<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:GHSHE:2022:3880</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2025-03-22T11:32:37</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2022-11-09</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Gerechtshof_'s-Hertogenbosch" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Gerechtshof 's-Hertogenbosch</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2022-11-09</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">21/00745</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#hogerBeroep">Hoger beroep</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">'s-Hertogenbosch</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht_belastingrecht">Bestuursrecht; Belastingrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
          <rdf:li>V-N Vandaag 2023/1176</rdf:li>
          <rdf:li>V-N 2023/29.25.32</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHSHE:2022:3880">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHSHE:2022:3880</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2023-05-11T08:47:29</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2023-05-11</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:GHSHE:2022:3880 Gerechtshof 's-Hertogenbosch , 09-11-2022 / 21/00745</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:GHSHE:2022:3880:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Beoordeling niet-ontvankelijkverklaring van het beroep. Uit de overgelegde printscreens van de heffingsambtenaar kan niet worden afgeleid dat de uitspraak op bezwaar is aangeboden op de door de heffingsambtenaar gestelde datum. Belanghebbende stelt dat hij heeft gehandeld toen de stukken hem toekwamen. Het hof geeft belanghebbende het voordeel van de twijfel en gaat ervan uit dat de uitspraak op bezwaar is ontvangen kort voordat belanghebbende het beroepschrift heeft gestuurd. Het hof verklaart het beroep daardoor ontvankelijk en wijst de zaak terug naar de rechtbank voor een inhoudelijke behandeling van het beroep.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:GHSHE:2022:3880:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <uitspraak.info>
    <bridgehead role="bold">GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH</bridgehead>
    <para>Team belastingrecht</para>
    <para>Meervoudige Belastingkamer</para>
    <para>Nummer: 21/00745</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">Uitspraak op het hoger beroep van</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">
          [belanghebbende] ,</emphasis>
      </para>
      <para>wonend in [woonplaats] (België),</para>
      <para>hierna: belanghebbende,</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>tegen de uitspraak van de rechtbank Oost-Brabant (hierna: de rechtbank) van 13 april 2021, nummer SHE 20/2474, in het geding tussen belanghebbende en  </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">de heffingsambtenaar van de gemeente 's-Hertogenbosch,</emphasis>
      </para>
      <para>hierna: de heffingsambtenaar. </para>
    </parablock>
    <para />
  </uitspraak.info>
  <section role="procesverloop">
    <title>
      <nr>1</nr>Ontstaan en loop van het geding</title>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>1.1.</nr>
      <para>De heffingsambtenaar heeft aan belanghebbende een naheffingsaanslag parkeerbelasting opgelegd.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>1.2.</nr>
      <para>De heffingsambtenaar heeft bij uitspraak op bezwaar de naheffingsaanslag gehandhaafd.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>1.3.</nr>
      <para>De rechtbank heeft het daartegen ingestelde beroep niet-ontvankelijk verklaard.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>1.4.</nr>
      <para>Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de rechtbank hoger beroep ingesteld bij het hof. De heffingsambtenaar heeft een verweerschrift ingediend.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>1.5.</nr>
      <para>De heffingsambtenaar heeft op verzoek van het hof stukken overgelegd die tijdens de zitting van de rechtbank zijn getoond. De heffingsambtenaar heeft die stukken per e-mail aan belanghebbende toegestuurd.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>1.6.</nr>
      <para>De zitting heeft plaatsgevonden op 27 oktober 2022 in ’s-Hertogenbosch. Daar is belanghebbende verschenen. De heffingsambtenaar is met kennisgeving van verhindering niet verschenen. Belanghebbende heeft tijdens de zitting een pleitnota voorgelezen en exemplaren daarvan overgelegd aan het hof. Van de zitting is een proces-verbaal opgemaakt, dat gelijktijdig met de uitspraak aan partijen wordt verzonden. Het hof heeft aan het einde van de zitting het onderzoek gesloten</para>
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>2</nr>Feiten</title>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>2.1.</nr>
      <para>Belanghebbende heeft bezwaar gemaakt tegen de aan hem opgelegde naheffingsaanslag parkeerbelasting. De uitspraak op bezwaar is gedagtekend 14 mei 2020. De uitspraak op bezwaar is per gewone post aan belanghebbende toegestuurd. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.2.</nr>
