<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:GHSHE:2021:2849</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2021-09-28T10:34:12</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2021-09-14</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Gerechtshof_'s-Hertogenbosch" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Gerechtshof 's-Hertogenbosch</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2021-09-14</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">200.286.152_01</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#hogerBeroep">Hoger beroep</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">'s-Hertogenbosch</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#civielRecht_burgerlijkProcesrecht">Civiel recht; Burgerlijk procesrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHSHE:2021:2849">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHSHE:2021:2849</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2021-09-28T10:32:22</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2021-09-28</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:GHSHE:2021:2849 Gerechtshof 's-Hertogenbosch , 14-09-2021 / 200.286.152_01</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:GHSHE:2021:2849:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Art. 332 Rv, vordering onder de appelgrens. Niet-ontvankelijk.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:GHSHE:2021:2849:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <uitspraak.info>
    <bridgehead role="bold">GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH  </bridgehead>
    <para>Team Handelsrecht</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>zaaknummer 200.286.152/01</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">arrest van 14 september 2021</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>gewezen in de zaak van </para>
    </parablock>
    <para />
  </uitspraak.info>
  <section>
    <title>
      <nr>1</nr> [appellant] ,<?linebreak?>wonende te [woonplaats] ,</title>
    <parablock>
      <para>2. <emphasis role="bold">[appellante] ,</emphasis><?linebreak?>wonende te [woonplaats] ,</para>
      <para>appellanten,</para>
      <para>advocaat: mr. S.C. Leinders te Echt,</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>tegen</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">Stichting [stchting] ,</emphasis>
      </para>
      <para>gevestigd te [vestigingsplaats] ,</para>
      <para>geïntimeerde,</para>
      <para>advocaat: mr. L.H.W. Golsteijn te Venlo,</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>op het bij exploot van dagvaarding van 17 november 2020 ingeleide hoger beroep van het vonnis van 16 september 2020, door de kantonrechter van de rechtbank Limburg, zittingsplaats Roermond, gewezen tussen appellanten – [appellant] c.s. – als eisers en geïntimeerde – [stchting] – als gedaagde.</para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>1</nr>Het geding in eerste aanleg (zaak-/rolnummer 8374376 / CV EXPL 20-934)</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar voormeld vonnis.</para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>2</nr>Het geding in hoger beroep</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het verloop van de procedure blijkt uit:</para>
    </parablock>
    <itemizedlist mark="-">
      <listitem>
        <para>de dagvaarding in hoger beroep;</para>
      </listitem>
      <listitem>
        <para>de memorie van grieven tevens akte houdende eiswijziging met producties;</para>
      </listitem>
      <listitem>
        <para>de memorie van antwoord waarin tevens een beroep wordt gedaan op de niet-ontvankelijkheid van [appellant] c.s.;</para>
      </listitem>
      <listitem>
        <para>de akte van [appellant] c.s.;</para>
      </listitem>
      <listitem>
        <para>de antwoordakte van [stchting] .</para>
      </listitem>
    </itemizedlist>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het hof heeft daarna een datum voor arrest bepaald.</para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section role="overwegingen">
    <title>
      <nr>3</nr>De beoordeling</title>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>3.1.</nr>
      <parablock>
        <para>
          [appellant] c.s. hebben in eerste aanleg – na eiswijziging - gevorderd:</para>
        <para>
          <emphasis role="underline">Primair</emphasis>
        </para>
        <para>I.	voor recht te verklaren dat de finale kwijting, zoals overeengekomen in de vaststellingsovereenkomst van 2 april 2020, geen betrekking heeft op de door [appellant] c.s. geleden onvoorziene schade van € 1.441,66,</para>
        <para>
          <emphasis role="underline">Subsidiair</emphasis>
        </para>
        <para>II.	 voor recht te verklaren dat de vaststellingsovereenkomst wegens strijd met de goede zeden en openbare procesorde ex artikel 3:40 BW nietig is;</para>
        <para>
          <emphasis role="underline">Meer subsidiair</emphasis>
        </para>
        <para>III.	vernietiging van de vaststellingsovereenkomst op grond van artikel 6:248 BW;</para>
        <para>
          <emphasis role="underline">Meest subsidiair</emphasis>
        </para>
        <para>IV.	ontbinding van de vaststellingsovereenkomst op grond van artikel 6:258 BW;</para>
        <para>
          <emphasis role="underline">Zowel primair, subsidiair, meer subsidiair en meest subsidiair</emphasis>
        </para>
        <para>V.	veroordeling van [stchting] tot betaling van € 1.441,66 aan onvoorziene schade vermeerderd met de wettelijke rente;</para>
