<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:GHSHE:2022:4046</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2025-03-22T21:21:45</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2022-11-23</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Gerechtshof_'s-Hertogenbosch" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Gerechtshof 's-Hertogenbosch</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2022-11-23</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">22/00141</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#hogerBeroep">Hoger beroep</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">'s-Hertogenbosch</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht_belastingrecht">Bestuursrecht; Belastingrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:relation rdfs:label="Formele relatie" ecli:resourceIdentifier="ECLI:NL:RBZWB:2021:6398" psi:type="http://psi.rechtspraak.nl/hogerBeroep" psi:aanleg="http://psi.rechtspraak.nl/eerdereAanleg" psi:gevolg="http://psi.rechtspraak.nl/gevolg#bekrachtiging/bevestiging">Eerste aanleg: ECLI:NL:RBZWB:2021:6398, Bekrachtiging/bevestiging</dcterms:relation>
      <dcterms:relation rdfs:label="Formele relatie" ecli:resourceIdentifier="ECLI:NL:HR:2023:1537" psi:type="http://psi.rechtspraak.nl/cassatie" psi:aanleg="http://psi.rechtspraak.nl/latereAanleg">Cassatie: ECLI:NL:HR:2023:1537</dcterms:relation>
      <dcterms:references rdfs:label="Wetsverwijzing" bwb:resourceIdentifier="jci1.31:c:BWBR0011353&amp;artikel=8.9&amp;g=2022-01-01">Wet inkomstenbelasting 2001 8.9</dcterms:references>
      <dcterms:references rdfs:label="Wetsverwijzing" bwb:resourceIdentifier="jci1.31:c:BWBR0011353&amp;artikel=8.9a&amp;g=2016-01-01">Wet inkomstenbelasting 2001 8.9a</dcterms:references>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
          <rdf:li>NLF 2023/1557</rdf:li>
          <rdf:li>V-N Vandaag 2023/1584</rdf:li>
          <rdf:li>V-N 2023/36.1.3</rdf:li>
          <rdf:li>Viditax (FutD) 2023070503</rdf:li>
          <rdf:li>FutD 2023-1796</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHSHE:2022:4046">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHSHE:2022:4046</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2023-07-04T16:24:03</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2023-07-04</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:GHSHE:2022:4046 Gerechtshof 's-Hertogenbosch , 23-11-2022 / 22/00141</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:GHSHE:2022:4046:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Het belastingverdrag tussen Nederland en België (hierna: het belastingverdrag) staat niet in de weg aan de uit artikel 8.9, lid 3, Wet IB 2001 en artikel 8.9a, lid 2, Wet IB 2001 volgende verminderingen van de (bijzondere) verhoging van de algemene heffingskorting. Het hof acht van belang dat de algemene heffingskorting deel uitmaakt van het tarievenstelsel en het belastingverdrag hier niets over regelt. Het hof acht daarnaast van belang dat de over het Belgische pensioen verschuldigde IB, na vermindering ter voorkoming van dubbele belasting, € 0 bedraagt. De non-discriminatiebepaling uit artikel 26, paragraaf 1, belastingverdrag staat eveneens niet in de weg aan voornoemde verminderingen, aangezien belanghebbende de Nederlandse nationaliteit heeft.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:GHSHE:2022:4046:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <uitspraak.info>
    <bridgehead role="bold">GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH </bridgehead>
    <para>Team belastingrecht</para>
    <para>Meervoudige Belastingkamer</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Nummer: 22/00141 </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">Uitspraak op het hoger beroep van</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">
          [belanghebbende] ,</emphasis>
      </para>
      <para>wonend in [woonplaats] (België),</para>
      <para>hierna: belanghebbende,</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>tegen de uitspraak van de rechtbank Zeeland-West-Brabant (hierna: de rechtbank) van 14 december 2021, nummers BRE 20/6197 en 21/881, in het geding tussen belanghebbende en  </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">de inspecteur van de Belastingdienst,</emphasis>
