<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:GHSHE:2022:58</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2025-03-22T17:46:38</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2022-01-11</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Gerechtshof_'s-Hertogenbosch" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Gerechtshof 's-Hertogenbosch</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2022-01-12</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">20/00167</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#hogerBeroep">Hoger beroep</psi:procedure>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#verzet">Verzet</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">'s-Hertogenbosch</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht_belastingrecht">Bestuursrecht; Belastingrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
          <rdf:li>V-N Vandaag 2022/187</rdf:li>
          <rdf:li>V-N 2022/14.1.3</rdf:li>
          <rdf:li>V-N 2022/29.20.21</rdf:li>
          <rdf:li>Viditax (FutD) 2022012010</rdf:li>
          <rdf:li>FutD 2022-0305</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHSHE:2022:58">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHSHE:2022:58</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2022-01-20T12:08:55</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2022-01-20</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:GHSHE:2022:58 Gerechtshof 's-Hertogenbosch , 12-01-2022 / 20/00167</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:GHSHE:2022:58:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Verzetzaak. Geen betaling griffierecht ontvangen. Belanghebbende voert in verzet aan dat geen correct geformuleerde griffierechtnota is ontvangen en dat een wettelijk voorgeschreven splitsingsvoorstel ontbreekt. Ook doet de gemachtigde mede namens belanghebbende een beroep op betalingsonmacht onder verwijzing naar de coronacrisis en is verzocht om nader uitstel van betaling van het griffierecht. Voor deze zaak is zelfstandig hoger beroep ingediend en om die reden is geen sprake van het administratief splitsen van zaken. Het hof is daarnaast van oordeel dat er geen onduidelijkheid kan bestaan over de zaak waar de nota betrekking op heeft. Het door gemachtigde generiek gestelde beroep op betalingsonmacht waarop door gemachtigde voor een groot aantal belanghebbenden eenzelfde beroep is gedaan zonder inzicht te geven in (het gebrek aan) de betalingscapaciteit van de individuele belanghebbenden voldoet niet aan de voorwaarden. Naar het oordeel van het hof is hiermee onvoldoende informatie verschaft en is bovendien onvoldoende informatie verschaft om een beroep op uitstel van betaling te honoreren. Het verzet is ongegrond.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:GHSHE:2022:58:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <uitspraak.info>
    <bridgehead role="bold">GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH</bridgehead>
    <para>Team belastingrecht</para>
    <para>Enkelvoudige Belastingkamer</para>
    <para>Nummer: 20/00167</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">Uitspraak op het verzet van</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">
          [belanghebbende] ,</emphasis>
      </para>
      <para>gevestigd in [vestigingsplaats] ,</para>
      <para>hierna: belanghebbende,</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>tegen de uitspraak van het hof als bedoeld in artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) van 19 november 2020 (hierna: de uitspraak) op het hoger beroep van belanghebbende tegen de uitspraak van de rechtbank Oost-Brabant van 30 januari 2020, nummer SHE 19/1993 in het geding tussenbelanghebbende </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>en</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">de heffingsambtenaar van de gemeente Eindhoven,</emphasis>
      </para>
      <para>hierna: de heffingsambtenaar.</para>
    </parablock>
    <para />
    <bridgehead role="bold">De behandeling van het verzet</bridgehead>
    <para />
    <parablock>
      <para>Partijen zijn uitgenodigd om met behulp van digitale communicatiemiddelen te worden gehoord op het verzet. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 24 september 2021 in ’s-Hertogenbosch. Aan deze zitting heeft toen deelgenomen [gemachtigde] , als gemachtigde van belanghebbende (hierna: de gemachtigde). Voor de zitting heeft de heffingsambtenaar laten weten dat hij niet zal deelnemen. Van de zitting is een proces-verbaal opgemaakt, dat gelijktijdig met de uitspraak aan partijen wordt verzonden. </para>
