begrijpt beschikking), uitvoerbaar bij voorraad, de bestreden beschikking te vernietigen en opnieuw rechtdoende te bepalen dat de man huurder zal zijn van de woning aan het adres [adres] in [plaats] .</para>
      <para />
      <paragroup>
        <nr>2.1.1.</nr>
        <para>De man heeft tijdens de mondelinge behandeling bij het hof zijn verzoek in hoger beroep verduidelijkt, in die zin dat hij verzoekt de bestreden beschikking te vernietigen  voor wat betreft de beslissing van de rechtbank over aan wie het huurrecht moet worden toegekend.</para>
        <para />
      </paragroup>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.2.</nr>
      <para>Bij verweerschrift van 8 juli 2024, met producties, ingekomen bij het hof op diezelfde datum, heeft de vrouw verzocht, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, het beroep van de man af te wijzen, dan wel de man niet-ontvankelijk te verklaren en de man te veroordelen in de kosten van de procedure en de beschikking van de rechtbank te bekrachtigen.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.3.</nr>
      <para>Het hof heeft verder kennis genomen van:</para>
      <para>- het procesdossier uit eerste aanleg, ontvangen van de advocaat van de man op 23 mei 2024;</para>
      <para>- het V6-formulier van 9 oktober 2024, van de advocaat van de man, met bijlage;</para>
      <para>- het V6-formulier van 17 oktober 2024, van de advocaat van de man, met bijlagen;</para>
      <para>- het V6-formulier van 19 oktober 2024, van de advocaat van de vrouw, met bijlagen;</para>
      <para>- het V6-formulier van 27 oktober 2024, van de advocaat van de vrouw, met bijlage.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.4.</nr>
      <para>De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 31 oktober 2024. Bij die gelegenheid zijn gehoord: </para>
      <para>- de man, bijgestaan door zijn advocaat;</para>
      <para>- de vrouw, bijgestaan door haar advocaat.</para>
      <para />
      <paragroup>
        <nr>2.4.1.</nr>
        <para>De advocaat van de vrouw en de advocaat van de man hebben tijdens de mondelinge behandeling ieder een pleitnota overgelegd en voorgedragen.</para>
        <para />
      </paragroup>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.5.</nr>
      <parablock>
        <para>De advocaat van de vrouw heeft tijdens de mondelinge behandeling bij het hof de pleitaantekeningen ten behoeve van de mondelinge behandeling bij de rechtbank op </para>
        <para>25 januari 2024 overgelegd.</para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section role="overwegingen">
    <title>
      <nr>3</nr>De beoordeling</title>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>3.1.</nr>
      <parablock>
        <para>De vrouw en de man zijn met elkaar getrouwd geweest. Het huwelijk tussen de vrouw en de man is door echtscheiding ontbonden op 14 december 1987. </para>
        <para>De vrouw en de man zijn op 15 april 1998 in [plaats] opnieuw met elkaar getrouwd. De echtscheiding is op 6 juni 2024 ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand. </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.2.</nr>
      <para>De kinderen van de vrouw en de man zijn meerderjarig.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.3.</nr>
      <para>Bij beschikking voorlopige voorzieningen van 15 december 2022 heeft de rechtbank bepaald dat de man bij uitsluiting van de vrouw gerechtigd is tot het gebruik van de echtelijke woning, gelegen aan [adres] in [plaats] , met al hetgeen daartoe behoort. Daarbij is bevolen dat de vrouw de echtelijke woning verder niet mag betreden. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.4.</nr>
      <parablock>
        <para>Bij beschikking voorlopige voorzieningen van 15 maart 2023 heeft de rechtbank het verzoek van de vrouw tot wijziging van de beschikking voorlopige voorzieningen van </para>
        <para>15 december 2022 met betrekking tot het gebruik van de echtelijke woning, afgewezen. </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.5.</nr>
      <para>Bij de bestreden beschikking van 22 februari 2024 heeft de rechtbank de echtscheiding uitgesproken tussen de vrouw en de man. De rechtbank heeft daarnaast bepaald dat de vrouw huurder zal zijn van de woning aan het adres [adres] in [plaats] met ingang van de dag waarop de beslissing ten aanzien van het huurrecht in kracht van gewijsde gaat.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.6.</nr>
      <para>Bij beschikking van 5 september 2024 heeft de rechtbank afgewezen het verzoek van de vrouw om de voorlopige voorziening van 15 december 2022 te wijzigen en te bepalen dat het gebruik van de voormalige echtelijke woning aan [adres] in [plaats] alsnog aan de vrouw wordt toegewezen.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.7.</nr>