      </para>
      <para>hierna: de inspecteur. </para>
    </parablock>
    <para />
  </uitspraak.info>
  <section role="procesverloop">
    <title>
      <nr>1</nr>Ontstaan en loop van het geding</title>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>1.1.</nr>
      <para>De inspecteur heeft aan belanghebbende de aanslag inkomstenbelasting (hierna: IB) 2017 (hierna: de aanslag) opgelegd. Gelijktijdig is aan belanghebbende bij beschikking belastingrente vergoed (hierna: de belastingrentebeschikking).</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>1.2.</nr>
      <para>Belanghebbende heeft bezwaar gemaakt tegen de aanslag en de belastingrentebeschikking. De inspecteur heeft uitspraak op bezwaar gedaan en het bezwaar ongegrond verklaard. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>1.3.</nr>
      <para>Belanghebbende heeft tegen de uitspraak op bezwaar beroep ingesteld bij de rechtbank. De rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard en zich onbevoegd verklaard voor zover het beroep betrekking heeft op een vordering op grond van ongerechtvaardigde verrijking. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>1.4.</nr>
      <para>Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de rechtbank hoger beroep ingesteld bij het hof. De inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>1.5.</nr>
      <para>Het hof heeft bepaald dat de zitting achterwege kan blijven. Geen van partijen heeft – na navraag door het hof – verklaard gebruik te willen maken van het recht om op een zitting te worden gehoord. Het hof heeft partijen schriftelijk medegedeeld dat het onderzoek is gesloten. </para>
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>2</nr>Feiten</title>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>2.1.</nr>
      <para>Belanghebbende is gehuwd met [echtgenoot] (hierna: de echtgenoot). Belanghebbende en de echtgenoot woonden geheel 2017 in België. Belanghebbende heeft de Nederlandse nationaliteit. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.2.</nr>
      <para>Met betrekking tot het jaar 2017 heeft belanghebbende op 13 september 2019 als buitenlandse belastingplichtige aangifte gedaan voor de IB. Belanghebbende heeft in de aangifte aangegeven dat de echtgenoot haar fiscale partner is, dat zij voldoet aan de voorwaarden om aangemerkt te worden als kwalificerende buitenlandse belastingplichtige, dat is voldaan aan de voorwaarden die gesteld worden aan het recht tot uitbetaling van heffingskortingen en dat zij niet premieplichtig is in Nederland. Het aangegeven verzamelinkomen bedraagt € 1.561. Dit betreft een door Rabobank uitgekeerd pensioen waarover België op grond van het tussen Nederland en België gesloten belastingverdrag<footnote-ref linkend="_0556edbc-6cf6-4555-bf81-e707ea078ebe" /> (hierna: het belastingverdrag) heffingsbevoegd is. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.3.</nr>
      <para>Belanghebbende heeft op 19 januari 2020 ter zake van het jaar 2017 opnieuw aangifte gedaan voor de IB en premie volksverzekeringen (hierna: PVV), ditmaal als binnenlandse belastingplichtige. Deze aangifte is niet in behandeling genomen. Hierna wordt de op 13 september 2019 ingediende aangifte (zie onder 2.2) aangeduid als “de aangifte”. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.4.</nr>
      <para>Met dagtekening 3 november 2020 heeft de inspecteur de aanslag, overeenkomstig de aangifte, aan belanghebbende opgelegd. Het op de aanslag aan belanghebbende uit te keren bedrag is € 1.685. Dit bedrag is als volgt berekend:</para>
      <para />
      <informaltable>
        <tgroup cols="2">
          <colspec colname="colA" />
          <colspec colname="colB" />
          <tbody>
            <row>
              <entry>
                <para>Verschuldigde IB na voorkoming van dubbele belasting<footnote-ref linkend="_40292cd9-c2a6-43cd-981b-dcef5bdab816" /></para>
              </entry>
              <entry>
                <para>   €        0</para>
              </entry>
            </row>
            <row>
              <entry>
