<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:GHSHE:2022:2299</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2023-05-08T15:16:55</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2022-07-11</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Gerechtshof_'s-Hertogenbosch" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Gerechtshof 's-Hertogenbosch</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2022-03-24</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">20-001071-19 (OWV)</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#hogerBeroep">Hoger beroep</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">'s-Hertogenbosch</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#strafrecht">Strafrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHSHE:2022:2299">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHSHE:2022:2299</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2023-05-08T15:16:14</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2023-05-08</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:GHSHE:2022:2299 Gerechtshof 's-Hertogenbosch , 24-03-2022 / 20-001071-19 (OWV)</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:GHSHE:2022:2299:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Gepubliceerd in verband met ingesteld cassatieberoep</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:GHSHE:2022:2299:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <para>Parketnummer	: 20-001071-19 OWV</para>
  <para>Uitspraak	: 24 maart 2022</para>
  <parablock>
    <para>TEGENSPRAAK</para>
  </parablock>
  <section>
    <title>Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof</title>
    <bridgehead role="bold">'s-Hertogenbosch</bridgehead>
    <para />
    <parablock>
      <para>gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Oost-Brabant, zittingsplaats ’s-Hertogenbosch, van 3 april 2019 op de vordering ex artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht, in de zaak met parketnummer 01-230852-18 OWV tegen:</para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>
      [verdachte] ,</title>
    <parablock>
      <para>geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1993, </para>
      <para>wonende te [adres 1] .</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="underline">Hoger beroep</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bij vonnis waarvan beroep is het geschatte wederrechtelijk verkregen voordeel vastgesteld op een bedrag van € 45.890,28 en is aan betrokkene een betalingsverplichting opgelegd voor eenzelfde bedrag.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Van de zijde van de betrokkene is tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="underline">Onderzoek van de zaak</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep alsmede het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de betrokkene naar voren is gebracht.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het vonnis waarvan beroep zal bevestigen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Namens verdachte is primair afwijzing van de ontnemingsvordering bepleit, en (meer) subsidiair verweer gevoerd tegen de omvang van het wederrechtelijk verkregen voordeel.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="underline">Vonnis waarvan beroep</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het vonnis zal worden vernietigd omdat het hof zich daarmee niet kan verenigen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="underline">Door het hof gebruikte bewijsmiddelen</emphasis>
        <footnote-ref linkend="_f834e2eb-4b16-4204-9d45-8f4b3b8b92a9" />
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het hof grondt zijn overtuiging dat de betrokkende voordeel heeft verkregen op de hierna te vermelden (en in de voetnoten genoemde) wettige bewijsmiddelen en ontleent aan de inhoud daarvan tevens de schatting van bedoeld voordeel.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="underline">De grondslag van het wederrechtelijk verkregen voordeel</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">De veroordeling</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De betrokkene is bij arrest van heden van dit hof onder parketnummer 20-001070-19 veroordeeld ter zake van onder meer - kort weergegeven – (1) medeplegen van het in de uitoefening van een beroep of bedrijf opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3 onder B van de Opiumwet gegeven verbod (op 20 april 2018 aan [adres 2] telen van 489 hennepplanten) en (2) diefstal (op dezelfde tijd en plaats van elektriciteit van [benadeelde] ) , waarbij de schuldige het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van verbreking.