<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:GHSHE:2024:2266</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2025-03-22T02:38:36</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2024-07-12</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Gerechtshof_'s-Hertogenbosch" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Gerechtshof 's-Hertogenbosch</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2024-07-15</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">20-001265-22</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#hogerBeroep">Hoger beroep</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">'s-Hertogenbosch</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#strafrecht">Strafrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
          <rdf:li>Gst. 2024/100 met annotatie van S.A.J. Munneke</rdf:li>
          <rdf:li>NJFS 2025/38</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHSHE:2024:2266">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHSHE:2024:2266</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2024-07-15T14:04:55</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2024-07-15</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:GHSHE:2024:2266 Gerechtshof 's-Hertogenbosch , 15-07-2024 / 20-001265-22</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:GHSHE:2024:2266:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>vechtverbod ex artikel 2:1, eerste lid, van de APV Goes 2018.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:GHSHE:2024:2266:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <para>Parketnummer	: 20-001265-22 </para>
  <para>Uitspraak	: 15 juli 2024</para>
  <parablock>
    <para>VERSTEK (onip)</para>
  </parablock>
  <section>
    <title>Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof</title>
    <bridgehead role="bold">'s-Hertogenbosch</bridgehead>
    <para />
    <parablock>
      <para>gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de kantonrechter in de rechtbank Zeeland-West-Brabant, zittingsplaats Middelburg, van 25 mei 2022, in de strafzaak met parketnummer 96-297109-19 tegen: </para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>
      [verdachte] ,</title>
    <parablock>
      <para>geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1986, </para>
      <para>wonende te [adres] .</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="underline">Hoger beroep</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bij vonnis waarvan beroep heeft de kantonrechter het tenlastegelegde bewezenverklaard, het bewezenverklaarde feit niet strafbaar verklaard en de verdachte ontslagen van alle rechtsvervolging. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De officier van justitie heeft tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="underline">Onderzoek van de zaak</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep en in eerste aanleg.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het vonnis waarvan beroep en de strafbeschikking zal vernietigen en opnieuw rechtdoende, het tenlastegelegde bewezen zal verklaren en de verdachte daarvoor zal veroordelen tot een geldboete van € 150,00, subsidiair 3 dagen hechtenis.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="underline">Vonnis waarvan beroep</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het beroepen vonnis zal worden vernietigd omdat het niet te verenigen is met de hierna te geven beslissing.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="underline">Tenlastelegging</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Aan de verdachte is tenlastegelegd dat:</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">hij op of omstreeks 13 oktober 2019 in de gemeente Goes, op een openbare plaats,</emphasis>
        <?linebreak?>
        <emphasis role="italic">te weten de [locatie] , heeft deelgenomen aan een samenscholing en/of zich</emphasis>
        <?linebreak?>
        <emphasis role="italic">onnodig heeft opgedrongen en/of heeft gevochten en/of door uitdagend gedrag</emphasis>
        <?linebreak?>
        <emphasis role="italic">aanleiding heeft gegeven tot ongeregeldheden, immers heeft hij, verdachte, toen</emphasis>
        <?linebreak?>
        <emphasis role="italic">aldaar een ander persoon een kopstoot gegeven en vervolgens een rechterhoek,</emphasis>
        <?linebreak?>
