<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:GHSHE:2022:2195</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2022-07-20T11:41:44</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2022-07-05</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Gerechtshof_'s-Hertogenbosch" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Gerechtshof 's-Hertogenbosch</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2022-07-05</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">200.288.104_01</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#hogerBeroep">Hoger beroep</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">'s-Hertogenbosch</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#civielRecht_burgerlijkProcesrecht">Civiel recht; Burgerlijk procesrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#civielRecht_verbintenissenrecht">Civiel recht; Verbintenissenrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:references rdfs:label="Wetsverwijzing" bwb:resourceIdentifier="jci1.31:c:BWBR0001827&amp;artikel=83&amp;g=2008-09-01">Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (geldt in geval van digitaal procederen) 83</dcterms:references>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHSHE:2022:2195">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHSHE:2022:2195</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2022-07-20T11:35:26</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2022-07-20</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:GHSHE:2022:2195 Gerechtshof 's-Hertogenbosch , 05-07-2022 / 200.288.104_01</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:GHSHE:2022:2195:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Beslissing over de hoogte van een schadevergoeding. Ondertekening processtukken “i.o.” voldoet aan het voorschrift van 83 Rv.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:GHSHE:2022:2195:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <para>
    <emphasis role="bold">GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH</emphasis>
  </para>
  <para>Team Handelsrecht</para>
  <parablock>
    <para>zaaknummer 200.288.104</para>
  </parablock>
  <parablock>
    <para>
      <emphasis role="bold">arrest van 5 juli 2022</emphasis>
    </para>
  </parablock>
  <parablock>
    <para>in de zaak van </para>
  </parablock>
  <parablock>
    <para>
      <emphasis role="bold">
        [appellant]
      </emphasis>,</para>
    <para>wonende te [woonplaats] ,</para>
    <para>appellant,</para>
    <para>advocaat: mr. J.J.Th. van Stiphout,</para>
  </parablock>
  <parablock>
    <para>tegen</para>
  </parablock>
  <parablock>
    <para>
      <emphasis role="bold">
        [geïntimeerde]
      </emphasis>,</para>
    <para>wonende te [woonplaats] ,</para>
    <para>geïntimeerde,</para>
    <para>advocaat: mr. T. Delmée,</para>
  </parablock>
  <parablock>
    <para>als vervolg op het door het hof gewezen tussenarrest van 26 april 2022.</para>
  </parablock>
  <para>
    <emphasis role="bold">1.	2.	3.	</emphasis>
  </para>
  <para>
    <emphasis role="bold">4.	De achtergrond en het procesverloop</emphasis>
  </para>
  <parablock>
    <para>4.1.	[appellant] heeft in 2019 met een voertuig schade toegebracht aan een pand dat eigendom is van [geïntimeerde] . [appellant] is door de strafrechter veroordeeld voor overtreding van artikelen 7 lid 1 en 8 Wegenverkeerswet 1994. [geïntimeerde] heeft [appellant] aangesproken tot vergoeding van de schade aan een glazen pui. [geïntimeerde] heeft die vordering – in eerste aanleg – onderbouwd met foto’s van de schade en een offerte van een aannemer. De kantonrechter heeft [appellant] veroordeeld tot betaling van € 11.671,37, te vermeerderen met rente en de proceskosten.</para>
  </parablock>
  <parablock>
    <para>4.2.	[appellant] vordert in hoger beroep vernietiging van dat vonnis, voor zover mocht blijken dat er (veel) meer is gevorderd dan daadwerkelijk aan reparatie van de (glazen) pui is betaald, met de veroordeling van [geïntimeerde] tot terugbetaling van wat [appellant] al betaald heeft en met veroordeling van [geïntimeerde] in de proceskosten van beide instanties.</para>
  </parablock>
  <parablock>
