<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:GHSHE:2022:1197</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2025-03-22T10:42:09</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2022-04-13</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Gerechtshof_'s-Hertogenbosch" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Gerechtshof 's-Hertogenbosch</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2022-04-13</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">21/00614</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#hogerBeroep">Hoger beroep</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">'s-Hertogenbosch</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht_belastingrecht">Bestuursrecht; Belastingrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
          <rdf:li>V-N Vandaag 2022/1188</rdf:li>
          <rdf:li>NLF 2022/0986</rdf:li>
          <rdf:li>V-N 2022/35.9 met annotatie van Redactie</rdf:li>
          <rdf:li>Viditax (FutD) 2022051311</rdf:li>
          <rdf:li>FutD 2022-1396</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHSHE:2022:1197">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHSHE:2022:1197</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2022-04-19T10:21:51</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2022-05-12</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:GHSHE:2022:1197 Gerechtshof 's-Hertogenbosch , 13-04-2022 / 21/00614</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:GHSHE:2022:1197:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Belastingverdrag Nederland-Verenigd Koninkrijk. Premieheffing volksverzekeringen.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:GHSHE:2022:1197:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <uitspraak.info>
    <bridgehead role="bold">GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH</bridgehead>
    <para>Team belastingrecht</para>
    <para>Meervoudige Belastingkamer</para>
    <para>Nummer: 21/00614</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">Uitspraak op het hoger beroep van</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">
          [belanghebbende] ,</emphasis>
      </para>
      <para>wonend in [woonplaats] ,</para>
      <para>hierna: belanghebbende,</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>tegen de uitspraak van rechtbank Zeeland-West-Brabant (hierna: de rechtbank) van 24 februari 2021, nummer BRE 19/5443, in het geding tussen belanghebbende en</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">de inspecteur van de belastingdienst,</emphasis>
      </para>
      <para>hierna: de inspecteur.</para>
    </parablock>
    <para />
  </uitspraak.info>
  <section role="procesverloop">
    <title>
      <nr>1</nr>Ontstaan en loop van het geding</title>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>1.1.</nr>
      <para>De inspecteur heeft de aanslag inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen 2017 opgelegd (hierna: de aanslag). Tevens is bij beschikking belastingrente in rekening gebracht.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>1.2.</nr>
      <para>Belanghebbende heeft bezwaar gemaakt. De inspecteur heeft uitspraak op bezwaar gedaan en het bezwaar gegrond verklaard.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>1.3.</nr>
      <parablock>
        <para>Belanghebbende heeft tegen deze uitspraak beroep ingesteld bij de rechtbank. </para>
        <para>De rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard.</para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>1.4.</nr>
      <para>Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de rechtbank hoger beroep ingesteld bij het hof. De inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>1.5.</nr>
      <para>Belanghebbende heeft vóór de zitting nadere stukken ingediend. Deze stukken zijn doorgestuurd naar de inspecteur.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>1.6.</nr>
      <para>De zitting heeft plaatsgevonden op 25 maart 2022 in ’s-Hertogenbosch. Beide partijen zijn met kennisgeving aan het hof niet verschenen.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>1.7.</nr>
      <para>Het hof heeft aan het einde van de zitting het onderzoek gesloten.</para>
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>2</nr>Feiten</title>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>2.1.</nr>
      <para>Belanghebbende woonde in 2017 in het Verenigd Koninkrijk. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.2.</nr>
      <para>Belanghebbende is geboren op [geboortedatum] 1952. Op [datum] 2017 heeft zij de AOW-gerechtigde leeftijd bereikt. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.3.</nr>
