<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:GHSHE:2022:965</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2022-11-23T13:03:07</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2022-03-24</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Gerechtshof_'s-Hertogenbosch" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Gerechtshof 's-Hertogenbosch</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2022-03-22</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">200.286.225_01</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#hogerBeroep">Hoger beroep</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">'s-Hertogenbosch</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#civielRecht">Civiel recht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHSHE:2022:965">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHSHE:2022:965</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2022-11-23T09:37:44</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2022-11-23</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:GHSHE:2022:965 Gerechtshof 's-Hertogenbosch , 22-03-2022 / 200.286.225_01</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:GHSHE:2022:965:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>concurrentiebeding overtreden; geen matiging van als gevolg daarvan verbeurde boetes; verbeurde dwangsommen vanwege het niet of te laat voldoen aan rechterlijke veroordeling tot het verstrekken van facturen met betrekking tot vermeend concurrerend handelen  verjaard.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:GHSHE:2022:965:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <uitspraak.info>
    <para>
      <?linebreak?>
      <emphasis role="bold">GERECHTSHOF ’S-HERTOGENBOSCH</emphasis>
    </para>
    <para>Team Handelsrecht</para>
    <para>zaaknummer 200.286.225/01</para>
    <bridgehead role="bold">arrest van 22 maart 2022</bridgehead>
    <para>in de zaak van</para>
    <para />
  </uitspraak.info>
  <section>
    <title>
      <nr>1</nr>Giulietta Holding B.V.,<?linebreak?>gevestigd te [vestigingsplaats] ,</title>
    <para />
  </section>
  <bridgehead>
    <nr>2</nr>Greenfields Agro B.V.,<?linebreak?>gevestigd te [vestigingsplaats] ,</bridgehead>
  <section>
    <title>
      <nr>3</nr>
      <?linebreak?>3. [appellant 3] ,<?linebreak?>wonende te [woonplaats] ,<?linebreak?>appellanten,</title>
    <parablock>
      <para>advocaat: mr. E. Sahhar te Nijmegen,</para>
      <para>
        <?linebreak?>tegen:</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">Agrotechnics Nederland B.V.,</emphasis>
        <?linebreak?>gevestigd te [vestigingsplaats] ,<?linebreak?>geïntimeerde,<?linebreak?>advocaat: mr. L.J.M.G. Kunzeler te Venlo,</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>op het hoger beroep van de door de rechtbank Limburg, zittingsplaats Roermond, gewezen vonnissen van 4 maart 2020, 10 juni 2020 en 30 september 2020 tussen appellanten als gedaagden in conventie, eisers in reconventie en geïntimeerde als eiseres in conventie, verweerster in reconventie, alsmede het vonnis in incident van 19 december 2018 tussen appellanten als verweerders in het incident ex artikel 843a Rv, eisers in het incident tot opheffing van een beslag en geïntimeerde als eiseres in het incident ex artikel 843a Rv, verweerster in het incident tot  opheffing van een beslag.</para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>1</nr>Het geding in eerste aanleg(zaak-/rolnummer C/03/245082 /H A ZA 18-23)</title>
    <para>Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar voormelde vonnissen.</para>
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>2</nr>Het geding in hoger beroep</title>
    <paragroup>
      <nr>2.1.</nr>
      <para>Het hof verwijst naar zijn tussenarrest van 9 februari 2021. De mondelinge behandeling na aanbrengen heeft plaatsgevonden op 10 maart 2021. Het daarvan opgemaakte proces-verbaal bevindt zich bij de stukken. </para>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.2.</nr>
      <para>Appellanten hebben een memorie van grieven genomen met daarin tevens een incidentele vordering tot schorsing van de tenuitvoerlegging van het eindvonnis van de rechtbank. Daarop heeft geïntimeerde geantwoord. De incidentele vordering is door het hof afgewezen bij arrest van 30 november 2021.</para>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.3.</nr>
      <para>Geïntimeerde heeft een memorie van antwoord genomen.</para>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.4.</nr>
      <para>Daarna zijn de stukken in handen gesteld van het hof voor het wijzen van arrest.</para>
    </paragroup>
  </section>
  <section role="overwegingen">
    <title>
      <nr>3</nr>De beoordeling van het hoger beroep</title>
    <paragroup>
      <nr>3.1.</nr>
      <parablock>
        <para>Tussen partijen is een vaststellingsovereenkomst (VSO) gesloten op  26 juni 2017 waarin een concurrentiebeding is opgenomen. De tekst van het beding luidt voor zover belang als volgt: <?linebreak?><emphasis role="italic">1. De manager</emphasis> (hof: Giulietta Holding B.V.)<emphasis role="italic"> verbindt zich jegens de vennootschap </emphasis>(hof: Agrotechnics Nederland B.V.)<emphasis role="italic"> niet zelf, middellijk of onmiddellijk…</emphasis></para>