      <para>Belanghebbende heeft daartegen een beroepschrift ingediend met dagtekening              31 augustus 2020. Het beroepschrift is door de rechtbank op 7 september 2020 ontvangen. De rechtbank heeft het beroep niet-ontvankelijk verklaard, omdat het beroepschrift te laat is ingediend. </para>
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>3</nr>Geschil en conclusies van partijen</title>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>3.1.</nr>
      <para>Het geschil betreft het antwoord op de volgende vraag: is het beroep terecht niet-ontvankelijk verklaard? </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.2.</nr>
      <para>Belanghebbende concludeert tot een ontvankelijk beroep. De heffingsambtenaar concludeert tot bevestiging van de uitspraak van de rechtbank.</para>
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section role="overwegingen">
    <title>
      <nr>4</nr>Gronden</title>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>4.1.</nr>
      <para>De termijn voor het indienen van een beroepschrift bedraagt zes weken.<footnote-ref linkend="_e0c4e16f-e0ea-41f0-818e-5a23baffad41" /> Deze termijn vangt aan met ingang van de dag na die van dagtekening van de uitspraak op bezwaar, tenzij de dag van dagtekening gelegen is vóór de dag van de bekendmaking.<footnote-ref linkend="_34dba588-8722-4089-a215-3801f2e0da4a" /> Een beroepschrift is tijdig ingediend indien het voor het einde van de termijn is ontvangen.<footnote-ref linkend="_c8087c48-34db-4fb2-8fed-e3924ef3dd76" /></para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.2.</nr>
      <para>De bekendmaking van een besluit geschiedt door toezending of uitreiking aan belanghebbende.<footnote-ref linkend="_0e1e24c6-c3a8-4b3f-abaf-a68ab9270ea3" /></para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.3.</nr>
      <para>Belanghebbende stelt dat voor hem niet controleerbaar is dat de uitspraak op bezwaar op 14 mei 2020 aan hem is toegestuurd. Hij betwist dan ook de tijdige verzending daarvan. Voor dat geval is het aan de heffingsambtenaar om de tijdige verzending aannemelijk te maken.<footnote-ref linkend="_4f9075f2-55e6-4816-b845-b4c9a30eeca7" /></para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.4.</nr>
      <para>Het staat vast dat de uitspraak op bezwaar is verzonden, omdat – naar in hoger beroep niet in geschil is – belanghebbende deze per post heeft ontvangen. Het geschil spitst zich toe op de vraag wanneer de uitspraak op bezwaar is verzonden. De heffingsambtenaar heeft in dat verband printscreens overgelegd van het interne systeem. Daaruit volgt dat de uitspraak op bezwaar op 14 mei 2020 definitief is afgerond en dat nadien geen wijzigingen meer zijn aangebracht. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.5.</nr>
      <para>Het hof is van oordeel dat de heffingsambtenaar met de overgelegde stukken niet aannemelijk maakt dat de uitspraak op bezwaar ook op 14 mei 2020 aan belanghebbende is verzonden. Uit de overgelegde printscreens, die geen betrekking hebben op een verzendadministratie, kan niet worden afgeleid dat de uitspraak op bezwaar op 14 mei 2020 aan een postbedrijf is aangeboden.<footnote-ref linkend="_4fca798e-f283-47da-9c6d-510c88ac4e26" /> Nu ook overigens niet kan worden vastgesteld wanneer de uitspraak op bezwaar is verzonden, vangt de beroepstermijn aan op het moment van ontvangst van de uitspraak op bezwaar door belanghebbende.<footnote-ref linkend="_4b394d52-10cf-4340-b2ce-12ada3eee4dc" /> Wanneer dat precies is geweest, heeft belanghebbende niet gesteld en heeft hij desgevraagd, ter zittingen van de rechtbank en het hof, ook niet duidelijk kunnen maken. Belanghebbende heeft tijdens de zitting van de rechtbank wel verklaard gehandeld te hebben op het moment dat de stukken hem toekwamen. In aanmerking genomen dat er geen objectieve indicatie(s) in het dossier zijn dat deze verklaring niet juist kan zijn, geeft het hof belanghebbende op dit punt het voordeel van de twijfel. Het hof gaat ervan uit dat de uitspraak op bezwaar is ontvangen kort voordat belanghebbende het beroepschrift heeft gestuurd. Op grond van het voorgaande is het beroep ten onrechte niet-ontvankelijk verklaard.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.6.</nr>
      <para>Het hof verklaart het beroep ontvankelijk en wijst daarom de zaak terug naar de rechtbank voor een inhoudelijke behandeling van het beroep tegen de naheffingsaanslag parkeerbelasting.<footnote-ref linkend="_95ef068b-9ced-49f4-814b-378e5575e5ea" /></para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.7.</nr>
      <para>De slotsom is dat het hoger beroep gegrond is.</para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="bold">Ten aanzien van het griffierecht </emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.8.</nr>
      <para>De heffingsambtenaar dient aan belanghebbende het bij het hof betaalde griffierecht van € 134 te vergoeden, omdat de uitspraak van de rechtbank wordt vernietigd.</para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="bold">Ten aanzien van de proceskosten</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.9.</nr>