      <para>Belanghebbende is in 2017 enkele maanden op bezoek geweest bij haar kinderen in Nederland. Tijdens dat verblijf heeft belanghebbende gedurende de periode 1 mei 2017 tot 1 augustus 2017 in Nederland in loondienst gewerkt. Het loon uit dienstbetrekking bedraagt € 10.637. Op dat bedrag is € 3.114 aan loonheffingen ingehouden. Het overige inkomen van belanghebbende bestaat in 2017 uit:</para>
      <para>- een ANW-uitkering van € 4.795 (geen inhoudingen);</para>
      <para>- het (pre)pensioen van € 19.152 (geen inhoudingen);</para>
      <para>- een AOW-uitkering van € 2.570 (geen inhoudingen). </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.4.</nr>
      <para>Belanghebbende heeft bij haar stukken “Self Assessment: Tax Calculations” overgelegd voor de jaren 2016-17 (eindigend 5 april 2017) en 2017-18 (eindigend 5 april 2018). De self assessments vermelden een ‘total income received’ van £ 4,058 (2016-17) respectievelijk £ 16,357 (2017-18). Het bedrag van £ 4.085 wordt aangeduid als ‘pay from all employments’. Het bedrag van £ 16,357 bestaat uit £ 15.557 aan ‘pay from all employments’ en £ 800 aan ‘UK Pensions and state benefits’. Daarnaast is een formulier ‘P60 End of Year Certificate’ voor het jaar eindigend op 5 april 2018 bijgevoegd. Het hierop vermelde loon afkomstig van [A] van £ 15,557 is gelijk aan het op het self assessment voor het jaar 2017-2018 vermelde loon.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.5.</nr>
      <para>Belanghebbende heeft bij haar stukken eveneens een “verklaring inzake vrijstelling voor de inhouding van loonheffingen” overgelegd met datum 1 maart 2017, die afkomstig is van Belastingdienst/kantoor Buitenland. In die brief staat het volgende:</para>
      <para />
      <parablock>
        <para>“<emphasis role="bold">Samenvatting.</emphasis></para>
        <para>U hebt verzocht om een verklaring waarin is opgenomen dat op grond van een verdrag ter voorkoming van dubbele belasting een vrijstelling kan worden verleend voor de inhouding van loonbelasting. De door u aangedragen informatie geeft aanleiding tot de volgende beoordeling.</para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="bold">Beoordeling.</emphasis>
        </para>
        <para>Ik ben van mening dat op grond van uw verzoek een vrijstelling van inhouding van loonbelasting kan worden verleend.</para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="bold">Beslissing.</emphasis>
        </para>
        <para>Ik kom tegemoet aan uw verzoek.</para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>Ik verklaar dat [pensioenfonds] , loonbelastingnummer [loonbelastingnummer] , met ingang van 1 januari 2017, mag afzien van de inhouding van loonbelasting op de (het) door haar uit te betalen pensioen met registratienummer [registratienummer] .</para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>Tevens verklaar ik dat [belanghebbende] niet verplicht verzekerd is voor de premies volksverzekeringen. </para>
        <para>Tevens verklaar ik dat betrokkene niet verzekerd en niet premieplichtig is voor de Zvw. Ondanks dat u niet verplicht verzekerd bent voor sociale zekerheid in Nederland, kan er een buitenlandbijdrage Zvw op uw inkomen worden ingehouden. Deze bijdrage wordt vastgesteld door en afgedragen aan Zorginstituut Nederland (voorheen College voor zorgverzekeringen).</para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>Deze verklaring wordt afgegeven voor de periode dat [belanghebbende] bij [pensioenfonds] (een) pensioen ontvangt. Als de gegevens op basis waarvan deze verklaring is afgegeven wijzigen, dient u dit direct aan mij door te geven. Dit kan er toe leiden dat de geldigheid van de verklaring eindigt. De geldigheid van deze verklaring eindigt in ieder geval uiterlijk 1 januari 2027.</para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="bold">Aanvraag nieuwe verklaring.</emphasis>
        </para>
        <para>Als de geldigheid van deze verklaring eindigt, bestaat de mogelijkheid een nieuwe verklaring aan te vragen. Dit kunt u doen door het bijgevoegde formulier “Aanvraag nieuwe verklaring” volledig ingevuld en van alle daarin gevraagde bijlagen voorzien aan mij op te sturen. Als u dit uiterlijk 1 oktober 2026 doet, zorg ik ervoor dat u tijdig een nieuwe verklaring ontvangt.</para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="bold">Disclaimer</emphasis>
        </para>
        <para>Als u op grond van gewijzigde wetgeving- en of wijzigingen in het verdrag, of op grond van andere wijzigingen van feiten en omstandigheden niet meer aan de voorwaarden voor een vrijstelling voldoet, verliest deze verklaring haar rechtsgeldigheid.”.</para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.6.</nr>
