<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:GHSHE:2022:73</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2022-01-14T12:03:09</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2022-01-13</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Gerechtshof_'s-Hertogenbosch" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Gerechtshof 's-Hertogenbosch</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2022-01-13</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">200.299.172_01</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#hogerBeroep">Hoger beroep</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">'s-Hertogenbosch</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#civielRecht_personenEnFamilierecht">Civiel recht; Personen- en familierecht</dcterms:subject>
      <dcterms:relation rdfs:label="Formele relatie" ecli:resourceIdentifier="ECLI:NL:RBZWB:2021:3013" psi:type="http://psi.rechtspraak.nl/hogerBeroep" psi:aanleg="http://psi.rechtspraak.nl/eerdereAanleg">Eerste aanleg: ECLI:NL:RBZWB:2021:3013</dcterms:relation>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHSHE:2022:73">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHSHE:2022:73</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2022-01-14T12:02:15</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2022-01-14</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:GHSHE:2022:73 Gerechtshof 's-Hertogenbosch , 13-01-2022 / 200.299.172_01</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:GHSHE:2022:73:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Omgangsregeling</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:GHSHE:2022:73:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <uitspraak.info>
    <bridgehead role="bold">GERECHTSHOF 's-HERTOGENBOSCH </bridgehead>
    <para />
    <parablock>
      <para>Team familie- en jeugdrecht</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Uitspraak: 13 januari 2022</para>
      <para>Zaaknummer: 200.299.172/01</para>
      <para>Zaaknummers 1e aanleg: C/02/382991 / FA RK 21-1006 en C/02/382993 / FA RK 21-1007</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>in de zaak in hoger beroep van:</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold underline">
          [de moeder]
        </emphasis>,</para>
      <para>wonende te [woonplaats] ,</para>
      <para>verzoekster in hoger beroep,</para>
      <para>hierna te noemen: de moeder,</para>
      <para>advocaat: mr. R.J. Laatsman,</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>tegen</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold underline">Stichting Jeugdbescherming Brabant</emphasis>,</para>
      <para>gevestigd te [vestigingsplaats] , locatie [locatie] ,</para>
      <para>verweerster in hoger beroep,</para>
      <para>hierna te noemen: de gecertificeerde instelling (GI).</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Deze zaak gaat over <emphasis role="bold">[minderjarige]</emphasis>, geboren op [geboortedatum] 2017 te [geboorteplaats] .</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Als belanghebbende in deze zaak wordt aangemerkt:</para>
      <para>
        <emphasis role="bold">
          [de vader]
        </emphasis>,</para>
      <para>wonende te [woonplaats] , </para>
      <para>hierna te noemen: de vader;</para>
      <para>advocaat: mr. A.P.M.A. Laeyendecker.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>In zijn hoedanigheid als omschreven in artikel 810 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering is in de procedure gekend:</para>
      <para>de Raad voor de Kinderbescherming,</para>
      <para>Regio Zuidwest Nederland,</para>
      <para>Locatie [locatie] ,</para>
      <para>hierna te noemen: de raad.</para>
    </parablock>
    <para />
  </uitspraak.info>
  <section>
    <title>
      <nr>1</nr>Het geding in eerste aanleg</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het hof verwijst voor het verloop van het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de rechtbank Zeeland-West-Brabant, zittingsplaats Breda, van 16 juni 2021, uitgesproken onder voormeld zaaknummer.</para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>2</nr>Het geding in hoger beroep</title>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>2.1.</nr>
