<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:GHSHE:2022:2947</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2022-08-25T13:27:36</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2022-08-25</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Gerechtshof_'s-Hertogenbosch" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Gerechtshof 's-Hertogenbosch</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2022-06-24</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">20-002858-21</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#hogerBeroep">Hoger beroep</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">'s-Hertogenbosch</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#strafrecht">Strafrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHSHE:2022:2947">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHSHE:2022:2947</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2022-08-25T13:27:06</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2022-08-25</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:GHSHE:2022:2947 Gerechtshof 's-Hertogenbosch , 24-06-2022 / 20-002858-21</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:GHSHE:2022:2947:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Gepubliceerd in verband met ingesteld cassatieberoep</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:GHSHE:2022:2947:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <para>Parketnummer	: 20-002858-21 </para>
  <para>Uitspraak	: 24 juni 2022</para>
  <parablock>
    <para>TEGENSPRAAK</para>
  </parablock>
  <section>
    <title>Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof</title>
    <bridgehead role="bold">'s-Hertogenbosch</bridgehead>
    <para />
    <parablock>
      <para>gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Zeeland-West-Brabant, zittingsplaats Breda, van 7 december 2021, parketnummer </para>
      <para>02-234013-21 en de van dat vonnis deel uitmakende beslissing op de vordering tot tenuitvoerlegging van een eerder opgelegde voorwaardelijke straf, parketnummer </para>
      <para>02-212295-19, in de strafzaak tegen:</para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>
      [verdachte] ,</title>
    <parablock>
      <para>geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 2001, </para>
      <para>wonende te [adres 1] .</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="underline">Hoger beroep</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bij vonnis waarvan beroep is de verdachte ter zake van afpersing veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 3 maanden met aftrek van voorarrest. Tevens is de vordering tot tenuitvoerlegging van een eerder opgelegde voorwaardelijke taakstraf voor de duur van 20 uren, subsidiair 10 dagen hechtenis, parketnummer 02-212295-19, toegewezen</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Van de zijde van de verdachte is tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="underline">Onderzoek van de zaak</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep en in eerste aanleg.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De vordering van de advocaat-generaal houdt in dat het hof het beroepen vonnis zal bevestigen, behoudens ten aanzien van de opgelegde straf en de beslissing op de vordering tot tenuitvoerlegging en in zoverre opnieuw rechtdoende de verdachte zal veroordelen tot een gevangenisstraf voor de duur van 6 maanden, waarvan 2 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren en de vordering tot tenuitvoerlegging zal afwijzen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De verdediging heeft:</para>
    </parablock>
    <itemizedlist mark="-">
      <listitem>
        <para>primair vrijspraak bepleit;</para>
      </listitem>
      <listitem>
        <para>subsidiair zich op het standpunt gesteld dat aan verdachte geen onvoorwaardelijke gevangenisstraf dient te worden opgelegd.</para>
      </listitem>
    </itemizedlist>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="underline">Vonnis waarvan beroep</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het hof verenigt zich met het beroepen vonnis en met de gronden waarop dit berust, behalve voor wat betreft de bewijsvoering, de opgelegde straf, de strafmotivering, de beslissing op de vordering tot tenuitvoerlegging en de door de eerste rechter aangehaalde wetsartikelen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="underline">Bewijsmiddelen</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De door de rechtbank in het vonnis onder 3.1 gehanteerde bewijsmiddelen behoeven enige aanvulling. </para>
    </parablock>
    <para />
    <para>1. Het onder 3.1.5 gehanteerde bewijsmiddel, te weten het proces-verbaal van bevindingen van verbalisant [verbalisant] , dient te worden aangevuld met de volgende passage, weergegeven op dossierpagina 30:</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Vervolgens deze fietser aangehouden.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>2. Het bewijs dient voorts te worden aangevuld met de inhoud van het proces-verbaal aanhouding verdachte, dossierpagina 65, zoals hierna weergegeven:</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Ik, verbalisant, [verbalisant] (MW407098), brigadier van politie Eenheid Zeeland-West-Brabant, verklaar het volgende: </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Op zondag 25 oktober 2020 omstreeks 01:50 uur hield ik op de locatie [adres 2] </para>
      <para> , als verdachte aan:</para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>Verdachte </title>
    <parablock>
      <para>Achternaam 				[verdachte] </para>
      <para>Voornamen 				[verdachte] </para>
      <para>Geboren 				[geboortedag] 2001 </para>
      <para>Geboorteplaats 				[geboorteplaats] in Nederland </para>
      <para>Geslacht 				Man</para>
      <para>Adres 					[adres 1] </para>