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">De wettelijke grondslag</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Op 20 april 2018 werden in het pand gelegen aan [adres 2] in totaal 489 hennepplanten aangetroffen. Deze hennepplanten werden aangetroffen in twee kweekruimtes. In “kweekruimte 1” zijn 252 hennepplanten aangetroffen en in “kweekruimte 2” 237 hennepplanten. Zoals het hof hierna zal overwegen, is aannemelijk geworden dat eenmaal eerder in beide kweekruimtes eenzelfde aantal hennepplanten is geteeld en vervolgens geoogst.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Ten aanzien van die eerdere teelt en oogst van in totaal 489 hennepplanten ontleent het hof aan de inhoud van de hierna te vermelden bewijsmiddelen het oordeel dat de betrokkene, door middel van het begaan van een ander strafbaar feit waaromtrent voldoende aanwijzingen bestaan dat zij door betrokkene zijn begaan, een voordeel als bedoeld in artikel 36e, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht heeft genoten (artikel 36e lid 2 Sr oud).</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="underline">Schatting van de hoogte van het wederrechtelijk verkregen voordeel</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Opbrengsten</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="underline">Oogsten</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De verdediging heeft zich in hoger beroep primair op het standpunt gesteld dat betrokkene geen voordeel heeft ontvangen uit de hennepkwekerij. Hierbij heeft de betrokkene verklaard dat er in één van voormelde twee ruimtes, met de vierkante kweektenten (hof: ruimte 2, zie hierna) weliswaar sprake is geweest van één eerdere oogst, maar dat die eerdere oogst was verbrand, en derhalve onverkoopbaar was. Na die eerdere verbrande oogst, is in die ruimte een nieuwe teelt opgezet, en is er een tweede kweekruimte opgezet, te weten “kweekruimte 1”, met hennepplanten. Bij de aangetroffen hennepplanten op 20 april 2018 ging het om die nieuwe teelt.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het hof overweegt als volgt.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Op 20 april 2018 werd in het bedrijfspand aan [adres 2] een hennepkwekerij met planten aangetroffen. Er waren twee kweekruimtes. In kweekruimte 1 aan de voorzijde bevonden zich twee tenten (1.50 bij 3.00 meter en 4.50 bij 3.00 meter) met in totaal 252 hennepplanten van circa zes weken oud. De gemiddelde hoogte van de planten was ongeveer 70 cm. In kweekruimte 2 aan de achterzijde bevonden zich twee tenten (elk van 3.20 bij 3.20 meter) met in totaal 237 hennepplanten van circa zeven weken oud. De gemiddelde hoogte van de planten was ongeveer 90 cm.<footnote-ref linkend="_89dd8c5a-dc18-4368-8059-a260114ff196" /></para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>In <emphasis role="italic">elk</emphasis> van beide kweekruimtes zijn verscheidene aanwijzingen voor eerdere oogsten aangetroffen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De aanwijzingen in “kweekruimte 1” voor de vaststelling dat er in die kweekruimte een eerdere oogst heeft plaatsgevonden zijn de volgende:</para>
    </parablock>
    <itemizedlist mark="-">
      <listitem>
        <para>kalkafzetting op het kweekzeil en aan de onderzijde van de plantenpotten, en sterke aanslag aan de buitenzijde van de kweekpotten;</para>
      </listitem>
      <listitem>
        <para>stof op de kappen van de armaturen van de assimilatielampen;</para>
      </listitem>
      <listitem>
        <para>sterk vergroeide wortels;</para>
      </listitem>
      <listitem>
        <para>kalkaanslag aan de binnenkant van het watervat.<footnote-ref linkend="_7f98f55d-72bd-4e22-aa92-d9fd12563119" /></para>
      </listitem>
    </itemizedlist>
    <para>In deze hennepkwekerij aan de voorzijde van het pand, troffen de verbalisanten assimilatielampen aan die behoorlijk waren ingebrand, wat duidt op meerdere oogsten. Dat gold ook voor de zichtbare sterke kalkaanslag op de kweekpotten.<footnote-ref linkend="_45cc2be1-e18c-4378-a7cf-9790743c612d" /></para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Ten aanzien van “kweekruimte 2” zijn de volgende aanwijzingen aangetroffen voor de vaststelling dat in die kweekruimte een eerdere oogst heeft plaatsgevonden:</para>
    </parablock>
    <para>- verdroogde resten van hennepplanten aangetroffen op/in een doos<footnote-ref linkend="_05404b00-fa76-4381-8ebc-03aafdc94b7a" />;</para>
    <itemizedlist mark="-">
      <listitem>
        <para>kalkafzetting op het kweekzeil en aan de onderzijde van de plantenpotten;</para>
      </listitem>
      <listitem>
        <para>vervuiling filterdoek koolstoffilter;</para>
      </listitem>
      <listitem>
        <para>stof op de kappen van de armaturen van de assimilatielampen en het stoffilter van de koolstofcilinder. <footnote-ref linkend="_29a1831a-9314-4480-b166-2e22ffe61023" /></para>
      </listitem>