        <para>
          <emphasis role="italic">a. gedurende twee jaren na de beëindiging van deze overeenkomst in Nederland, in welke hoedanigheid dan ook, direct of indirect, zich in te laten met of betrokken te zijn bij, of enige persoon te benaderen met het oog op betrokkenheid bij zakelijke activiteiten die betrekking hebben op de ontwikkeling of productie van of de handel in producten, of op de verlening van diensten, die op de datum van beëindiging [van] deze overeenkomst door de vennootschap worden ontwikkeld, geproduceerd, verhandeld of verleend of die daarmee zouden kunnen concurreren.”   </emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>Tussen partijen is in geschil of appellanten ter zake daarvan boetes hebben verbeurd en schadeplichtig is geworden jegens geïntimeerde. Daarnaast is er een geschil tussen partijen met betrekking tot verbeurde dwangsommen. Het derde geschilpunt betreft de omvang van de door geïntimeerde geleden schade.</para>
        <para>
          <emphasis role="italic">dwangsommen</emphasis>
        </para>
      </parablock>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.2.</nr>
      <parablock>
        <para>Het hof zal eerst ingaan op de kwestie van de verbeurde dwangsommen. Appellanten voeren terecht aan dat de rechtbank Greenfields de dwangsom had moeten opleggen  omdat zij die partij heeft veroordeeld tot overlegging van de facturen. Vervolgens is de vraag aan de orde of die dwangsommen zijn verbeurd. Naar het voorlopig oordeel van het hof hebben appellanten voorshands voldoende aannemelijk gemaakt dat de bij de toelichting op grief II vermelde facturen zijn overgelegd, zodat de veroordeling met betrekking tot die facturen in zoverre een deugdelijke  grondslag mist. Beide partijen kunnen zich hierover nog uitlaten in het bijzonder met betrekking tot de door geïntimeerde opgeworpen vraag of een en ander ook tijdig is geschied.</para>
        <para>
          <emphasis role="italic">boetes</emphasis>
        </para>
      </parablock>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.3.</nr>
      <para>Het hof bespreekt vervolgens de kwestie van de boetes. Het gaat om 24 facturen en één pakbon zoals vermeld in de toelichting op grief III. Volgens appellanten hebben al deze facturen en de pakbon betrekking op overeenkomsten die zijn aangegaan vóór 26 juni 2017 (hierna telkens aangeduid met: eerdere) en waarvan partijen hebben afgesproken dat deze buiten het concurrentiebeding vallen. Het hof volgt de nummering in de memorie van grieven onder 58.</para>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.4.</nr>
      <para>De facturen onder i en xxv zijn van 30 juni 2017 en betreffen volgens appellanten opdrachten vóór 26 juni 2017.</para>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.5.</nr>
      <para>Factuur ii is van 27 juni 2017 en betreft een eerdere opdracht.</para>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.6.</nr>
      <para>Factuur iii bevat ook een eerdere opdracht die bovendien buiten het bereik van het beding valt.</para>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.7.</nr>
      <para>Factuur iv heeft betrekking op een bestelling voor eigen gebruik. </para>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.8.</nr>
      <para>Factuur v heeft betrekking op een eerdere opdracht (18 mei 2017).</para>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.9.</nr>
      <para>Facturen vi, vii en ix worden gezamenlijk behandeld. Volgens appellanten zijn deze ten onrechte door de rechtbank van belang geacht omdat zij eerdere opdrachten betreffen en buiten de reikwijdte van het beding vallen.</para>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.10.</nr>
      <para>Factuur viii valt buiten de reikwijdte van het beding.</para>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.11.</nr>
      <para>Dit geldt ook voor de facturen ix en xiv.</para>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.12.</nr>
      <para>Factuur x heeft betrekking op eerdere activiteiten. Geïntimeerde erkent dit.</para>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.13.</nr>
      <para>Factuur xi heeft betrekking op een levering op een eerdere datum (dan 26 juni). Geïntimeerde erkent dit.</para>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.14.</nr>
      <para>Facturen xii en xiv hebben betrekking op een eerder geplaatste order.</para>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.15.</nr>
      <para>De factuur xiii heeft betrekking op eerdere bestellingen.</para>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.16.</nr>
      <para>Factuur xv heeft betrekking op de afwikkeling van webshops.</para>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.17.</nr>
      <para>De facturen xvi xx en xxi hebben betrekking op eerdere bestellingen. Met betrekking tot factuur xvi wordt dit erkend.</para>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.18.</nr>
      <para>Factuur xviii heeft betrekking op een eerdere bestelling.</para>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.19.</nr>