      <para>Het hof oordeelt dat er geen redenen zijn voor een veroordeling in de proceskosten als bedoeld in artikel 8:75 Awb. Belanghebbende heeft namelijk niet verzocht om een proceskostenvergoeding. Het hof is ook niet gebleken van kosten van beroepsmatig verleende rechtsbijstand.</para>
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>5</nr>Beslissing</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het hof:</para>
    </parablock>
    <itemizedlist mark="-">
      <listitem>
        <para>verklaart het hoger beroep gegrond;</para>
      </listitem>
      <listitem>
        <para>vernietigt de uitspraak van de rechtbank; </para>
      </listitem>
      <listitem>
        <para>verklaart het beroep ontvankelijk;</para>
      </listitem>
      <listitem>
        <para>wijst de zaak terug naar de rechtbank voor verdere behandeling en beslissing met inachtneming van deze uitspraak;</para>
      </listitem>
      <listitem>
        <para>bepaalt dat de heffingsambtenaar aan belanghebbende het betaalde griffierecht voor de behandeling van het hoger beroep bij het hof van € 134 vergoedt.</para>
      </listitem>
    </itemizedlist>
    <para />
    <parablock>
      <para>De uitspraak is gedaan door M.R.T. Pauwels, voorzitter, J.M. van der Vegt en W.A. Sijberden, in tegenwoordigheid van E. Royakkers, als griffier. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 9 november 2022. </para>
      <para>en afschriften van de uitspraak zijn op die datum aangetekend aan partijen verzonden.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De griffier,	De voorzitter,</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>E. Royakkers	M.R.T. Pauwels</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">Het aanwenden van een rechtsmiddel</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij <emphasis role="bold">de Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad </emphasis><emphasis role="bold underline">www.hogeraad.nl</emphasis>. </para>
      <para>Bepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie instellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aan <emphasis role="bold">de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), postbus 20303, 2500 EH Den Haag. </emphasis>Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (zie <emphasis role="bold underline">www.hogeraad.nl</emphasis>). </para>
      <para>Bij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen:</para>
    </parablock>
    <orderedlist numeration="arabic">
      <listitem>
        <para>Bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.</para>
      </listitem>
      <listitem>
        <para>(Alleen bij procederen op papier) het beroepschrift moet ondertekend zijn;</para>
      </listitem>
      <listitem>
        <para>Het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:</para>
      </listitem>
    </orderedlist>
    <orderedlist numeration="loweralpha">
      <listitem>
        <para>de naam en het adres van de indiener;</para>
      </listitem>
      <listitem>
        <para>de dagtekening;</para>
      </listitem>
      <listitem>
        <para>een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;</para>
      </listitem>
      <listitem>
        <para>e gronden van het beroep in cassatie.</para>
      </listitem>
    </orderedlist>
    <parablock>
      <para>Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.</para>
      <para>In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de andere partij te veroordelen in de proceskosten.</para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <footnote id="_e0c4e16f-e0ea-41f0-818e-5a23baffad41" label="1">
    <para> Artikel 6:7 Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb). </para>
  </footnote>
  <footnote id="_34dba588-8722-4089-a215-3801f2e0da4a" label="2">
    <para> Artikel 26c Algemene wet inzake rijksbelastingen (hierna: AWR). </para>
  </footnote>
  <footnote id="_c8087c48-34db-4fb2-8fed-e3924ef3dd76" label="3">
    <para> Artikel 6:9, lid 1, Awb. </para>
  </footnote>
  <footnote id="_0e1e24c6-c3a8-4b3f-abaf-a68ab9270ea3" label="4">
    <para> Artikel 3:41 Awb. </para>
  </footnote>
  <footnote id="_4f9075f2-55e6-4816-b845-b4c9a30eeca7" label="5">
    <para> Hoge Raad 12 januari 2007, ECLI:NL:HR:2007:AZ5902, r.o. 3.5, Hoge Raad 5 juli 2019, ECLI:NL:HR:2019:1102, r.o. 2.4.2 en Hoge Raad 7 februari 2020, ECLI:NL:HR:2020:202, r.o. 2.4.4.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_4fca798e-f283-47da-9c6d-510c88ac4e26" label="6">
    <para> Vgl. HR 12 juli 2019, nr. 18/03304, ECLI:NL:HR:2019:1175 en Hoge Raad 7 februari 2020, ECLI:NL:HR:2020:202.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_4b394d52-10cf-4340-b2ce-12ada3eee4dc" label="7">
    <para> Vergelijk – naar analogie – Hoge Raad 17 april 2015, ECLI:NL:HR:2015:960.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_95ef068b-9ced-49f4-814b-378e5575e5ea" label="8">
    <para> Artikel 8:115 Awb.</para>
  </footnote>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>