        <emphasis role="italic">tengevolge waarvan die persoon "out" is gegaan en op de grond is gevallen;</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Zijnde de terminologie in deze tenlastelegging, voor zover daaraan betekenis is gegeven, gebezigd in de zin van Algemene plaatselijke verordening van de gemeente Goes.</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De in de tenlastelegging voorkomende taal- en/of schrijffouten of omissies zijn verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="underline">Bewezenverklaring</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">hij op 13 oktober 2019 in de gemeente Goes op een openbare plaats, te weten de [locatie] , heeft gevochten, immers heeft hij, verdachte, toen aldaar een ander persoon een kopstoot gegeven en vervolgens een rechterhoek, tengevolge waarvan die persoon "out" is gegaan en op de grond is gevallen.</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het hof acht niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hierboven bewezen is verklaard, zodat hij daarvan zal worden vrijgesproken.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="underline">Bewijsmiddelen</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De paginanummers die in onderstaande bewijsmiddelen zijn genoemd verwijzen naar pagina’s van het dossier van de politie-eenheid Zeeland, Basisteam Oosterscheldebekken, zaaknummer 002154319. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Alle te noemen processen-verbaal zijn in de wettelijke vorm opgemaakt door daartoe bevoegde verbalisanten. Alle verklaringen zijn, voor zover nodig, zakelijk weergegeven.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>1. <emphasis role="bold">Het proces-verbaal van overtreding d.d. 19 december 2019, inhoudende het relaas van verbalisanten [verbalisant 1] , [verbalisant 2] , [verbalisant 3] en [verbalisant 4]</emphasis>:</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Overtredingsgegevens / waarneming<?linebreak?>Datum: 	13-10-2019<?linebreak?>Gemeente: 	Goes<?linebreak?>Locatie: 	[locatie]<?linebreak?>Soort weg: 	Een voor het openbaar verkeer openstaande weg<?linebreak?></para>
      <para>Wij kregen te horen dat er in de [locatie] een vechtpartij geweest was. Ter plaatse zagen wij dat er een jongeman, dhr. [slachtoffer] , op de grond zat met een aantal mensen er om heen. [slachtoffer] had een kopstoot en een klap gekregen van [verdachte] . [slachtoffer] gaf aan dat hij geen aangifte wilde doen van mishandeling. Door collega [verbalisant 3] werden de camerabeelden in de [locatie] op het bureau bekeken en op de camerabeelden was te zien dat verdachte [verdachte] driftig op slachtoffer [slachtoffer] inliep, zijn armen rekte en strekte en zijn handen tot een vuist balde. [verdachte] stond recht voor [slachtoffer] en gaf hem een kopstoot en meteen daarna een rechterhoek, waarna [slachtoffer] meteen "out" ging en op de grond viel. </para>
      <para>Wij zijn daarna met meerdere eenheden ter plaatse om het verhaal aan te horen. Meerdere getuigen bevestigde het verhaal dat [verdachte] driftig op [slachtoffer] afliep en hem een kopstoot en een klap gaf, waardoor [slachtoffer] op de grond viel.<?linebreak?></para>
      <para>Verdachte werd staande gehouden en verstrekte mij, [verbalisant 1] , desgevraagd de volgende personalia:<?linebreak?>Achternaam: [verdachte]<?linebreak?>Voornamen: [verdachte]<?linebreak?>Geboren: [geboortedatum]</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="underline">Bewijsoverwegingen</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De beslissing dat het bewezenverklaarde door de verdachte is begaan, berust op de feiten en omstandigheden als vervat in de hierboven bedoelde bewijsmiddelen in onderlinge samenhang beschouwd.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Elk bewijsmiddel wordt - ook in zijn onderdelen - slechts gebruikt tot bewijs van dat bewezenverklaarde feit, of die bewezenverklaarde feiten, waarop het blijkens zijn inhoud betrekking heeft</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="underline">Overwegingen ten aanzien van de strafbaarheid</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De advocaat-generaal heeft zich ter terechtzitting in hoger beroep op het standpunt gesteld dat het bepaalde in het Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr) niet in de weg staan aan de verbindendheid van artikel 2:1 van de Algemene plaatselijke verordening (hierna: APV) Goes 2018. Volgens de advocaat-generaal is het zogenoemd vechtverbod ex artikel 2:1, eerste lid, van de APV Goes 2018 ingegeven uit een motief van openbare orde en heeft het daarmee een ander motief dan de artikelen 141, 300 en 306 Sr. Met het vechtverbod kan door de politie effectief worden opgetreden tegen lichtere vormen van geweldpleging.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het hof overweegt hieromtrent het volgende. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Algemene Plaatselijke Verordening Goes 2018</emphasis>
      </para>