        <para>VI.	veroordeling van [stchting] in de proceskosten.</para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.2.</nr>
      <para>De kantonrechter heeft de vorderingen afgewezen en [appellant] c.s. veroordeeld in de proceskosten.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.3.</nr>
      <para>
        [appellant] c.s. zijn van dit vonnis in hoger beroep gekomen. [stchting] stelt in de memorie van antwoord dat [appellant] c.s. niet ontvankelijk zijn op grond van artikel 332 lid 1 Rv. Volgens [stchting] vertegenwoordigen de vorderingen van [appellant] c.s., die gericht zijn op de aantasting van de vaststellingsovereenkomst, op zichzelf geen waarde ten opzichte van de schadevergoeding. In de kern zijn de vorderingen duidelijk gericht op het verkrijgen van een aanvullende (schade)vergoeding van € 1.441,66, wat een lagere waarde is dan de appelgrens.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.4.</nr>
      <parablock>
        <para>
          [appellant] c.s. stellen in hun akte dat het bestreden vonnis wel appellabel is. De primaire, subsidiaire, meer subsidiaire en meest subsidiaire vorderingen betreffen vorderingen van onbepaalde waarde in de zin van artikel 332 lid 1 Rv. Volgens [appellant] c.s. wordt immers verzocht om een verklaring voor recht, dan wel vernietiging, althans ontbinding van de vaststellingsovereenkomst. [appellant] c.s. stellen dat zij niet enkel belang hebben bij betaling van de reeds gevorderde schade, doch ook bij de gevorderde verklaring voor recht, vernietiging of ontbinding (van een gedeelte) van de vaststellingsovereenkomst, vooral nu opnieuw sprake is van schade aan de keuken. [appellant] c.s. behouden zich het recht voor om later een nadere schadevergoeding te vorderen, De hoogte van de totale vordering tot schadevergoeding zal alsdan de appelgrens ruimschoots overschrijden. Tot slot stellen [appellant] c.s. dat zij een economisch belang hebben bij de uitkomst van de procedure in hoger beroep, omdat zij anders, indien zij niet-ontvankelijk worden verklaard, een nieuwe procedure in eerste aanleg moeten beginnen.</para>
        <para>
          [stchting] heeft hierop bij antwoordakte gemotiveerd gereageerd.</para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.5.</nr>
      <parablock>
        <para>Het hof overweegt als volgt.</para>
        <para>Op grond van art. 332 lid 1 Rv is een in eerste aanleg gewezen vonnis niet appellabel indien de vordering, eventueel na wijziging van eis, waarover de rechter in eerste aanleg had te beslissen niet meer beloopt dan € 1.750,-, of, ingeval van een vordering van onbepaalde waarde, er duidelijke aanwijzingen bestaan dat de vordering geen hogere waarde vertegenwoordigt dan € 1.750,-, een en ander tenzij de wet anders bepaalt. </para>
        <para>
          [appellant] c.s. hebben hun vorderingen in eerste aanleg bij akte van 3 juni 2020 gewijzigd en verminderd zoals hiervoor onder 3.1. genoemd. Naast schadevergoeding hebben zij ook een verklaring van recht, vernietiging dan wel ontbinding van de vaststellingsovereenkomst gevorderd. Hoewel dergelijke vorderingen in beginsel van onbepaalde waarde zijn, zijn er in het onderhavige geval aanwijzingen dat deze vorderingen geen hogere waarde vertegenwoordigen dan € 1.750,-. Immers, met vordering sub V worden de primaire, subsidiaire, meer subsidiaire en meest subsidiaire gekoppeld aan de gevorderde schadevergoeding van € 1.441,66. </para>
        <para>Het hof wijst ten overvloede nog op de eigen mededeling van [appellant] c.s in eerste aanleg: </para>
        <para>“Thans wordt deze vordering teruggebracht, in die zin dat enkel nog de daadwerkelijk gemaakte, door [stchting] nog niet vergoede kosten van € 1.441,66 gevorderd worden” (akte eiswijziging in eerste aanleg p. 2).</para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.6.</nr>
      <parablock>
        <para>Op grond van het hiervoor overwogene komt het hof derhalve tot het oordeel dat de appelgrens niet is gehaald. Het hof komt daardoor niet toe aan een inhoudelijke behandeling van de zaak en zal [appellant] c.s. in het door hun ingestelde hoger beroep niet ontvankelijk verklaren. [appellant] c.s. kondigen aan dat zij eventueel hun eis in hoger beroep nog gaan vermeerderen, maar dat is voor de beoordeling van hun ontvankelijkheid van geen belang. </para>
        <para>
          [appellant] c.s. zullen als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de proceskosten van het hoger beroep.</para>
      </parablock>
      <para />
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>
      <nr>4</nr>De beslissing</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het hof:</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>verklaart [appellant] c.s. niet-ontvankelijk in het hoger beroep;</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>veroordeelt [appellant] c.s. in de proceskosten van het hoger beroep, welke kosten aan de zijde van [stchting] tot de dag van deze uitspraak worden begroot op € 760,- aan griffierecht en op € 787,- (1 punt in liquidatietarief I) aan salaris advocaat.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Dit arrest is gewezen door mrs. S.M.A.M. Venhuizen, E.H. Schulten en J.M.H. Schoenmakers en is in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op 14 september 2021.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>	griffier					rolraadsheer</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
  </section>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>