<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:GHSHE:2022:3202</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2025-03-22T12:33:48</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2022-09-20</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Gerechtshof_'s-Hertogenbosch" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Gerechtshof 's-Hertogenbosch</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2022-09-14</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">21/00504 en 21/00505</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#hogerBeroep">Hoger beroep</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">'s-Hertogenbosch</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht_belastingrecht">Bestuursrecht; Belastingrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
          <rdf:li>V-N Vandaag 2022/2756</rdf:li>
          <rdf:li>V-N 2022/56.26.14</rdf:li>
          <rdf:li>Viditax (FutD) 2022111005</rdf:li>
          <rdf:li>FutD 2022-3074</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHSHE:2022:3202">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHSHE:2022:3202</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2022-11-10T09:27:00</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2022-11-10</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:GHSHE:2022:3202 Gerechtshof 's-Hertogenbosch , 14-09-2022 / 21/00504 en 21/00505</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:GHSHE:2022:3202:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Aanslag IB/PVV 2013 en verzoek om ambtshalve vermindering. Naar het oordeel van het hof heeft de rechtbank terecht en op goede gronden de zaken teruggewezen naar de inspecteur. Belanghebbende is niet in gelegenheid gesteld zich uit te laten over de reden dat het bezwaar te laat is ingediend.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:GHSHE:2022:3202:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <uitspraak.info>
    <bridgehead role="bold">GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH</bridgehead>
    <para>Team belastingrecht</para>
    <para>Meervoudige Belastingkamer</para>
    <para>Nummers: 21/00504 en 21/00505</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">Uitspraak op het hoger beroep van</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">
          [belanghebbende] ,</emphasis>
      </para>
      <para>wonend in [woonplaats] ,</para>
      <para>hierna: belanghebbende,</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>tegen de uitspraak van de rechtbank Zeeland-West-Brabant (hierna: de rechtbank) van 7 januari 2021, nummers BRE 19/4069 en 20/4971 in het geding tussen belanghebbende en</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">de inspecteur van de Belastingdienst,</emphasis>
      </para>
      <para>hierna: de inspecteur.</para>
    </parablock>
    <para />
  </uitspraak.info>
  <section role="procesverloop">
    <title>
      <nr>1</nr>Ontstaan en loop van het geding</title>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>1.1.</nr>
      <para>De inspecteur heeft de aanslag inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen 2013 (hierna: IB/PVV 2013) opgelegd. Tevens is bij beschikking belastingrente in rekening gebracht.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>1.2.</nr>
      <para>Belanghebbende heeft bezwaar gemaakt. De inspecteur heeft uitspraken op bezwaar gedaan. Het bezwaar tegen de aanslag IB/PVV 2013 is niet-ontvankelijk verklaard en het bezwaar tegen de beschikking waarin het verzoek om ambtshalve vermindering van die aanslag is afgewezen, is ongegrond verklaard. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>1.3.</nr>
      <parablock>
        <para>Belanghebbende heeft tegen deze uitspraken beroep ingesteld bij de rechtbank. </para>
        <para>De rechtbank heeft de beroepen gegrond verklaard.</para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>1.4.</nr>
      <para>Belanghebbende heeft naar aanleiding van de uitspraak van de rechtbank een brief gestuurd naar de Hoge Raad. Deze brief is aangemerkt als hogerberoepschrift tegen de uitspraak van de rechtbank en doorgestuurd naar het hof. De inspecteur heeft geen inhoudelijk verweerschrift ingediend.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>1.5.</nr>
      <para>De zitting heeft plaatsgevonden op 3 augustus 2022 in ’s-Hertogenbosch. Daar zijn verschenen, namens de inspecteur, [inspecteur 1] en [inspecteur 2] . Belanghebbende is niet verschenen. </para>
      <para />
      <parablock>
        <para>De griffier heeft verklaard dat zij belanghebbende bij brief van 8 juni 2022 heeft uitgenodigd voor de zitting met vermelding van datum, plaats en tijdstip van de zitting. Deze brief, met nummer [nummer] , is aangetekend verzonden naar het door belanghebbende opgegeven adres. Tot de gedingstukken behoort een kopie van de lijst van aangetekende verzendbewijzen en een schermprint van de statusinformatie van het verzendbewijs. </para>