      <para>Ingevolge artikel 2:1, eerste lid, (Samenscholing en ongeregeldheden) van de APV Goes 2018 is het verboden op een openbare plaats deel te nemen aan een samenscholing, onnodig op te dringen, te vechten of door uitdagend gedrag aanleiding te geven tot ongeregeldheden.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De toelichting op dit artikellid houdt onder meer in:</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">“Het vechtverbod is opgenomen omdat het Wetboek van strafrecht onvoldoende handvatten biedt. Indien namelijk twee personen vechten, er geen sprake is van noemenswaardig lichamelijk letsel en er geen aangifte wordt gedaan, is het voor de politie bijzonder moeilijk om alsnog op te treden met als grondslag het Wetboek van Strafrecht. Vechten op straat draagt bij aan subjectieve onveiligheidsgevoelens van winkelend en uitgaanspubliek. Daarnaast is het slecht voor het imago van de gemeente.”</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het hof ziet zich voor de vraag gesteld of de strafbepalingen in artikelen 141, 300 en 306 Sr in de weg staan aan de verbindendheid van artikel 2:1, eerste lid, van de APV Goes 2018, voor zover dit inhoudt een verbod tot ‘vechten’. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De eerste vraag die in de onderhavige zaak in dit verband beantwoord dient te worden is in hoeverre er ruimte voor de gemeentelijke wetgever is om het ‘vechten’ strafbaar te stellen. Uit artikel 121 van de Gemeentewet volgt dat een gemeentelijke verordening niet in strijd mag zijn met hogere regelingen. Een hogere regeling mag worden aangevuld wanneer daar een ander motief aan ten grondslag ligt dan het aan de hogere regeling ten grondslag liggende motief.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het hof overweegt in dit verband dat de artikelen 300 tot en met 306 Sr het belang van het menselijk leven, het menselijk lichaam en de lichamelijke integriteit (met daarin ook de gezondheid besloten) beschermt. Artikel 2:1, eerste lid, van de APV Goes 2018 strekt blijkens de tekst en de toelichting op dit artikel tot bescherming van de openbare orde en berust daarmee op een ander motief dan de artikelen 300 tot en met 306 Sr. In zoverre is het hof dan ook van oordeel dat de artikelen 300 tot en met 306 Sr niet in de weg staan aan de verbindendheid van artikel 2:1, eerste lid, van de APV Goes 2018, voor zover dit inhoudt een verbod tot ‘vechten’.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Artikel 141 Sr, inhoudende openlijke geweldpleging, dient ter bescherming van de openbare orde. Het hof merkt op dat dit motief gelijk is aan het motief van artikel 2:1, eerste lid, van de APV Goes 2018. Het hof ziet zich vervolgens voor de vraag gesteld of het in artikel 2:1, eerste lid, van de APV Goes 2018 verboden “vechten” niet de in artikel 141 Sr strafbaar gestelde gedragingen dupliceert. Deze vraag moet naar het oordeel van het hof ontkennend worden beantwoord. Het hof overweegt in dit verband dat de gedragingen die onder de reikwijdte van artikel 141 Sr vallen vereisen dat deze gedragingen tezamen en in vereniging met een of meer anderen zijn gepleegd. Het vechtverbod zoals opgenomen in artikel 2:1, eerste lid, van de APV Goes 2018 is daarentegen gericht op het voorkomen van vechtpartijen in de openbare ruimte die de rust en veiligheid verstoren, waarbij niet vereist is dat het feit in vereniging gepleegd wordt. Het hof is daarom van oordeel dat het bepaalde in artikel 2:1, eerste lid, van de APV Goes 2018 voor zover dit inhoudt een verbod op ‘vechten’ in zijn algemeenheid een toelaatbare aanvulling vormt op de bepalingen van het Wetboek van Strafrecht, in het bijzonder het bepaalde in artikel 141 van dit wetboek. Het hof ziet daarom geen grond om deze APV-bepaling onverbindend te achten wegens strijd met het bepaalde in artikel 121 van de Gemeentewet.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>In dit concrete geval blijkt voorts uit niets dat het tenlastegelegde geweld daadwerkelijk werd gepleegd door de verdachte tezamen en in vereniging met een of meer andere personen. Reeds hierom bestaat evenmin grond om het bepaalde in artikel 2:1, eerste lid, van de APV 2018 voor zover dit inhoudt een verbod op ‘vechten’ in dit concrete geval buiten toepassing te laten wegens strijd met het bepaalde in artikel 121 van de Gemeentewet. </para>
      <para>Ook overigens zijn geen feiten en omstandigheden aannemelijk geworden die aan de strafbaarheid van het bewezenverklaarde in de weg staan.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="underline">Kwalificatie van het bewezenverklaarde</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het bewezenverklaarde wordt als volgt gekwalificeerd:</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">overtreding van artikel 2:1, eerste lid, van de Algemene plaatselijke verordening Goes 2018.</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezenverklaarde uitsluiten. Het feit is strafbaar. </para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="underline">Strafbaarheid van de verdachte</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. De verdachte is daarom strafbaar voor het hiervoor bewezenverklaarde.