<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:GHSHE:2022:273</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2025-03-22T22:12:45</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2022-02-02</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Gerechtshof_'s-Hertogenbosch" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Gerechtshof 's-Hertogenbosch</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2022-02-02</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">20/00584</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#hogerBeroep">Hoger beroep</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">'s-Hertogenbosch</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht_belastingrecht">Bestuursrecht; Belastingrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:relation rdfs:label="Formele relatie" ecli:resourceIdentifier="ECLI:NL:HR:2022:1097" psi:type="http://psi.rechtspraak.nl/cassatie" psi:aanleg="http://psi.rechtspraak.nl/latereAanleg">Cassatie: ECLI:NL:HR:2022:1097</dcterms:relation>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
          <rdf:li>V-N Vandaag 2022/362</rdf:li>
          <rdf:li>NLF 2022/0435</rdf:li>
          <rdf:li>V-N 2022/22.1.5</rdf:li>
          <rdf:li>Viditax (FutD) 2022020415</rdf:li>
          <rdf:li>FutD 2022-0461</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHSHE:2022:273">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHSHE:2022:273</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2022-02-03T14:24:58</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2022-02-04</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:GHSHE:2022:273 Gerechtshof 's-Hertogenbosch , 02-02-2022 / 20/00584</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:GHSHE:2022:273:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Vrijstellingsvergunning bpm (werkgever) terecht ingetrokken omdat belanghebbende geen kilometeradministratie heeft bijgehouden en daardoor niet kan worden vastgesteld of belanghebbende de auto voor meer dan 50% buiten Nederland zakelijk gebruikte, waarbij het woon-werkverkeer buiten beschouwing wordt gelaten. Geen sprake van opgewekt vertrouwen dat het bijhouden van een kilometeradministratie achterwege kon blijven.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:GHSHE:2022:273:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <uitspraak.info>
    <bridgehead role="bold">GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH</bridgehead>
    <para>Team belastingrecht</para>
    <para>Meervoudige Belastingkamer</para>
    <para>Nummer: 20/00584</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">Uitspraak op het hoger beroep van</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">
          [belanghebbende] ,</emphasis>
      </para>
      <para>wonend in [woonplaats] ,</para>
      <para>hierna: belanghebbende,</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>tegen de uitspraak van rechtbank Zeeland-West-Brabant (hierna: de rechtbank) van 10 september 2020, nummer BRE 19/177 in het geding tussen belanghebbende en</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">de inspecteur van de Belastingdienst,</emphasis>
      </para>
      <para>hierna: de inspecteur.</para>
    </parablock>
    <para />
  </uitspraak.info>
  <section role="procesverloop">
    <title>
      <nr>1</nr>Ontstaan en loop van het geding</title>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>1.1.</nr>
      <para>De inspecteur heeft op 15 mei 2018 de vergunning vrijstelling van belasting van personenauto’s en motorrijwielen werkgever, ingetrokken.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>1.2.</nr>
      <para>Belanghebbende heeft bezwaar gemaakt. De inspecteur heeft uitspraak op bezwaar gedaan en het bezwaar ongegrond verklaard.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>1.3.</nr>
      <parablock>
        <para>Belanghebbende heeft tegen deze uitspraak beroep ingesteld bij de rechtbank. </para>
        <para>De rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard.</para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>1.4.</nr>
      <para>Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de rechtbank hoger beroep ingesteld bij het hof. De inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>1.5.</nr>
      <para>De zitting heeft plaatsgevonden op 13 januari 2022 in ’s-Hertogenbosch. Daar zijn verschenen belanghebbende en zijn gemachtigde [gemachtigde] , en, namens de inspecteur, [inspecteur 1] en [inspecteur 2] .</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>1.6.</nr>
      <para>Het hof heeft aan het einde van de zitting het onderzoek gesloten.</para>
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>2</nr>Feiten</title>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>2.1.</nr>
      <parablock>
        <para>Belanghebbende heeft op 16 december 2012 een aanvraag vergunning vrijstelling bpm (werkgever) gedaan. Op deze aanvraag heeft belanghebbende vermeld dat hij 25% aandeelhouder is van [bvba] , een besloten vennootschap naar Belgisch recht (hierna: [bvba] ). Dit bedrijf is gevestigd in [plaats] (België). Tevens is vermeld dat belanghebbende bedrijfsleider is en niet in loondienst.</para>