        <para>Hieruit volgt dat de postmedewerker op het door belanghebbende opgegeven adres geen gehoor heeft gekregen. Daarop heeft de postmedewerker op 9 juni 2022 het poststuk afgeleverd op een PostNL-locatie. Het poststuk is niet afgehaald en is vervolgens aan het hof retour gezonden.</para>
        <para>De griffier heeft onderzocht of belanghebbende op de dag van verzending of uiterlijk een week daarna in de Basisregistratie Personen (BRP) stond ingeschreven op het op het stuk vermelde adres. Dat bleek het geval te zijn. </para>
        <para>De griffier heeft naar aanleiding van de retourontvangst van de uitnodiging deze op 11 juli 2022 per gewone post naar hetzelfde adres verzonden.</para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>1.6.</nr>
      <para>Het hof heeft aan het einde van de zitting het onderzoek gesloten.</para>
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>2</nr>Feiten</title>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>2.1.</nr>
      <para>De inspecteur heeft bij uitspraak op bezwaar het bezwaar tegen de aanslag niet-ontvankelijk verklaard wegens termijnoverschrijding. Het bezwaar is vervolgens tevens aangemerkt als een verzoek om ambtshalve vermindering en dat verzoek is op 11 juli 2019 afgewezen. Het bezwaar tegen deze afwijzingsbeschikking is ongegrond verklaard. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.2.</nr>
      <para>De rechtbank heeft de beroepen gegrond verklaard, de uitspraken op bezwaar vernietigd en de inspecteur opgedragen opnieuw uitspraken op bezwaar te doen met inachtneming van de uitspraak van de rechtbank.</para>
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>3</nr>Geschil en conclusies van partijen</title>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>3.1.</nr>
      <para>Het geschil betreft het antwoord op de vraag of de uitspraak van de rechtbank juist is.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.2.</nr>
      <para>Belanghebbende concludeert – naar het hof begrijpt – tot vernietiging van de aanslag IB/PVV 2013. De inspecteur concludeert tot bevestiging van de uitspraak van de rechtbank.</para>
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section role="overwegingen">
    <title>
      <nr>4</nr>Gronden</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">Vooraf en ambtshalve</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>4.0.</nr>
      <para>Gelet op de onder 1.5. vermelde stukken is het hof van oordeel dat belanghebbende op de juiste wijze is uitgenodigd om op de zitting te verschijnen.</para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="bold">Ten aanzien van het geschil</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.1.</nr>
      <para>De rechtbank heeft het volgende overwogen:</para>
      <para />
      <parablock>
        <para>“2.7. Belanghebbende stelt onder meer dat zij de aanslag niet heeft ontvangen en voor het</para>
        <para>eerst middels de aanmaning op de hoogte is geraakt van deze aanslag. Voorts is</para>
        <para>belanghebbende van mening dat zij ten onrechte niet is gehoord. De inspecteur stelt dat het</para>
        <para>bezwaar terecht niet-ontvankelijk is verklaard en dat terecht van het horen is afgezien.</para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.8.</nr>
      <parablock>
        <para>Om proceseconomische redenen zal de rechtbank eerst ingaan op de gevolgen van</para>
        <para>het arrest van de Hoge Raad van 18 oktober 2019. ECLI:NL:HR:2019:1595. In dat arrest is</para>
        <para>geoordeeld dat de door de heffingsambtenaar in acht te nemen zorgvuldigheid meebrengt dat</para>
        <para>hij niet het bezwaar niet-ontvankelijk mocht verklaren voordat hij belanghebbende in de</para>
        <para>gelegenheid had gesteld zich uit te laten over de verschoonbaarheid van de</para>
        <para>termijnoverschrijding. Naar het oordeel van de rechtbank geldt hetzelfde voor de Inspecteur.</para>
        <para>De rechtbank stelt vast dat uit het procesdossier niet volgt dat belanghebbende door de</para>
        <para>inspecteur in de gelegenheid is gesteld om zich uit te laten over de reden dat het bezwaar is</para>
        <para>ingediend (uitgaande van de dagtekening van de aanslag) nadat de bezwaartermijn was</para>
        <para>verstreken. Het had wel op de weg van de inspecteur gelegen om dat te doen. Nu de</para>
        <para>inspecteur dat ten onrechte heeft nagelaten en belanghebbende in het beroepschrift in de</para>
        <para>betreffende zaak heeft verzocht om terugwijzing naar de inspecteur, zal de rechtbank aan dat</para>
        <para>verzoek voldoen en deze zaak terugwijzen naar de inspecteur. Datzelfde zal de rechtbank</para>