      <para>Bij beroepschrift met producties, ingekomen ter griffie op 31 augustus 2021, heeft de moeder het hof verzocht, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, zo nodig onder aanvulling en/of verbetering van de gronden, voormelde beschikking te vernietigen en opnieuw rechtdoende haar verzoek toe te wijzen althans een zodanige regeling vast te stelen als het hof juist acht.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.2.</nr>
      <para>Bij verweerschrift met producties, ingekomen ter griffie op 8 oktober 2021, heeft de GI het hof verzocht het hoger beroep van de moeder af te wijzen en de bestreden beschikking in stand te laten.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.3.</nr>
      <parablock>
        <para>De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 22 november 2021.</para>
        <para>Bij die gelegenheid zijn gehoord: </para>
      </parablock>
      <para>- mr. Laatsman;</para>
      <para>- de GI, vertegenwoordigd door [vertegenwoordiger van de GI] ;</para>
      <para>- mr. Laeyendecker;</para>
      <para>- de raad, vertegenwoordig door [vertegenwoordiger van de raad] .</para>
      <para />
      <paragroup>
        <nr>2.3.1.</nr>
        <para>De moeder en de vader zijn, hoewel behoorlijk opgeroepen, niet tijdens de mondelinge behandeling verschenen.</para>
        <para />
      </paragroup>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.4.</nr>
      <para>Het hof heeft voorts kennisgenomen van de inhoud van het proces-verbaal van de mondelinge behandeling in eerste aanleg d.d. 2 juni 2021.</para>
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section role="overwegingen">
    <title>
      <nr>3</nr>De beoordeling</title>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>3.1.</nr>
      <parablock>
        <para>Partijen hebben een affectieve relatie met elkaar gehad.</para>
        <para>Uit de relatie van partijen is, voor zover hier van belang, geboren:</para>
        <para>-	[minderjarige] (hierna: [minderjarige] ), op [geboortedatum] 2017 te [geboorteplaats] .</para>
        <para>De vader heeft [minderjarige] erkend. </para>
        <para>De moeder en de vader oefenen gezamenlijk het ouderlijk gezag over [minderjarige] uit.</para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.2.</nr>
      <para>
        [minderjarige] staat met ingang van 30 november 2018 onafgebroken onder toezicht van de GI. Bij beschikking van de rechtbank Zeeland-West-Brabant, zittingsplaats Breda, van 15 december 2020 is de ondertoezichtstelling van [minderjarige] verlengd met ingang van 30 december 2020 tot 30 november 2021.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.3.</nr>
      <para>Bij beschikking van diezelfde rechtbank van 5 maart 2021 is een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] verleend in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder met ingang van 5 maart 2021 tot 30 november 2021. Op grond van deze machtiging is [minderjarige] geplaatst in een gezinshuis te [plaats] .</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.4.</nr>
      <parablock>
        <para>Bij de bestreden - uitvoerbaar bij voorraad verklaarde - beschikking heeft de rechtbank, voor zover in hoger beroep van belang, bepaald dat de moeder en [minderjarige] in het kader van de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken <emphasis role="italic">voorlopig</emphasis> gerechtigd zijn tot het hebben van contact met elkaar, waarbij aan de jeugdzorgwerker - met inachtneming van hetgeen in de beschikking onder rechtsoverweging 4.10. is overwogen - de regie wordt gegeven om in het kader van de ondertoezichtstelling de huidige regeling waar nodig of mogelijk in het belang van de minderjarige in omvang te beperken dan wel uit te breiden.</para>
        <para>De rechtbank heeft iedere verdere behandeling van de bodemzaak aangehouden tot 14 december 2021 pro forma.</para>
      </parablock>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.5.</nr>
      <para>De moeder kan zich met deze beslissing niet verenigen en zij is hiervan in hoger beroep gekomen.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.6.</nr>
      <para>De moeder voert, kort samengevat, aan dat de rechtbank ten onrechte een voorlopige regeling heeft vastgesteld. Zij wenst een basisregeling zodat er tussen haar en [minderjarige] contact blijft bestaan. Dat acht zij in het belang van [minderjarige] . Hij heeft veel meegemaakt in zijn jonge leven. Zijn contacten met zijn broertje, zijn zusje en ouders zijn hem ontnomen door de uithuisplaatsing. De moeder meent dat de uithuisplaatsing mede van invloed is geweest op de bij [minderjarige] geconstateerde hechtingsproblematiek.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.7.</nr>
