<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:GHSHE:2022:3230</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2022-09-23T14:43:32</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2022-09-21</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Gerechtshof_'s-Hertogenbosch" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Gerechtshof 's-Hertogenbosch</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2022-09-20</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">20-001625-20</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#hogerBeroep">Hoger beroep</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">'s-Hertogenbosch</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#strafrecht">Strafrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHSHE:2022:3230">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHSHE:2022:3230</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2022-09-23T14:43:13</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2022-09-23</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:GHSHE:2022:3230 Gerechtshof 's-Hertogenbosch , 20-09-2022 / 20-001625-20</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:GHSHE:2022:3230:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Gepubliceerd in verband met cassatie</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:GHSHE:2022:3230:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <para>Parketnummer	: 20-001625-20 </para>
  <para>Uitspraak	: 20 september 2022</para>
  <parablock>
    <para>TEGENSPRAAK (ex art. 279 Sv)</para>
  </parablock>
  <section>
    <title>Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof</title>
    <bridgehead role="bold">'s-Hertogenbosch</bridgehead>
    <para />
    <parablock>
      <para>gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Zeeland-West-Brabant, zittingsplaats Middelburg, van 22 juli 2020, in de strafzaak met parketnummer 02-104372-20 tegen:</para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>
      [verdachte],</title>
    <parablock>
      <para>geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum],</para>
      <para>thans uit anderen hoofde verblijvende in [detentieplaats].</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="underline">Hoger beroep</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bij vonnis waarvan beroep heeft de politierechter het tenlastegelegde bewezenverklaard en dat gekwalificeerd als – kort gezegd – ‘vernieling’ (<emphasis role="italic">feit 1</emphasis>), ‘bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht’ (<emphasis role="italic">feit 2</emphasis>) en ‘belediging van een ambtenaar in functie’ (<emphasis role="italic">feit 3)</emphasis>, de verdachte deswege strafbaar verklaard en hem bij verstek veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 8 weken met aftrek van voorarrest. De vorderingen van de benadeelde partijen zijn integraal toegewezen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Namens de verdachte is tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="underline">Onderzoek van de zaak</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep en in eerste aanleg.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen namens de verdachte naar voren is gebracht.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het vonnis van de rechtbank zal vernietigen en, opnieuw rechtdoende, zal bewezen verklaren hetgeen aan verdachte is tenlastegelegd onder feit 1 tot en met 3 en de verdachte zal veroordelen tot een gevangenisstraf voor de duur van 56 dagen met aftrek van voorarrest waarvan 53 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren. Voorts heeft de advocaat-generaal gevorderd de vordering van de [benadeelde partij 1] af te wijzen en de vordering van de [benadeelde partij 2] integraal toe te wijzen, vermeerderd met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Namens de verdachte is met uitsluiting van andere verweren een strafmaatverweer gevoerd. Voorts is bepleit om de vordering van [benadeelde partij 1] af te wijzen. De raadsman heeft zich gerefereerd aan het oordeel van het hof voor wat betreft de vordering van de [benadeelde partij 2].</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="underline">Vonnis waarvan beroep</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het hof verenigt zich met het beroepen vonnis en met de gronden waarop dit berust, behalve voor wat betreft de opgelegde straf, de strafmotivering en de beslissing op de vordering van de [benadeelde partij 1].</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Voor het overige vult het hof de in het vonnis waarvan beroep aangehaalde wetsartikelen aan met artikel 63 van het Wetboek van Strafrecht (Sr), aangezien de verdachte na de datum waarop het door de politierechter bewezenverklaarde feit is gepleegd tot straffen is veroordeeld.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="underline">Op te leggen sanctie</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het hof heeft bij de bepaling van de op te leggen straf gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezenverklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen. Daarnaast is gelet op de verhouding tot andere strafbare feiten, zoals onder meer tot uitdrukking komende in het hierop gestelde wettelijk strafmaximum en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Ten laste van de verdachte is bewezen verklaard dat hij zich schuldig heeft gemaakt aan ‘vernieling’ (<emphasis role="italic">feit 1</emphasis>), ‘bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht’ (<emphasis role="italic">feit 2</emphasis>) en ‘belediging van een ambtenaar in functie’ (<emphasis role="italic">feit 3)</emphasis>. Op 14 april 2020 zijn de hulpdiensten ter plaatse gekomen in verband met een melding van een reanimatie. Terwijl de moeder van de verdachte werd gereanimeerd, nam de verdachte een dreigende houding aan en bedreigde hij een agent die zich bezig hield met hulpverlening en beledigde een andere agent. Het hof kan zich voorstellen dat er bij de verdachte op dat moment veel emoties in het spel waren, maar het gedrag van de verdachte is buiten alle porporties geweest.  