      <para>Factuur xxii heeft betrekking op een eerdere bestelling. Dit wordt door geïntimeerde erkend.</para>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.20.</nr>
      <para>Factuur xxiii hangt samen met de pakbon xxvi: het gaat hier om privégebruik. Erkend wordt dat ter zake hiervan eenmaal teveel boete is opgelegd.</para>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.21.</nr>
      <para>Als bijzondere grief voeren appellanten in hun “Tussenconclusie Grief III (mvg nr 124.) aan dat de rechtbank ten onrechte van op zichzelf staande transacties meerdere boetes heeft toegewezen (voor de onder ad i, xxv, vi, vii, xix, xiv, xii, xvi, xxi genoemde facturen). Het hof acht deze grief gegrond. Immers uit de tekst van het boetebeding (lid 4) volgt dat per overtreding een boete wordt verbeurd. Er zijn geen feiten of omstandigheden gesteld die tot een andere uitleg zouden kunnen  leiden.</para>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.22.</nr>
      <para>Als grief IV voeren appellanten aan dat de rechtbank geen boete had mogen opleggen op grond van het enkele feit dat facturen na de datum van de VSO zijn verzonden en ook niet voor inkooptransacties. Het hof acht die grief gegrond. Ook grief V slaagt: ter zake van overtreding van het beding rust de bewijslast in beginsel op de partij die zich daarop beroept en betaling van de boete vordert.</para>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.23.</nr>
      <para>De meest vergaande stelling van geïntimeerde is dat het beding ook inhoudt dat na 26 juni 2017 geen facturen mochten worden verstuurd. Het hof verwerpt die stelling omdat die strijdig is met de tekst van het beding en niets is aangevoerd waaruit volgt dat de contractspartijen het in deze zin met elkaar hebben besproken of zo hebben bedoeld noch dat zij redelijkerwijs geacht worden die de bedoeling te hebben gehad. </para>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.24.</nr>
      <para>Het hof verwerpt ook de stelling van geïntimeerde dat ter zake van facturen waarbij aannemelijk is dat ze betrekking hebben op eerdere bestellingen een boete is verbeurd omdat daarover mededeling had moeten worden gedaan. Ook deze stelling strijdt met de duidelijke tekst van het beding en kan daaruit redelijkerwijs niet aldus worden begrepen aangezien daartoe niets is aangevoerd. Dit geldt ook voor facturen die betrekking hebben op leveranties buiten Nederland. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.25.</nr>
      <para>Het hof is van oordeel dat met betrekking tot facturen waarvan aannemelijk is dat ze betrekking hebben op bestellingen die zijn gedaan vóór 26 juni 2017 en kort na die datum zijn uitgevoerd, geen boete is verschuldigd. </para>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.26.</nr>
      <para>Het hof zal de stukken weer in handen van partijen stellen om aan de hand van de vorenstaande oordelen een overzicht te maken van de facturen die nog in geschil zijn. Omdat beide partijen een uitdrukkelijk bewijsaanbod hebben gedaan, kan het hof over de juistheid van de over en weer aangevoerde stellingen geen beslissing nemen. Partijen zullen ieder nader moeten specificeren van welke feiten zij nog bewijs wensen te leveren. </para>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.27.</nr>
      <para>In afwachting van de hiervoor in 3.6 bedoelde informatie houdt het hof iedere verdere beslissing aan, ook over een eventuele matiging van de boete. Appellanten zullen zich eerst moeten uitlaten over de stellingen in de memorie van antwoord naar aanleiding van grief VII.</para>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.28.</nr>
      <para>Appellanten zullen mogen reageren op de stellingen van geïntimeerde met betrekking tot grief VIII. Beide partijen moeten ook met betrekking tot dit voorwerp van geschil antwoord geven op de vraag in hoeverre zij hierover nader bewijs willen en kunnen leveren.</para>
    </paragroup>
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>
      <nr>4</nr>De beslissing </title>
    <para>Het hof, recht doende in hoger beroep:<?linebreak?></para>
    <paragroup>
      <nr>4.1.</nr>
      <para>verwijst de zaak naar de rol van <emphasis role="bold">19 april 2022</emphasis> voor het nemen van een akte door appellanten ter fine van hetgeen in 3.2, 3.26, 3.27 en 3.28 is overwogen, waarna aan geïntimeerde op de rol van <emphasis role="bold">10 mei 2022</emphasis> dezelfde mogelijkheid wordt geboden;</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.2.</nr>
      <parablock>
        <para>houdt iedere verdere beslissing aan.</para>
        <para>Dit arrest is gewezen door mrs. O.G.H. Milar, E.J. van Sandick en R.F. Groos en is in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer  op 22 maart 2022. </para>
      </parablock>
      <para />
      <para />
      <para />
      <parablock>
        <para>griffier								rolraadsheer</para>
      </parablock>
      <para />
      <para>
        <?linebreak?>
      </para>
      <para />
      <para />
      <para />
      <para />
    </paragroup>
  </section>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>