<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:GHSHE:2021:3872</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2021-12-30T14:06:21</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2021-12-30</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Gerechtshof_'s-Hertogenbosch" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Gerechtshof 's-Hertogenbosch</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2021-12-30</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">20-000888-19 OWV</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#hogerBeroep">Hoger beroep</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">'s-Hertogenbosch</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#strafrecht">Strafrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHSHE:2021:3872">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHSHE:2021:3872</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2021-12-30T13:57:00</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2021-12-30</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:GHSHE:2021:3872 Gerechtshof 's-Hertogenbosch , 30-12-2021 / 20-000888-19 OWV</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:GHSHE:2021:3872:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Afwijzing vordering ontneming, geen voordeel uit het aanwezig hebben van hennepplanten. Samenhang met de strafzaak ECLI:NL:GHSHE:2021:3873.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:GHSHE:2021:3872:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <para>Parketnummer	: 20-000888-19 OWV</para>
  <para>Uitspraak	: 30 december 2021</para>
  <parablock>
    <para>TEGENSPRAAK</para>
  </parablock>
  <section>
    <title>Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof</title>
    <bridgehead role="bold">'s-Hertogenbosch</bridgehead>
    <para />
    <parablock>
      <para>gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Oost-Brabant, zittingsplaats ’s-Hertogenbosch, van 20 maart 2019 op de vordering ex artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht, in de zaak met parketnummer 01-820005-16 tegen:</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>
      [verdachte] ,</title>
    <parablock>
      <para>geboren te [geboortedatum en -plaats] , </para>
      <para>wonende te [adres verdachte]</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="underline">Hoger beroep</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bij vonnis waarvan beroep is het geschatte wederrechtelijk verkregen voordeel vastgesteld op een bedrag van € 128.816,22 en is aan betrokkene een betalingsverplichting opgelegd voor eenzelfde bedrag.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Van de zijde van de betrokkene is tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="underline">Onderzoek van de zaak</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de zitting in hoger beroep van d.d. 16 december 2021 alsmede het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg. Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de betrokkene naar voren is gebracht.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het vonnis van de rechtbank zal bevestigen. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De verdediging heeft bepleit de ontnemingsvordering af te wijzen gelet op de in de onderliggende hoofdzaak bepleite vrijspraak.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="underline">Vonnis waarvan beroep</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het vonnis zal worden vernietigd omdat het hof zich daarmee niet kan verenigen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="underline">De beoordeling</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bij arrest van heden heeft dit hof in de onderliggende strafzaak met parketnummer 20-000887-19 betrokkene tot een straf veroordeeld ter zake van het “opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 3 onder C van de Opiumwet gegeven verbod, terwijl het feit betrekking heeft op een grote hoeveelheid van het middel”. Het hof heeft bewezen geacht – kort samengevat – dat hij in de periode van 1 december 2015 tot en met 14 december 2015 opzettelijk aanwezig heeft gehad een hoeveelheid van in totaal ongeveer 507 hennepplanten. Betrokkene is bij arrest van heden vrijgesproken van onder meer het opzettelijk telen, bereiden, bewerken en/of verwerken van hennepplanten.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Ingevolge het bepaalde in artikel 36e, tweede lid, (oud) van het Wetboek van Strafrecht moet worden onderzocht of, en zo ja in hoeverre, betrokkene wederrechtelijk voordeel heeft verkregen door middel van of uit de baten van het bewezenverklaarde of van andere strafbare feiten waaromtrent voldoende aanwijzingen bestaan dat zij door de betrokkene zijn begaan. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het hof overweegt het volgende.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bij het vaststellen van het wederrechtelijk verkregen voordeel dient, mede gelet op het reparatoire karakter van de maatregel van ontneming als bedoeld in artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht, uitgegaan te worden van het voordeel dat betrokkene in de concrete omstandigheden van het geval daadwerkelijk heeft behaald.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het hof ziet in onderhavige zaak in het opzettelijk aanwezig hebben van een grote hoeveelheid hennepplanten onvoldoende grond om te concluderen dat het niet anders kan zijn dan dat betrokkene daaruit voordeel heeft genoten. Hoewel in zijn algemeenheid kan worden gesteld dat uit de opbrengst van hennepteelt voordeel kan worden verkregen zonder een eigen betrokkenheid bij de teelt of de verkoop ervan, heeft het hof uit het onderzoek geen aanwijzingen verkregen dat daadwerkelijk voordeel door de betrokkene is genoten. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het hof ziet evenmin aanleiding om in de onderhavige zaak de vermogenswaarde van de hennepplanten te beschouwen als door de betrokkene daadwerkelijk genoten voordeel. Hoewel de hennepplanten als zodanig vermogenswaarde kunnen genereren valt uit het opzettelijk aanwezig hebben ervan nog niet zonder meer af te leiden dat die eventuele vermogensvermeerdering aan de betrokkene toekomt en als daadwerkelijk behaald voordeel kan worden beschouwd. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Uit het dossier en het verhandelde ter terechtzitting in deze zaak, volgt voor het hof dan ook niet overtuigend dat met het opzettelijk aanwezig hebben van hennepplanten betrokkene daadwerkelijk een vermogenswaarde heeft gegenereerd dat tevens jegens hem als wederrechtelijk verkregen voordeel kan worden aangemerkt en vastgesteld. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het hof heeft uit het onderzoek ook overigens geen aanwijzingen verkregen dat de betrokkene anderszins wederrechtelijk voordeel heeft genoten als bedoeld in artikel 36e (oud) van het Wetboek van Strafrecht.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Gelet op het voorgaande is voor het hof niet voldoende aannemelijk geworden dat de betrokkene enig financieel voordeel heeft genoten door middel van of uit de baten van het bewezenverklaarde of andere strafbare feiten. De vordering ingevolge artikel 36e (oud) van het Wetboek van Strafrecht wordt derhalve afgewezen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>BESLISSING</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het hof:</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Wijst af de vordering strekkende tot oplegging van de verplichting tot betaling aan de staat van het geschatte wederrechtelijk verkregen voordeel tot het in die vordering genoemde bedrag.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Aldus gewezen door:</para>
      <para>mr. P.T. Gründemann, voorzitter,</para>
      <para>mr. W.E.C.A. Valkenburg en mr. B. Stapert, raadsheren,</para>
      <para>in tegenwoordigheid van mr. V.C. Minneboo, griffier,</para>
      <para>en op 30 december 2021 ter openbare terechtzitting uitgesproken.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </section>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>