    </parablock>
    <para />
  </uitspraak.info>
  <section>
    <title>Gronden</title>
    <para />
    <para>1. Bij uitspraak van 19 november 2020 is belanghebbende niet-ontvankelijk verklaard in het hoger beroep op grond van de overweging dat het door belanghebbende verschuldigde griffierecht niet betaald is binnen de daarvoor door de wet gestelde termijn.</para>
    <para />
    <para>2. Belanghebbende is tegen deze uitspraak tijdig in verzet gekomen.</para>
    <para />
    <para>3. Van de indiener van het beroepschrift wordt door de griffier van het hof een griffierecht geheven van € 532.<footnote-ref linkend="_580ab399-7af4-4952-b1e5-6e64d44dbbbd" /> De griffier wijst de indiener van het beroepschrift op de verschuldigdheid van het griffierecht en deelt haar mee dat het verschuldigde bedrag binnen vier weken na de dag van verzending van zijn mededeling dient te zijn bijgeschreven op de rekening van het hof, dan wel ter griffie dient te zijn gestort.<footnote-ref linkend="_24dc5a3f-9ca0-466e-b2bd-ac9588c0e743" /> Indien het bedrag niet binnen deze termijn is bijgeschreven of gestort, wordt het beroep niet-ontvankelijk verklaard, tenzij redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat de indiener in verzuim is geweest.</para>
    <para />
    <para>4. Het hoger beroepschrift is ingediend door de gemachtigde. In de aan de gemachtigde op 26 maart 2020 door het hof gezonden ontvangstbevestiging van het hoger beroepschrift is onder ‘ons kenmerk’ het kenmerknummer van het hof vermeld en onder het kopje ‘procedure van ‘ [belanghebbende] /De heffingsambtenaar van de gemeente Eindhoven te Eindhoven. </para>
    <para />
    <para>5. Een nieuwe nota griffierecht is, na afwijzing van het beroep op betalingsonmacht op 7 juli 2020, op 8 juli 2020 verzonden naar het in het hoger beroepschrift vermelde kantooradres van de gemachtigde. In deze nota is onder ‘Kenmerk van uw zaak’ vermeld: ‘BK-SHE 20/00167 [belanghebbende] vs Eindhoven, Heffingsambt. gem. Eindho’. De herinnering, gedateerd 6 augustus 2020, waarin de gemachtigde is verzocht het (nog) verschuldigde griffierecht binnen vier weken na dagtekening van de herinnering over te maken op de bankrekening ten name van Griffie LDCR (Landelijke Dienstencentrum voor de Rechtspraak), is eveneens verzonden naar het in het hoger beroepschrift vermelde kantooradres ter attentie van gemachtigde. De griffier heeft belanghebbende er daarbij op gewezen dat bij niet tijdige betaling het hoger beroep niet-ontvankelijk kan worden verklaard. In deze aangetekend verzonden herinnering is onder ‘Kenmerk van uw zaak’ vermeld: ‘BK-SHE 20/00167 [belanghebbende] vs Eindhoven, Heffingsambt. gem. Eindho’. Tot de stukken van het geding behoort een schermprint van PostNL (Track &amp; Trace), waarin is vermeld dat de zending met nummer [nummer] (de herinneringsnota) op 11 augustus 2020 om 8:01 uur is afgehaald. Bij brief van 18 augustus 2020 is door het hof gereageerd op het herhaalde beroep op betalingsonmacht.</para>
    <para />
    <para>6. Van belanghebbende noch van gemachtigde is een betaling griffierecht ontvangen vóór of uiterlijk op 3 september 2020, vier weken na de aangetekend verzonden herinnering van 6 augustus 2020. </para>
    <para />
    <para>7. De gemachtigde voert in verzet aan dat geen correct geformuleerde griffierechtnota is ontvangen. Ook stelt de gemachtigde zich op het standpunt dat een wettelijk voorgeschreven splitsingsvoorstel ontbreekt. Tenslotte doet de gemachtigde mede namens belanghebbende een beroep op betalingsonmacht onder verwijzing naar de coronacrisis en verzoekt hij nader uitstel van betaling van het griffierecht. </para>
    <para />
    <para>i. <emphasis role="italic">i) Tenaamstelling griffierechtnota</emphasis></para>
    <para />