      <para>De man kan zich met de bestreden beschikking ten aanzien van de beslissing over de toekenning van het huurrecht niet verenigen en is hiervan in hoger beroep gekomen. </para>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.8.</nr>
      <parablock>
        <para>De man voert - samengevat - het volgende aan. De man wil in de voormalige echtelijke woning blijven wonen. De vrouw is in juli 2022 vrijwillig vertrokken en heeft gezegd dat de man daar kon blijven wonen. De man woont daar nu al twee jaar alleen en het is de vrouw al die tijd gelukt om ergens anders te wonen. De man heeft geen enkel alternatief en kan bij niemand terecht. De man heeft zich ingeschreven bij de woningbouwvereniging maar het is moeilijk om een sociale huurwoning te vinden. Doordat de man is veroordeeld voor hennepteelt wordt dit alleen nog maar moeilijker. Een woning in de particuliere sector kan de man niet betalen. Hij heeft een beperkt inkomen uit een WAO-uitkering omdat hij vanwege ziekte niet kan werken en hij heeft geen mogelijkheden om een hoger inkomen te verwerven om zo een duurdere woning te kunnen huren of een woning te kopen. De man betwist dat hij een zwarte inkomsten heeft en een nieuwe relatie waar hij zou kunnen verblijven. De echtelijke woning is bovendien gelegen naast de woning van de zoon van partijen. De man heeft, in tegenstelling tot de vrouw, een goed contact met deze zoon en fungeert als oppas. Dit kan de man juist goed uitvoeren doordat hij naast de zoon woont. </para>
        <para>De vrouw daarentegen is met haar onderneming in staat om een ruim inkomen te genereren. Zij heeft daarmee meer mogelijkheden voor een andere woning. Ze huurt bovendien nu een chalet op een camping en heeft een partner bij wij ze kan intrekken. Ze staat dus niet op straat. De man heeft echter geen enkel alternatief. De werkzaamheden van de vrouw als kraamverzorger hoeft ze niet vanuit de voormalige echtelijke woning te doen; die woning is daar nooit voor ingericht.</para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.9.</nr>
      <parablock>
        <para>De vrouw voert - samengevat - het volgende aan. De man heeft geen grief gericht tegen de overwegingen van de rechtbank en is daarom niet-ontvankelijk. De vrouw wil terugkeren naar de voormalige echtelijke woning die al sinds 1985 uitsluitend op haar naam staat. De vrouw heeft de woning nooit vrijwillig verlaten. De vrouw kan nergens anders terecht en heeft geen partner bij wie ze kan inwonen. De man kan daarentegen wel intrekken bij zijn partner, bij wie hij vaak verblijft. Bovendien repareert hij auto’s, handelt hij in drugs en heeft hij een fors zwart inkomen. De vrouw heeft een uittreksel overgelegd van de gemeente [gemeente] waaruit blijkt dat de man de afgelopen jaren veel verschillende adressen heeft gehad. Hij is dus kennelijk steeds in staat om snel vervangende woonruimte te vinden.</para>
        <para>De vrouw komt gelet op haar inkomen niet in aanmerking voor woningen onder de huurtoeslaggrens maar vanwege aanzienlijke belastingschulden van partijen, waar alleen de vrouw op aflost kan zij ook geen woning huren in de particuliere sector. Ook is de vrouw in verband met die schulden niet in staat om een woning te kopen. Het is voor de vrouw belangrijk dat ze haar verloskundigenpraktijk weer kan voortzetten vanuit de woning, zoals ze dat altijd heeft gedaan. Anders dan bij de voormalige echtelijke woning heeft ze nu geen aparte ruimte waar ze haar patiënten kan ontvangen.</para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.10.</nr>
      <para>Het hof overweegt het volgende. </para>
      <para />
      <paragroup>
        <nr>3.10.1.</nr>
        <para>Het hof stelt allereerst vast dat de bezwaren van de man tegen de bestreden beslissing in het beroepschrift voldoende duidelijk zijn gemaakt en dat de vrouw hier uitgebreid verweer op gevoerd heeft. Het hof gaat daarom voorbij aan de stelling van de vrouw dat de grief van de man onvoldoende kenbaar is.</para>
        <para />
      </paragroup>
      <paragroup>
        <nr>3.10.2.</nr>
        <parablock>
          <para>Het hof moet beslissen aan wie van partijen het huurrecht moet worden toegekend.</para>
          <para>Op grond van artikel 827 lid 1 sub f van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) in samenhang met artikel 7:266 lid 5 van het Burgerlijk Wetboek (BW) kan de rechter op verzoek van een echtgenoot in het kader van de echtscheidingsprocedure een nevenvoorziening treffen en bepalen wie van de echtgenoten huurder van de woning zal zijn. De beantwoording van de vraag aan wie van partijen het huurrecht moet worden toegekend vindt plaats aan de hand van een afweging van de belangen van zowel de vrouw als de man bij toekenning van dit huurrecht. Bij die belangenafweging moet de rechter volgens vaste rechtspraak alle omstandigheden betrekken die in dit verband door partijen zijn aangevoerd. </para>
        </parablock>
        <para />
      </paragroup>
      <paragroup>
        <nr>3.10.3.</nr>