Hulpverleners, waaronder de politie, dienen veilig hun werk te kunnen doen zonder daarbij bedreigd of beledigd te worden. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Naar het oordeel van het hof kan gelet op het voorgaande, in het bijzondere gelet op de ernst van het bewezenverklaarde, niet worden volstaan met een andere of lichtere straf dan een straf die een deels onvoorwaardelijke vrijheidsbeneming met zich brengt.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het hof heeft acht geslagen op de inhoud van het uittreksel uit de Justitiële Documentatie d.d. 28 juni 2022, betrekking hebbende op het justitieel verleden van de verdachte, waaruit blijkt dat artikel 63 Sr van toepassing is en dat de verdachte momenteel in een inrichting voor stelselmatige daders zit.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Alles afwegende acht het hof, zoals gevorderd door de advocaat-generaal, oplegging van een gevangenisstraf voor de duur van 56 dagen met aftrek van voorarrest waarvan 53 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren, passend en geboden.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Met oplegging van een gedeeltelijk voorwaardelijke straf wordt enerzijds de ernst van het bewezenverklaarde tot uitdrukking gebracht en wordt anderzijds de strafoplegging dienstbaar gemaakt aan het voorkomen van nieuwe strafbare feiten.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="underline">Vordering van de [benadeelde partij 1]</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De [benadeelde partij 1] heeft in eerste aanleg een vordering ingesteld, strekkende tot schadevergoeding tot een bedrag van € 200,00 aan immateriële schade. Deze vordering is bij vonnis waarvan beroep toegewezen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De politierechter heeft bij vonnis waarvan beroep de vordering integraal toegewezen, vermeerderd met de wettelijke rente.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De benadeelde partij heeft te kennen gegeven de gehele vordering in hoger beroep te handhaven.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De advocaat-generaal heeft gevorderd om de vordering van de benadeelde partij af te wijzen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het hof overweegt als volgt.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Artikel 6:106, eerste lid aanhef en onder b, van het Burgerlijk Wetboek brengt, voor zover voor de beoordeling van belang, mee dat de benadeelde recht heeft op een naar billijkheid vast te stellen immateriële schadevergoeding indien hij ten gevolge van het strafbare feit lichamelijk letsel heeft opgelopen, in zijn eer of goede naam is geschaad of op andere wijze in zijn persoon is aangetast.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Lichamelijk letsel of een aantasting in de eer of goede naam zijn door de benadeelde partij niet gesteld. Voor de toewijsbaarheid van een vordering gericht op de vergoeding van het op andere wijze in zijn persoon zijn aangetast, is het uitgangspunt dat de benadeelde geestelijk letsel heeft opgelopen (vgl. HR 29 juni 2012, ECLI:NL:HR:2012:BW1519). Het hof ziet geen aanleiding om op dat uitgangspunt in het onderhavige geval een uitzondering te maken.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De benadeelde partij heeft niet gesteld dat hij als gevolg van de bedreiging geestelijk letsel heeft opgelopen. Gevoelens van boosheid en onmacht zijn, hoe voorstelbaar in deze ook, onvoldoende om aan te merken als geestelijk letsel.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Nu niet is voldaan aan de vereisten van artikel 6:106 van het Burgerlijk Wetboek kan de benadeelde partij daarom niet in de vordering worden ontvangen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>BESLISSING</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het hof:</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Vernietigt het vonnis waarvan beroep ten aanzien van opgelegde straf en de beslissing op de vordering van de [benadeelde partij 1] en doet in zoverre opnieuw recht;</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>veroordeelt de verdachte tot een <emphasis role="bold">gevangenisstraf</emphasis> voor de duur van <emphasis role="bold">56 (zesenvijftig) dagen</emphasis>;</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>bepaalt dat een gedeelte van de gevangenisstraf, groot <emphasis role="bold">53 (drieënvijftig) dagen</emphasis>, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd van <emphasis role="bold">2 (twee) jaren</emphasis> aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt;</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht;</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>verklaart de [benadeelde partij 1] niet-ontvankelijk in de vordering tot schadevergoeding en bepaalt dat de benadeelde partij de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen;</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>bepaalt dat de benadeelde partij en de verdachte ieder hun eigen kosten dragen;</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>bevestigt het vonnis waarvan beroep voor het overige.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Aldus gewezen door:</para>
      <para>mr. S. Taalman, voorzitter,</para>
      <para>mr. J. Platschorre en mr. H.N. Brouwer, raadsheren,</para>
      <para>in tegenwoordigheid van mr. R.M. Gloudemans, griffier,</para>
      <para>en op 20 september 2022 ter openbare terechtzitting uitgesproken.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Mr. H.N. Brouwer is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.</para>
    </parablock>
  </section>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>