                <para>Maximumbedrag bijzondere verhoging algemene heffingskorting</para>
              </entry>
              <entry>
                <para>   € 2.254</para>
              </entry>
            </row>
            <row>
              <entry>
                <para>Vermindering artikel 8.9, lid 3, Wet IB 2001</para>
              </entry>
              <entry>
                <para>-  €    138 </para>
              </entry>
            </row>
            <row>
              <entry>
                <para>Vermindering artikel 8.9a, lid 2, Wet IB 2001 </para>
              </entry>
              <entry>
                <para>-  €    431 </para>
              </entry>
            </row>
            <row>
              <entry>
                <para>Uitbetaalde heffingskorting </para>
              </entry>
              <entry>
                <para>   € 1.685 </para>
              </entry>
            </row>
          </tbody>
        </tgroup>
      </informaltable>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.5.</nr>
      <para>Gelijktijdig met de aanslag is aan belanghebbende de belastingrentebeschikking gegeven. Het op die beschikking te ontvangen bedrag is € 51. De belastingrente is berekend over de periode 14 december 2019 tot 15 december 2020. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.6.</nr>
      <para>Aan de echtgenoot is op 20 oktober 2020 de aanslag IB/PVV 2017 opgelegd. Het op die aanslag te betalen bedrag aan IB/PVV bedraagt, na verrekening met de loonbelasting en de heffingskortingen, € 3.182. </para>
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>3</nr>Geschil en conclusies van partijen</title>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>3.1.</nr>
      <para>Het geschil betreft het antwoord op de volgende vragen:</para>
      <para>1. Heeft belanghebbende recht op uitbetaling van een hoger bedrag aan algemene heffingskorting dan bij de aanslag aan haar is verleend?</para>
      <para>2. Heeft belanghebbende recht op vergoeding van een hoger bedrag aan belastingrente dan bij de belastingrentebeschikking aan haar is verleend? </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.2.</nr>
      <para>Tussen partijen is niet in geschil dat belanghebbende op grond van het vertrouwensbeginsel aanspraak kan maken op uitbetaling van het bij de aanslag uitgekeerde bedrag van € 1.685 aan heffingskorting. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.3.</nr>
      <para>Belanghebbende concludeert tot het verlenen van een hogere teruggaaf algemene heffingskorting en hogere vergoeding van belastingrente. De inspecteur concludeert tot bevestiging van de uitspraak van de rechtbank. </para>
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section role="overwegingen">
    <title>
      <nr>4</nr>Gronden</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">Ten aanzien van het geschil </emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Vraag 1 (bedrag aan algemene heffingskorting) </emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>4.1.</nr>
      <para>Belanghebbende stelt dat de verminderingen uit artikel 8.9, lid 3, Wet IB 2001 en 8.9a, lid 2, Wet IB 2001 die zijn toegepast bij berekening van de (bijzondere) verhogingen van de algemene heffingskorting tot gevolg hebben dat op oneigenlijke wijze IB en PVV wordt geheven over de door haar genoten pensioeninkomsten waarover het heffingsrecht aan België is toegewezen. Volgens belanghebbende is sprake van discriminatie in toepassing van wetgeving. Dit is, aldus belanghebbende, in strijd met het belastingverdrag dan wel het internationale recht. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.2.</nr>
      <para>De inspecteur stelt in zijn reactie dat geen IB en PVV van belanghebbende is geheven. De bij berekening van de (bijzondere) verhogingen gehanteerde verminderingen veranderen dit niet. De inspecteur acht daarnaast van belang dat het uitbetaalde bedrag gelijk is aan het bedrag dat aan belanghebbende uitbetaald zou zijn indien zij in Nederland zou wonen en een Belgisch pensioen van € 1.561 zou genieten. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.3.</nr>