        <para>De aanvraag heeft betrekking op een Volkswagen Caddy life maxi, met kenteken [kenteken] en een VIN-nummer eindigend op [VIN-nummer] . De auto werd geleased van [bedrijf] . Belanghebbende heeft tevens aangegeven dat hij geen kilometeradministratie voerde. Op de vraag wie beslist in welk land de auto wordt geregistreerd, wordt vermeld: [A] in haar functie als zaakvoerder.</para>
        <para>De vrijstellingsvergunning is verleend bij beschikking van 20 december 2012.</para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.2.</nr>
      <para>
        [bvba] is opgericht bij notariële akte van [december] 2004 door belanghebbende, [B] en [C] . [B] en [C] nemen deel voor 75% in het aandelenkapitaal en belanghebbende voor 25%.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.3.</nr>
      <para>Op 15 mei 2018 heeft de inspecteur de vergunning ingetrokken, omdat belanghebbende geen kilometeradministratie kon overleggen en daarom niet is aangetoond dat wordt voldaan aan de voorwaarde dat tenminste 50% van de kilometers zakelijk in het buitenland worden afgelegd, waarbij woon-werkkilometers buiten beschouwing blijven.</para>
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>3</nr>Geschil en conclusies van partijen</title>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>3.1.</nr>
      <para>Het geschil betreft het antwoord op de volgende vragen:</para>
      <para>1. Is sprake van schending van het vertrouwensbeginsel?</para>
      <para>2. Heeft belanghebbende aannemelijk gemaakt dat de auto voor meer dan 50% zakelijk buiten Nederland werd gebruikt?</para>
      <para>3. Heeft belanghebbende in plaats van de vrijstelling werkgever recht op de vrijstelling werknemer?</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.2.</nr>
      <para>Belanghebbende concludeert tot vernietiging van zowel de uitspraak van de rechtbank als de intrekking van de vrijstellingsvergunning. De inspecteur concludeert tot bevestiging van de uitspraak van de rechtbank.</para>
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section role="overwegingen">
    <title>
      <nr>4</nr>Gronden</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">Ten aanzien van het geschil</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">1. Vertrouwensbeginsel</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>4.1.</nr>
      <para>Belanghebbende meent dat het vertrouwensbeginsel is geschonden doordat de inspecteur de vrijstellingsvergunning afgeeft, ondanks dat in de aanvraag expliciet wordt aangegeven dat er geen kilometeradministratie wordt bijgehouden en is bijgevoegd.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.2.</nr>
      <parablock>
        <para>Zoals belanghebbende terecht opmerkt kan in het geval een aanvraag wordt ingediend voor de vrijstelling van een net ter beschikking gestelde auto, van de aanvrager niet worden verlangd dat een kilometeradministratie bij de aanvraag wordt gevoegd. Er is immers nog niet met de auto gereden. Om die reden is het ook niet vreemd dat de inspecteur de aanvraag honoreert zonder dat een kilometeradministratie is bijgevoegd. Daaruit kan echter niet worden afgeleid dat de inspecteur akkoord gaat met het achterwege laten van de voorwaarde die in artikel 3, lid 2, letter b, Uitvoeringsbesluit belasting van personenauto’s en motorrijwielen 1992 (hierna: Uitv.besl. bpm) is opgenomen. Het hof wijst er voorts op dat op het aanvraagformulier uitdrukkelijk staat vermeld dat als voorwaarde geldt dat de auto voor ten minste 50% voor de werkzaamheden buiten Nederland wordt gebruikt. Tevens wordt in dit aanvraagformulier vermeld dat bij de aangifte mee moet worden gestuurd: ‘een kilometeradministratie, waaruit blijkt dat u de personenauto (...) voor ten minste 50% van uw werkzaamheden buiten Nederland gebruikt.’ Zoals hiervoor is aangegeven kan bij een nieuw in gebruik genomen voertuig niet worden verlangd dat al een kilometeradministratie wordt bijgevoegd, maar uit deze passage kan wel worden afgeleid dat een kilometeradministratie noodzakelijk is ter beoordeling van de vraag of aan het 50%-criterium wordt voldaan. In ieder geval kan hieruit niet worden afgeleid dat de inspecteur akkoord zou zijn met het achterwege laten van het bijhouden van een kilometeradministratie.</para>
        <para>Belanghebbende stelt tevens dat hij in de aanvraag uitdrukkelijk heeft aangegeven dat hij enkel zakelijke kilometers in België rijdt en daarom geen kilometeradministratie zal bijhouden. Een dergelijke expliciete uitlating is in de aanvraag niet terug te vinden. Bij vraag 5a is aangekruist dat de auto ‘zakelijk en privé’ wordt gebruikt.</para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.3.</nr>