    <para>4.3.	[appellant] vorderde ook (als incidentele vordering op basis van artikel 843a Rv) dat [geïntimeerde] veroordeeld zou worden – op straffe van een dwangsom – om de door [geïntimeerde] betaalde facturen over te leggen. In reactie daarop heeft [geïntimeerde] een factuur en een betalingsbewijs overgelegd. In het arrest in incident van 5 oktober 2021 heeft het hof de vordering in het incident van [appellant] afgewezen bij gebrek aan belang. Het hof heeft daarbij de beslissing over de proceskosten aangehouden.</para>
  </parablock>
  <parablock>
    <para>4.4.	In het tussenarrest van 26 april 2022 heeft het hof [appellant] in de gelegenheid gesteld zich uit te laten over de door [geïntimeerde] overgelegde producties. [appellant] heeft vervolgens een akte genomen en het hof heeft (weer) arrest bepaald.</para>
  </parablock>
  <section role="overwegingen">
    <title>
      <nr>5</nr>De verdere beoordeling</title>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>5.1.</nr>
      <para>Grieven I en II van [appellant] richten zich tegen de juistheid van de overgelegde offerte en tegen de hoogte van de schadevergoeding. [appellant] voert aan (in zijn akte van 24 mei 2022) dat [geïntimeerde] kennelijk probeert samen met de aannemer een slaatje uit de situatie te slaan. Ook wijst hij erop dat de memorie van antwoord niet door de advocaat van [geïntimeerde] is getekend. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>5.2.</nr>
      <para>Het hof overweegt als volgt. [appellant] betwist niet (voldoende gemotiveerd) de echtheid van de offerte, de factuur en het betalingsbewijs. Daarmee staat vast dat de aannemer een offerte voor een bedrag van € 11.617,13 heeft opgesteld, dat bedrag op 21 juni 2021 in rekening heeft gebracht bij [geïntimeerde] en dat [geïntimeerde] dat bedrag op dezelfde dag heeft overgemaakt naar de aannemer. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>5.3.</nr>
      <para>
        [appellant] onderbouwt niet concreet dat de aannemer en [geïntimeerde] samen hebben gespannen om [appellant] te benadelen. Een onderbouwd betoog dat het herstel niet, of voor een lager bedrag dan gefactureerd, zou zijn uitgevoerd, is er niet. Dat het herstel pas in 2021 is uitgevoerd en dat de factuur is gedateerd op 21 juni 2021 en op dezelfde dag is betaald, is op zichzelf onvoldoende om uit te gaan van de onjuistheid van de offerte of de factuur. Dat op de factuur in de verwijzing naar de offerte een onjuist jaartal staat genoemd, is voor de hoogte van de schade ook niet relevant, omdat duidelijk is dat de factuur naar de juiste offerte verwijst.</para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">Arbeid</emphasis>
        </para>
      </parablock>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>5.4.</nr>
      <para>
        [appellant] voert aan dat in de offerte de post arbeid te hoog is, aangezien daarvoor in de offerte een post van € 432,00 voor het verwijderen van de beschadigde pui en in totaal een bedrag van € 2.974,00 voor arbeid is opgenomen. [appellant] voert aan dat, uitgaande van het volgens [appellant] gemiddelde uurtarief van een timmerman van € 40,00, dit te veel uren zijn. [appellant] onderbouwt echter niet waarom (veronderstellenderwijs uitgaande van het uurtarief van € 40,00) een totaal van de gefactureerde bijna 75 manuren voor het vervaardigen en plaatsen van een nieuwe pui te veel zou zijn. Het verweer wordt daarom gepasseerd.</para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">Nieuw – voor – oud </emphasis>
        </para>
      </parablock>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>5.5.</nr>
      <para>
        [appellant] voert verder aan dat [geïntimeerde] een voordeel heeft genoten door de vernieuwing van de pui. [geïntimeerde] stelde op zitting in eerste aanleg dat de pui twee jaar oud is: dat heeft [appellant] niet weersproken. Daarvan uitgaande had het op de weg van [appellant] gelegen om concreet te onderbouwen welk (relevant) voordeel [geïntimeerde] heeft genoten door de vervanging van de twee jaar oude pui en dat daarom de kosten van het herstel van de pui niet volledig voor vergoeding in aanmerking zouden komen. Die onderbouwing is er niet.</para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">Schilderwerk buitenmuur</emphasis>