      <para>Belanghebbende heeft in haar aangifte IB/PVV over het jaar 2017 aan inkomen vermeld:</para>
      <para />
      <informaltable>
        <tgroup cols="2">
          <colspec colname="colA" />
          <colspec colname="colB" />
          <tbody>
            <row>
              <entry>
                <para>Werkgever/uitkeringsinstantie</para>
              </entry>
              <entry>
                <para>Inkomen</para>
              </entry>
            </row>
            <row>
              <entry>
                <para>MatchPartner Zorg en Welzijn</para>
              </entry>
              <entry>
                <para>€ 10.637</para>
              </entry>
            </row>
            <row>
              <entry>
                <para>SVB</para>
              </entry>
              <entry>
                <para>€ 7.366</para>
              </entry>
            </row>
            <row>
              <entry>
                <para>
                  [pensioenfonds]
                </para>
              </entry>
              <entry>
                <para>
                  <emphasis role="underline">€ 19.152</emphasis>
                </para>
              </entry>
            </row>
            <row>
              <entry>
                <para />
              </entry>
              <entry>
                <para>€ 37.155</para>
              </entry>
            </row>
          </tbody>
        </tgroup>
      </informaltable>
      <para />
      <parablock>
        <para>In de aangifte heeft belanghebbende de vraag of zij een kwalificerende buitenlandse belastingplichtige is aanvankelijk bevestigend beantwoord. Dit antwoord is echter doorgestreept. Vervolgens is de hiervoor genoemde vraag met ‘nee’ beantwoord. Verder heeft belanghebbende in de aangifte vermeld dat zij in de periode 1 mei 2017 tot en met 1 augustus 2017 in Nederland heeft gewoond.</para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.7.</nr>
      <para>De aanslag is vastgesteld naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 37.155. Tevens is bij beschikking € 11 belastingrente in rekening gebracht. Het premie-inkomen is vastgesteld op € 8.447. Bij het vaststellen van de aanslag is de inspecteur uitgegaan van de volgende uitgangspunten:</para>
      <para>- belanghebbende is een buitenlandse belastingplichtige;</para>
      <para>- belanghebbende is gedurende de periode 1 mei tot 1 augustus premieplichtig;</para>
      <para>- belanghebbende is een kwalificerende buitenlandse belastingplichtige.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.8.</nr>
      <para>De inspecteur heeft bij uitspraak op bezwaar de aanslag verminderd tot een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 18.003. Dat bedrag bestaat uit het loon uit dienstbetrekking en de ontvangen uitkeringen van de SVB. De periode van premieplicht is door de inspecteur gehandhaafd. </para>
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>3</nr>Geschil en conclusies van partijen</title>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>3.1.</nr>
      <para>Het geschil betreft het antwoord op de vraag of de aanslag naar het juiste bedrag is vastgesteld.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.2.</nr>
      <para>Belanghebbende vindt dat Nederland niet mag heffen over haar inkomen, omdat zij belastingplichtig is in het Verenigd Koninkrijk. De inspecteur concludeert tot bevestiging van de uitspraak van de rechtbank.</para>
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section role="overwegingen">
    <title>
      <nr>4</nr>Gronden</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">Ten aanzien van het geschil</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>4.1.</nr>
      <para>Tussen partijen is niet in geschil dat belanghebbende in 2017 een inwoner van het Verenigd Koninkrijk was. Zij was gedurende de maanden mei tot en met juli 2017 slechts op bezoek in Nederland. </para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">Inkomstenbelasting</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.2.</nr>
      <para>Na de vermindering in de uitspraak op bezwaar heft de inspecteur niet langer over het pensioen van [pensioenfonds] . Op dat deel van belanghebbendes inkomen zal het hof daarom hierna niet meer ingaan. Het loon uit dienstbetrekking, de AOW-uitkering en de ANW-uitkering worden door de inspecteur wél in de heffing betrokken.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.3.</nr>
      <para>Volgens belanghebbende mag Nederland niet heffen over het door haar genoten inkomen. Zij is immers belastingplichtig in het Verenigd Koninkrijk. Gelet op het belastingverdrag tussen Nederland en het Verenigd Koninkrijk dient Nederland te voorkomen dat inkomen dubbel wordt belast. Verder verwijst belanghebbende naar de overgelegde “verklaring inzake vrijstelling voor de inhouding van loonheffingen”.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.4.</nr>