    </itemizedlist>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bij de kalkafzetting op het zeil en aan de onderzijde van de plantenpotten kwamen de hoogte van de op kalk gelijkende afzetting aan de onderzijde van de potten en op het zeil tegen de opstaande rand overeen. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De aangetroffen koolstoffilters waren in de kwekerij bevestigd met metalen kettinkjes, verstelbaar. Het filterdoek van de koolstoffilters was vervuild. Bij het verplaatsen van de bevestiging bleek dat op de plaats(en) waar deze was aangebracht, het filterdoek een aanzienlijk lichtere kleur vertoonde ten opzichte van de kleur van het overige filterdoek. Het is aannemelijk dat de vervuiling van het filterdoek in de kwekerij is opgetreden nadat de koolstoffilters in de kwekerij waren bevestigd. De vervuiling van het filterdoek treedt pas na langere tijd op en wordt veroorzaakt door kleine stofdeeltjes, voornamelijk afkomstig van het droge kweekmedium waarin hennepplanten worden gekweekt. Door de sterke afzuiging van de afgewerkte lucht in de kwekerij, komen deze stofdeeltjes op het filterdoek terecht.<footnote-ref linkend="_9ed26f13-c692-4d14-8bcd-9a031db76c00" /></para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Daarnaast werden in naastgelegen ruimtes nog de volgende aanwijzingen voor eerdere oogsten aangetroffen<footnote-ref linkend="_176a061c-a827-4983-b659-598fa3a5ab72" />:</para>
    </parablock>
    <itemizedlist mark="-">
      <listitem>
        <para>verdroogde hennepresten en een gebruikte overall in een doos op de overloop op de eerste etage;</para>
      </listitem>
      <listitem>
        <para>hennepresten, gebruikte wegwerpoveralls en gebruikte handschoenen aangetroffen in vijf vuilniszakken in de loods;</para>
      </listitem>
    </itemizedlist>
    <para>knipschaartjes, met hennepresten, in de kamer boven aan de voorzijde Hierop bevonden zich hennepresten. De betrokkene heeft ter terechtzitting in hoger beroep verklaard dat er eenmaal eerder is geoogst in de tweede kweekruimte, waarbij de eerstekweekruimte (met de rechthoekige kweektenten) later is ingericht om het verlies van de verbrande oogst te kunnen compenseren. </para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het hof acht deze door betrokkene beschreven situatie, inhoudende dat er slechts in één  kweekruimte (kweekruimte 2) eerder is geoogst, niet geloofwaardig Het hof is van oordeel dat, gelet op de aangetroffen aanwijzingen voor een eerdere oogst in beide kweekruimtes,  óók in kweekruimte 1, alsmede het veelvoud aan aanwijzingen aangetroffen in de naastgelegen ruimtes, voldoende komen vast te staan dat in beide kweekruimtes één eerdere oogst heeft plaatsgevonden. Dat de oogst in kweekruimte 2 zou zijn mislukt (verbrand) is niet aannemelijk geworden.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het hof verwerpt derhalve het verweer van de verdediging en gaat ervan uit dat voldoende aannemelijk is geworden dat er in elk van beide kweekruimtes eenmaal eerder is geoogst.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Ten aanzien van het voordeel dat betrokkene uit die eerdere oogst heeft verkregen gaat het hof uit van de verklaring van de betrokkene, te weten dat zijn betrokkenheid bij de hennepkwekerij erin was gelegen om zijn schuld van € 4.000,- à € 5.000,- te vereffenen. Betrokkene heeft verklaard dat hij vanwege de mislukte oogst zijn schuld niet heeft kunnen vereffenen. Het hof passeert dit verweer , nu er voldoende aanwijzingen bestaan dat er in beide kweekruimtes tenminste éénmaal eerder is geoogst, waarbij van een mislukte oogst niet is gebleken Bovendien heeft betrokkene, hoewel hem bij het bespreken ter terechtzitting in hoger beroep van zijn financiële omstandigheden uitdrukkelijk is gevraagd naar het bestaan van eventuele schulden ten tijde van de zitting, de schuld van € 4.000 à € 5.000 niet vermeld.  </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het hof stelt derhalve het wederrechtelijk verkregen voordeel vast op <emphasis role="bold">€ 5.000,-. </emphasis></para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="underline">Op te leggen betalingsverplichting</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het hof zal aan de betrokkene de verplichting opleggen tot betaling van na te melden bedrag aan de Staat ter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Redelijke termijn</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het hof stelt voorop dat in art. 6, eerste lid, EVRM het recht van iedere veroordeelde is gewaarborgd dat binnen een redelijke termijn op de ontnemingsvordering wordt beslist. Die termijn vangt aan op het moment dat vanwege de Nederlandse Staat jegens de betrokkene een handeling is verricht waaraan deze in redelijkheid de verwachting kan ontlenen dat tegen hem een vordering tot ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel aanhangig zal worden gemaakt.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Als uitgangspunt heeft tevens in deze zaak te gelden dat de behandeling ter terechtzitting in hoger beroep dient te zijn afgerond met een eindarrest binnen twee jaren nadat hoger beroep is ingesteld.