      <para>Postcode plaats 			[adres 1]</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="underline">Op te leggen straf</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het hof heeft bij de bepaling van de op te leggen straf gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezenverklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen. </para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Ten aanzien van de ernst van het bewezenverklaarde heeft het hof in het bijzonder gelet op:</para>
    </parablock>
    <itemizedlist mark="-">
      <listitem>
        <para>de verhouding tot andere strafbare feiten, zoals onder meer tot uitdrukking komt in het hierop gestelde wettelijk strafmaximum en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd;</para>
      </listitem>
      <listitem>
        <para>het feit dat het bewezenverklaarde feit een afpersing betreft, gepleegd op de openbare weg en gedurende de nacht, waarbij verdachte tijdens de afpersing het slachtoffer heeft bedreigd door middel van het tonen van een wapen, te weten een mes;</para>
      </listitem>
      <listitem>
        <para>de omstandigheid dat slachtoffers als gevolg van dergelijke feiten langdurig last kunnen hebben van nadelige psychische gevolgen, zoals gevoelens van angst en onveiligheid.</para>
      </listitem>
    </itemizedlist>
    <para />
    <parablock>
      <para>In verband met de persoon van verdachte heeft het hof in het bijzonder gelet op: </para>
    </parablock>
    <itemizedlist mark="-">
      <listitem>
        <para>de inhoud van het hem betreffend uittreksel uit de Justitiële Documentatie d.d. <?linebreak?>24 mei 2022, waaruit blijkt dat verdachte in 2018 en 2020 eerder door een strafrechter onherroepelijk is veroordeeld in verband met geweldsmisdrijven;</para>
      </listitem>
      <listitem>
        <para>de omstandigheid dat verdachte op geen enkele wijze heeft laten blijken de laakbaarheid van zijn handelen in te zien;</para>
      </listitem>
      <listitem>
        <para>de overige persoonlijke omstandigheden, zoals deze ter terechtzitting in hoger beroep naar voren zijn gebracht.</para>
      </listitem>
    </itemizedlist>
    <para />
    <parablock>
      <para>Naar het oordeel van het hof kan gelet op de hiervoor overwogen ernst van het bewezenverklaarde niet worden volstaan met een andere of lichtere sanctie dan een straf die onvoorwaardelijke vrijheidsbeneming met zich brengt. Voor het bepalen van de duur van de gevangenisstraf neemt het hof tot uitgangspunt het landelijke oriëntatiepunt straftoemeting, waarin het gebruikelijke rechterlijke straftoemetingsbeleid zijn neerslag heeft gevonden. Gelet daarop zou voor een straatroof met licht geweld of verbale bedreiging een gevangenisstraf voor de duur van 6 maanden gevangenisstraf, passend zijn. Als strafverzwarend geldt dat de verdachte in dit geval een mes heeft getoond.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het hof houdt echter rekening met de jeugdige leeftijd van verdachte ten tijde van het plegen van onderhavige straatroof. Daarom zal worden volstaan met de straf die door de advocaat-generaal is gevorderd, te weten oplegging van een gevangenisstraf voor de duur van 6 maanden, waarvan 2 maanden voorwaardelijk met een proeftijd 2 jaren.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Met de oplegging van een gedeeltelijk voorwaardelijke gevangenisstraf wordt enerzijds de ernst van het bewezenverklaarde tot uitdrukking gebracht en wordt anderzijds de strafoplegging dienstbaar gemaakt aan het voorkomen van nieuwe strafbare feiten.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="underline">Vordering tot tenuitvoerlegging</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het openbaar ministerie is niet-ontvankelijk in zijn vordering tot tenuitvoerlegging van de bij vonnis d.d. 11 maart 2020 met parketnummer 02-212295-19 voorwaardelijke opgelegde taakstraf voor de duur van 20 uren, subsidiair 10 dagen jeugddetentie, nu de tenuitvoerlegging van deze taakstraf reeds door de politierechter in de rechtbank Zeeland-West-Brabant bij vonnis d.d. 28 maart 2022, parketnummer 02-338271-21, onherroepelijk is bevolen. </para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="underline">Toepasselijke wettelijke voorschriften</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De beslissing is gegrond op de artikelen 14a, 14b, 14c, 27, 63 en 317 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze ten tijde van het bewezenverklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van het wijzen van dit arrest rechtens gelden.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>BESLISSING</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het hof:</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Vernietigt het vonnis waarvan beroep ten aanzien van de opgelegde straf en de beslissing op de vordering tot tenuitvoerlegging en doet in zoverre opnieuw recht.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Veroordeelt de verdachte tot een <emphasis role="bold">gevangenisstraf</emphasis> voor de duur van <emphasis role="bold">6 (zes) maanden</emphasis>.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bepaalt dat een gedeelte van de gevangenisstraf, groot <emphasis role="bold">2 (twee) maanden</emphasis>, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd van <emphasis role="bold">2 (twee) jaren</emphasis> aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Verklaart het openbaar ministerie niet-ontvankelijk in de vordering tenuitvoerlegging met parketnummer 02-212295-19.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bevestigt het vonnis waarvan beroep voor het overige.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Aldus gewezen door:</para>
      <para>mr. drs. M.C.C. van de Schepop, voorzitter,</para>
      <para>mr. M.L.P. van Cruchten en mr. R.G.A. Beaujean, raadsheren,</para>
      <para>in tegenwoordigheid van mr. A.R. Veldt, griffier,</para>
      <para>en op 24 juni 2022 ter openbare terechtzitting uitgesproken.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
  </section>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>