<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:GHSHE:2021:2843</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2025-03-21T23:41:44</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2021-09-14</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Gerechtshof_'s-Hertogenbosch" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Gerechtshof 's-Hertogenbosch</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2021-09-14</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">200.269.481_01</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#hogerBeroep">Hoger beroep</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">'s-Hertogenbosch</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#civielRecht_ondernemingsrecht">Civiel recht; Ondernemingsrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#civielRecht_verbintenissenrecht">Civiel recht; Verbintenissenrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
          <rdf:li>JIN 2021/157 met annotatie van Cornelissen, N.G.</rdf:li>
          <rdf:li>JONDR 2021/808</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHSHE:2021:2843">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHSHE:2021:2843</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2021-09-28T14:38:27</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2021-09-28</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:GHSHE:2021:2843 Gerechtshof 's-Hertogenbosch , 14-09-2021 / 200.269.481_01</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:GHSHE:2021:2843:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Bij oprichting bv is door de ene aandeelhouder een bedrag van € 18.000,- ter beschikking gesteld aan andere aandeelhouder voor volstorting aandelen; is sprake van een geldlening, en is het bedrag terugbetaald?</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:GHSHE:2021:2843:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <uitspraak.info>
    <bridgehead role="bold">GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH</bridgehead>
    <para>Team Handelsrecht</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>zaaknummer 200.269.481/01</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">arrest van 14 september 2021</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>in de zaak van </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">
          [appellant]
        </emphasis>,</para>
      <para>wonende te [woonplaats] ,</para>
      <para>appellant,</para>
      <para>hierna aan te duiden als [appellant] ,</para>
      <para>advocaat: mr. J.J. Bronsveld te Bergen op Zoom,</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>tegen</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">
          [geïntimeerde] ,</emphasis>
      </para>
      <para>wonende te [woonplaats] ,</para>
      <para>geïntimeerde,</para>
      <para>hierna aan te duiden als [geïntimeerde] ,</para>
      <para>advocaat: mr. R.P.G. Schelvis te Tilburg,</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>als vervolg op het door het hof gewezen tussenarrest van 28 januari 2020 in het hoger beroep van het door de kantonrechter van de rechtbank Zeeland-West-Brabant, zittingsplaats Bergen op Zoom, onder zaaknummer 6815697 CV EXPL 18-1450 gewezen vonnis van 14 augustus 2019 tussen [geïntimeerde] als eiser en [appellant] als gedaagde.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </uitspraak.info>
  <section>
    <title>
      <nr>5</nr>Het verloop van de procedure</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het verloop van de procedure blijkt uit:</para>
    </parablock>
    <para>- het tussenarrest van 28 januari 2020 waarbij het hof een mondelinge behandeling na aanbrengen heeft gelast, welke niet heeft plaatsgevonden</para>
    <itemizedlist mark="-">
      <listitem>
        <para>de memorie van grieven van 23 juni 2020, met producties 1 en 2</para>
      </listitem>
      <listitem>
        <para>de memorie van antwoord van 1 september 2020, met productie 1</para>
      </listitem>
      <listitem>
        <para>de mondelinge behandeling van 1 september 2021.</para>
      </listitem>