    <para>8. Omtrent dat wat de gemachtigde heeft aangevoerd over de tenaamstelling van de griffierechtnota overweegt het hof als volgt. Het griffierecht wordt geheven van de indiener van het beroepschrift. De indiener is belanghebbende, ook al wordt het beroepschrift namens haar ingediend door een gemachtigde.<footnote-ref linkend="_aa54165f-0505-4170-9976-76ec5be0ece1" /> Op grond van artikel 6:17 Awb zendt het orgaan dat bevoegd is op het bezwaar of beroep te beslissen, indien iemand zich laat vertegenwoordigen, de op de zaak betrekking hebbende stukken in ieder geval aan de gemachtigde. Daartoe behoort ook de uitnodiging tot voldoening van het griffierecht.<footnote-ref linkend="_857a4d31-2efd-448f-b809-28c8c01e3702" /> In de bij de rechtbank overgelegde machtiging van de gemachtigde is vermeld dat zij het instellen van hoger beroep omvat; deze machtiging was niet beëindigd bij het verzenden van de nota griffierecht en de herinnering. De nota en de herinnering zijn dan ook op de wettelijk voorgeschreven wijze naar gemachtigde gezonden. Zowel op de nota als in de herinnering wordt melding gemaakt van het aan de zaak toegekende nummer en wordt melding gemaakt van de naam van belanghebbende. Aldus kan er ook geen onduidelijkheid bestaan over de vraag op welke zaak de nota betrekking heeft.<footnote-ref linkend="_a357d649-06e2-4a1f-b083-f32c1168b9d1" /></para>
    <para />
    <para>9. Hetgeen de gemachtigde ter zitting overigens heeft aangevoerd omtrent zaken van administratieve aard, vormt geen grond voor het oordeel dat belanghebbende niet in verzuim is geweest. Het hof merkt hierbij op dat van een professioneel gemachtigde mag worden verlangd dat hij een goede administratie bijhoudt van de door hem namens diverse belanghebbenden ingestelde (hoger) beroepen. Van de gerechtelijke instantie waar het (hoger) beroep bij wordt ingesteld, mag worden verwacht dat op duidelijke wijze wordt gecommuniceerd over het kenmerk dat aan een zaak wordt gekoppeld en - bij latere correspondentie - op welke zaak deze betrekking heeft. In het onderhavige geval is daaraan voldaan. In de ontvangstbevestiging (zie punt 4) is immers duidelijk aangegeven om welke zaak het gaat, wat het aan die zaak toegewezen kenmerk is en op welke uitspraak van de rechtbank deze zaak ziet. Het toegewezen kenmerk en de naam van belanghebbende is vervolgens opgenomen in de latere correspondentie waaronder de nota en de herinnering tot het betalen van griffierecht.<footnote-ref linkend="_5783c9f0-7aab-487f-ae50-5a280ff24840" /></para>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">ii) Ontbrekende splitsingsbrief</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <para>10. Over wat gemachtigde in verzet heeft aangevoerd inzake het ontbreken van een wettelijk voorgeschreven splitsingsbrief en het slechts éénmaal griffierecht verschuldigd zijn van griffierecht overweegt het hof als volgt. Voor deze zaak is zelfstandig een hoger beroepschrift ingediend, waaraan door het hof één kenmerknummer is toegekend en waarvoor ook éénmaal griffierecht is verschuldigd. Om die reden is geen sprake van het administratief splitsen van zaken en is ook geen splitsingsbrief verzonden. De griffier heeft dan ook terecht griffierecht geheven voor het hoger beroep dat namens belanghebbende is ingediend.<?linebreak?></para>
    <para>
      <emphasis role="italic">iii) Beroep op betalingsonmacht en uitstel van betaling </emphasis>
      <?linebreak?>
    </para>
    <para>11. In gevallen waarin heffing van het ingevolge de wet verschuldigde bedrag aan griffierecht het voor de rechtzoekende onmogelijk, althans uiterst moeilijk, maakt om gebruik te maken van een door de wet opengestelde bestuursrechtelijke rechtsgang, kan worden aangenomen dat de betrokkene met het achterwege laten van betaling van griffierecht niet in verzuim is.<footnote-ref linkend="_affab1f5-59e5-4b2c-841e-a684ecf63c0a" /></para>
    <para />
    <para>12. Omtrent het beroep op betalingsonmacht overweegt het hof als volgt. Uitsluitend belanghebbende en niet de gemachtigde kan een beroep op betalingsonmacht doen. In dit geval heeft gemachtigde mede namens belanghebbende een beroep op betalingsonmacht gedaan onder verwijzing naar de coronacrisis en verzocht om uitstel van betaling van het griffierecht. Een beroep op betalingsonmacht en ook een verzoek om uitstel van betaling dient specifiek en per belanghebbende te worden gedaan, voorzien van een afdoende motivering. Het door gemachtigde generiek gestelde beroep op betalingsonmacht waarop bovendien door gemachtigde voor een groot aantal belanghebbenden eenzelfde beroep is gedaan zonder inzicht te geven in (het gebrek aan) de betalingscapaciteit van de individuele belanghebbenden voldoet niet aan deze voorwaarden. Naar het oordeel van het hof is hiermee onvoldoende informatie verschaft om te kunnen beoordelen of belanghebbende in dit geval voldoet aan de criteria die in de jurisprudentie zijn ontwikkeld voor een geslaagd beroep op betalingsonmacht en is bovendien onvoldoende informatie verschaft om een beroep op uitstel van betaling te honoreren. </para>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Het verzet</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <para>13. Naar het oordeel van het hof is belanghebbende terecht niet-ontvankelijk verklaard in het hoger beroep nu het griffierecht niet is voldaan. </para>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">Tussenconclusie</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <para>14. De slotsom is dat het verzet tegen de uitspraak van 19 november 2020 ongegrond is.