      <para>Belanghebbende heeft geen zelfstandig recht op uitbetaling van de algemene heffingskorting, aangezien na toepassing van de regeling ter voorkoming van dubbele belasting geen te betalen bedrag aan IB resteert.<footnote-ref linkend="_01ff9584-1a3b-48a4-acde-a078bb1ab6c3" /> In navolging van partijen (zie onder 3.2) gaat het hof ervan uit dat belanghebbende aanspraak kan maken op de in artikel 8.9 en artikel 8.9a Wet IB 2001 opgenomen (bijzondere) verhogingen van de algemene heffingskorting die gelden voor de minstverdienende, niet-premieplichtige partner. Het hof gaat hierna derhalve niet in op de vraag of aan de in artikel 8.9 en artikel 8.9a Wet IB 2001 gestelde voorwaarden wordt voldaan. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.4.</nr>
      <para>In artikel 8.9, lid 1 en lid 2, Wet IB 2001 is opgenomen dat de heffingskorting wordt verhoogd tot 100% van het toetsniveau. Deze verhoging wordt begrensd door het over het desbetreffende belastingjaar door de partner verschuldigde bedrag aan IB/PVV. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.5.</nr>
      <para>Toegepast op de onderhavige zaak leidt dit tot een verhoging van de algemene heffingskorting tot € 2.254.<footnote-ref linkend="_41a3ddce-1596-490c-9f5c-6fa32dc59f00" /></para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.6.</nr>
      <para>In artikel 8.9, lid 3, Wet IB 2001 is opgenomen dat de verhoging van de algemene heffingskorting wordt verlaagd met het bedrag van de belastingvermindering volgens regelingen ter voorkoming van dubbele belasting. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.7.</nr>
      <para>In het onderhavige geval bedraagt de verleende vermindering ter voorkoming van dubbele belasting € 138. Artikel 8.9, lid 3, Wet IB 2001 brengt mee dat de verhoging van de algemene heffingskorting wordt beperkt tot € 2.116.<footnote-ref linkend="_359094da-231c-4271-b2f1-cdedc4a8ca6c" /> Dit betreft het saldo van het IB- en premiedeel van de algemene heffingskorting.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.8.</nr>
      <para>In artikel 8.9a Wet IB 2001 is voor niet-premieplichtigen, zoals belanghebbende, een bijzondere verhoging van het IB-deel van de heffingskortingen opgenomen, omdat niet-premieplichtigen de verhoging van het premiedeel van de heffingskortingen niet kunnen effectueren. In lid 2 van dat artikel is geregeld dat de bijzondere verhoging van de heffingskorting voor de IB gelijk is aan de uit artikel 8.9 Wet IB 2001 volgende totale verhoging van het IB- en premiedeel van de heffingskorting, voor zover de belastingplichtige daarop als niet-premieplichtige geen recht heeft, maar hij daarop wel recht zou hebben indien hij premieplichtig zou zijn in Nederland. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.9.</nr>
      <para>De Hoge Raad heeft deze bepaling bij arrest van 4 april 2014<footnote-ref linkend="_e036505a-59b9-44a1-b3b5-9a58ac80f54c" /> aldus uitgelegd dat bij de vaststelling van het recht op en de omvang van de bijzondere verhoging uit artikel 8.9a Wet IB 2001 rekening gehouden moet worden met de PVV die een belanghebbende verschuldigd zou zijn indien hij een premieplichtige inwoner van Nederland zou zijn. Dit houdt in dat de bijzondere verhoging van de heffingskorting verminderd wordt met de in dat denkbeeldige geval verschuldigde PVV.  </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.10.</nr>
      <para>In het onderhavige geval is tussen partijen niet in geschil dat belanghebbende in het geval zij premieplichtig zou zijn € 431 aan PVV verschuldigd zou zijn. Artikel 8.9a Wet IB 2001 brengt derhalve mee dat het IB-deel van de algemene heffingskorting verhoogd dient te worden tot € 1.685.<footnote-ref linkend="_2f4bb23d-7fee-4464-80b2-7730113f56c8" /> Dit bedrag is aan belanghebbende uitbetaald. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.11.</nr>
      <para>In de onderhavige procedure staat de vraag centraal of het belastingverdrag dan wel het (niet nader gespecificeerde) internationale recht in de weg staan aan de hierboven omschreven verminderingen die volgen uit artikel 8.9, lid 3, Wet IB 2001 en artikel 8.9a, lid 2, Wet IB 2001. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.12.</nr>