        </para>
      </parablock>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>5.6.</nr>
      <para>
        [appellant] voert ten slotte aan dat in de offerte een post “schilderwerk buitenmuur” is opgenomen, terwijl uit de foto’s van de schade blijkt dat de buitenmuur niet geschilderd was. Het hof is van oordeel dat het hier gaat om een nieuwe grief tegen het oordeel van de rechtbank dat uitgegaan moet worden van de juistheid van de offerte en dat de gevorderde schadevergoeding daarom toewijsbaar is. Die nieuwe grief heeft [appellant] te laat opgeworpen. De post “schilderwerk buitenmuur” is opgenomen in de offerte die al bij dagvaarding in eerste aanleg is overgelegd en de foto’s van de schade zijn toen ook overgelegd. [appellant] had daarom in de eerste schriftelijke memorie zijn bezwaar tegen deze post kunnen en moeten aanvoeren. Bij tussenarrest is [appellant] enkel in de gelegenheid gesteld om zich uit te laten over de producties. Het hof laat deze nieuwe grief daarom buiten beschouwing.</para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">Ondertekening processtuk</emphasis>
        </para>
      </parablock>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>5.7.</nr>
      <para>Op grond van artikel 83 Rv juncto 353 Rv worden in hoger beroep de processtukken ondertekend door een advocaat. Gelet op de vermelding “i.o. advocaat” naast de handtekening, is de memorie van antwoord ondertekend in opdracht van de advocaat van [geïntimeerde] . Naar het oordeel van het hof is daarmee aan het voorschrift van artikel 83 Rv voldaan (zie ECLI:NL:GHSHE:2014:1991).</para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">Conclusie</emphasis>
        </para>
      </parablock>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>5.8.</nr>
      <parablock>
        <para>De grieven slagen niet. De door [geïntimeerde] gevorderde schadevergoeding is toewijsbaar en het hof zal het bestreden vonnis bekrachtigen. Als de in het ongelijk te stellen partij zal het hof [appellant] in de kosten van het hoger beroep veroordelen. Ook zal het hof [appellant] als de in het ongelijk gestelde partij in de kosten van het incident veroordelen.</para>
        <para>De kosten voor de procedure in hoger beroep aan de zijde van [geïntimeerde] zullen worden vastgesteld op:</para>
      </parablock>
      <para>- griffierecht				€ 760,00</para>
      <para>- salaris advocaat (incident)			€ 1.114,00	(1 punt × tarief II)</para>
      <para>- salaris advocaat (hoofdzaak)			€ 1.114,00	(1 punt × tarief II)</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>5.9.</nr>
      <para>Het hof zal ook de gevorderde wettelijke rente over de proceskosten toewijzen zoals hierna vermeld.</para>
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>6</nr>De uitspraak</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het hof:</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>bekrachtigt het vonnis van de kantonrechter (rechtbank Oost-Brabant, zittingsplaats Eindhoven) van 1 oktober 2020; </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>veroordeelt [appellant] in de kosten van het hoger beroep in hoofdzaak en incident, tot aan deze uitspraak aan de zijde van [geïntimeerde] vastgesteld op € 760,00 voor verschotten en op € 2.228,00 voor salaris overeenkomstig het liquidatietarief, te voldoen binnen veertien dagen na dagtekening van dit arrest, en – voor het geval voldoening binnen bedoelde termijn niet plaatsvindt – te vermeerderen met de wettelijke rente te rekenen vanaf bedoelde termijn voor voldoening;</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>verklaart dit arrest voor zover het de proceskostenveroordeling betreft uitvoerbaar bij voorraad</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Dit arrest is gewezen door mrs. C.J.H.G. Bronzwaer, O.G.H. Milar en D.E. Valle Robles-Roomer en in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op 5 juli 2022.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>	griffier					rolraadsheer</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </section>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>