<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:GHSHE:2022:2926</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2022-10-24T11:46:41</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2022-08-23</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Gerechtshof_'s-Hertogenbosch" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Gerechtshof 's-Hertogenbosch</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2022-06-08</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">20-002919-20</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#hogerBeroep">Hoger beroep</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">'s-Hertogenbosch</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#strafrecht">Strafrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHSHE:2022:2926">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHSHE:2022:2926</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2022-08-23T12:03:08</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2022-08-23</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:GHSHE:2022:2926 Gerechtshof 's-Hertogenbosch , 08-06-2022 / 20-002919-20</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:GHSHE:2022:2926:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Gepubliceerd in verband met ingesteld cassatieberoep</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:GHSHE:2022:2926:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <para>Parketnummer	: 20-002919-20 </para>
  <para>Uitspraak	: 8 juni 2022</para>
  <parablock>
    <para>TEGENSPRAAK (ex art. 279 Sv)</para>
  </parablock>
  <section>
    <title>Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof</title>
    <bridgehead role="bold">'s-Hertogenbosch</bridgehead>
    <para />
    <parablock>
      <para>gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Limburg, zittingsplaats Maastricht, van 9 december 2020, in de strafzaak met parketnummer 03-171862-19 tegen:</para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>
      [verdachte] ,</title>
    <parablock>
      <para>geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1975, </para>
      <para>wonende te [adres] .</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="underline">Hoger beroep</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De meervoudige strafkamer van de rechtbank heeft de verdachte bij vonnis waarvan beroep ter zake van ‘diefstal, voorafgegaan, vergezeld en gevolgd van geweld en bedreiging met geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden of gemakkelijk te maken en bij betrapping op heterdaad aan zichzelf of andere deelnemers van het misdrijf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, terwijl het feit wordt gepleegd door twee verenigde personen, meermalen gepleegd’ veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van tien maanden, met aftrek van voorarrest. Voorts is bij vonnis waarvan beroep de vordering van de benadeelde partij [benadeelde] geheel toegewezen ter zake van materiële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 16 juli 2019 en tevens is de schadevergoedingsmaatregel vermeerderd met de wettelijke rente opgelegd en is de verdachte veroordeeld in de kosten. Tot slot is er beslist omtrent het beslag.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Namens de verdachte is tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="underline">Onderzoek van de zaak</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep en in eerste aanleg.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen namens de verdachte naar voren is gebracht.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het vonnis waarvan beroep integraal zal bevestigen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De verdediging heeft primair vrijspraak bepleit. Ten aanzien van de vordering van de benadeelde partij heeft de verdediging bepleit dat het hof de vordering zal afwijzen. Subsidiair, indien het hof komt tot een bewezenverklaring, heeft de verdediging een strafmaatverweer gevoerd en ten aanzien van de vordering van de benadeelde partij bepleit dat het hof de vordering zal afwijzen dan wel de benadeelde partij niet-ontvankelijk zal verklaren in de vordering. Ten aanzien van de het beslag heeft de verdediging zich achter de beslissing van de rechtbank geschaard.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="underline">Vonnis waarvan beroep</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het hof verenigt zich met het beroepen vonnis en met de gronden waarop dit berust met aanvulling en verbetering van de gronden en met aanvulling van de toepasselijke wettelijke voorschriften.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="underline">Verbetering van de bewijsmiddelen</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het hof verenigt zich met de door de rechtbank in het vonnis gebezigde bewijsmiddelen, met verbetering van het hiernavolgende.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>I</para>
      <para>De rechtbank heeft op pagina 2 van het vonnis, voetnoot 3, als volgt opgenomen: ‘Het proces-verbaal van aangifte van [aangever] d.d. 27 juli 2019, pagina 12 en 13’. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het hof is van oordeel dat dit onderdeel verbetering behoeft, met dien verstande dat dit proces-verbaal is gedateerd 29 juli 2019.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>II</para>
      <para>De rechtbank heeft op pagina 3 van het vonnis, onder verwijzing naar voetnoot 5, genoemd: ‘Achter hen rennen twee jongens in trainingspak en twee politieagenten aan’.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het hof is van oordeel dat dit onderdeel verbetering behoeft, met dien verstande dat deze zin vervangen dient te worden door:</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>‘Achter hen rennen één jongen in trainingspak en twee politieagenten aan’.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>III</para>
      <para>De rechtbank heeft op pagina 3 van het vonnis, in de eerste alinea, de volgende zin opgenomen: ‘Een van de wegrennende mannen werd even later buiten adem in een tuin aangetroffen: dat bleek de verdachte te zijn’.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het hof is van oordeel dat dit onderdeel verbetering behoeft, met dien verstande dat na deze zin een verwijzing naar het ‘proces-verbaal van bevindingen d.d. 17 juli 2019, pagina 20 tot en met 21’, dient te worden opgenomen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>IV</para>
      <para>De rechtbank heeft op pagina 3 van het vonnis, voetnoot 9, als volgt opgenomen: ‘Het proces-verbaal van verhoor van de verdachte d.d. 17 juli 2019, pagina 62’. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het hof is van oordeel dat dit onderdeel verbetering behoeft, met dien verstande dat de verwijzing naar het proces-verbaal ‘pagina 62’ verbeterd wordt gelezen als ‘pagina’s 62 en 63’.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="underline">Aanvulling van de bewijsoverwegingen</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het hof verenigt zich met de door de rechtbank in het vonnis gebezigde bewijsoverwegingen, met aanvulling van het hiernavolgende. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De raadsman van de verdachte heeft in hoger beroep integrale vrijspraak bepleit. Daartoe is aangevoerd dat er wellicht wettig bewijs is, maar dat de verdediging niet de overtuiging heeft dat de verdachte het tenlastelegde heeft begaan. Voorts heeft de verdediging aangevoerd dat er geen sprake van medeplegen is.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het hof is van oordeel dat het verweer dat verdachte geen substantiële bijdrage heeft geleverd aan de diefstal met geweld reeds zijn weerlegging in de bewijsmiddelen vindt waaruit volgt dat sprake was van een gezamenlijke uitvoering van de beroving. Het hof ziet – met de rechtbank – geen redenen om te twijfelen aan de juistheid en betrouwbaarheid van de tot het bewijs gebezigde verklaringen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="underline">Aanvulling van de toepasselijke wettelijke voorschriften</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het hof vult de toepasselijke wettelijke voorschriften aan met de artikelen 36f en 63 van het Wetboek van Strafrecht. </para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>BESLISSING</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het hof:</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bevestigt het vonnis waarvan beroep met inachtneming van het hiervoor overwogene.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Aldus gewezen door:</para>
      <para>mr. O.A.J.M. Lavrijssen, voorzitter,</para>
      <para>mr. K.J. van Dijk en mr. R.G.A. Beaujean, raadsheren,</para>
      <para>in tegenwoordigheid van mr. C.E.C.N. Schlüter, griffier,</para>
      <para>en op 8 juni 2022 ter openbare terechtzitting uitgesproken.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </section>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>