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Namens de betrokkene is op 4 april 2019 hoger beroep ingesteld tegen het bestreden vonnis. Het hof doet bij arrest van heden, 24 maart 2022, einduitspraak. Het procesverloop in hoger beroep bedraagt aldus bijna drie jaar, waarmee arrest wordt gewezen na het verstrijken van voornoemde tweejaarstermijn. Derhalve is er sprake van een overschrijding van de redelijke termijn in hoger beroep met bijna 12 maanden, welk tijdsverloop niet aan de proceshouding van de betrokkene valt te wijten.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Nu het hof de overschrijding van de redelijke termijn al heeft verdisconteerd in het  samenhangende en gelijktijdig uitgesproken arrest in de strafzaak, zal het hof in onderhavige zaak volstaan met de enkele constatering van deze overschrijding</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="underline">Gijzeling</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Met ingang van 1 januari 2020 is het nieuwe elfde lid van artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht direct van toepassing geworden. Het hof zal daarom bij het opleggen van de maatregel ook de duur van de gijzeling bepalen die, met toepassing van artikel 6:6:25 van het Wetboek van Strafvordering, in dit geval ten hoogste kan worden gevorderd. Bij het bepalen van de duur wordt overeenkomstig de landelijke oriëntatiepunten straftoemeting voor elke volle € 50,- van het opgelegde bedrag niet meer dan één dag gerekend. De duur beloopt ten hoogste drie jaar.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="underline">Toepasselijk wettelijk voorschrift</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De beslissing is gegrond op artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht, zoals dit ten tijde van het bewezenverklaarde rechtens gold dan wel ten tijde van het wijzen van dit arrest rechtens geldt.</para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>BESLISSING</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het hof:</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Stelt het bedrag waarop het door de betrokkene wederrechtelijk verkregen voordeel wordt geschat vast op een bedrag van € <emphasis role="bold">5.000,00 (vijfduizend euro)</emphasis>.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Legt de betrokkene de verplichting op tot <emphasis role="bold">betaling aan de Staat</emphasis> ter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel van een bedrag van <emphasis role="bold">€ 5.000,00 (vijfduizend euro)</emphasis>.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bepaalt de duur van de gijzeling die ten hoogste kan worden gevorderd op 100 dagen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Aldus gewezen door:</para>
      <para>mr. P.T. Gründemann, voorzitter,</para>
      <para>mr. C.M. Hilverda en mr. B. Stapert, raadsheren,</para>
      <para>in tegenwoordigheid van mr. V.C. Minneboo, griffier,</para>
      <para>en op 24 maart 2022 ter openbare terechtzitting uitgesproken.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>mr. C.M. Hilverda is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.</para>
    </parablock>
  </section>
  <footnote id="_f834e2eb-4b16-4204-9d45-8f4b3b8b92a9" label="1">
    <para> Wanneer hierna wordt verwezen naar een proces-verbaal, wordt – tenzij anders vermeld – bedoeld een proces-verbaal, opgemaakt in de wettelijke vorm door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren opgenomen in het einddossier van de politie Oost-Brabant, District Eindhoven, Basisteam Eindhoven-Noord genummerd PL2100-2018075457, pagina’s: 1 t/m 139. Waar wordt verwezen naar bijlagen, betreffen dit de bijlagen opgenomen in genoemd einddossier.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_89dd8c5a-dc18-4368-8059-a260114ff196" label="2">
    <para> Het proces-verbaal van aantreffen hennepkwekerij, p. 2 en 3.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_7f98f55d-72bd-4e22-aa92-d9fd12563119" label="3">
    <para> Rapport wederrechtelijk verkregen voordeel, p. 95 en 96.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_45cc2be1-e18c-4378-a7cf-9790743c612d" label="4">
    <para> Bijschrift bij de foto’s op pagina 129. </para>
  </footnote>
  <footnote id="_05404b00-fa76-4381-8ebc-03aafdc94b7a" label="5">
    <para> Het proces-verbaal van aantreffen hennepkwekerij, p. 3.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_29a1831a-9314-4480-b166-2e22ffe61023" label="6">
    <para> Rapport wederrechtelijk verkregen voordeel, p. 97.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_9ed26f13-c692-4d14-8bcd-9a031db76c00" label="7">
    <para> Het proces-verbaal van aantreffen hennepkwekerij, p.9.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_176a061c-a827-4983-b659-598fa3a5ab72" label="8">
    <para> Het proces-verbaal van aantreffen hennepkwekerij, p. 8 en 9 de bijschriften bij de foto’s op pagina 117 en 127.</para>
  </footnote>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>