      <para>De GI voert, kort samengevat, aan dat er contact moet blijven tussen [minderjarige] en de moeder. Dit dient echter op een zodanige manier plaats te vinden dat het in het belang van [minderjarige] is en haalbaar is voor hem, aangezien er op meerdere vlakken veel van [minderjarige] wordt gevraagd. De huidige contactregeling (om de week een contactmoment) is passend voor [minderjarige] , aldus de GI. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.8.</nr>
      <para>De raad adviseert het hof om een contactregeling te bepalen waarbij de huidige regeling wordt vastgelegd. De raad acht het raadzaam om het aan de GI over te laten om die regeling – indien dit nodig is in het belang van [minderjarige] – aan te passen en derhalve de coördinatie van die regeling bij de GI neer te leggen.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.9.</nr>
      <para>Het hof overweegt het volgende.</para>
      <para />
      <paragroup>
        <nr>3.9.1.</nr>
        <para>Bij de beantwoording van de vraag welke contactregeling tussen de moeder en [minderjarige] dient te worden bepaald staat het belang van [minderjarige] centraal, temeer nu is gebleken dat [minderjarige] op dit moment kampt met forse gedagsproblemen en hij op een aantal punten in zijn ontwikkeling vastloopt. Er zijn zowel op school als in het gezinshuis zorgen over het gedrag dat hij laat zien. [minderjarige] is erg gebaat bij één op één contact en begeleiding. Tijdens de mondelinge behandeling van het hof is gebleken dat er bij zowel de moeder als de GI behoefte aan bestaat dat de huidige regeling, waarbij de moeder en [minderjarige] elkaar eens per twee weken één uur op het kantoor van de GI zien, als minimale contactregeling wordt vastgelegd.</para>
        <para />
      </paragroup>
      <paragroup>
        <nr>3.9.2.</nr>
        <para>Met de rechtbank is het hof van oordeel dat de invulling en eventuele uitbreiding van de contactregeling door de GI dient te worden bepaald. Zij zal telkens afhankelijk van de draagkracht van [minderjarige] moeten vaststellen of en wanneer [minderjarige] toe is aan een volgende stap in uitbreiding van de contactregeling, of dat er een stap terug moet worden gedaan, of de moeder voldoende kan blijven aansluiten bij de behoeften van [minderjarige] en of en wanneer de stap genomen kan worden naar onbegeleide omgang. Nu de huidige regeling niet met zoveel woorden is weergegeven in de bestreden beschikking, zal het hof deze thans opnemen.</para>
        <para />
      </paragroup>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.10.</nr>
      <para>Het hof zal gelet op het voorgaande derhalve de beschikking waarvan beroep bekrachtigen en aanvullen in bovenvermelde zin.</para>
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>
      <nr>4</nr>De beslissing</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het hof:</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>bekrachtigt de tussen partijen gegeven beschikking van de rechtbank Zeeland-West-Brabant, zittingsplaats Breda, van 16 juni 2021, voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen, voor zover de rechtbank daarin een voorlopige contactregeling tussen de moeder en [minderjarige] heeft bepaald en bepaalt in aanvulling daarop:</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>stelt tussen de moeder en [minderjarige] , geboren op [geboortedatum] 2017 te [geboorteplaats] , als contactregeling vast dat [minderjarige] en de moeder eens per twee weken één uur contact met elkaar hebben op het kantoor van de GI;</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>waarbij de invulling en eventuele uitbreiding van deze contactregeling door de GI dient te worden bepaald, afhankelijk van de draagkracht van [minderjarige] , met inachtneming van hetgeen hiervoor onder rechtsoverweging 3.9.2. is bepaald;</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>wijst af het meer of anders verzochte.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Deze beschikking is gegeven door mrs. J.C.E. Ackermans-Wijn, H. van Winkel en P.M.M. Mostermans en is op 13 januari 2022 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.</para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>