    </itemizedlist>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het hof heeft daarna een datum voor arrest bepaald. Het hof doet recht op bovenvermelde stukken en de stukken van de eerste aanleg</para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section role="overwegingen">
    <title>
      <nr>6</nr>De beoordeling</title>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>6.1.</nr>
      <para>De door de kantonrechter vastgestelde feiten zijn in hoger beroep niet bestreden. Deze luiden als volgt.</para>
      <para />
      <parablock>
        <para>a) In 2008 was [geïntimeerde] enig aandeelhouder en bestuurder van [B.V. 1] (oud). [appellant] was werkzaam in de onderneming van [geïntimeerde] .</para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>b) Partijen waren van plan samen een nieuw bedrijf te starten. Met het oog daarop wensten zij een nieuwe bv/werkmaatschappij op te richten. [appellant] zou daarnaast een eigen bv oprichten, die, samen met de bv van [geïntimeerde] , statutair bestuurder zou worden van de nieuwe bv van partijen.</para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>c) Op 23 december 2008 is van de rekening van [B.V. 1] (oud) een bedrag van € 18.000,- overgemaakt op de rekening met nummer [nummer 1] van [B.V. 2] Holding B.V. (de nieuw op te richten bv van [appellant] ) met de omschrijving “inzake oprichten BV”.</para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>d) Eveneens op 23 december 2008 is zowel van de rekening van [B.V. 1] (oud) – met nummer [nummer 2] – als van de rekening van [B.V. 2] Holding B.V. een bedrag van € 9.000,- betaald op de rekening bij ABN AMRO Bank met nummer [nummer 3] ten name van [B.V. 3] i.o. (nieuw) met bij beide betalingen de omschrijving “inzake oprichten BV”.</para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>e) De bv van partijen samen is opgericht per 30 december 2008, onder de naam [B.V. 4] Met ingang van diezelfde datum heeft [geïntimeerde] de statutaire naam van [B.V. 1] (oud) doen wijzigen in [B.V. 5] B.V. </para>
        <para>
          [B.V. 5] B.V. (met [geïntimeerde] als bestuurder/enig aandeelhouder) en [B.V. 2] Holding B.V. (met [appellant] als bestuurder/enig aandeelhouder) waren beide voor 50% aandeelhouder van [B.V. 4] (nieuw).</para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>f) [appellant] heeft binnen [B.V. 4] (nieuw) werkzaamheden verricht op basis van een managementovereenkomst met de bv.</para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>g) Op 13 januari 2009 is van de particuliere rekening courant bij ABN AMRO Bank met nummer [nummer 4] een bedrag van € 18.000,- overgemaakt naar girorekening [nummer 5] op naam van [appellant] met de omschrijving “lening oprichting”.</para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>h) Op 23 januari 2009 heeft [B.V. 2] Holding B.V. een bedrag van € 18.000,- betaald aan [B.V. 5] B.V.</para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>i) Op 9 februari 2009 is op de particuliere rekening courant bij ABN AMRO Bank met nummer [nummer 4] een bedrag van € 9.000,- betaald door [B.V. 2] Holding B.V. met de omschrijving “lening”.</para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>j) In oktober 2016 hebben partijen de samenwerking in [B.V. 4] (nieuw) beëindigd. [B.V. 2] Holding B.V. heeft haar aandelen in [B.V. 4] (nieuw) verkocht en geleverd aan [B.V. 5] B.V. voor een bedrag van € 1,-.</para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>k) Bij brief van 16 maart 2017 heeft [geïntimeerde] [appellant] gesommeerd tot terugbetaling van een bedrag van € 9.000,- binnen 14 dagen na dagtekening van de brief.</para>
      </parablock>
      <para />
      <paragroup>
        <nr>6.2.1.</nr>
        <para>
          [geïntimeerde] heeft gevorderd om [appellant] te veroordelen tot betaling aan hem van een bedrag van € 9.000,-, vermeerderd met rente en kosten. [geïntimeerde] heeft aan deze vordering ten grondslag gelegd dat hij (privé) met [appellant] (privé) een overeenkomst van geldlening heeft gesloten uit hoofde waarvan [appellant] op 13 januari 2009 een bedrag van € 18.000,- van [geïntimeerde] heeft ontvangen. [appellant] heeft op 9 februari 2009 een bedrag van € 9.000,- terugbetaald. Het resterende bedrag van € 9.000,- heeft [geïntimeerde] niet ontvangen.</para>
        <para />
      </paragroup>
      <paragroup>
        <nr>6.2.2.</nr>