      <para>Belanghebbende heeft als inwoner van het Verenigd Koninkrijk inkomen uit Nederland genoten. Belanghebbende wordt daarom voor de Wet inkomstenbelasting 2001 (hierna: Wet IB 2001) aangemerkt als buitenlandse belastingplichtige.<footnote-ref linkend="_9c7b2cef-64b5-4b91-ae20-ccd13f1d4247" /> Het inkomen uit Nederland bestaat – voor zover van belang – uit het loon uit dienstbetrekking voor arbeid die in Nederland is verricht<footnote-ref linkend="_dc22b822-fe8d-4b73-a430-ddac91174be9" />, de AOW-uitkering en de ANW-uitkering<footnote-ref linkend="_6c22d313-bfd9-4d1e-a529-71f33020cf5b" />. Op grond van de nationale wetgeving, de Wet IB 2001, is Nederland bevoegd om te heffen over dat inkomen. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.5.</nr>
      <para>Aangezien belanghebbende in het Verenigd Koninkrijk woont en zij inkomen uit Nederland heeft genoten, is het belastingverdrag tussen Nederland en het Verenigd Koninkrijk<footnote-ref linkend="_e18558b2-8aa7-4542-94be-e29f9c7ebe58" /> (hierna: het Belastingverdrag) van toepassing. Het Belastingverdrag heeft als doel te voorkomen dat belastingplichtigen over inkomen zowel in Nederland als in het Verenigd Koninkrijk belasting moeten betalen. Het hof heeft in onderdeel 4.4 vastgesteld dat Nederland op grond van de nationale wetgeving mag heffen over het daar genoemde inkomen van belanghebbende. Of Nederland die heffingsbevoegdheid ook daadwerkelijk mag uitoefenen, wordt bepaald door het belastingverdrag. Daarin is geregeld welk land welke heffingsrechten mag uitoefenen. Gelet op wat belanghebbende in haar stukken schrijft, merkt het hof over de toepassing van het Belastingverdrag nog het volgende op. Het Belastingverdrag wijst niet in alle gevallen het land waar iemand woont aan als het land dat gebruik mag maken van zijn of haar heffingsbevoegdheid. Per bestanddeel van het inkomen moet bepaald worden welk land mag heffen. Dat hoeft niet voor elk bestanddeel hetzelfde land te zijn.</para>
      <para />
      <paragroup>
        <nr>4.6.1.</nr>
        <para>Op grond van het Belastingverdrag mag Nederland heffen over het loon uit dienstbetrekking. De dienstbetrekking is in Nederland uitgeoefend en het loon van belanghebbende is betaald door een werkgever die in Nederland is gevestigd.<footnote-ref linkend="_82a06170-e905-4328-9573-b2dd20ea78c9" /></para>
        <para />
      </paragroup>
      <paragroup>
        <nr>4.6.2.</nr>
        <para>Uit de door belanghebbende overgelegde stukken kan niet worden opgemaakt dat het loon uit dienstbetrekking voor de in Nederland uitgeoefende werkzaamheden in het Verenigd Koninkrijk in de belastingheffing is betrokken. In dat geval is van dubbele belastingheffing geen sprake. Indien het Verenigd Koninkrijk wél belasting zou hebben geheven over het loon uit dienstbetrekking voor de in Nederland uitgeoefende werkzaamheden, geldt dat het Verenigd Koninkrijk een vermindering ter voorkoming van dubbele belasting moet verlenen.<footnote-ref linkend="_4ca80dca-5f5c-4d39-b7dc-2bd8f65eb561" /> Het Belastingverdrag wijst de heffingsbevoegdheid immers toe aan Nederland.</para>
        <para />
      </paragroup>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.7.</nr>
      <para>Voor de AOW-uitkering en de ANW-uitkering geldt dat het Verenigd Koninkrijk mag heffen over deze uitkeringen.<footnote-ref linkend="_c0c3db3c-8b38-4bba-9bc4-bf1736c2d523" /> Dat betekent dat het aan Nederland is om te voorkomen dat dubbel belasting wordt betaald over deze uitkeringen. In het Belastingverdrag is echter bepaald dat Nederland deze uitkeringen slechts hoeft vrij te stellen van Nederlandse belastingheffing voor zover die uitkeringen in het Verenigd Koninkrijk belast worden.<footnote-ref linkend="_43cf882a-e8f8-4e68-93d2-bb25a3185671" /> Die bepaling in het Belastingverdrag is van toepassing als de ontvanger van dat inkomen in het Verenigd Koninkrijk slechts wordt belast voor zover dat inkomen naar het Verenigd Koninkrijk wordt overgemaakt of daar wordt ontvangen. De inspecteur stelt dat de AOW-uitkering en de ANW-uitkering slechts in het Verenigd Koninkrijk worden belast voor zover die zijn overgemaakt of daar worden ontvangen. Belanghebbende heeft dat niet betwist. Uit de door belanghebbende overgelegde stukken<footnote-ref linkend="_fd719378-f6b1-412f-aeaa-8b78fb3c1209" /> volgt overigens ook dat de AOW-uitkering en de ANW-uitkering niet in het Verenigd Koninkrijk zijn belast. Alleen belanghebbendes inkomen uit een dienstbetrekking bij [A] en de door haar ontvangen “UK pension and state benefits” zijn in de heffing betrokken. Doordat het Verenigd Koninkrijk de AOW-uitkering en de ANW-uitkering niet belast, hoeft Nederland die uitkeringen niet vrij te stellen van Nederlandse belastingheffing. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.8.</nr>