        <para>Het hof is, na eigen weging en waardering, net als de rechtbank van oordeel dat het huurrecht aan de vrouw moet toekomen. </para>
        <para />
      </paragroup>
      <paragroup>
        <nr>3.10.4.</nr>
        <parablock>
          <para>Op grond van de overgelegde stukken en hetgeen besproken is op de mondelinge behandeling constateert het hof dat partijen op verschillende punten lijnrecht tegenover elkaar staan en met elkaar in strijd zijnde, door het hof niet te verifiëren, standpunten hebben ingenomen.</para>
          <para>Partijen hebben naar het oordeel van het hof beiden belang bij het huurrecht van de echtelijke woning. Het hof zal echter het oordeel van de rechtbank dat de vrouw de huurder zal zijn van de echtelijke woning, bekrachtigen. De vrouw heeft naar het oordeel van het hof meer belang dan de man bij het huurrecht van de echtelijke woning. </para>
          <para>De vrouw verricht, in tegenstelling tot de man, betaalde arbeid. Het hof kent, naast hetgeen de rechtbank heeft overwogen, belang toe aan het feit dat in ieder geval vaststaat dat de vrouw jarenlang vanuit de voormalige echtelijke woning haar kraamhulppraktijk runde en dat zij daar cliënten ontving. De vrouw heeft aangevoerd dat ze in de regio een begrip is doordat ze thuis cliënten ontvangt en daarmee laagdrempelige kraamzorg in een kansarme wijk biedt. Deze stelling is ondersteund door vier schriftelijke verklaringen van verschillende verloskundigenpraktijken. Op dit moment verblijft de vrouw op een tijdelijk woonadres waar ze geen cliënten kan ontvangen. Evenzo staat als onweersproken vast dat de vrouw, in tegenstelling tot de man, aflost op huwelijkse schulden van partijen. Het hof acht het daarom van belang dat de vrouw onder zo optimaal mogelijke omstandigheden haar werkzaamheden kan verrichten, vanuit de voormalige echtelijke woning. </para>
          <para>Het hof heeft verder bij de beoordeling betrokken dat de vrouw sinds 1985 tot juli 2022 als huurster in de voormalige echtelijke woning heeft gewoond. Het is voor het hof onduidelijk gebleven in welke periodes de man op het adres aan [adres] heeft gewoond, gelet op de diverse verschillende adressen waarop de man de afgelopen jaren ingeschreven heeft gestaan.</para>
        </parablock>
        <para />
      </paragroup>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.11.</nr>
      <para>Het verzoek van de man in hoger beroep zal daarom worden afgewezen. Het hof zal de beslissing echter vernietigen ten aanzien van de ingangsdatum: het hof zal de ingangsdatum waarop de vrouw huurder zal zijn van de voormalige echtelijke woning op 1 februari 2025 vaststellen en bepalen dat de man uiterlijk op 31 januari 2025 moet verlaten. Het hof heeft vastgesteld dat de vrouw op dit moment nog onderdak heeft en dit geeft de man gelegenheid om nieuwe woonruimte te vinden.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.12.</nr>
      <para>Het hof zal omwille van de duidelijkheid de bestreden beschikking ten aanzien van het huurrecht geheel vernietigen en een nieuwe beslissing opnemen in het dictum. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.13.</nr>
      <para>Het hof zal het verzoek van de vrouw om de man te veroordelen in de proceskosten afwijzen, gelet op de aard van de procedure en het feit dat partijen met elkaar getrouwd zijn geweest. Dit betekent dat het hof de proceskosten zal compenseren, in die zin dat iedere partij de eigen proceskosten betaalt. Het hof zal de beslissing uitvoerbaar bij voorraad verklaren.</para>
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>
      <nr>4</nr>De beslissing</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het hof:</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>vernietigt de tussen partijen gegeven beschikking van de rechtbank Limburg, zittingsplaats Maastricht, van 22 februari 2024, ten aanzien van de beslissing over het huurrecht;</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>en opnieuw rechtdoende:</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>bepaalt dat de vrouw met ingang van 1 februari 2025 de huurder zal zijn van de woning aan [adres] in [plaats] en dat de man die woning uiterlijk op 31 januari 2025 dient te verlaten;</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>compenseert de proceskosten in hoger beroep, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt;</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>verklaart deze uitspraak tot zover uitvoerbaar bij voorraad;</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>wijst af het meer of anders verzochte.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Deze beschikking is gegeven door mrs. E.M.C. Dumoulin, A.M. Bossink en E.M.D.M. van der Linden en is in het openbaar uitgesproken op 5 december 2024 ondertekend door mr. E.M.D.M. van der Linden in tegenwoordigheid van de griffier.</para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>