        <para>De rechtbank heeft de vordering van [geïntimeerde] toegewezen en [appellant] in de proceskosten veroordeeld.</para>
        <para />
      </paragroup>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>6.3.</nr>
      <parablock>
        <para>
          [appellant] heeft in hoger beroep geconcludeerd tot vernietiging van het bestreden vonnis en tot het alsnog afwijzen van de vordering van [geïntimeerde] .</para>
        <para>	[geïntimeerde] heeft geconcludeerd tot bekrachtiging van het bestreden vonnis.</para>
      </parablock>
      <para />
      <paragroup>
        <nr>6.4.1.</nr>
        <para>
          [appellant] bestrijdt het oordeel van de kantonrechter dat sprake is van een geldlening tussen [geïntimeerde] en [appellant] met betrekking tot het bedrag van € 18.000,- dat op 13 januari 2009 door [appellant] is ontvangen. [appellant] bestrijdt daarnaast het oordeel dat [appellant] zijn verweer dat de lening volledig is afgelost onvoldoende heeft onderbouwd.</para>
        <para />
      </paragroup>
      <paragroup>
        <nr>6.4.2.</nr>
        <para>Het hof stelt voorop dat de gestelde geldlening is aangegaan vóór 1 januari 2017, zodat op grond van artikel 200* Overgangswet Nieuw BW het voordien geldende recht van toepassing is. Dit betekent dat de artikelen 7A:1791 e.v. (oud) BW van toepassing zijn.</para>
        <para />
      </paragroup>
      <paragroup>
        <nr>6.4.3.</nr>
        <parablock>
          <para>Tussen partijen is niet in geschil dat:</para>
          <para>- het bedrag van € 18.000,- dat [appellant] op 13 januari 2009 heeft ontvangen op zijn girorekening (6.1. sub g) aan hem is overgemaakt door [geïntimeerde] vanaf een particuliere bankrekening van [geïntimeerde] ;</para>
          <para>- het bedrag van € 18.000,- door partijen bestemd was om door [appellant] te worden gebruikt voor volstorting van zijn aandelen in het kader van de oprichting van [B.V. 2] Holding B.V.;</para>
          <para>- [appellant] zich ertoe had verplicht om het bedrag van € 18.000,-, na oprichting van [B.V. 2] Holding B.V. en volstorting van de aandelen weer aan [geïntimeerde] terug te geven.</para>
          <para>Het hof is van oordeel dat op basis van deze feiten sprake is van een overeenkomst van verbruiklening (geldlening) in de zin van artikel 7A:1791 (oud) BW, op grond waarvan [geïntimeerde] een bedrag van € 18.000,- aan [appellant] ter beschikking heeft gesteld om door [appellant] te worden verbruikt, welk bedrag [appellant] gehouden was terug te betalen aan [geïntimeerde] . Hiermee in lijn is de aanduiding “lening” die door zowel [geïntimeerde] (bij de overmaking op 13 januari 2009) als door [B.V. 2] Holding B.V. (bij de betaling op 9 februari 2009) is gebruikt (6.1. sub g en i).</para>
        </parablock>
        <para />
      </paragroup>
      <paragroup>
        <nr>6.4.4.</nr>
        <para>Wat betreft de terugbetaling van de lening heeft [appellant] gesteld dat van het bedrag van € 18.000,- een bedrag van € 9.000,- is terugbetaald op 9 februari 2009. Een tweede bedrag van € 9.000,- is terechtgekomen op de bankrekening met nummer [nummer 3] . Deze bankrekening is altijd louter ten behoeve van de heer [geïntimeerde] althans [B.V. 1] (oud) ( [B.V. 5] B.V.) gebleven en nimmer terechtgekomen in de nieuw op te richten bv: [B.V. 4] (nieuw). Een doorstorting naar [B.V. 4] (nieuw) heeft niet plaatsgevonden, aldus [appellant] .</para>
        <para />
      </paragroup>
      <paragroup>
        <nr>6.4.5.</nr>
        <para>
          [geïntimeerde] heeft betwist dat het resterende bedrag van € 9.000 is terugbetaald. In dit kader heeft [geïntimeerde] toegelicht dat na oprichting van [B.V. 4] (nieuw) de bankrekening met nummer [nummer 2] van [B.V. 1] (oud) is overgenomen door [B.V. 4] (nieuw), en dat de bankrekening met nummer [nummer 3] van [B.V. 4] (nieuw) is overgenomen door [B.V. 1] (oud) ( [B.V. 5] B.V.). Dit is volgens [geïntimeerde] gebeurd op advies van de gezamenlijke accountant zodat [B.V. 4] (nieuw) voort kon gaan met het voor afnemers en leveranciers bekende bankrekeningnummer [nummer 2] . Omdat in verband met deze overdracht [B.V. 1] (oud) ( [B.V. 5] B.V.) een bankrekening nodig had, is de bankrekening met nummer [nummer 3] door [B.V. 4] (nieuw) aan haar overgedragen, zo heeft [geïntimeerde] bij de mondelinge behandeling in hoger beroep nader toegelicht. De overdracht van beide bankrekeningen is verwerkt in de rekening-courant tussen [B.V. 1] (oud) ( [B.V. 5] B.V.) en [B.V. 4] (nieuw). Zo is vanwege de overdracht van de bankrekening met nummer [nummer 3] een bedrag van € 17.952,75 in deze rekening-courant ten laste gebracht van [B.V. 1] (oud) ( [B.V. 5] B.V.), aldus [geïntimeerde] , waarbij hij heeft verwezen naar een mutatieoverzicht van deze rekening-courant.</para>