      <para>Het belastingverdrag bevat, behoudens de non-discriminatiebepaling waar hierna onder 4.14 op ingegaan zal worden, hoofdzakelijk bepalingen die de verdeling van de heffingsbevoegdheid tussen de verdragsluitende landen regelen. Het belastingverdrag regelt niets over de door de lidstaten te hanteren tarievenstelsels, waarvan kortingen zoals de algemene heffingskorting deel uitmaken.<footnote-ref linkend="_e21bc559-2612-4c9e-92df-6d6b4712dedd" /></para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.13.</nr>
      <para>De door belanghebbende verschuldigde IB bedraagt, na vermindering ter voorkoming van dubbele belasting, € 0 omdat het heffingsrecht over belanghebbendes pensioeninkomsten aan België is toegewezen. Daarom valt niet in te zien op welke wijze de berekening van het uit te keren bedrag aan algemene heffingskorting inbreuk zou kunnen maken op de regels die in het belastingverdrag over de verdeling van de heffingsbevoegd zijn opgenomen en die in het onderhavige geval tot een heffingsrecht voor België leiden, dan wel dat sprake zou kunnen zijn van een verboden grondslagvoorbehoud. Met betrekking tot de stelling dat artikel 8.9a, lid 2, Wet IB 2001 ertoe leidt dat in strijd met het belastingverdrag premies van belanghebbende worden geheven, voegt het hof hieraan toe dat het belastingverdrag geen regels over de verdeling van het recht om premies te heffen bevat. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.14.</nr>
      <para>De onder 4.12. genoemde non-discriminatiebepaling is te vinden in artikel 26, paragraaf 1, belastingverdrag. Deze bepaling verbiedt discriminatie van onderdanen van de andere staat. Op grond van artikel 3, paragraaf 1, letter g, onder 1, belastingverdrag worden als onderdanen van een staat alle natuurlijke personen met de nationaliteit van die staat verstaan. Aangezien belanghebbende de Nederlandse nationaliteit heeft, staat voornoemde non-discriminatiebepaling niet in de weg aan de in het onderhavige geval toegepaste verminderingen van de (bijzondere) verhogingen van de algemene heffingskorting. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.15.</nr>
      <para>Het hof gaat, bij het ontbreken van een nadere specificering van de overige rechten waarop belanghebbende, die wordt bijgestaan door een rechtsbijstandverlener, een beroep wenst te doen, voorbij aan de stelling dat de berekening van de teruggaaf strijd oplevert met internationale recht. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.16.</nr>
      <para>Het voorgaande leidt tot ontkennende beantwoording van vraag 1. </para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">Vraag 2 (belastingrentebeschikking) </emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.17.</nr>
      <para>Belanghebbende concludeert in het hoger beroepschrift, naast verhoging van de te verlenen teruggaaf algemene heffingskorting, tot wetsconforme berekening van de belastingrente. Uit de beantwoording van vraag 1 volgt dat het hof geen aanleiding ziet voor verhoging van voornoemde teruggaaf. Voor zover voornoemde stelling aldus verstaan dient te worden dat ook in het geval de teruggaaf niet verhoogd wordt de belastingrentebeschikking vernietigd dient te worden aangezien die niet conform de wettelijke bepalingen is berekend, faalt dit betoog. De bij berekening van de belastingrente gehanteerde periode is namelijk in lijn met artikel 30fd, lid 3, AWR en het gehanteerde rentepercentage is in lijn met artikel 30hb AWR. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.18.</nr>
      <para>Het hof beantwoordt vraag 2 ontkennend. </para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="bold">Tussenconclusie </emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.19.</nr>
      <para>De slotsom is dat het hoger beroep ongegrond is.  </para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="bold">Ten aanzien van het griffierecht </emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.20.</nr>
      <para>Het hof ziet geen aanleiding om het griffierecht te laten vergoeden. </para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="bold">Ten aanzien van de proceskosten </emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.21.</nr>
      <para>Het hof oordeelt dat er geen redenen zijn voor een veroordeling in de proceskosten als bedoeld in artikel 8:75 Algemene wet bestuursrecht. </para>