        <para>doen in de zaak tegen de afwijzing van het verzoek om ambtshalve vermindering. om reden</para>
        <para>dat de onderhavige zaken, die beide betrekking hebben op de inkomstenbelasting 2013. dan</para>
        <para>in dezelfde procedurele fase blijven. Dit betekent dat in beide zaken de uitspaak op bezwaar</para>
        <para>wordt vernietigd. zodat zowel inzake het bezwaar teaen de aanslag inkomstenbelasting 2013</para>
        <para>als inzake het bezwaar tegen de beslissing op het verzoek om ambtshalve vermindering</para>
        <para>opnieuw moet worden beslist op de bezwaren met inachtneming van deze uitspraak.”</para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.2.</nr>
      <parablock>
        <para>Naar het oordeel van het hof heeft de rechtbank op juiste gronden een juiste beslissing genomen. Uit het hogerberoepschrift blijkt ook niet dat belanghebbende bezwaar heeft tegen de terugwijzing naar de inspecteur. </para>
        <para>Het vorenstaande betekent dat het hof niet toekomt aan een inhoudelijk oordeel over de aanslag IB/PVV 2013 en de afwijzingsbeschikking ambtshalve vermindering.</para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="bold">Tussenconclusie</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.3.</nr>
      <para>De slotsom is dat het hoger beroep ongegrond is.</para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="bold">Ten aanzien van het griffierecht</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.4.</nr>
      <para>Het hof ziet geen aanleiding om het griffierecht te laten vergoeden.</para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="bold">Ten aanzien van de proceskosten</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.5.</nr>
      <para>Het hof oordeelt dat er geen redenen zijn voor een veroordeling in de proceskosten als bedoeld in artikel 8:75 Algemene wet bestuursrecht.</para>
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>5</nr>Beslissing</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het hof:</para>
    </parablock>
    <itemizedlist mark="-">
      <listitem>
        <para>verklaart het hoger beroep ongegrond;</para>
      </listitem>
      <listitem>
        <para>bevestigt de uitspraak van de rechtbank.</para>
      </listitem>
    </itemizedlist>
    <para />
    <parablock>
      <para>De uitspraak is gedaan door L.B.M. Klein Tank, voorzitter, M.R.T. Pauwels en W.A.P. van Roij, in tegenwoordigheid van E.J.M. Bohnen, als griffier. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 14 september 2022 en afschriften van de uitspraak zijn op die datum aangetekend aan partijen verzonden.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De uitspraak is alleen door de voorzitter ondertekend aangezien de griffier verhinderd is deze te ondertekenen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De griffier,	De voorzitter,</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>E.J.M. Bohnen	L.B.M. Klein Tank</para>
      <para>(verhinderd)</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">Het aanwenden van een rechtsmiddel</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij <emphasis role="bold">de Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad www.hogeraad.nl</emphasis>. </para>
      <para>Bepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie instellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aan <emphasis role="bold">de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), postbus 20303, 2500 EH Den Haag. </emphasis>Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (zie <emphasis role="bold">www.hogeraad.nl</emphasis>). </para>
      <para>Bij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen:</para>
    </parablock>
    <orderedlist numeration="arabic">
      <listitem>
        <para>Bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.</para>
      </listitem>
      <listitem>
        <para>(Alleen bij procederen op papier) het beroepschrift moet ondertekend zijn;</para>
      </listitem>
      <listitem>
        <para>Het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:</para>
      </listitem>
    </orderedlist>
    <orderedlist numeration="loweralpha">
      <listitem>
        <para>de naam en het adres van de indiener;</para>
      </listitem>
      <listitem>
        <para>de dagtekening;</para>
      </listitem>
      <listitem>
        <para>een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;</para>
      </listitem>
      <listitem>
        <para>e gronden van het beroep in cassatie.</para>
      </listitem>
    </orderedlist>
    <parablock>
      <para>Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.</para>
      <para>In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de andere partij te veroordelen in de proceskosten.</para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>