        <para />
      </paragroup>
      <paragroup>
        <nr>6.4.6.</nr>
        <parablock>
          <para>Het hof overweegt dat vaststaat dat met de overmaking van het bedrag van € 9.000,- door [B.V. 2] Holding B.V. op 23 december 2008 op de bankrekening met nummer [nummer 3] werd voldaan aan haar volstortingsplicht in het kader van de oprichting van [B.V. 3] i.o. (nieuw). Ook staat vast dat deze bankrekening op dat moment op naam stond van [B.V. 3] i.o. (nieuw). Deze vaststelling door de kantonrechter (6.1 sub d) heeft [appellant] niet bestreden. Dat deze bankrekening op naam stond van [B.V. 3] i.o. (nieuw) volgt ook uit de brief van ABN AMRO Bank van 23 december 2008 (productie 3 bij conclusie van repliek). Hieruit volgt dat de bankrekening met nummer [nummer 3] niet, zoals [appellant] stelt, altijd bij [geïntimeerde] of [B.V. 1] (oud) ( [B.V. 5] B.V.) is gebleven. Deze bankrekening werd immers ten tijde van de storting gehouden door [B.V. 3] i.o. (nieuw), en vanaf de oprichting op 30 december 2008 door [B.V. 4] (nieuw). </para>
          <para>	Het hof overweegt verder dat [appellant] de door [geïntimeerde] gestelde overdracht van deze bankrekening aan [B.V. 1] (oud) ( [B.V. 5] B.V.) niet heeft weersproken. Wat betreft de gestelde verrekening in de rekening-courant tussen [B.V. 1] (oud) ( [B.V. 5] B.V.) en [B.V. 4] (nieuw) heeft [appellant] , desgevraagd bij de mondelinge behandeling in hoger beroep, slechts aangevoerd dat hij van de boekhoudkundige mutaties niet heeft geweten. Dat [B.V. 1] (oud) ( [B.V. 5] B.V.) vanwege de overname van deze bankrekening een bedrag schuldig is geworden aan [B.V. 4] (nieuw) ter hoogte van het saldo van deze bankrekening bij overdracht (productie 2 bij conclusie van repliek en productie 1 bij memorie van antwoord) heeft [appellant] niet althans onvoldoende gemotiveerd weersproken.</para>
          <para>	Het hof is op basis van het voorgaande van oordeel dat [appellant] zijn verweer dat het resterende bedrag van de lening, ter hoogte van € 9.000,-, op de door hem geschetste wijze is afgelost onvoldoende heeft onderbouwd.</para>
        </parablock>
        <para />
      </paragroup>
      <paragroup>
        <nr>6.4.7.</nr>
        <para>Uit het voorgaande volgt dat de door [appellant] voorgedragen grieven falen. Het bestreden vonnis zal daarom worden bekrachtigd. [appellant] zal worden veroordeeld in de proceskosten van het hoger beroep. Deze worden aan de zijde van [geïntimeerde] begroot op:</para>
        <para />
        <parablock>
          <para>	– griffierecht						€      324,-</para>
          <para>– salaris advocaat (2 punten x tarief II € 1.114,-)	<emphasis role="underline">€   2.228,- </emphasis></para>
          <para>totaal							€   2.552,-. </para>
        </parablock>
        <para />
      </paragroup>
    </paragroup>
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>7</nr>De uitspraak</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het hof:</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>bekrachtigt het bestreden vonnis, voor zover dit aan het oordeel van het hof is onderworpen;</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>veroordeelt [appellant] in de proceskosten van het hoger beroep, en stelt die kosten tot op heden aan de zijde van [geïntimeerde] vast op € 2.552,-, en verklaart deze veroordeling uitvoerbaar bij voorraad.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Dit arrest is gewezen door mrs. S.C.H. Molin, N.M.W. van den Heuvel en N.P.J. van de Pasch en in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op 14 september 2021.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>	griffier					rolraadsheer</para>
    </parablock>
  </section>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>