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="underline">Op te leggen sanctie</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het hof heeft bij de bepaling van de op te leggen straf gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezenverklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen. Daarnaast is gelet op de verhouding tot andere strafbare feiten, zoals onder meer tot uitdrukking komende in de hierop gestelde wettelijke strafmaxima en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Ten laste van de verdachte is bewezenverklaard dat hij zich schuldig heeft gemaakt aan overtreding van artikel 2:1, eerste lid, van de APV Goes 2018 door te vechten. Daarbij heeft de verdachte een ander persoon een kopstoot gegeven en vervolgens een rechterhoek, waarna die persoon "out" is gegaan en op de grond is gevallen. Bovendien vond het voorval plaats op een openbare plaats, waardoor meerdere omstanders getuige zijn geweest van het geweld, hetgeen bijdraagt aan gevoelens van onveiligheid in de openbare/publieke ruimte. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Ten aanzien van de persoon van de verdachte heeft het hof acht geslagen op het uittreksel uit de Justitiële Documentatie d.d. 29 april 2024, waaruit blijkt dat de verdachte niet eerder onherroepelijk voor een soortgelijk strafbaar feit is veroordeeld. Uit voornoemd uittreksel blijkt voorts dat het bepaalde in artikel 63 van het Wetboek van Strafrecht van toepassing is.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Alles omstandigheden afwegende acht het hof, evenals de advocaat-generaal, oplegging van een geldboete van € 150,00, subsidiair 3 dagen hechtenis passend en geboden. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Ten aanzien van de berechting binnen een redelijke termijn overweegt het hof het volgende.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het hof stelt voorop dat elke verdachte recht heeft op een afdoening van zijn strafzaak binnen een redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 van het EVRM. Deze waarborg strekt er onder meer toe te voorkomen dat een verdachte langer dan redelijk is onder de dreiging van een strafvervolging zou moeten leven.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>In onderhavige zaak is het hof gebleken dat de redelijke termijn in de fase van eerste aanleg is overschreden. De verdachte is immers op 13 oktober 2019 staande gehouden door de politie en de kantonrechter heeft op 25 mei 2022 vonnis gewezen. Gelet hierop is er in de fase van eerste aanleg sprake van een overschrijding van bijna 7 maanden. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Op 8 juni 2022 heeft de officier van justitie hoger beroep ingesteld. Op 15 juli 2024 zal het hof arrest wijzen. Daarmee is de redelijke termijn die voor deze fase doorgaans eveneens op twee jaren wordt gesteld met bijna 2 maanden overschreden.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Aldus is de redelijke termijn zowel in de eerste aanleg als in hoger beroep overschreden, terwijl dit de verdachte niet valt toe te rekenen. Nu het hof volstaat met het opleggen van een geldboete van € 150,00, zal het hof volstaan met een constatering van deze overschrijding en daaraan geen (verdere) consequenties verbinden.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="underline">Toepasselijke wettelijke voorschriften</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De beslissing is gegrond op de artikelen 23, 24c en 63 van het Wetboek van Strafrecht en artikel 2:1 van de Algemene plaatselijke verordening Goes 2018, zoals deze ten tijde van het bewezenverklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van het wijzen van dit arrest rechtens gelden.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>BESLISSING</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het hof:</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>vernietigt de ten aanzien van de verdachte uitgevaardigde strafbeschikking van 27 december 2019; </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan;</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>verklaart het bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar;</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>veroordeelt de verdachte tot een <emphasis role="bold">geldboete</emphasis> van <emphasis role="bold">€ 150,00 (honderdvijftig euro)</emphasis>, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door <emphasis role="bold">3 (drie) dagen hechtenis</emphasis>.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Aldus gewezen door:</para>
      <para>mr. O.A.J.M. Lavrijssen, voorzitter,</para>
      <para>mr. T. van de Woestijne en mr. K.J. van Dijk, raadsheren,</para>
      <para>in tegenwoordigheid van mr. L. van Harskamp, griffier,</para>
      <para>en op 15 juli 2024 ter openbare terechtzitting uitgesproken.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </section>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>