      <para>Het hof is gelet op het voorgaande van oordeel dat de inspecteur terecht het loon uit dienstbetrekking, de AOW-uitkering en de ANW-uitkering in de heffing heeft betrokken. Op grond van het Belastingverdrag mag Nederland over dit inkomen heffen. De vrijstellingsverklaring die belanghebbende heeft overgelegd (zie 2.5 hiervóór), leidt het hof niet tot een andere conclusie. Die verklaring ziet alleen op de pensioenuitkering door [pensioenfonds] . Over die uitkering wordt, na de uitspraak op bezwaar, ook geen belasting geheven. De vrijstellingsverklaring zegt verder niets over de heffing over ander inkomen dan die pensioenuitkering.</para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">Premieheffing</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.9.</nr>
      <para>Bij het vaststellen van de aanslag is de inspecteur uitgegaan van premieplicht voor de volksverzekeringen van belanghebbende gedurende de maanden mei tot en met juli 2017. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.10.</nr>
      <para>Voor situaties zoals deze waarin een belanghebbende op het grondgebied van een andere lidstaat (dan de woonstaat) werkzaamheden verricht en als gevolg daarvan (potentieel) in beide landen aan premieheffing voor sociale verzekeringen wordt onderworpen, is een Europese verordening (hierna: de Verordening) van kracht.<footnote-ref linkend="_c29d78fb-5ad8-465b-9baf-8aeb51c615f6" /> De Verordening bepaalt in die gevallen welke lidstaat, onder uitsluiting van de andere lidstaat, bevoegd is de premies te heffen.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.11.</nr>
      <para>In de Verordening is bepaald dat bij het al dan niet in loondienst verrichten van werkzaamheden, de wetgeving van de lidstaat waar deze werkzaamheden zijn verricht van toepassing is.<footnote-ref linkend="_ef82bb32-0ebb-4eae-bf61-270c5760da2d" /> Op deze regel zijn diverse uitzonderingen, maar gesteld noch gebleken is dat een van die uitzonderingen van toepassing is. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.12.</nr>
      <para>Het in aanmerking te nemen premie-inkomen wordt bepaald overeenkomstig de Wet financiering sociale verzekeringen (hierna: WFSV). Hieruit volgt dat het premie-inkomen wordt berekend naar het belastbare inkomen uit werk en woning, bepaald volgens de regels die gelden voor binnenlandse belastingplichtigen (het inkomen van het gehele jaar ongeacht in welk land dit inkomen is verdiend, ook wel genoemd: het wereldinkomen).<footnote-ref linkend="_7f35f530-e29f-405e-8894-2bec83cd5199" /> In de Regeling WSFV is echter bepaald dat het premie-inkomen in situaties waarin er (anders dan door overlijden) voor een deel van het jaar geen premieplicht bestaat, het premie-inkomen niet hoger kan zijn dan een tijdsevenredig deel van het maximale premie-inkomen (2017: € 33.791). Aangezien deze tijdsevenredige berekening van het premie-inkomen leidt tot een premie-inkomen van € 8.447 (3/12e van € 33.791) en dit lager is dan belanghebbendes wereldinkomen over 2017, heeft de inspecteur terecht het premie-inkomen op dit (lagere) bedrag vastgesteld. Het hof neemt hierbij in overweging dat belanghebbende geen aftrekposten heeft gesteld die zouden kunnen leiden tot een lager wereldinkomen dan € 8.447.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.13.</nr>
      <para>Belanghebbende had in de premieplichtige periode de AOW-gerechtigde leeftijd nog niet bereikt. Dit betekent dat de inspecteur voor de berekening van de premieheffing terecht is uitgegaan van het tarief voor niet-AOW-gerechtigden (27,65%)<footnote-ref linkend="_27aa5e6d-e5e2-45ea-9401-f80841bb4258" /> zodat hij de premieheffing niet te hoog heeft vastgesteld.</para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="bold">Tussenconclusie</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.14.</nr>
      <para>De slotsom is dat het hoger beroep ongegrond is.</para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="bold">Ten aanzien van het griffierecht</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.15.</nr>
      <para>Het hof ziet geen aanleiding om het griffierecht te laten vergoeden.</para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="bold">Ten aanzien van de proceskosten</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.16.</nr>
      <para>Het hof oordeelt dat er geen redenen zijn voor een veroordeling in de proceskosten als bedoeld in artikel 8:75 Algemene wet bestuursrecht.</para>