      <para>Gelet op het voorgaande faalt het beroep op het vertrouwensbeginsel. In de eerste plaats is niet aannemelijk geworden dat de inspecteur een uitlating heeft gedaan op grond waarvan belanghebbende het vertrouwen mocht ontlenen dat hij geen kilometeradministratie hoefde bij te houden. In de tweede plaats kan een dergelijk vertrouwen ook niet worden ontleend aan het verlenen van de vrijstelling. Voorts kan ook uit het feit dat niet eerder om overlegging van een kilometeradministratie is gevraagd, een dergelijk vertrouwen niet worden afgeleid.</para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">2. Zakelijk gebruik buiten Nederland</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.4.</nr>
      <para>Belanghebbende meent dat hij met de door hem verstrekte gegevens aannemelijk heeft gemaakt dat hij de auto voor meer dan 50% buiten Nederland zakelijk gebruikte, waarbij het woon-werkverkeer buiten beschouwing wordt gelaten. Belanghebbende heeft in dat kader de volgende gegevens overgelegd:</para>
      <para>- een kilometeradministratie die voor drie maanden in 2018 is bijgehouden voor de nieuwe ter beschikking gestelde auto;</para>
      <para>- bescheiden uit het verkoopboek van [bvba] waaruit blijkt dat nagenoeg alle afnemers in België zijn gevestigd;</para>
      <para>- een verklaring van de toenmalige zaaksvoerder, mevrouw [C] .</para>
      <para>Voorts stelt belanghebbende dat de rechtbank een verkeerde maatstaf heeft aangelegd en dat het niet zou moeten gaan om de vraag of de auto voor meer dan 50% buiten Nederland zakelijk is gebruikt, maar om de vraag of 50% van de zakelijke kilometers buiten Nederland zijn gereden.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.5.</nr>
      <para>Artikel 3, lid 2, letter b, Uitv.besl. bpm bepaalt dat het gebruik moet blijken uit een kilometeradministratie. Met het stellen van deze voorwaarde is de regelgever niet getreden buiten de delegatiebevoegdheid die is neergelegd in artikel 14 Wet op de belasting van personenauto’s en motorrijwielen 1992. Vaststaat dat belanghebbende geen kilometeradministratie heeft bijgehouden. Aldus voldoet belanghebbende niet aan de voorwaarde die in het Uitv.besl. bpm is vastgelegd. Een andere wijze om bewijs te leveren is niet in dit besluit opgenomen.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.6.</nr>
      <parablock>
        <para>Het hof zal vervolgens onderzoeken of in de uitvoering van deze strikte regel wordt afgeweken. In onderdeel 12.2 van Kaderbesluit bpm<footnote-ref linkend="_7ab2ab37-24ca-4dd2-b90d-9b53d89d5fe4" /> zijn enkele versoepelingen opgenomen ten opzichte van de wettelijke regeling. Zo is bijvoorbeeld bepaald dat een voorafgaande vergunning niet verplicht is, maar dat een dergelijke vergunning de belastingplichtige zekerheid vooraf geeft. Voorts wordt aangegeven dat het niet hebben van een (geldige) vergunning niet zonder meer betekent dat er verschuldigdheid van bpm ontstaat. De inspecteur zal altijd eerst moeten onderzoeken of er in materiële zin recht op de vrijstelling bestaat. Deze passage staat nog steeds in de huidige versie van het Kaderbesluit bpm. Aldus heeft de staatssecretaris via dit beleid kenbaar gemaakt dat van de strikte wettelijke regeling in de praktijk kan worden afgeweken. In artikel 2, lid 2, Uitv.besl. bpm, dat ook van toepassing is op de vrijstelling uit artikel 3 Uitv.besl. bpm<footnote-ref linkend="_363bfbfa-7962-4b9b-b4e1-0c22f00af5ba" />, wordt immers bepaald dat de vrijstelling bij beschikking wordt verleend op een verzoek dat wordt gedaan voor aanvang van het gebruik van de weg in Nederland (lid 3).</para>
        <para>Dit roept de vraag op of de belastingplichtige ook bewijs mag leveren op andere wijze dan via een kilometeradministratie om aannemelijk te maken dat de auto ten minste 50% zakelijk buiten Nederland wordt gebruikt, waarbij het woon-werkverkeer buiten beschouwing wordt gelaten? Het hof beantwoordt die vraag ontkennend. De goedkeuring in het Kaderbesluit bpm ziet op formele eisen zoals het indienen van een verzoek voorafgaand aan het gebruik van de openbare weg in Nederland. Als daaraan niet wordt voldaan dient toch een materiële toets aan de voorwaarden voor vrijstelling plaats te vinden. Dat geldt ook als er in het geheel geen verzoek tot vrijstelling is gedaan, maar pas in het kader van de heffing een beroep op de vrijstelling wordt gedaan. Hier hebben we echter te maken met een materiële voorwaarde en daarvoor geldt geen goedkeuring dat die soepeler mag worden toegepast.</para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.7.</nr>
      <para>Gelet op het voorgaande komt het hof dan ook niet toe aan een beoordeling van de door belanghebbende ingebrachte bewijsmiddelen en moet het beroep van belanghebbende op de vrijstelling van artikel 3 Uitv.besl. bpm worden verworpen. Overigens is het hof van oordeel dat belanghebbende met dat wat hij heeft overgelegd, niet het bewijs heeft geleverd dat is voldaan aan het 50%-criterium.</para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">3. Vrijstelling werknemer</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.8.</nr>