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>5</nr>Beslissing</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het hof:</para>
    </parablock>
    <para>- verklaart het hoger beroep ongegrond;</para>
    <para>- bevestigt de uitspraak van de rechtbank. </para>
    <para />
    <parablock>
      <para>De uitspraak is gedaan door P.C. van der Vegt, voorzitter, T.A. Gladpootjes en J.M. van der Vegt, in tegenwoordigheid van J.M.A. van Rooij-Beckers, als griffier. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 23 november 2022 en afschriften van de uitspraak zijn op die datum aangetekend aan partijen verzonden.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De griffier,	De voorzitter,</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>J.M.A. van Rooij-Beckers	P.C. van der Vegt</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">Het aanwenden van een rechtsmiddel:</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij <emphasis role="bold">de Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad </emphasis><emphasis role="bold underline">www.hogeraad.nl</emphasis>. </para>
      <para>Bepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie instellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aan <emphasis role="bold">de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), postbus 20303, 2500 EH Den Haag. </emphasis>Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (zie <emphasis role="bold underline">www.hogeraad.nl</emphasis>). </para>
      <para>Bij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen:</para>
    </parablock>
    <orderedlist numeration="arabic">
      <listitem>
        <para>Bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.</para>
      </listitem>
      <listitem>
        <para>(Alleen bij procederen op papier) het beroepschrift moet ondertekend zijn;</para>
      </listitem>
      <listitem>
        <para>Het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:</para>
      </listitem>
    </orderedlist>
    <orderedlist numeration="loweralpha">
      <listitem>
        <para>de naam en het adres van de indiener;</para>
      </listitem>
      <listitem>
        <para>de dagtekening;</para>
      </listitem>
      <listitem>
        <para>een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;</para>
      </listitem>
      <listitem>
        <para>e gronden van het beroep in cassatie.</para>
      </listitem>
    </orderedlist>
    <parablock>
      <para>Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.</para>
      <para>In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de andere partij te veroordelen in de proceskosten.</para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <footnote id="_0556edbc-6cf6-4555-bf81-e707ea078ebe" label="1">
    <para> Verdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden en het Koninkrijk België tot het vermijden van dubbele belasting en tot het voorkomen van het ontgaan van belasting inzake belastingen naar het inkomen en naar het vermogen, Trb. 2001, 136. </para>
  </footnote>
  <footnote id="_40292cd9-c2a6-43cd-981b-dcef5bdab816" label="2">
    <para> € 138 (verschuldigde IB vóór voorkoming) - € 138 (voorkoming van dubbele belasting). </para>
  </footnote>
  <footnote id="_01ff9584-1a3b-48a4-acde-a078bb1ab6c3" label="3">
    <para>Artikel 8.8 Wet IB 2001. </para>
  </footnote>
  <footnote id="_41a3ddce-1596-490c-9f5c-6fa32dc59f00" label="4">
    <para> 100% van het toetsniveau dat volgt uit artikel 8.10 Wet IB 2001. </para>
  </footnote>
  <footnote id="_359094da-231c-4271-b2f1-cdedc4a8ca6c" label="5">
    <para>€ 2.254 (zie onder 4.5) - € 138. </para>
  </footnote>
  <footnote id="_e036505a-59b9-44a1-b3b5-9a58ac80f54c" label="6">
    <para> Hoge Raad 4 april 2014, ECLI:NL:HR:2014:782. </para>
  </footnote>
  <footnote id="_2f4bb23d-7fee-4464-80b2-7730113f56c8" label="7">
    <para>€ 2.116 (zie onder 4.7) - € 431 = € 1.685. </para>
  </footnote>
  <footnote id="_e21bc559-2612-4c9e-92df-6d6b4712dedd" label="8">
    <para> Hoge Raad 19 juli 2019, ECLI:NL:HR:2019:1221. </para>
  </footnote>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>