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>5</nr>Beslissing</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het hof bevestigt de uitspraak van de rechtbank.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De uitspraak is gedaan door P.C. van der Vegt, voorzitter, T.A. Gladpootjes en M.J.C. Pieterse, in tegenwoordigheid van E.J.M. Bohnen, als griffier. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 13 april 2022 en afschriften van de uitspraak zijn op die datum aangetekend aan partijen verzonden.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">Het aanwenden van een rechtsmiddel</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij <emphasis role="bold">de Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad www.hogeraad.nl</emphasis>. </para>
      <para>Bepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie instellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aan <emphasis role="bold">de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), postbus 20303, 2500 EH Den Haag. </emphasis>Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (zie <emphasis role="bold">www.hogeraad.nl</emphasis>). </para>
      <para>Bij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen:</para>
    </parablock>
    <orderedlist numeration="arabic">
      <listitem>
        <para>Bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.</para>
      </listitem>
      <listitem>
        <para>(Alleen bij procederen op papier) het beroepschrift moet ondertekend zijn;</para>
      </listitem>
      <listitem>
        <para>Het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:</para>
      </listitem>
    </orderedlist>
    <orderedlist numeration="loweralpha">
      <listitem>
        <para>de naam en het adres van de indiener;</para>
      </listitem>
      <listitem>
        <para>de dagtekening;</para>
      </listitem>
      <listitem>
        <para>een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;</para>
      </listitem>
      <listitem>
        <para>e gronden van het beroep in cassatie.</para>
      </listitem>
    </orderedlist>
    <parablock>
      <para>Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.</para>
      <para>In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de andere partij te veroordelen in de proceskosten.</para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <footnote id="_9c7b2cef-64b5-4b91-ae20-ccd13f1d4247" label="1">
    <para> Artikel 2.1, letter b, Wet IB 2001.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_dc22b822-fe8d-4b73-a430-ddac91174be9" label="2">
    <para> Artikel 7.2, lid 2, letter b, Wet IB 2001.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_6c22d313-bfd9-4d1e-a529-71f33020cf5b" label="3">
    <para> Artikel 7.2, lid 2, letter e, Wet IB 2001. </para>
  </footnote>
  <footnote id="_e18558b2-8aa7-4542-94be-e29f9c7ebe58" label="4">
    <para> Verdrag tussen de Regering van het Koninkrijk der Nederlanden en de Regering van het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland van 26 september 2008. </para>
  </footnote>
  <footnote id="_82a06170-e905-4328-9573-b2dd20ea78c9" label="5">
    <para> Artikel 14, lid 1 en 2, Belastingverdrag. </para>
  </footnote>
  <footnote id="_4ca80dca-5f5c-4d39-b7dc-2bd8f65eb561" label="6">
    <para> Artikel 21, lid 5, letter a, Belastingverdrag.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_c0c3db3c-8b38-4bba-9bc4-bf1736c2d523" label="7">
    <para> Artikel 17 respectievelijk 20 Belastingverdrag.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_43cf882a-e8f8-4e68-93d2-bb25a3185671" label="8">
    <para> Artikel 22 Belastingverdrag.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_fd719378-f6b1-412f-aeaa-8b78fb3c1209" label="9">
    <para> Zie onderdeel 2.4.                                                                                                                                                                                                                                                                                                                                                                                  </para>
  </footnote>
  <footnote id="_c29d78fb-5ad8-465b-9baf-8aeb51c615f6" label="10">
    <para> Verordening 883/2004.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_ef82bb32-0ebb-4eae-bf61-270c5760da2d" label="11">
    <para> Artikel 11, lid 3, onderdeel a, Verordening. </para>
  </footnote>
  <footnote id="_7f35f530-e29f-405e-8894-2bec83cd5199" label="12">
    <para> Artikel 8 WSFV.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_27aa5e6d-e5e2-45ea-9401-f80841bb4258" label="13">
    <para> Artikel 10 WSFV.</para>
  </footnote>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>