      <para>Belanghebbende doet voorts een beroep op de vrijstelling van artikel 2 Uitv.besl. bpm. Hij stelt dat hij slechts voor 25% aandeelhouder is en dus niet kan bepalen of hem een auto ter beschikking wordt gesteld en waar die auto wordt geregistreerd. Hij stelt dat de beslissingsbevoegdheid daartoe bij de zaaksvoerder mevrouw [C] ligt. De inspecteur stelt dat belanghebbende slechts een vergunning voor toepassing van artikel 3 Uitv.besl. bpm heeft gevraagd en verkregen en geen vergunning op basis van artikel 2 Uitv.besl. bpm.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.9.</nr>
      <para>De vraag of belanghebbende in aanmerking komt voor de vrijstelling van artikel 2 Uitv.besl. bpm kan in deze procedure niet aan de orde komen. Deze procedure gaat om de intrekking van de vrijstellingsvergunning werkgever van artikel 3 Uitv.besl. bpm. Belanghebbende heeft nimmer verzocht om een vrijstellingsvergunning op grond van artikel 2. Deze vraag kan overigens wel aan de orde komen in een procedure tegen een nog op te leggen naheffingsaanslag bpm. In dat kader kan belanghebbende, zoals volgt uit het Kaderbesluit bpm, alsnog het standpunt innemen dat hij voldoet aan de voorwaarden van artikel 2 Uitv.besl. bpm en zal de juistheid daarvan dan moeten worden beoordeeld.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.10.</nr>
      <para>Gelet op het voorgaande verwerpt het hof het beroep van belanghebbende op de vrijstelling van artikel 2 Uitv.besl. bpm.</para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="bold">Tussenconclusie</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.11.</nr>
      <para>De slotsom is dat het hoger beroep ongegrond is.</para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="bold">Ten aanzien van het griffierecht</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.12.</nr>
      <para>Het hof ziet geen aanleiding om het griffierecht te laten vergoeden.</para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="bold">Ten aanzien van de proceskosten</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.13.</nr>
      <para>Het hof oordeelt dat er geen redenen zijn voor een veroordeling in de proceskosten als bedoeld in artikel 8:75 Algemene wet bestuursrecht.</para>
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>5</nr>Beslissing</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het hof:</para>
    </parablock>
    <itemizedlist mark="-">
      <listitem>
        <para>verklaart het hoger beroep ongegrond;</para>
      </listitem>
      <listitem>
        <para>bevestigt de uitspraak van de rechtbank.</para>
      </listitem>
    </itemizedlist>
    <para />
    <parablock>
      <para>De uitspraak is gedaan door T.A. Gladpootjes, voorzitter, L.B.M. Klein Tank en M.H.P. Groenland, in tegenwoordigheid van J.M.A. van Rooij-Beckers, als griffier. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 2 februari 2022 en afschriften van de uitspraak zijn op die datum aangetekend aan partijen verzonden.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">Het aanwenden van een rechtsmiddel</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij <emphasis role="bold">de Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad www.hogeraad.nl</emphasis>. </para>
      <para>Bepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie instellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aan <emphasis role="bold">de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), postbus 20303, 2500 EH Den Haag. </emphasis>Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (zie <emphasis role="bold">www.hogeraad.nl</emphasis>). </para>
      <para>Bij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen:</para>
    </parablock>
    <orderedlist numeration="arabic">
      <listitem>
        <para>Bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.</para>
      </listitem>
      <listitem>
        <para>(Alleen bij procederen op papier) het beroepschrift moet ondertekend zijn;</para>
      </listitem>
      <listitem>
        <para>Het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:</para>
      </listitem>
    </orderedlist>
    <orderedlist numeration="loweralpha">
      <listitem>
        <para>de naam en het adres van de indiener;</para>
      </listitem>
      <listitem>
        <para>de dagtekening;</para>
      </listitem>
      <listitem>
        <para>een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;</para>
      </listitem>
      <listitem>
        <para>e gronden van het beroep in cassatie.</para>
      </listitem>
    </orderedlist>
    <parablock>
      <para>Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.</para>
      <para>In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de andere partij te veroordelen in de proceskosten.</para>
    </parablock>
  </section>
  <footnote id="_7ab2ab37-24ca-4dd2-b90d-9b53d89d5fe4" label="1">
    <para> Besluit van 27 juni 2012, Stcrt. 2012, 13574.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_363bfbfa-7962-4b9b-b4e1-0c22f00af5ba" label="2">
    <para> Zie artikel 3, lid 3, Uitv.besl. bpm.</para>
  </footnote>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>