</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">Ten aanzien van de proceskosten</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <para>15. Het hof acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten als bedoeld in artikel 8:75 van de Awb.<?linebreak?></para>
  </section>
  <section>
    <title>Beslissing</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het hof verklaart het verzet ongegrond. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De uitspraak is gedaan door P. Fortuin, raadsheer, in tegenwoordigheid van N.A. de Grave, als griffier. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 12 januari 2022 en afschriften van de uitspraak zijn op die datum aangetekend aan partijen verzonden.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">Het aanwenden van een rechtsmiddel</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij <emphasis role="bold">de Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad www.hogeraad.nl</emphasis>. </para>
      <para>Bepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie instellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aan <emphasis role="bold">de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), postbus 20303, 2500 EH Den Haag. </emphasis>Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (zie <emphasis role="bold">www.hogeraad.nl</emphasis>). </para>
      <para>Bij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen:</para>
    </parablock>
    <orderedlist numeration="arabic">
      <listitem>
        <para>Bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.</para>
      </listitem>
      <listitem>
        <para>(Alleen bij procederen op papier) het beroepschrift moet ondertekend zijn;</para>
      </listitem>
      <listitem>
        <para>Het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:</para>
      </listitem>
    </orderedlist>
    <orderedlist numeration="loweralpha">
      <listitem>
        <para>de naam en het adres van de indiener;</para>
      </listitem>
      <listitem>
        <para>de dagtekening;</para>
      </listitem>
      <listitem>
        <para>een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;</para>
      </listitem>
      <listitem>
        <para>e gronden van het beroep in cassatie.</para>
      </listitem>
    </orderedlist>
    <parablock>
      <para>Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.</para>
      <para>In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de andere partij te veroordelen in de proceskosten.</para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <footnote id="_580ab399-7af4-4952-b1e5-6e64d44dbbbd" label="1">
    <para> Artikel 8:41, lid 1, Awb, in samenhang met het bepaalde in de artikelen 8:108, lid 1 en 8:109, lid 1, letter c,  Awb.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_24dc5a3f-9ca0-466e-b2bd-ac9588c0e743" label="2">
    <para> Artikel 8:41, leden 4 tot en met 6, Awb.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_aa54165f-0505-4170-9976-76ec5be0ece1" label="3">
    <para>Vergelijk Hoge Raad 17 december 2010, ECLI:NL:HR:2010:BO7505, BNB 2011/73.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_857a4d31-2efd-448f-b809-28c8c01e3702" label="4">
    <para>Zie Centrale Raad van Beroep, 19 december 2018, ECLI:NL:CRVB:2018:4162.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_a357d649-06e2-4a1f-b083-f32c1168b9d1" label="5">
    <para> Gerechtshof ’s-Hertogenbosch, 17 oktober 2019, ECLI:NL:GHSHE:2019:3838 en Gerechtshof ’s-Hertogenbosch, 8 augustus 2019, ECLI:NL:GHSHE:2019:3094.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_5783c9f0-7aab-487f-ae50-5a280ff24840" label="6">
    <para> Gerechtshof ’s-Hertogenbosch, 17 oktober 2019, ECLI:NL:GHSHE:2019:3838 en Gerechtshof ’s-Hertogenbosch, 8 augustus 2019, ECLI:NL:GHSHE:2019:3094.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_affab1f5-59e5-4b2c-841e-a684ecf63c0a" label="7">
    <para>Hoge Raad 28 maart 2014, ECLI:NL:HR:2014:699.</para>
  </footnote>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>